ECLI:NL:RBNHO:2026:2056

ECLI:NL:RBNHO:2026:2056

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 04-02-2026
Datum publicatie 02-03-2026
Zaaknummer HAA 25/2076
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Leges. Legalisatie. In geschil zijn de hoogte van de leges die zijn opgelegd door verweerder. Twee posten zijn ten onrechte in rekening gebracht. Beroep gegrond.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

de heffingsambtenaar van de gemeente Haarlem , verweerder.

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 25/2076

(gemachtigde: mr. N.J. Stephan),

en

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser op 3 februari 2025 een aanslag leges (de aanslag) opgelegd van

€ 1.464,42.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2026 te Haarlem.

Namens eiser is zijn gemachtigde verschenen, tezamen met zijn kantoorgenoot [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde [naam 2] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser heeft op 4 maart 2024 een aanvraag omgevingsvergunning ingediend voor het legaliseren van een reeds gerealiseerde steiger op het perceel [adres 1] . Deze aangevraagde vergunning is verleend.

2. Op 30 april 2024 heeft verweerder eiser een brief gestuurd en daarin vermeld dat van hem voor de omgevingsvergunning een bedrag aan leges wordt geheven van € 1.464,42. In deze brief staat, voor zover relevant, het volgende vermeld:

“De verschuldigde leges zijn als volgt gespecificeerd:

Leges omschrijving Legesartikel Bedrag

Achteraf ingediende aanvraag 2.30 € 446,00

Beoordelen aanvullende gegevens bouwactiviteiten 2.27 € 126,42

Binnenplanse omgevingsplanactiviteit 2.6.1 € 287,00

Met advies AOK 2.6.1.a € 605,00”

Geschil 3. In geschil is de hoogte van de aanslag.

4. Eiser stelt zich op het standpunt dat de aanslag te hoog is vastgesteld. Daarnaast betoogt hij dat in strijd is gehandeld met het gelijkheidsbeginsel omdat buren die in dezelfde straat wonen, te weten op de adressen [adres 2] en [adres 3] , en in dezelfde situatie verkeren als hijzelf een veel lager bedrag aan leges hebben betaald. Ook stelt eiser dat ten onrechte advieskosten van de Adviescommissie ruimtelijke kwaliteit (AOK) in rekening zijn gebracht. Daarnaast betoogt eiser dat verweerder de opslag voor aanvullende gegevens ten onrechte in rekening heeft gebracht. Voorts stelt eiser zich op het standpunt dat het forfait voor het achteraf indienen van de aanvraag ten onrechte in rekening is gebracht, omdat dit in strijd is met artikel 229, eerste lid, onder b, van de Gemeentewet. Daarnaast betoogt eiser dat verweerder het motiveringsbeginsel heeft geschonden omdat hij in de uitspraak op bezwaar geen uitleg geeft waarom er verschillende leges worden opgelegd voor dezelfde vergunningsaanvragen en niet ingaat op de stelling dat alleen leges in rekening mogen worden gebracht voor verrichte diensten. Ook stelt eiser dat verweerder niet kan terugkomen op zijn standpunt in bezwaar door te stellen dat bij [adres 3] ten onrechte een lager bedrag aan leges is geheven. Verder stelt eiser dat verweerder met willekeur heeft gehandeld door hem meer leges in rekening te brengen dan zijn buren. Tot slot verzoekt eiser een schadevergoeding op grond van artikel 6 EVRM, omdat de redelijke termijn is overschreden.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vermindering van de aanslag en veroordeling van verweerder in de (proces)kosten.

5. Verweerder stelt dat de aanslag correct is opgelegd, voor een juist bedrag conform de Verordening op de heffing en de invordering van leges HAARLEM 2024 van de gemeente Haarlem (de Verordening).

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

Juridisch kader

6. Op grond van artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Gemeentewet kunnen rechten worden geheven ter zake van onder andere het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten.

Artikel 2, aanhef en onderdeel a, van de van de Verordening luidt als volgt:

“Onder de naam “leges” worden rechten geheven voor:

a. het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een dienst of het nemen van een besluit;(…)

Artikel 3 van de Verordening bepaalt als volgt:

“Belastingplichtig is de aanvrager of degene voor wie de aanvraag is gedaan.”

Artikel 5, eerste lid, van de Verordening bepaalt als volgt:

“De leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.”

Titel 2 van de bij de Verordering behorende tarieventabel (de Tarieventabel) luidt - voor zover van belang - als volgt:

Advieskosten AOK

7. Eiser stelt zich op het standpunt dat ten onrechte Advieskosten AOK in rekening zijn gebracht. Verweerder heeft echter geloofwaardig betoogt dat de vermelding ‘Advieskosten AOK’ onjuist is en dat sprake is van kosten ‘met welstandsadvies, ambtelijk’ op grond van artikel 2.6.1.a van de tarieventabel en bijlage E bij de legesverordening. Nu niet in geschil is dat de uiterlijke beoordeling van de vergunningsaanvraag heeft plaatsgevonden was de gemeente vrij om deze kosten in rekening te brengen en zijn deze kosten terecht. Het is het de rechtbank evenmin gebleken dat sprake is van een onredelijke of willekeurige heffing van leges. Deze beroepsgrond slaagt derhalve niet.

Verhoging leges voor achteraf indienen aanvraag

8. Daarnaast betoogt eiser dat het achteraf indienen van een aangevraagde vergunning geen dienst is waarvoor leges geheven kunnen worden. Hiertoe stelt hij dat de omstandigheid dat de aanvraag na realisatie is ingediend geen dienst kan zijn. Volgens eiser is de verordening hiermee in strijd met artikel 229, eerste lid, onder b, van de Gemeentewet. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van deze rechtbank van 20 juli 2020 (ECLI:NL:RBNHO:2020:5459) waarin het door hem ingenomen standpunt is bevestigd.

9. De rechtbank overweegt dat van een belastbare dienst, zoals omschreven in artikel 229, eerste lid, onder b, van de Gemeentewet, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sprake is indien werkzaamheden rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang (zie bijvoorbeeld HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0693). De rechtbank oordeelt dat verweerder geen verhoging van de leges omgevingsvergunning mag toepassen bij legalisatie van de eerder gebouwde steiger. De 50% verhoging van het legestarief valt binnen de op de gemeente rustende handhavingstaak en is niet terug te voeren op een aan eiser individueel verleende dienst. Dat, zoals verweerder stelt, de modelverordening van de Vereniging van de Nederlandse gemeenten een dergelijke verhoging wel toestaat, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. De rechtbank vermindert de legesaanslag met de door verweerder opgelegde 50% verhoging. In zoverre is het beroep dus gegrond.

Aanvullende gegevens

10. Eiser betoogt daarnaast dat in de onderhavige zaak geen beoordeling van aanvullende gegevens heeft plaatsgevonden, zoals is omschreven in artikel 2.27 van de Tarieventabel. Verweerder betoogt dat hiervan wel sprake is omdat aan eiser om aanvullende informatie is verzocht en eiser deze ook heeft ingediend nadat de aanvraag in behandeling is genomen.

11. De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat eiser eerst een aanvraag heeft ingediend bij verweerder en dat verweerder bij brief van 5 maart 2024 op grond van artikel 4:5 in combinatie met artikel 4:15 van de Awb heeft verzocht deze aanvraag aan te vullen, hetgeen eiser heeft gedaan. Ingevolge artikel 4:5, aanhef en eerste lid, onder c, van de Awb kan een bestuursorgaan besluiten een aanvraag niet te behandelen indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking. Hierbij moet de aanvrager wel de gelegenheid hebben gehad om de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Het voorgaande betekent dus dat de aanvraag nog niet in behandeling kan zijn genomen op het moment dat verweerder heeft verzocht om aanvullende informatie. Dan zou een aanvraag immers niet zonder behandeling afgewezen kunnen worden. De rechtbank oordeelt dan ook dat de aanvraag, gelet op verweerders brief van 5 maart 2024, is opgeschort en nog niet in behandeling is genomen. De aanvraag is voorafgaand aan deze brief slechts getoetst op volledigheid. De rechtbank oordeelt derhalve dat artikel 2.27 van de Tarieventabel ten onrechte is toegepast omdat geen sprake is van het in behandeling nemen van aanvullende gegevens, nu de aanvraag nog niet in behandeling was genomen. Het bedrag van € 126,42 is hiermee ten onrechte bij eiser in rekening gebracht. Ook in zoverre slaagt het beroep.

Beroep op het gelijkheidsbeginsel

12. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder met het overleggen van het Excelbestand met woningen waarvoor een vergelijkbare legalisatie voor wat betreft een steiger heeft plaatsgevonden, niet heeft voldaan aan zijn bewijslast. De rechtbank ziet echter geen reden om te twijfelen aan verweerders lijst met vergelijkbare woningen, temeer nu eiser niets heeft aangevoerd dat de rechtbank tot andere gedachten kan brengen.

13. Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat verweerder bij de adressen [adres 2] en [adres 3] is uitgegaan van een lager bedrag aan leges dan bij eiser, hetgeen volgens hem in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Verweerder heeft gemotiveerd betwist dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Verweerder stelt hiertoe dat van alle 22 bewoners van huizen uit eisers straat er alleen bij nummers [adres 2] en [adres 3] minder leges zijn geheven dan bij eiser, waarbij dit bij de bewoners van [adres 3] bovendien later nog is gecorrigeerd middels een nieuwe aanslag leges.

14. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is van belang of een juiste wetstoepassing in andere, aan dat van eiser zowel feitelijk als rechtens gelijke, gevallen achterwege is gebleven en bovendien de door eiser gestelde ongelijke behandeling berust op een gevoerd begunstigend beleid, een oogmerk van begunstiging of dat sprake is van een situatie waar in de meerderheid van de gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven (Hoge Raad 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR6481).

15. Voor zover eiser een beroep doet op de standaardwerkwijze als (begunstigend) beleid van verweerder, faalt dat. Weliswaar acht de rechtbank aannemelijk dat de 22 vergunningsaanvragen voor de heffing van de leges identieke gevallen betreffen, maar eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder een (begunstigend) beleid voert of dat sprake is van een oogmerk van begunstiging. Verweerder heeft ter zitting in dit kader bovendien geloofwaardig verklaard dat het gaat om fouten waardoor (aanvankelijk) minder leges bij de bewoners van [adres 2] en [adres 3] in rekening zijn gebracht.

16. Voor zover eiser een beroep doet op de meerderheidsregel slaagt dat evenmin. De rechtbank overweegt hiertoe dat het slechts om twee gevallen gaat waarin (aanvankelijk) minder leges zijn geheven dan bij eiseres. Twee gevallen van de in totaal 22 gevallen zijn onvoldoende voor een geslaagd beroep op de meerderheidsregel van het gelijkheidsbeginsel (vgl. Gerechtshof Amsterdam 30 november 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3570). Dat verweerder, zoals eiser betoogt, in bezwaar een ander standpunt heeft ingenomen dan in beroep acht de rechtbank hierbij niet relevant, nu het verweerder op zichzelf is toegestaan terug te komen van een eerder door hem ingenomen standpunt indien hij op grond van gewijzigde feiten en omstandigheden of een gewijzigd inzicht in het recht tot de conclusie komt dat het eerder door hem ingenomen standpunt onjuist is (vgl. Gerechtshof Arnhem, 13 maart 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BV9731). Deze beroepsgrond slaagt dus niet.

Beroep op het motiveringsbeginsel

17. Eiser heeft daarnaast een beroep gedaan op het motiveringsbeginsel omdat de uitspraak op bezwaar volgens hem onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit de inhoud van de uitspraak op bezwaar blijkt dat verweerder zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de door eiser aangevoerde bezwaargronden en hier ook op is ingegaan. Verweerder heeft het standpunt van eiser inhoudende dat de steigers identiek zijn, verworpen en gesteld dat geen sprake is van identieke aanvragen van vergunningen. Dat verweerder in bezwaar niet heeft onderbouwd waarom dit het geval is maakt dit niet anders, nu hij niet verplicht is op iedere grond afzonderlijke in te gaan. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de uitspraak van verweerder met voldoende redenen is omkleed.

Beroep op het verbod van détournement de pouvoir

18. Voor zover eiser zich beroept op het verbod van détournement de pouvoir, ook wel het verbod op willekeur genoemd, overweegt de rechtbank dat dit beginsel een bestuursorgaan verbiedt om de bevoegdheid tot het nemen van een besluit voor een ander doel te gebruiken dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. De rechtbank ziet niet in hoe dit beginsel in deze zaak toegepast kan worden. In zoverre is de rechtbank van oordeel dat verweerder in de onderhavige zaak niet onbehoorlijk heeft gehandeld.

Vergoeding immateriële schade

19. Eiser heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Bij de behandeling van een zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied indien de rechtbank niet uitspraak doet binnen twee jaar na ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. Het bezwaarschrift is door verweerder op 11 juni 2024 ontvangen. Nu de uitspraak van de rechtbank op 4 februari 2026 is gedaan, is minder dan twee jaar verstreken sinds de ontvangst van het bezwaarschrift. Gelet hierop bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen recht op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Slotsom

20. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten en griffierecht

21. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten voor de bezwaar- en beroepsprocedure. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.534 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666 en een wegingsfactor 1, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). De rechtbank zal ook bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- verlaagt de aanslag met € 446 + € 126,42 tot € 892;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in vergoeding van de (proces)kosten ten bedrage van € 2.534;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. van As, rechter, in aanwezigheid van

mr. F.C. Claushuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).

U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de datum van verzending;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2026/687 V-N 2026/20.17.17
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand