ECLI:NL:RBNHO:2026:196

ECLI:NL:RBNHO:2026:196, Rechtbank Noord-Holland, 15-01-2026, 11640488

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 15-01-2026
Datum publicatie 19-01-2026
Zaaknummer 11640488
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

Eiser vordert schade vanwege gebreken en tekortkomingen door gedaagde bij het bouwen van een beschoeiing en vlonder in zijn tuin. Een deel van de vordering wordt toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Zaanstad

Zaaknummer: 11640488 \ CV EXPL 25-1041

Vonnis van 15 januari 2026

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: dhr. [naam 1] (DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.),

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigden: mr. S.H.F. Kerckhoffs en mr. I.M. van Noort,

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 12 maart 2025 met dertien producties

de conclusie van antwoord van 7 mei 2025

het tussenvonnis van 19 juni 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,

de akte van de zijde van [eiser] van 31 oktober 2025 met twee producties

de mondelinge behandeling van 12 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen gesproken over een onderlinge regeling en daartoe een concept-vaststellingsovereenkomst opgesteld. De zaak is vervolgens aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen deze vaststellingsovereenkomst te ondertekenen. Omdat ondertekening is uitgebleven en dus geen onderlinge regeling tot stand is gekomen, hebben partijen de kantonrechter verzocht vonnis te wijzen.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

[gedaagde] exploiteert een onderneming actief in het aanleggen van tuinen.

Op 2 december 2023 sluiten partijen een overeenkomst van aanneming op grond waarvan [gedaagde] voor rekening van [eiser] een beschoeiing en een vlonder zou plaatsen in de tuin van [eiser] . Partijen spreken een prijs af van € 16.698,00 voor de werkzaamheden. [eiser] betaalt dit bedrag aan [gedaagde] .

Op 5 januari 2024 begint [gedaagde] met de werkzaamheden. [gedaagde] staakt de werkzaamheden omstreeks 20 januari 2024 vanwege andere werkzaamheden aan de uitbouw aan de woning van [eiser] , die eerst afgerond moeten voordat [gedaagde] verder kan met de beschoeiing en vlonder.

Vanaf 18 maart 2024 verzoekt [eiser] [gedaagde] bij herhaling het werk af te komen maken. Op 4 mei 2024 komt [gedaagde] ter plaatse om te kijken naar staat van de vlonder.

[eiser] verzoekt [gedaagde] tussen 4 mei 2024 en 4 juni 2024 herhaaldelijk de werkzaamheden af te ronden.

Op 4 juni 2024 stuurt [eiser] een schriftelijke ingebrekestelling aan [gedaagde] , waarin hij [gedaagde] sommeert om binnen drie weken de werkzaamheden aan de vlonder af te maken en om enkele gebreken in de uitgevoerde werkzaamheden te herstellen.

Op 10 september 2024 volgt een tweede ingebrekestelling van de gemachtigde van [eiser] . Deze sommeert [gedaagde] om binnen een week aansprakelijkheid te erkennen voor de gebreken en te bevestigen dat hij de gebreken zal (laten) herstellen.

Op 16 september 2024 reageert [gedaagde] daarop onder meer het volgende:

Ik bevestig hierbij dat ik het herstel bij dhr. [eiser] netjes zal oplossen. Ik neem deze week contact op met dhr. [eiser] om dit in te plannen en netjes op te lossen.

Na herhaaldelijke verzoeken om over te gaan tot het aangeboden herstel, stuurt [eiser] op 7 oktober 2024 verslag van een gesprek tussen partijen aan [gedaagde] . In dit verslag staat dat partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] een herstelplan gaat opstellen. [eiser] vermeldt onder meer:

Zojuist hebben wij een gesprek gehad over hoe jij de problemen met onze steiger en de steiger van de buurvrouw gaat oplossen. […] In dit plan staat gedetailleerd:

- hoe je de steiger geheel naar onze wensen en veiligheid gaat herstellen.

Alsmede die van de buurvrouw

Op 9 oktober 2024 stuurt [gedaagde] een e-mailbericht met als onderwerp ‘afspraken herstel en het plan daarvan’ aan [eiser] waarin [gedaagde] hem het volgende mededeelt:

Voor het verstevigen van de vlonder zal ik in totaal 8 palen van 10x10x500cm azobe plaatsen met daarop een gording van 5x15 om de bestaande vlonder op te vangen zal bij de buren een stuk van de beschoeiing afzagen zodat hij niet meer achter de vlonder van de buren blijft hangen

en de vlonder weer verstellen in oorspronkelijke staat de vlonderplanken voor de schuifpui zal ik monteren en ga een grondkering plaatsen zodat het zand aan de zijkant niet meer wegspoeld

en aan een kant een schuttingdeel plaatsen

Na het uitblijven van werkzaamheden stuurt de gemachtigde van [eiser] op 25 november 2024 een ingebrekestelling om binnen zeven dagen een afspraak te maken om de (herstel)werkzaamheden af te ronden, en kondigt aan dat [eiser] bij gebrek aan nakoming vervangende schadevergoeding vordert voor het bedrag van € 9.200,00.

3. Het geschil

[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 9.200,00 (exclusief btw) vermeerderd met rente en kosten. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] ondeugdelijk werk heeft verricht en schade heeft veroorzaakt. [eiser] heeft kosten moeten maken om zijn tuin af te maken en gebreken te herstellen. [eiser] wil dat [gedaagde] deze kosten vergoed.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Inleiding

Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de uitvoering van de werkzaamheden in de tuin van [eiser] . Volgens [eiser] doen zich daarbij drie problemen voor: de vlonder in zijn tuin is verzakt, de vlonder in de tuin van zijn buurvrouw is verzakt en er zijn enkele beschadigde planken.

De kantonrechter zal deze drie geschilpunten achtereenvolgens bespreken.

Geschilpunt 1: de vlonder van [eiser]

[eiser] stelt dat de door [gedaagde] aangelegde vlonder scheef loopt en geleidelijk in het water zakt. Volgens [eiser] is dit het gevolg van het feit dat achter de beschoeiing die de vlonder ondersteunt te veel zand is gestort en dat de dragende palen van de vlonder te kort zijn uitgevoerd. Hierdoor is de beschoeiing niet bestand tegen de druk van het zand, wat heeft geleid tot verzakking van de vlonder. Ter onderbouwing verwijst [eiser] naar de toelichting van een andere aannemer, [naam 2] (hierna: de herstelaannemer), die een offerte heeft opgesteld voor de herstelwerkzaamheden. In verband met deze gestelde tekortkoming vordert [eiser] € 6.700,00 aan herstelkosten voor het opnieuw plaatsen van de beschoeiing en de vlonder, en € 500,00 aan kosten voor verbeteringen ten opzichte van het oorspronkelijke plan in de vorm van extra ondersteunende palen.

[gedaagde] betwist dat sprake is van een gebrek en wijst daarbij op het ontbreken van een deskundigenrapport. Voor zover al sprake zou zijn van een gebrek, stelt hij dat dit is veroorzaakt doordat [eiser] zelf zand afkomstig van de werkzaamheden aan de uitbouw tegen de constructie heeft gestort, waardoor de vlonder scheef is gezakt. Een eventuele ondeugdelijke uitvoering kan hem daarom niet worden toegerekend. Bovendien heeft [gedaagde] [eiser] vooraf gewaarschuwd dat het storten van zand zou kunnen leiden tot verzakkingen van de beschoeiing en de vlonder.

De kantonrechter overweegt als volgt.

Er is een tekortkoming

[eiser] stelt met de toelichting van de herstelaannemer voldoende onderbouwd dat de beschoeiing en de vlonder niet deugdelijk zijn aangebracht en gebreken bevatten. [gedaagde] betwist het bestaan van de door [eiser] gestelde gebreken, maar licht dit standpunt niet concreet toe en onderbouwt het ook niet. Daar komt bij dat [gedaagde] in de correspondentie met [eiser] meerdere malen heeft aangegeven dat hij de problemen met de beschoeiing en de vlonder zou herstellen en daarvoor ook een concreet plan heeft opgesteld. Deze uitlatingen laten zich moeilijk verenigen met zijn verweer dat van gebrekkig werk geen sprake zou zijn. Het is in dit geval ook niet nodig dat [eiser] een onafhankelijk deskundigenrapport overlegt. Op grond van de verklaring van de herstelaannemer, in samenhang met de hiervoor genoemde correspondentie, staat voldoende vast dat sprake is van een gebrek aan de beschoeiing en de vlonder. Daarmee is sprake van een tekortkoming in de nakoming van de aannemingsovereenkomst.

De tekortkoming is toerekenbaar

Voor het verweer van [gedaagde] dat de tekortkoming niet aan hem kan worden toegerekend, beroept hij zich op artikel 7:760 Burgerlijk Wetboek (BW). Dit artikel bepaalt dat de gevolgen van het gebruik van door de opdrachtgever verstrekte zaken die gebrekkig of ongeschikt zijn, voor rekening van de opdrachtgever komen indien daardoor het werk ondeugdelijk is uitgevoerd. Deze bepaling is echter niet van toepassing op de onderhavige situatie. [gedaagde] stelt niet dat hij bij de aanleg van de beschoeiing en de vlonder gebruik heeft moeten maken van zand afkomstig van de uitbouw, en dat de vlonder is verzakt doordat dit zand als bouwmateriaal gebrekkig of ongeschikt was. Hij stelt alleen dat er sprake is van een oorzaak buiten zijn invloedssfeer, namelijk het storten van zand door een andere aannemer waardoor de vlonder is gaan verzakken. Het beroep van [gedaagde] op artikel 7:760 BW kan daarom niet slagen.

Ook indien dit verweer moet worden opgevat als een beroep op de tenzij-clausule van artikel 6:74 BW, slaagt dit niet. [eiser] betwist namelijk dat hij of een andere aannemer van hem zand dat is vrijgekomen van de uitbouw tegen de constructie van de beschoeiing en de vlonder heeft gestort. [gedaagde] voert daartegenover geen concrete feiten en omstandigheden aan waaruit volgt dat de verzakking het gevolg is van het storten van zand door een ander dan hijzelf. De kantonrechter gaat daarom aan dat standpunt van [gedaagde] voorbij. De tekortkoming valt dus aan [gedaagde] toe te rekenen.

[gedaagde] is in verzuim

[gedaagde] stelt dat hij niet in verzuim is geraakt, omdat hij niet behoorlijk in gebreke zou zijn gesteld. In dat verband voert hij aan dat in de ingebrekestellingen van 4 juni 2025 en 10 september 2024 posten zijn opgenomen die geen onderdeel uitmaakten van de aannemingsovereenkomst, zodat hij daarop niet kon worden aangesproken.

Dit verweer slaagt niet. Niet in geschil is dat de aannemingsovereenkomst in ieder geval ziet op het aanleggen van de beschoeiing en de vlonder. De ingebrekestellingen hadden in elk geval betrekking op deze werkzaamheden en troffen daarmee doel. Bovendien staat vast dat partijen in oktober 2024 nadere afspraken hebben gemaakt over de omvang van de herstelwerkzaamheden. Niet valt in te zien waarom [gedaagde] niet is overgegaan tot het uitvoeren van herstelwerkzaamheden waarvan duidelijk is dat deze onder de aannemingsovereenkomst vallen, temeer nu de gemachtigden van [gedaagde] ter zitting nog hebben verklaard dat hij altijd bereid is geweest om tot dat herstel over te gaan. Nu hij dat niet binnen de door [eiser] gestelde termijn heeft gedaan, is [gedaagde] in verzuim geraakt.

Noodzaak van manier van herstel

[gedaagde] voert verweer tegen de hoogte van de gevorderde herstelkosten. Hij betwist dat de verwijdering en het opnieuw bouwen van de beschoeiing en vlonder noodzakelijk is. Hij heeft immers al een beschoeiing en vlonder gemaakt. De gevorderde herstelkosten van € 6.700,00 zijn daarom niet toewijsbaar, aldus [gedaagde] .

Dit verweer slaagt niet. Zoals hiervoor is overwogen, staat vast dat sprake is van een tekortkoming in de aanleg van de beschoeiing en de vlonder. [eiser] onderbouwt met de toelichting van de herstelaannemer voldoende dat herstel door het demonteren en verwijderen en vervolgens het opnieuw bouwen van de beschoeiing en de vlonder noodzakelijk is. De herstelaannemer geeft namelijk aan dat herstel door het terugtrekken van de beschoeiing met een graafmachine niet meer gaat omdat de beschoeiing te ver is verzakt. [gedaagde] voert daartegenover geen alternatieve (en goedkopere) herstelmethode waarmee de tekortkoming kan worden verholpen.

Noodzaak van extra palen

[gedaagde] voert ten slotte verweer tegen de gevorderde vergoeding van € 500,00, omdat die ziet op het aanbrengen van extra ondersteunende palen. Volgens hem onderbouwt [eiser] onvoldoende dat dit noodzakelijk is, omdat [eiser] alleen wijst naar een toelichting van de herstelaannemer op diens offerte. De herstelaannemer geeft aan de optie van het plaatsen van extra palen te willen toepassen, omdat hij niet achter de constructie staat en de beschoeiing te veel te verduren heeft.

De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in zijn standpunt. Uit de omstandigheid dat de vlonder is verzakt, volgt dat de constructie ondeugdelijk is en versterkt moet worden. Met de verklaring van de herstelaannemer onderbouwt [eiser] voldoende dat het plaatsen van de extra palen geen uitbreiding is van de werkzaamheden, maar onderdeel van het herstel.

Tussenconclusie

De conclusie met betrekking tot de beschoeiing en de vlonder van [eiser] is dat [gedaagde] voldoende in de gelegenheid is gesteld om de werkzaamheden deugdelijk af te ronden, maar dit niet gedaan heeft, en hij dus de gevorderde vervangende schadevergoeding dient te voldoen. Het bedrag van € 7.200,00 is daarmee toewijsbaar.

Geschilpunt 2: de vlonder van de buurvrouw van [eiser]

[eiser] stelt dat de buurvrouw van [eiser] schade heeft geleden omdat [gedaagde] de vlonder van [eiser] aan de vlonder van de buurvrouw heeft vastgemaakt, en die vlonder door de verzakking van de vlonder van [eiser] ook is gaan verzakken. In verband hiermee vordert [eiser] een vergoeding van € 1.000,00 voor de kosten van het repareren van de vlonder van de buurvrouw door de de herstelaannemer.

[gedaagde] voert aan dat [eiser] geen belang heeft bij deze vordering, omdat dit gaat om schade die is geleden door de buurvrouw en niet door [eiser] . De kantonrechter stelt voorop dat [eiser] inderdaad niet zonder meer schadevergoeding kan vorderen voor schade die een derde heeft geleden. Toch zal de kantonrechter het gevorderde bedrag toewijzen. [eiser] heeft namelijk ook een eigen aanspraak op [gedaagde] .

Hiervoor is van belang dat [eiser] een verslag heeft gestuurd op 7 oktober 2024 waarin expliciet staat opgenomen dat partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] ook de vlonder van de buurvrouw zou repareren. [gedaagde] heeft vervolgens in zijn bericht van 9 oktober 2024 toegezegd dat hij bij de buren van [eiser] een deel van de beschoeiing zou afzagen zodat deze niet langer achter de vlonder van de buren blijft hangen en dat hij de vlonder zou herstellen in de oorspronkelijke staat. Weliswaar stellen de gemachtigden van [gedaagde] dat de toezegging over het herstellen van ‘de vlonder’ niet zo gelezen moet worden dat deze ook ziet op de vlonder van de buurvrouw, maar gelet op de inhoud en samenhang van de correspondentie van 7 en 9 oktober 2024 is die betwisting onvoldoende onderbouwd. Voldoende is komen vast te staan dat [gedaagde] zich jegens [eiser] ook heeft verbonden tot herstel van de vlonder van de buurvrouw.

Nu [gedaagde] dit herstel niet heeft uitgevoerd, kan [eiser] in plaats van nakoming vervangende schadevergoeding vorderen. Ook het bedrag van € 1.000,00 is dus toewijsbaar.

Geschilpunt 3: schade aan een plank

[eiser] stelt dat bij de uitvoering van de werkzaamheden planken beschadigd zijn van de buurvrouw aan de andere zijde van de woning van [eiser] , en vordert hiervoor een bedrag aan herstelkosten van € 1.000,00. Anders dan bij de vlonder van de buurvrouw die in geschilpunt twee aan de orde is geweest, is niet gesteld of gebleken dat [gedaagde] zich jegens [eiser] heeft verbonden tot herstel van deze planken. Ook is niet gebleken van een andere rechtsgrond, zoals cessie, op grond waarvan [eiser] bevoegd is deze schade voor zijn buurvrouw te vorderen. Dit onderdeel van de vordering zal daarom worden afgewezen.

Omvang betalingsverplichting

De kantonrechter zal de gevorderde hoofdsom tot het bedrag van € 8.200,00 toewijzen.

[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Het gevorderde bedrag van € 835,00 aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen tot het wettelijke tarief dat hoort bij de hoofdsom van € 8.200,00 waartoe [gedaagde] zal worden veroordeeld, te weten € 785,00.

De wettelijke rente wordt toegewezen op na te melden wijze.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

149,09

- griffierecht

257,00

- salaris gemachtigde

812,00

(2 punten × € 406,00)

- nakosten

135,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.353,09

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5. De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 8.200,00 (exclusief btw), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 12 maart 2025, tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 785,00 aan buitengerechtelijke kosten,

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.353,09, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door N. Ćulafić en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?