RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/073199-25
Uitspraakdatum: 2 maart 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 februari 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres 1].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
R. Visser en van wat door de verdachte en zijn raadsman, mr. T. van Assendelft de Coningh, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte zijn vier feiten ten laste gelegd. Na wijziging van de tenlastelegging ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) wordt hem, kort gezegd, verweten dat hij op 8 maart 2025 in Haarlem:
1. opzettelijk brand heeft gesticht bij een auto, waarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was;
2. [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] heeft bedreigd door een luchtdrukgeweer op hen te richten;
3. vijf wapens van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad, en
4. een wapen van categorie II, onder 6° van de Wet wapens en munitie, namelijk een bus traangas, voorhanden heeft gehad.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.
2. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd van de zaak kennis te nemen, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
3. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring van de feiten te komen en heeft zich ten aanzien daarvan gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten. Aangezien de verdachte de feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan zij tot een bewezenverklaring is gekomen.
De hierna te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.
Feit 1
De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 16 februari 2026;
Een proces-verbaal van bevindingen van 9 maart 2025 (dossierpagina 69 e.v.);
Een proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict van 11 maart 2025 (dossierpagina 120 e.v.);
Een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] van 8 maart 2025 (dossierpagina 45 e.v.);
Een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 3] van 9 maart 2025 (dossierpagina 53 e.v.);
Een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 4] van 16 maart 2025 (dossierpagina 65 e.v.).
Feit 2
De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 16 februari 2026;
Een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 2] van 8 maart 2025 (dossierpagina 39 e.v.);
Een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] van 8 maart 2025 (dossierpagina 45 e.v.);
Een proces-verbaal van bevindingen van 13 maart 2025 (dossierpagina 164 e.v.).
Feit 3
De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 16 februari 2026;
Een proces-verbaal van bevindingen van 13 maart 2025 (dossierpagina 164 e.v.);
Een proces-verbaal van bevindingen van 18 maart 2025 (dossierpagina 171 e.v.);
Een proces-verbaal van bevindingen van 18 maart 2025 (dossierpagina 175 e.v.);
Een proces-verbaal van bevindingen van 8 april 2025 (dossierpagina 180 e.v.);
Een proces-verbaal van bevindingen van 14 mei 2025 (dossierpagina 190 e.v.).
Feit 4
De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 16 februari 2026;
Een proces-verbaal van bevindingen van 8 april 2025 (dossierpagina 185 e.v.).
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
Feit 1
hij op 8 maart 2025 te Haarlem opzettelijk brand heeft gesticht bij een personenauto met kenteken [kenteken] in de [adres 2] door open vuur in aanraking te brengen met die personenauto, althans een brandbare stof, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten personenauto's, een scootmobiel en woningen in de [adres 2] te duchten was;
Feit 2 hij op 8 maart 2025 te Haarlem [benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door een luchtdrukgeweer op die [benadeelde 1] en die [benadeelde 2] te richten;
Feit 3 hij op 8 maart 2025 te Haarlem meerdere wapens van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten meerdere door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerpen die een ernstige bedreiging van personen kon vormen en dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk - een exacte replica van een bestaand vuurwapen zijnde de Mini Uzi, kaliber 9 mm en- een exacte replica van een bestaand explosief zijnde de M-67 fragmentatiegranaat en- een exacte replica van een bestaand pistool van het merk Luger, type P.08 en- een exacte replica van een karabijn van het merk Beretta, type CX4 STORM en - een sprekende gelijkenis van een groot model pistool zijnde de Cabot Gran Torino ss, kaliber 9 mm., voorhanden heeft gehad;
Feit 4 hij op 8 maart 2025 te Haarlem een wapen van categorie II, onder 6° van de Wet wapens en munitie, te weten een spuitbus met traangas (CS-gas), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen voorhanden heeft gehad.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
Feit 2
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;
Feit 3
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
Feit 4
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 360 dagen, waarvan 116 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijke strafdeel moeten naast de algemene, ook de bijzondere voorwaarden worden verbonden die de reclassering heeft geadviseerd, met uitzondering van het contactverbod, en die bijzondere voorwaarden moeten dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd een contactverbod met aangeefster [benadeelde 2] op te leggen in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) voor de duur van drie jaar. Hij heeft tot slot gevorderd ook deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren en te bepalen dat per overtreding één week hechtenis wordt opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht aan de verdachte geen langere gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die hij al in voorarrest heeft doorgebracht en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering te verbinden aan een voorwaardelijke taakstraf of geldboete, met een proeftijd van twee jaar. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank over de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden. De raadsman acht een contactverbod op grond van artikel 38v Sr en de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan niet proportioneel, vanwege het ontbreken van recidivegevaar.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting van een personenauto en bedreiging van aangevers met een luchtdrukgeweer, midden in een woonwijk. Het is een gerichte actie van de verdachte geweest om de aangevers te bedreigen en te intimideren, vanwege een conflict dat al enige tijd tussen hen bestond over een auto. Door zijn handelen heeft de verdachte ernstige vrees teweeggebracht bij de aangevers. Uit de toelichtingen op de vorderingen tot schadevergoeding en het uitgeoefende spreekrecht blijkt ook hoe groot de impact van dit alles op hen is geweest. Door de brandstichting is de auto volledig uitgebrand en zijn andere voertuigen en verschillende woningen beschadigd geraakt. Dat niemand gewond is geraakt is een gelukkige omstandigheid die niet aan de verdachte te danken is. Naast het serieuze gevaar dat een brandstichting kan veroorzaken, leidt het ook tot gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Dat deze gevolgen de verdachte niet van zijn acties hebben weerhouden, rekent de rechtbank de verdachte aan. Daarnaast heeft de verdachte in zijn woning traangas en diverse imitatievuurwapens voorhanden gehad die op het eerste gezicht niet zijn te onderscheiden van echte vuurwapens. De aanwezigheid van dit soort voorwerpen in de maatschappij is volstrekt onaanvaardbaar. De rechtbank acht het verontrustend dat de verdachte ter zitting geen blijk heeft gegeven van de strafwaardigheid hiervan.
De persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het strafblad van de verdachte van 14 januari 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van onder meer:
- het Pro Justitia rapport van 6 oktober 2025, opgesteld door [psychiater], psychiater, en [psycholoog], GZ-psycholoog, en
- een reclasseringsadvies van 6 februari 2026, opgesteld door L. Bosman, reclasseringswerker.
De deskundigen hebben vastgesteld dat bij de verdachte sprake is van ADHD met een disharmonisch intelligentieprofiel en dat beide aanwezig waren ten tijde van het ten laste gelegde. Zij hebben geadviseerd de verdachte het ten laste gelegde licht verminderd toe te rekenen, omdat bij hem op dat moment sprake was van emotionele overspoeling. Hierdoor was hij het overzicht kwijt, had hij zijn emoties verminderd onder controle en ging hij gedreven door angst tot handelen over. Vanuit de ADHD en het disharmonisch intelligentieprofiel staan verlies van overzicht en impulsief handelen centraal. Op basis van risicotaxatie-instrumenten en klinisch wordt het acute risico op gewelddadige recidive laag geschat, maar dit zal oplopen tot matig bij onveranderde omstandigheden. De deskundigen concluderen dat begeleiding de belangrijkste bouwsteen is om ontregeling van de verdachte te voorkomen en het recidiverisico te beheersen.
De reclassering heeft beschreven dat de verdachte gedurende zijn schorsing met ingang van 7 november 2025 onder toezicht staat en zich conformeert aan de opgelegde bijzondere voorwaarden. Er zijn meerdere (hulpverlenende) instanties betrokken en de verdachte heeft hier veel baat bij. Als de verdachte terug naar detentie moet, zal dit een negatieve invloed hebben op de ontwikkeling en continuïteit van het huidige hulpverleningstraject. De reclassering schat het recidiverisico in op laag-gemiddeld en heeft geadviseerd een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen:
- meldplicht bij de reclassering;
- ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname;
- ambulante (woon)begeleiding;
- contactverbod met de aangevers;
- aflossing van schulden.
De rechtbank is van oordeel dat bovengenoemde rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de adviezen over de toerekenbaarheid worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijke gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank neemt dan ook de conclusie over, dat het bewezenverklaarde de verdachte in licht verminderde mate kan worden toegerekend. De rechtbank houdt hier rekening mee in de strafoplegging.
De straf
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het niet passend om de verdachte terug te sturen naar de gevangenis. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie recht doet aan zowel de ernst van de feiten als de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een gevangenisstraf van 360 dagen, waarvan 116 dagen voorwaardelijk met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden is. De rechtbank zal hieraan de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering verbinden met een proeftijd van twee jaar, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. De rechtbank zal – anders dan is gevorderd door de officier van justitie – ook als bijzondere voorwaarde opnemen dat de verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal hebben of zoeken met aangeefster [benadeelde 2]. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod. De rechtbank ziet vanwege het als bijzondere voorwaarde opgelegde contactverbod geen aanleiding voor de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr en ook niet voor het vaststellen van een langere proeftijd dan twee jaren, zoals gevorderd door de officier van justitie.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Hoewel de verdachte sinds zijn schorsing een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt, is er blijkens de rapportages een risico dat hij zal terugvallen in recidive als het hulpverleningstraject wegvalt. Er moet daarom ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte zonder de juiste hulp en begeleiding opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. De rechtbank acht het daarom noodzakelijk dat de ingezette begeleiding ook bij een eventueel hoger beroep wordt voortgezet. Zij zal daarom bevelen dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht daarop dadelijk uitvoerbaar zijn.
7. De vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel
De vordering van [benadeelde 5]
[gemachtigde 1] heeft namens de benadeelde partij [benadeelde 5] een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen de verdachte van in totaal € 3.792,48 bestaande uit materiële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde onder feit 1 zou hebben geleden. Deze schade bestaat uit kosten voor het herstellen van gesprongen ruiten en het plaatsen van een tijdelijke noodvoorziening.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de administratiekosten van € 180,60 niet voor rekening van de verdachte moeten komen. De vordering dient voor dat deel te worden afgewezen. De officier van justitie heeft verder opgemerkt dat uit het overgelegde KvK-uittreksel niet blijkt dat [gemachtigde 1] namens de benadeelde partij gemachtigd is een vordering tot schadevergoeding in te dienen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, gelet op het ontbreken van een vereiste machtiging. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering te matigen met betrekking tot de administratiekosten.
Het oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt onvoldoende uit de overgelegde stukken dat [gemachtigde 1] gemachtigd is om namens de benadeelde partij een vordering tot schadevergoeding in te dienen, terwijl dit wel vereist is en verwacht mag worden bij een verzoek van een rechtspersoon. Het formulier ‘verzoek tot schadevergoeding’ stelt expliciet dat een verzoek tot schadevergoeding van een niet-natuurlijk persoon ingediend moet worden door een uittreksel van de Kamer van Koophandel waaruit blijkt dat de indiener de rechtspersoon mag vertegenwoordigen, al dan niet door middel van een volmacht van een bevoegd vertegenwoordiger. Dit blijkt echter niet uit het ingediende verzoek. Bij het schadevergoedingsverzoek is weliswaar een document bijgevoegd waarin staat dat “de technisch administratief medewerkers” gemachtigd zijn tot het doen van schadevergoedingen, maar hieruit blijkt niet wat de status van dit document is, wie deze ‘machtiging’ heeft verstrekt en of de indiener van het schadevergoedingsverzoek een technisch administratief medewerker betreft. Onder deze omstandigheden zal de rechtbank de benadeelde partij daarom geheel niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, Sv kan de benadeelde partij de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De vordering van [benadeelde 1]
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen de verdachte van in totaal € 3.036,83 wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder feit 1 ten laste gelegde zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De gestelde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- Peugeot 307 à € 1.450;
- iPhone à € 800,00;
- ID-kaart + boete à € 78,00;- chauffeurskaart à € 136,73;- rijbewijs à € 52,10;- APK kosten à € 275,00;- contant geld à € 170,00;- keuring arts rijbewijs à € 75,00.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen voor zover deze is onderbouwd, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Uit het dossier blijkt dat de auto is uitgebrand door de brandstichting en het is aannemelijk dat er goederen in de auto hebben gelegen. De benadeelde partij dient ten aanzien van de niet onderbouwde posten niet-ontvankelijk te worden verklaard of de rechtbank kan die schade naar billijkheid vaststellen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de vordering in zijn geheel af te wijzen vanwege het ontbreken van een dragende onderbouwing.
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van het dossier is voldoende komen vast te staan dat de Peugeot is uitgebrand door het bewezenverklaarde onder feit 1. Uit de overgelegde verklaring van [betrokkene] – de eigenaar van de Peugeot – blijkt dat de benadeelde partij onder meer de waarde van de auto à € 1.450,- aan haar heeft vergoed. Daarmee is sprake van een rechtstreeks en causaal verband tussen de geleden schade en het bewezenverklaarde feit. De rechtbank wijst daarom de gevorderde schade tot een bedrag van € 1.450,- toe, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
De overige posten zijn onvoldoende onderbouwd. De rechtbank kan uit het procesdossier onvoldoende afleiden dat – naast de auto – schade is geleden en kan dit ook niet vaststellen op basis van de ingebrachte afschriften van enkele pintransacties. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige dan ook niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering. De benadeelde partij kan de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Daarnaast zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van de verdachte zijn bewezenverklaarde handelen onder feit 1 [kort gezegd: brandstichting] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.
De vordering van [benadeelde 2]
De gemachtigde, [gemachtigde 2], heeft namens de benadeelde partij [benadeelde 2] een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen de verdachte van in totaal € 447,65 aan materiële schade en € 4.000,- aan immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde onder feit 1 en 2 zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De gestelde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- Samsung Galaxy Z Flip4 à € 394,00;
- rijbewijs à € 53,65.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat voldoende is komen vast te staan dat er door de benadeelde partij schade is geleden en heeft verzocht de materiële schade geheel toe te wijzen. De immateriële schade dient naar billijkheid te worden vastgesteld en voor het overige deel dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat sprake is van medeschuld van de benadeelde partij en dat het onderzoek hiernaar voor de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de gevorderde schade substantieel te matigen. Voorts heeft de raadsman verzocht de schadepost contant geld geheel af te wijzen wegens het gebrek aan onderbouwing.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Op grond van het dossier is vast komen te staan dat het rijbewijs en de telefoon van de benadeelde partij in de uitgebrande auto zijn achtergebleven. De benadeelde partij heeft hiermee rechtstreeks schade gelopen door het onder feit 1 ten laste gelegde. De waarde van de telefoon schat de rechtbank op € 250,00. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade dan ook toe tot een bedrag van € 303,65, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank wijst de gevorderde materiële schade voor het overige af.
Immateriële schade
Gelet op artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van lichamelijk letsel, schade aan de eer of goede naam of aantasting in de persoon op andere wijze. Van dit laatste geval is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat sprake is van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Degene die zich hierop beroept zal de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Uit de verklaring van de praktijkondersteuner huisartsenzorg GGZ blijkt dat de benadeelde partij ten gevolgde van feit 2 kampt met een trauma, waarvoor zij EMDR-behandelingen heeft (gehad). Uit het uitgeoefende spreekrecht blijkt verder dat zij tot op de dag van vandaag kampt met gevoelens van onveiligheid en herbelevingen. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij hiermee voldoende gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat zij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van eigen schuld aan de kant van de benadeelde partij. De rechtbank wijst – mede gelet op de Rotterdamse Schaal – de vordering tot vergoeding van immateriële schade van € 4.000,- geheel toe, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarnaast zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van de verdachte zijn bewezenverklaarde handelen onder de feiten 1 en 2 [kort gezegd: brandstichting en bedreiging] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
14a, 14b, 14c, 36f, 57, 157, 285 Sr;
13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
9. Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;
bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 360 [driehonderdzestig] dagen;
beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 116 [honderdzestien] dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren;
bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich meldt op afspraken bij Reclassering Nederland op het adres Oostvest 60, 2011 AK in Haarlem. De veroordeelde zal zich blijven melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt;
- zich laat behandelen door ambulant centrum Fivoor te Haarlem of een soortgelijke
zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zo lang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de veroordeelde dat een kortdurende klinische opname noodzakelijk is, kan de
reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
- zal meewerken aan ambulante (woon)begeleiding door het Leger des Heils of een
soortgelijke instelling, te bepalen door de reclassering. De woonbegeleiding duurt de gehele proeftijd of zo lang de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde zal zich houden aan de aanwijzingen van de woonbegeleider die in overleg met de reclassering voor hem zijn opgesteld;
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal hebben of zoeken met [benadeelde 2], geboren op [geboortedatum 2]. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;
- mee zal werken aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen,
ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden, met uitzondering van het contactverbod, en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
beveelt dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
Benadeelde partij [benadeelde 5] t.a.v. feit 1
verklaart de benadeelde partij [benadeelde 5] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
bepaalt dat de verdachte en de benadeelde partij ieder hun eigen proceskosten dragen;
Benadeelde partij [benadeelde 1] t.a.v. feit 1
wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 1] geleden schade tot een bedrag van € 1.450,- (zegge: duizendvierhonderdvijftig euro), bestaande uit materiële schade en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 1], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering;
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;
Schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.450,- (zegge: duizendvierhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 14 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, waarbij geldt dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;
Benadeelde partij [benadeelde 2] t.a.v. feit 1 en 2
wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 2] geleden schade tot een bedrag € 303,65 (zegge: driehonderddrie euro en vijfenzestig cent), bestaande uit materiële schade en € 4.000,- (zegge: vierduizend euro) aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 2], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;
wijst af het meer of anders gevorderde;
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;
Schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.303,65 (zegge: vierduizenddriehonderddrie euro en vijfenzestig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 43 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, waarbij geldt dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;
heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.H. de Jonge van Ellemeet, voorzitter,
mr. P.A. Hesselink en mr. J.J. Veldheer, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. E. Saelens
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 maart 2026.
Bijlage 1: de tenlastelegging
Feit 1
hij op of omstreeks 8 maart 2025 te Haarlem opzettelijk brand heeft gesticht bij een personenauto (met kenteken [kenteken]) in de [adres 2] door open vuur in aanraking te brengen met die personenauto, althans een brandbare stof, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten een of meerdere personenauto's, een scootmobiel en/of woningen in de [adres 2] te duchten was;
Feit 2 hij op of omstreeks 8 maart 2025 te Haarlem [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een luchtdrukgeweer, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [benadeelde 1] en/of die [benadeelde 2] te richten;
Feit 3 hij op of omstreeks 8 maart 2025 te Haarlem een of meerdere wapens van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een of meerdere door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp (en) dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk - een luchtdrukgeweer en/of een exacte replica van een bestaand vuurwapen zijnde de Mini Uzi, kaliber 9 mm, - een exacte replica van een bestaand explosief zijnde de M-67 fragmentatiegranaat, - een exacte replica van een bestaand pistool van het merk Luger, type P.08, - een exacte replica van een karabijn van het merk Beretta, type CX4 STORM en/of - een sprekende gelijkenis van een groot model pistool zijnde de Cabot Gran Torino ss, kaliber 9 mm., voorhanden heeft gehad;
Feit 4 hij op of omstreeks 8 maart 2025 te Haarlem een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten een spuitbus met traangas (CS-gas), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen voorhanden heeft gehad.