RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 11586995 \ CV EXPL 25-726
Vonnis van 8 januari 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. R. Visser,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 25 februari 2025 met twaalf producties;
de conclusie van antwoord van 7 mei 2025;
de akte van vermeerdering van eis houdende twee extra producties van 10 november 2025;
de mondelinge behandeling van 24 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Op 31 mei 2024 sluiten partijen een overeenkomst op grond waarvan [gedaagde] werkzaamheden zou verrichten aan de woning van [eiser] . De werkzaamheden bestaan uit het schilderen van de buitenkant van de woning en het vervangen van ramen en herstellen van raamkozijnen. Partijen spreken af dat [eiser] voor dit werk € 3.950,00 exclusief btw betaalt aan [gedaagde] .
Op 26 juni 2024 begint [gedaagde] aan de werkzaamheden.
Na aanvang van de werkzaamheden spreken partijen af dat ze de prijs van het werk vanwege een wijziging daarin verhogen tot € 4.800,00 inclusief btw. [eiser] voldoet daarop de volledige prijs.
Tussen partijen ontstaat vervolgens discussie over de uitvoering van de werkzaamheden aan het keukenraamkozijn, waarna [gedaagde] geen werkzaamheden meer heeft uitgevoerd.
Bij brieven van 14 oktober 2024 en 4 november 2024 heeft de gemachtigde van [eiser] [gedaagde] schriftelijk in gebreke gesteld en gesommeerd om de werkzaamheden uiterlijk op 19 november 2024 alsnog deugdelijk af te ronden. Dit heeft [gedaagde] niet gedaan.
Op 10 december 2024 bericht [eiser] aan [gedaagde] dat hij zijn vordering tot nakoming van de aannemingsovereenkomst omzet in een vordering tot vervangende schadevergoeding.
3. Het geschil
[eiser] vordert na eisvermeerdering - samengevat - dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 3.594,54 aan vervangende schadevergoeding, te vermeerderen met rente en kosten.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Inleiding
[gedaagde] heeft voor rekening van [eiser] schilder- en herstelwerkzaamheden verricht aan de buitenzijde van de woning van [eiser] en daarvoor ook benodigde materialen geleverd. Er is daarmee sprake van een overeenkomst van aanneming van werk.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst, en dat daaruit schade is ontstaan. De schade bestaat volgens [eiser] ten eerste uit de kosten voor het alsnog laten uitvoeren door een derde van de afgesproken werkzaamheden die [gedaagde] niet heeft afgemaakt, en daarnaast uit de kosten van herstel van schade aan het stucwerk die is ontstaan bij de uitvoering van de werkzaamheden door [gedaagde] . De kantonrechter zal deze twee onderdelen achtereenvolgens bespreken.
Niet afgemaakte werkzaamheden
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] de overeengekomen werkzaamheden niet heeft afgemaakt. Het betreft onder meer het vervangen van ramen en het schilderen en herstellen van de bijbehorende raamkozijnen. [eiser] heeft een andere aannemer ingeschakeld om de werkzaamheden af te maken, nadat hij [gedaagde] eerst de kans heeft gegeven om de werkzaamheden alsnog af te maken, maar [gedaagde] dat niet deed. De daarmee gemoeide kosten vordert [eiser] als vervangende schadevergoeding.
[gedaagde] stelt dat hij de werkzaamheden niet heeft hoeven afmaken, omdat [eiser] de aannemingsovereenkomst voortijdig zou hebben opgezegd. Volgens [gedaagde] brengt die opzegging mee dat hij niet langer gehouden was tot verdere nakoming en dat hij daarom niet aansprakelijk is voor de kosten die [eiser] heeft gemaakt om het werk door een derde te laten afmaken. [eiser] betwist op zijn beurt dat sprake is geweest van een opzegging. De kantonrechter zal dit geschilpunt daarom eerst beoordelen.
Is er opgezegd?
Op [gedaagde] rusten de stelplicht en bewijslast van zijn verweer dat de aannemingsovereenkomst door [eiser] zou zijn opgezegd. Hij beroept zich immers op het rechtsgevolg, namelijk dat hij bevrijd is van zijn verplichting tot nakoming.
[gedaagde] voert hiertoe aan dat partijen een telefoongesprek hebben gevoerd waarin [eiser] hem heeft medegedeeld dat hij niet terug hoefde te komen. Indien deze mededeling zou zijn gedaan met de bedoeling de overeenkomst te beëindigen, zou dit kunnen worden aangemerkt als een opzegging van de aannemingsovereenkomst. [eiser] betwist echter dat hij tijdens het telefoongesprek de overeenkomst heeft opgezegd. Volgens [eiser] spraken partijen alleen af dat [gedaagde] een voorstel zou doen om de samenwerking te beëindigen. Dat heeft [gedaagde] ook gedaan op 8 september 2024 in een whatsappbericht door aan te bieden een bedrag van € 480,00 van de aanneemsom terug te betalen. Dat voorstel heeft [eiser] uitdrukkelijk afgewezen. [eiser] schrijft in een whatsappbericht op 11 september 2024 onder meer: “Ik ga dus niet akkoord met je voorstel en zie dan als enige optie dat je de werkzaamheden conform afspraken hervat.” Verder wijst [eiser] naar de ingebrekestellingen die zijn gemachtigde naar [gedaagde] heeft verstuurd om het werk af te maken, en waaruit dus blijkt dat [eiser] wilde dat [gedaagde] de overeenkomst na zou komen.
Omdat [eiser] hiermee de door [gedaagde] gestelde telefonische opzegging voldoende gemotiveerd weerspreekt, ligt het op de weg van [gedaagde] zijn verweer nader te onderbouwen. Dat heeft hij niet gedaan.
Tijdens de zitting heeft [gedaagde] nog aangevoerd dat de opzegging ook zou blijken uit een negatieve review door [eiser] op het internet. Deze review zit echter niet bij stukken. Het is daarom voor de kantonrechter niet mogelijk om kennis te nemen van de inhoud van de review. Daarvoor had [gedaagde] de review moeten inbrengen. Overigens is het enkele feit dat een negatieve review is geplaatst, niet voldoende om daar een opzegging van de overeenkomst uit op te maken.
Tussenconclusie
De kantonrechter concludeert dat niet is komen vast te staan dat [eiser] de aannemingsovereenkomst heeft opgezegd. [gedaagde] was daarom gehouden het werk af te maken. Nu [eiser] hem daartoe in gebreke heeft gesteld en [gedaagde] niet tot nakoming is overgegaan, is [gedaagde] in verzuim geraakt. [eiser] mocht de verbintenis tot nakoming daarom omzetten in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding. De kosten die [eiser] heeft gemaakt om het werk door een derde te laten afmaken komen voor vergoeding in aanmerking.
Problemen met het stucwerk
[eiser] stelt in de tweede plaats dat [gedaagde] bij de uitvoering van het werk schade heeft veroorzaakt aan het stucwerk rondom sommige raamkozijnen. [eiser] onderbouwt deze stelling met foto’s waaruit deze schade blijkt.
[gedaagde] betwist niet dat schade aan het stucwerk is ontstaan tijdens zijn werkzaamheden. [gedaagde] vindt echter dat deze schade niet aan hem kan worden toegerekend, omdat het stucwerk niet van goede kwaliteit is en door een ander onjuist is aangebracht. Het is dus niet zijn schuld dat er schade is ontstaan, aldus [gedaagde] .
De kantonrechter overweegt hierover als volgt.
Het verweer van [gedaagde] is een beroep op de zogenaamde tenzij-clausule van de bepaling over wanprestatie. Het is aan degene die zich op de tenzij-clausule beroept om dit verweer te onderbouwen. De enkele stelling dat door een ander slecht stucwerk is geleverd, wat [eiser] betwist, is dan onvoldoende. Het blijft bij een enkele stelling zonder nadere onderbouwing en dat is niet genoeg. De ontstane schade kan daarom aan [gedaagde] worden toegerekend.
Ook voor deze schade heeft [eiser] aan [gedaagde] de gelegenheid tot herstel gegeven. [gedaagde] is niet tot dat herstel overgegaan. Hij is daarmee in verzuim geraakt en dus schadeplichtig.
Omvang betalingsverplichting
Tegen de hoogte van de schadevordering voert [gedaagde] geen verweer. De kantonrechter zal dus het volledig gevorderde bedrag van € 3.594,54 toewijzen.
[eiser] vordert de wettelijke rente per 19 november 2024. Door de ingebrekestellingen raakte [gedaagde] per die datum in verzuim met zijn verplichting om de gebreken te herstellen. Echter, de wettelijke rente betreft een schadevergoeding wegens vertraging in de voldoening van een geldsom. De wettelijke rente kan dus pas worden toegewezen vanaf het moment dat de verbintenis door omzetting is veranderd in een geldvordering en de schuldenaar die geldsom niet tijdig betaalt, niet vanaf het eerdere verzuim met de oorspronkelijke prestatie. De kantonrechter zal de wettelijke rente daarom toewijzen vanaf de dag van dagvaarding.
[eiser] vordert verder vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 484,45 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal eveneens worden toegewezen.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
150,69
- griffierecht
€
257,00
- salaris gemachtigde
€
476,00
(2 punten × € 238,00)
- nakosten
€
119,00
Totaal
€
1.002,69
De wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis tot aan de dag van volledige betaling.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.594,54, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 25 februari 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 484,45 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 25 februari 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.002,69, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door N. Ćulafić en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2026.