ECLI:NL:RBNHO:2026:2004

ECLI:NL:RBNHO:2026:2004

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 02-03-2026
Datum publicatie 27-02-2026
Zaaknummer 15/135253-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Haarlemmermeer

Samenvatting

Poging doodslag door met een mes in de borststreek te steken. Overweging t.a.v. het opzet op dodelijk letsel. Gevangenisstraf van 21 maanden m.a. Gelet op advies van de deskundigen oplegging tbs-voorwaarden en de dadelijke uitvoerbaarheid hiervan en oplegging gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel. Gelet op de duur van de op te leggen gevangenisstraf en het na aftrek resterende deel van ongeveer elf maanden detentie, ziet de rechtbank geen aanleiding een beslissing te nemen over een schorsing van de voorlopige hechtenis. Indien hoger beroep wordt ingesteld tegen deze uitspraak, kan het gerechtshof beslissen over het voortduren of schorsen van de voorlopige hechtenis. Vordering benadeelde partij.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/135253-25

Uitspraakdatum: 2 maart 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 februari 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1980 te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres 1],

nu gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B.K.M. Thuijs en van wat door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.M. Buchel, advocaat te Zandvoort, naar voren is gebracht.

1. Tenlastelegging

De verdachte wordt er – kort gezegd – van beschuldigd dat hij op 2 mei 2025 in Hoofddorp [benadeelde] met een mes in de borststreek heeft gestoken. Dit is primair ten laste gelegd als een poging doodslag, subsidiair als een zware mishandeling en meer subsidiair als een poging tot zware mishandeling.

De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is van de zaak kennis te nemen, dat de officier van justitie ontvankelijk is en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot de bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van de poging tot doodslag bepleit, omdat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans was op het overlijden van [benadeelde] noch dat de verdachte die kans willens en wetens heeft aanvaard. Evenmin kan worden bewezen dat de verdachte [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Ten aanzien van het bewijs voor de meer subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage 2 bij dit vonnis zijn opgenomen.

De bewijsmotivering

Feiten en omstandigheden

Op grond van het dossier en wat ter zitting is besproken, stelt de rechtbank het volgende vast.

Op 2 mei 2025, omstreeks 21:45 uur, heeft zich op de [adres 2] in Hoofddorp een steekincident voorgedaan, waarbij de aangever gewond is geraakt.

De verdachte is op de bewuste dag ’s avonds thuisgekomen van zijn werk. Hij ervaarde dat

zijn onderbuurman [benadeelde] (hierna: de aangever) hem aan het uitdagen was door een plantenbakje te verplaatsen, wat volgens de verdachte zou passen in een patroon van jarenlange treiteringen. De verdachte heeft vervolgens twee lege wijnflessen op de grond gegooid voor het raam van de aangever, omdat hij wilde dat de aangever naar buiten kwam. De verdachte heeft voor de confrontatie een mes van ongeveer 20 tot 25 centimeter meegenomen. De aangever is vervolgens naar buiten gekomen. Toen de aangever en de verdachte op circa 30 centimeter van elkaar af stonden, heeft de verdachte met zijn mes hakkende bewegingen gemaakt in de richting van de aangever en daarbij de aangever in zijn linkerborst, vlak bij zijn tepel, geraakt. De aangever is hierop naar zijn woning gerend. De verdachte is achter hem aan gegaan, heeft tegen zijn voordeur geschopt en een ruit ingegooid. De aangever heeft 112 gebeld en is met een ambulance naar het ziekenhuis vervoerd, waar hij aan zijn steekverwonding is behandeld. Hij heeft door de messteek een klaplong opgelopen, waarbij bloed in de longholte is gelopen.

Opzet op dodelijk letsel

De rechtbank verwerpt het verweer dat het dossier onvoldoende bewijs bevat om te kunnen vaststellen dat er een aanmerkelijk kans was dat de aangever zou komen te overlijden en dat de verdachte die kans bewust aanvaard.

Het staat immers vast dat de verdachte, toen hij vlak voor de aangever stond, met een mes van ongeveer 20 tot 25 centimeter richting hem hakkende bewegingen heeft gemaakt en hem in de borst heeft geraakt. Uit de letselrapportage blijkt dat sprake is van één snij- dan wel steekverwonding aan de linker voorzijde van de romp die tot in de borstholte reikte. Daardoor is een kneuzing van een deel van de long en een klaplong ontstaan, waarbij bloed in de longholte is gelopen, en was medisch ingrijpen door het plaatsen een slang in de borstholte noodzakelijk. Hoewel het letsel bij de aangever door de ingestelde behandeling op korte termijn een relatief gunstig beloop heeft gehad, impliceert het snijden of steken met een scherp voorwerp, zoals een mes, links in de borstkas een risico op het veroorzaken van (acuut) levensbedreigend letsel. Rond de locatie waar de verwonding werd vastgesteld zijn namelijk belangrijke anatomische structuren aanwezig, waaronder meerdere bloedvaten, het hart, de goed doorbloede longen, de tussenribaders en -slagaders.

Hoewel de rechtbank van de verdachte aanneemt dat hij niet het volle opzet had om de aangever daadwerkelijk van het leven te beroven, is zij op grond van bovenstaande wel van oordeel dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever door het steken in zijn borstkas zou komen te overlijden. Ook de verdachte moet immers weten dat het steken in de linkerborstkas, met een mes van 20 tot 25 centimeter lang, levensbedreigend letsel of overlijden kan veroorzaken. De gedragingen van de verdachte moeten naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat het niet anders kan dan dat de verdachte minst genomen de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard en dus voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van de aangever.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 2 mei 2025 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk van het leven te beroven, die [benadeelde] met een mes in de borststreek heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie en maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 maanden, met aftrek van de tijd die hij reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan hem de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden (tbs met voorwaarden) op te leggen. Aan de maatregel zouden de voorwaarden moeten worden verbonden die de reclassering heeft voorgesteld, waaronder een opname in een zorginstelling. Verder heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op te leggen. Tot slot heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de voorlopige hechtenis van de verdachte moet worden geschorst na het uitzitten van de gevangenisstraf en met ingang van het tijdstip waarop de klinische behandeling van de verdachte start.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het advies tot oplegging van tbs met voorwaarden zorgvuldig is onderbouwd. Het is van belang dat de verdachte daarom niet langer in detentie zal verblijven en dus geen langere gevangenisstraf opgelegd krijgt dan de tijd die hij al in voorarrest heeft doorgebracht. De tbs met voorwaarden biedt voldoende waarborgen en daarmee is een GVM wat de verdediging betreft niet nodig. Aangezien de verdachte geen behoefte heeft aan contact met de aangever en ook niet wenst terug te keren in de omgeving van Hoofddorp, is het opleggen van een contact- en gebiedsverbod evenmin noodzakelijk.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie en de maatregel die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging doodslag. Hij heeft de aangever, door hakkende bewegingen te maken met een mes van 20 tot 25 centimeter in zijn linkerborst geraakt. Door de verwonding is een klaplong ontstaan en bloed in de longholte terecht gekomen. Het leven is het meest kostbare dat een mens heeft. De verdachte heeft hiervoor geen enkel respect getoond. Uit de toelichting op de vordering tot schadevergoeding en het uitgeoefende spreekrecht blijkt ook hoe groot de impact van het steekincident op de aangever is geweest en nog steeds is. Hij heeft het gevoel dat als hij niet zijn woning in was gevlucht, hij door de verdachte zou zijn vermoord. Hij zal waarschijnlijk blijvende beperkingen – namelijk het missen van kracht – in zijn linkerarm houden en ook geestelijk heeft het voorval nog steeds impact. Daarnaast brengt een dergelijke uitbarsting van geweld op straat in een woonwijk in het algemeen gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.

De persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 14 januari 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van:

- het Pro Justitia rapport van 24 en 27 november 2025, opgesteld door [psycholoog], GZ-psycholoog en [psychiater], psychiater.

- een reclasseringsrapport tbs-voorwaarden van 15 januari 2026, opgesteld door [reclasseringswerker], reclasseringswerker.

Het Pro Justitia rapport

De deskundigen hebben vastgesteld dat bij de verdachte sprake is van een waanstoornis en autismespectrumstoornis, die ook aanwezig waren ten tijde van het ten laste gelegde feit. Door de pathologische achterdocht en woede van de verdachte lijkt zijn inschatting van het actuele gevaar met betrekking tot zijn onderbuurman negatief te zijn beïnvloed. Hierdoor betrok de verdachte gebeurtenissen die niets met hem te maken hadden op zichzelf en ervaarde die als tegen hem gerichte pesterijen, waardoor hij in de waan verkeerde dat zijn onderbuurman het bewust en langdurig op hem had gemunt. De deskundigen adviseren het ten laste gelegde vanwege deze stoornissen in sterk verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Als er geen behandeling volgt, wordt het risico op een ernstig gewelddelict als matig tot hoog ingeschat. De deskundigen achten behandeling in een klinische setting passend. De verdachte kan zo passende medicatie en psycho-educatie krijgen en vaardigheden aanleren om met spanningen om te gaan. Gezien de chronische aard van zijn psychiatrische problemen en ook omdat het wellicht een langere periode duurt voordat opnieuw risico’s ontstaan, is het zinvol langdurig een vinger aan de pols te houden in de vorm van woonbegeleiding en behandeling door bijvoorbeeld een FACT-team.

De deskundigen vinden tbs met voorwaarden het meest passende kader voor bovengenoemde interventies. De verdachte is welwillend om hulp te accepteren en de inschatting is dat hij zich aan behandelvoorwaarden kan en wil houden. Tbs met voorwaarden biedt volgens de deskundigen dan ook voldoende mogelijkheden om de verdachte effectief te behandelen en de maatschappij te beschermen.

De rechtbank is van oordeel dat bovengenoemde conclusies op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de adviezen over de toerekenbaarheid worden gedragen door een deugdelijk en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank neemt dan ook de conclusie over, dat het bewezenverklaarde de verdachte in sterk verminderde mate kan worden toegerekend. De rechtbank houdt hier rekening mee in de strafoplegging.

Het reclasseringsadvies

Het reclasseringsadvies houdt – kort gezegd – in dat de reclassering zich aansluit bij het advies vanuit de Pro Justitia rapportage en mogelijkheden ziet de verdachte te begeleiden in het kader van tbs met voorwaarden. Bij een onbehandelde terugkeer in de maatschappij schat ook de reclassering het risico op recidive in op matig tot hoog. De reclassering adviseert de hieronder opgenomen voorwaarden. De verdachte heeft zich bereid verklaard hieraan mee te werken.

- geen strafbare feiten plegen;

- meewerken aan reclasseringstoezicht;

- meewerken aan een time-out;

- niet naar het buitenland vertrekken;

- opneming in een zorginstelling;

- ambulante behandeling;

- verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang;

- verbod verdovende middelen;

- alcoholverbod;

- contactverbod;

- locatieverbod (zonder elektronisch toezicht);

- aflossing schulden;

- dagbesteding.

Ten aanzien van de klinische opname heeft de reclassering toegelicht dat de verdachte een intakegesprek heeft gehad bij FPK De Boog. De afdeling waar de verdachte geplaatst zou worden kampt echter met een wachttijd tot één jaar, zodat nog niet bekend is wanneer hij in de kliniek kan worden opgenomen. Mocht de geïndiceerde kliniek geen plaats hebben op de datum einde detentie, dan zal de Divisie Individuele Zaken zorgdragen voor een overbruggingsplek in een kliniek die een gepaste behandeling aanbiedt en hetzelfde beveiligingsniveau heeft.

De reclassering heeft verder geadviseerd de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren in combinatie met een schorsing van de voorlopige hechtenis onder dezelfde voorwaarden als hierboven geformuleerd. De reclassering acht dit nodig voor een effectief toezicht op naleving van de voorwaarden, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1729). Ten slotte heeft de reclassering geadviseerd een GVM op te leggen, zodat zij bij de beëindiging van de tbs-maatregel nog langdurig met de verdachte in contact kunnen blijven om een vinger aan de pols te houden.

De straf

Alles afwegende en rekening houdende met de sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte, is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie recht doet aan zowel de ernst van het feit als de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De rechtbank acht dus een gevangenisstraf van 21 maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

TBS met voorwaarden

De rechtbank is het daarnaast eens met de conclusie van de deskundigen dat hulpverlening en toezicht – in de vorm van tbs met voorwaarden – noodzakelijk is. De verdachte heeft op de zitting ten overstaan van de rechtbank ook verklaard dat hij inziet dat hij hulp en begeleiding nodig heeft en zich bereid verklaard aan de geadviseerde voorwaarden te houden.

Aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van tbs met voorwaarden is voldaan. Tijdens het begaan van het feit bestond bij de verdachte een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, het bewezen verklaarde feit is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, en de algemene veiligheid van personen of goederen eist het opleggen van deze maatregel. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van de verdachte dringend noodzakelijk is met het oog op het terugdringen van het als matig tot hoog ingeschatte recidivegevaar. De rechtbank zal dan ook de terbeschikkingstelling van de verdachte gelasten en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden.

De rechtbank kan, op vordering van het Openbaar Ministerie, bevelen dat de ter beschikking gestelde alsnog van overheidswege zal worden verpleegd, indien hij de voorwaarden niet zou naleven. Het bewezen verklaarde feit is een misdrijf dat gericht is tegen dan wel gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, zodat een termijn van een eventuele maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging niet is beperkt tot vier jaren.

Dadelijke uitvoerbaarheid

Omdat de rechtbank het, gelet op de noodzaak van behandeling en vanwege het gevaar voor recidive, van belang acht dat de behandeling van de verdachte direct aansluitend aan zijn detentie zal aanvangen, zal zij bepalen dat de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) De rechtbank acht het ter bescherming van de algemene veiligheid van personen of goederen noodzakelijk naast de tbs-maatregel een GVM ex artikel 38z Sr aan de verdachte op te leggen. Aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van deze maatregel is voldaan.

De rechtbank leidt uit de deskundigenrapportages af dat de psychische problematiek van de verdachte ernstig is en dat het – met die problematiek verband houdende – recidiverisico op nieuwe geweldsdelicten matig tot hoog is. Gelet daarop dient er naar het oordeel van de rechtbank rekening mee te worden gehouden dat ook na beëindiging van de tbs met voorwaarden nog toezicht noodzakelijk is om het op een aanvaardbaar niveau te houden.

Hiertoe kan de rechtbank, nadat de tbs-maatregel is beëindigd, op vordering van de officier van justitie en na beoordeling van de op dat moment actuele situatie, de tenuitvoerlegging van de GVM bevelen en de inhoud en de duur daarvan bepalen ex artikel 6:6:23b van het Wetboek van Strafvordering.

Voorlopige hechtenis

Gelet op de duur van de op te leggen gevangenisstraf (21 maanden) en het na aftrek resterende deel van ongeveer elf maanden detentie, ziet de rechtbank geen aanleiding een beslissing te nemen over een schorsing van de voorlopige hechtenis. Indien hoger beroep wordt ingesteld tegen deze uitspraak, kan het gerechtshof beslissen over het voortduren of schorsen van de voorlopige hechtenis.

7. De vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De gemachtigde, [gemachtigde], heeft namens de benadeelde partij [benadeelde] een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen de verdachte van in totaal € 1.002,12 aan materiële schade en € 3.500,- aan immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De gestelde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- ziekenhuisdaggeld à € 114,00;- medische kosten fysiotherapeut à € 250,00;- reiskosten naar fysiotherapeut à € 13,86;- verlies arbeidsvermogen twee maanden à € 624,26.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om de vordering schadevergoeding volledig toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering. Zij heeft bepleit dat de vordering ten aanzien van de posten ziekenhuisdagvergoeding, medische kosten en reiskosten onvoldoende is onderbouwd. Het staat volgens haar namelijk niet vast dat deze kosten daadwerkelijk door de benadeelde partij zelf zijn gedragen. De post verlies van arbeidsvermogen vormt een onevenredige belasting van het strafgeding. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsvrouw aangevoerd dat sprake is van borstletsel en dat uit de medische gegevens niet blijkt dat het herstel langer dan zes maanden heeft geduurd, zodat het gevorderde bedrag moet worden gematigd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de gehele gevorderde materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit en een vergoeding hiervan komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. Over de post verlies arbeidsvermogen overweegt de rechtbank dat voldoende duidelijk is dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare feit een periode niet heeft kunnen werken en dat hij daardoor inkomen is misgelopen.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Hij kan dus op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek aanspraak maken op vergoeding van immateriële schade. Uit de letselrapportage blijkt dat er bij een ongecompliceerd beloop van de verwonding geen risico is op blijvend letsel of blijvende invaliditeit. Uit het uitgeoefende spreekrecht blijkt dat de benadeelde partij tot op de dag van vandaag kracht mist in zijn linkerarm door het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank wijst – gelet op de Rotterdamse Schaal – de vordering tot vergoeding van immateriële schade dan ook toe tot een bedrag van € 2.675,-.

De vordering zal dus worden toegewezen tot een bedrag van € 3.677,12, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank wijst de gevorderde immateriële schade voor het overige af.

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van de verdachte zijn bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: poging doodslag] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.

Hierdoor hoeft de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte te incasseren, maar doet de Staat dit voor hem. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 3.677,12 aan de Staat moet betalen. Ook dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente.

Als de verdachte de schadevergoeding niet of niet volledig betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming) worden toegepast voor de duur van 36 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36f, 37a, 38, 38a, 38z, 45 en 287 Sr.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert;

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 [eenentwintig] maanden;

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, en stelt daarbij de volgende algemene en bijzondere voorwaarden betreffende zijn gedrag:

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

Stelt de onderstaande bijzondere voorwaarden:

Geen strafbare feiten plegen

De veroordeelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;

Meewerken aan reclasseringstoezicht

De veroordeelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:

• dat hij zich meldt op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat

nodig is;

• dat hij zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan

aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de veroordeelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden;

• dat hij de reclassering helpt aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze

foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;

• dat hij meewerkt aan huisbezoeken;

• dat hij de reclassering inzicht geeft in de voortgang van begeleiding en/of behandeling

door andere instellingen of hulpverleners;

• dat hij zich niet vestigt op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;

• dat hij meewerkt aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die

contact hebben met de veroordeelde, als dat van belang is voor het toezicht;

Meewerken aan een time-out

Als de reclassering dat nodig vindt en de veroordeelde daarmee instemt, kan de veroordeelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;

Niet naar het buitenland vertrekken

De veroordeelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering;

Opneming in een zorginstelling

De veroordeelde laat zich opnemen in FPK De Boog of een soortgelijke zorginstelling, dan wel in een soortgelijke instelling ter overbrugging, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start zodra een behandelplaats beschikbaar is. De opname duurt zo lang de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen als de zorginstelling dat nodig vindt, alsmede de controle hierop.

Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

Ambulante behandeling

De veroordeelde laat zich behandelen door een ambulante behandelinstelling, te bepalen door de reclassering. De behandeling start aansluitend op de klinische behandeling. De behandeling duurt zo lang de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt, alsmede de controle hierop;

Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang

De veroordeelde verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend op de klinische behandeling. Het verblijf duurt zo lang de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de

reclassering voor hem heeft opgesteld;

Verbod verdovende middelen

De veroordeelde gebruikt geen drugs en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd;

Alcoholverbod

De veroordeelde gebruikt geen alcohol en werkt mee aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd;

Contactverbod

De veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met [benadeelde], geboren op [geboortedatum 2], zo lang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op de handhaving van dit verbod;

Locatieverbod (zonder elektronisch toezicht)

De veroordeelde bevindt zich niet in de straten [adres 3] en [adres 4] te Hoofddorp, zo lang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op de handhaving van dit verbod;

Aflossing schulden

De veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;

Dagbesteding

De veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delict gedrag;

Geeft opdracht aan de reclassering bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

Beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is;

Legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking;

Benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde] geleden schade tot een bedrag van € 3.677,12, bestaande uit € 1.002,12 als vergoeding voor de materiële en € 2.675,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

Wijst af het meer of anders gevorderde;

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

Schadevergoedingsmaatregel

Legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.677,12 (zegge: drieduizendzeshonderdzevenenzeventig euro en twaalf cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 36 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P.A. Hesselink, voorzitter,

mr. C.H. de Jonge van Ellemeet en mr. J.J. Veldheer, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. E. Saelens

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 maart 2026.

Bijlage 1: de tenlastelegging

hij op of omstreeks 2 mei 2025 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk van het leven te beroven, die [benadeelde] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in de borststreek, althans in het bovenlichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 2 mei 2025 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een wond in de borst en/of inwendige bloedingen) heeft toegebracht door die [benadeelde] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in de borststreek, althans in het bovenlichaam, testeken;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 2 mei 2025 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [benadeelde] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in de borststreek, althans in het bovenlichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Bijlage 2: de bewijsmiddelen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?