RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 11685524 \ CV EXPL 25-1713
Uitspraakdatum: 25 februari 2026
Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
ISO22 B.V.
te Leeuwarden
de eisende partij
gemachtigde: Straetus Incasso Friesland B.V.
tegen
[gedaagde]
te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen
1. De verdere procedure
Bij tussenvonnis van 5 november 2025 is de eisende partij in de gelegenheid gesteld om bij akte toe te lichten hoe zij bij het tot stand komen van de overeenkomst heeft voldaan aan de op haar rustende (pre)contractuele informatieplichten, de toepasselijke algemene voorwaarden te overleggen en zich uit te laten over de (on)eerlijkheid van de daarin opgenomen bedingen. Ter uitvoering van het tussenvonnis heeft de eisende partij een akte genomen.
2. De verdere beoordeling
Ambtshalve toetsing van de precontractuele informatieplichten
De eisende partij stelt te hebben voldaan aan de precontractuele informatieplichten van artikel 6:230m lid 1 en artikel 6:230t lid 1 BW. Ter onderbouwing hiervan heeft zij een schermafbeelding overgelegd, voorzien van een toelichting. Uit deze toelichting en stukken blijkt niet (voldoende) dat de eisende partij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst aan de informatieplicht(en) als bedoeld in artikel 6:230m lid 1 onder g en h en artikel 6:230t lid 1 BW heeft voldaan.
De eisende partij stelt namelijk dat de informatie over de wijze van betaling, levering en uitvoering (zoals bedoeld in artikel 6:230m lid 1 onder g BW) op de website dan wel in de offerte staat. Op de overgelegde schermafbeelding van de website staat deze informatie echter niet en de eisende partij heeft de offerte ook niet in het geding gebracht. Over de informatieplicht over het herroepingsrecht (zoals bedoeld in artikel 6:230m lid 1 onder h BW) stelt de eisende partij zich kennelijk op het standpunt dat zij daar niet aan hoeft te voldoen omdat dat herroepingsrecht niet van toepassing is. Dit standpunt volgt de kantonrechter niet. De eisende partij heeft immers niet gesteld dat er sprake is van maatwerk of dat er een andere uitzondering op het herroepingsrecht van toepassing is. Dit volgt ook niet zonder meer uit het dossier. Daarom moet het ervoor gehouden worden dat het herroepingsrecht, conform de hoofdregel, van toepassing is en dat de eisende partij de gedaagde partij daar niet over heeft geïnformeerd.
Ambtshalve toetsing van de contractuele informatieplicht
De informatie over het recht van ontbinding ontbreekt ook op de orderbevestiging, waarmee de eisende partij evenmin voldoet aan de contractuele informatieplicht van artikel 6:230t lid 1 BW. Voor deze schending(en) zal een sanctie worden toegepast.
Welke sanctie hoort hierbij?
De schending met betrekking tot het herroepingsrecht heeft tot gevolg dat de herroepingstermijn van veertien dagen is verlengd tot het moment waarop alle ontbrekende gegevens alsnog op de voorgeschreven wijze aan de gedaagde partij zijn verstrekt, maar ten hoogste met twaalf maanden (artikel 6:230o lid 2 BW). Omdat deze termijn al is verstreken en niet is gesteld of gebleken dat de gedaagde partij de overeenkomst binnen die termijn heeft willen herroepen, zal aan dit gebrek enkel de hieronder te noemen sanctie worden verbonden.
Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021 moet de kantonrechter aan de schending van de informatieplichten gevolgen verbinden door passende maatregelen te nemen die de consument effectieve rechtsbescherming bieden. Die maatregelen moeten doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn.
De kantonrechter zal daarom op grond van de hiervoor vastgestelde schending(en) de overeenkomst met toepassing van de sanctierichtlijn gedeeltelijk vernietigen in die zin dat de betalingsverplichting van de consument wordt verminderd met 20%.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
De kantonrechter moet, gelet op het Dexia-arrest, onderzoek doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
Uit de overgelegde stukken blijkt dat op de overeenkomst(en) de volgende algemene voorwaarden van de eisende partij van toepassing zijn verklaard: ‘Verkoop- en leveringsvoorwaarden’ van Stichting Het Isolatie Gilde van 8 november 2017 (hierna: de algemene voorwaarden).
Artikel 8 van de algemene voorwaarden bevat een rente- en incassokostenbeding. Dat luidt als volgt:
‘‘8. Oplevering en betaling. Op het moment van oplevering dus bij gereed melding door verkoper van de opdracht wordt de factuur door de koper per PIN of telefonisch voor 12 uur op de dag van de oplevering overgemaakt c.q. betaald. (…) Mocht de koper niet binnen de gestelde termijn betalen, heeft verkoper het recht de verhoging te verhogen met 1% rente per maand. Indien de vordering ter incasso wordt aangeboden bij een deurwaarder zullen al deze kosten verhoogd met minimaal 30% incasso- en gerechtskosten aan de klant in rekening worden gebracht, deze genoemde kosten zijn direct opeisbaar.’
Over het rentebeding wordt overwogen dat daarin een rente van 1% per maand is overeengekomen. Dat is een hoger percentage dan de wettelijke rente. Omdat dat percentage echter beneden de destijds geldende wettelijke handelsrente blijft, is geen sprake van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument. Daarmee is dit beding niet oneerlijk.
In artikel 8 van de algemene voorwaarden wordt ten nadele van de consument afgeweken van het bepaalde in artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten. Er wordt immers van uitgegaan dat alle kosten verschuldigd zijn. Daarbij is ook geen maximum opgenomen, wat ertoe leidt dat onbeperkte kosten voor rekening van de consument zouden kunnen komen. Dat zou tot gevolg hebben dat de consument belast wordt met hogere kosten dan wettelijk is toegestaan. Ook is in dit geval de bedongen vergoeding altijd ten minste 30% van de hoofdsom en daarmee hoger dan de wettelijke vergoeding. Tot slot volgt uit de tekst van het beding dat de incassokosten al verschuldigd zijn zodra de vordering uit handen wordt gegeven, terwijl de wettekst voorschrijft dat eerst nog een zogenoemde veertiendagenbrief moet worden verstuurd.
In het tussenvonnis is de eisende partij in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de eventuele oneerlijkheid van de bedingen in haar algemene voorwaarden. De eisende partij heeft daarover echter niets gesteld in haar akte. De kantonrechter gaat er daarom vanuit de eisende partij geen behoefte heeft om zich daar verder nog over uit te laten. De kantonrechter vernietigt artikel 8 van de algemene voorwaarden, voor zover dit de buitengerechtelijke incassokosten betreft. Dit betekent dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen.
Wat is toewijsbaar?
Gelet op het voorgaande is een bedrag van € 2.840,26 aan hoofdsom toewijsbaar (€ 3.550,33 x 0.8).
De vordering tot vergoeding van de verschenen rente zal worden afgewezen, omdat de eisende partij die rente (gelet op de toewijsbare hoofdsom) over een te hoog bedrag heeft berekend. De wettelijke rente zal worden toegewezen over de toewijsbare hoofdsom vanaf de dag van de dagvaarding.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen gelet op het voorgaande worden afgewezen.
De gedaagde partij wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor het opstellen van de akte blijven echter voor rekening van de eisende partij omdat het aan haarzelf te wijten was dat het nodig was om deze op te stellen. Daarbij wordt de gedaagde partij ook veroordeeld tot betaling van € 119,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de eisende partij worden gemaakt.
3. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 2.840,26, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 22 april 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 120,78;
griffierecht € 514,00;
salaris gemachtigde € 238,00;
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van € 119,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de eisende partij worden gemaakt;
verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter