ECLI:NL:RBNHO:2026:2253

ECLI:NL:RBNHO:2026:2253

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 18-02-2026
Datum publicatie 05-03-2026
Zaaknummer HAA 25/2621 en HAA 25/2617
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Beroep tegen verlening van een omgevingsvergunning voor het realiseren van 26 zorgappartementen. Beroep ongegrond. De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten om bij de vaststelling van de parkeernorm te middelen tussen de parkeernorm voor een serviceflat en een verpleeghuis nu in de Nota Parkeernormen geen norm is opgenomen voor zorgwoningen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit Bergen (NH), Eiser 1

[eiseres] , uit Bergen, Eiseres 2

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen, het college

Als derde-partij neemt aan de zaken deel: D.J. Management B.V. uit Bergen (NH)

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 25/2621 en HAA 25/2617

(gemachtigde: mr. K. Hollenberg),

en

(gemachtigde: mr. R.H. de Kamper),

en

(gemachtigde: mr. Drs. R. Fa-Si-Oen).

(gemachtigde: mr. A. van Dam).

1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning aan D.J. Management B.V. voor het realiseren van 26 zorgappartementen. De omgevingsvergunning is aangevraagd en verleend op de grond van artikel 2.1, eerste lid, sub c, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Eisers zijn het niet eens met de verlening van de omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het beroep slaagt.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet slaagt. Eisers krijgen dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 9 april 2025 heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het handelen in strijd met artikel 2.1, eerste lid, sub c, Wabo. De aanvraag is ingediend op 6 april 2021 en behandeld op grond van afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het ontwerpbesluit omgevingsvergunning en de ontwerpverklaring van geen bedenkingen (VVGB) hebben vanaf 9 september 2024 ter inzage gelegen. Er zijn zienswijzen ingediend door verschillende omwonenden, waaronder eiser 1 en eiseres 2. Deze zienswijzen hebben niet geleid tot een ruimtelijke aanpassing van het plan.

De gemeenteraad heeft op 27 maart 2025 een VVGB afgegeven.

Eiser 1 en Eiseres 2 hebben afzonderlijk beroep ingesteld tegen het verlenen van de omgevingsvergunning.

De rechtbank heeft de beroepen op 7 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: Eiser 1 en de gemachtigde van Eiser 1, Eiseres 2, partner van Eiseres 2 en de gemachtigde van Eiseres 2, de gemachtigde van het college en namens D.J. Management B.V. [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en de gemachtigde van D.J. Management B.V..

In het navolgende zal de rechtbank de aangevoerde gronden van Eiser 1 en Eiseres 2 (hierna ook: eisers) behandelen. Per grond zal worden aangegeven welke eiser de grond heeft ingediend. Indien en voor zover eisers dezelfde of vergelijkbare beroepsgronden hebben aangevoerd, zal de rechtbank die gronden gezamenlijk behandelen. De rechtbank zal de daaraan ten grondslag liggende argumenten per eiser benoemen.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond

3. D.J. Management B.V. heeft een omgevingsvergunning aangevraagd op grond van artikel 2.1, eerste lid, sub c, Wabo (planologisch strijdig gebruik) voor het realiseren van 26 zorgappartementen in Bergen. Op de bedoelde locatie is het bestemmingsplan “Bergen-Dorpskern Zuid” van toepassing. De locatie kent onder andere de enkelbestemming “Wonen-2”, en de enkelbestemming “Tuin”. Ter plaatse van het aanwezige monument ligt een bouwvlak, waarbinnen gebouwd mag worden tot een goothoogte van 4 meter en een bouwhoogte van 10 meter. Het plan voorziet in het realiseren van de zorgappartementen in de bestaande monumentale villa maar ook om een nieuw deel te bouwen, buiten het bouwvlak.

De zorgappartementen zijn bestemd voor mensen die een zorgindicatie hebben en voor hen zal een zorgplan worden opgesteld. Bewoners betalen zelf voor de huisvesting en zijn verplicht zorg af te nemen. Eventueel bestaande partners kunnen bij de zorgpartner inwonen. Binnen de zorgvilla zullen verschillende faciliteiten worden gerealiseerd zoals een beautysalon, fysiotherapeutpraktijk, eetzaal, keuken en spreekkamers. Omdat het voorgenomen gebruik in strijd is met de ter plaatse geldende bestemmingen heeft D.J. Management een omgevingsvergunning aangevraagd. Het voorgenomen gebruik ziet op maatschappelijke doeleinden en is dus in strijd met de bestemming “Wonen”. Daarnaast zal buiten het bouwvlak worden gebouwd en zal ook sprake zijn van een gebruik dat in strijd is met de bestemming “Tuin”. Tot slot is ook het bestemmingsplan “Parkeren” van toepassing. Op basis van dit bestemmingsplan dient een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling te zorgen voor voldoende parkeergelegenheid op of onder het terrein dat bij het bouwwerk behoort. In welke gevallen sprake is van voldoende parkeergelegenheid wordt nader ingevuld door de Nota Parkeernormen 2020 Bergen (hierna: Nota Parkeernormen).

Onlosmakelijke activiteit (Eiseres 2)

4. Eiseres 2 betoogt dat de aanvraag uitsluitend is gebaseerd op de activiteit genoemd in artikel 2.1, eerste lid, sub c, Wabo, terwijl het gehele project meerdere activiteiten omvat, zoals de activiteit “bouwen”, (sub a) en wijzigen van een monument (sub f). De Wabo gaat uit van een aanvraag waarbij alle onlosmakelijke activiteiten moeten worden aangevraagd. Dat betekent dat in dit geval ook een omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen, kappen van bomen en wijzigen monument had moeten worden aangevraagd. Er had een omgevingsvergunning moeten worden aangevraagd voor alle onlosmakelijke activiteiten.

Het college stelt zich op het standpunt dat het op grond van artikel 2.7, eerste lid, tweede volzin, Wabo wel mogelijk is om uitsluitend eerst een aanvraag in te dienen op basis van artikel 2.1, eerste lid, sub c, Wabo.

De rechtbank overweegt dat op basis van artikel 2.7, eerste lid, tweede volzin, Wabo eerst een aanvraag kan worden ingediend voor een omgevingsvergunning op grond van een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, sub c, Wabo en dat daarmee gepaard gaande onlosmakelijke activiteiten later kunnen worden aangevraagd. De aanvraag is derhalve niet in strijd met (het systeem van) de Wabo.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Onzorgvuldige besluitvorming (Eiser 1)

5. Eiser 1 betoogt dat een omgevingsvergunning alleen kan worden verleend als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat het besluit moet worden voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. De eisen aan die onderbouwing zijn hetzelfde als de eisen die gelden voor een toelichting op een bestemmingsplan, zoals vastgelegd in artikel 3.1.6 Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Artikel 5.20 Besluit omgevingsrecht (Bor) verklaart deze eisen van overeenkomstige toepassing. Eiser 1 stelt dat hieraan niet is voldaan. Eiser 1 geeft aan dat een lijst ontbreekt van de gewaarmerkte stukken die onderdeel uitmaken van het besluit. Op deze wijze is onduidelijk of Eiser 1 beschikt over alle stukken en in hoeverre is getoetst én voldaan aan de eisen van artikel 3.1.6 Bro. Eiser 1 voert verder aan dat de stukken in het procesdossier afwijken van de stukken die na het besluit tot 2 juni 2025 ter inzage hebben gelegen. Bovendien heeft de Nota van beantwoording zienswijzen betrekking op het Facetbestemmingsplan Recreatie en niet op het besluit dat in deze procedure voorligt. Voorts ontbreken de bijlagen bij de ruimtelijke onderbouwing en ontbreken de bestemmingsplanregels voor de bestemming “Tuin”. Door deze onzorgvuldigheden wordt Eiser 1 belemmerd in het doeltreffend benutten van de rechtsgang en is sprake van een onzorgvuldige voorbereiding.

Daarnaast betoogt Eiser 1 dat het aan het college is om aan te geven van welke onderdelen van het vigerend bestemmingsplan middels het bestreden besluit wordt afgeweken. Dat heeft het college niet gedaan. Het college merkt slechts op dat het plan niet voldoet aan de regels van gebruik omdat zorgappartementen worden aangemerkt als een maatschappelijke functie en dit dus in strijd is met de bestemming “Wonen”. Daarbij vergeet het college te melden dat het plan ook in strijd is met de bestemming “Tuin”. Bovendien vindt het plan buiten het bestaande bouwvlak plaats en wordt de maximale toegestane goothoogte overschreden. Tot slot is onvoldoende duidelijk aan welk planologisch kader initiatiefnemer is gehouden nu een aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen en voor wijzigen van een monument niet gelijktijdig in procedure is gebracht. Hierdoor is voor Eiser 1 onduidelijk welke ruimtelijke impact het plan heeft op zijn perceel. De mogelijkheid bestaat dat het gebouw elders op het perceel wordt geplaatst, hetgeen weer invloed kan hebben op bijvoorbeeld het behoud van het groen.

Het college stelt zich op het standpunt dat alle bij de vergunning behorende stukken zijn gewaarmerkt. Het college heeft de stukken in bijlage 1 t/m 9 bij het verweerschrift toegevoegd. Volgens het college is geen sprake van afwijkende stukken. Eiser 1 geeft ook niet aan welke stukken dan afwijken en op welke wijze zijn belangen zijn geschaad. Het college erkent dat bij het procesdossier enkele stukken ontbraken zoals de bijlagen bij de Ruimtelijke Onderbouwing. Deze stukken zijn nu aan het procesdossier toegevoegd. Voorts erkent het college dat per abuis de verkeerde Nota van beantwoording zienswijzen is verstuurd. Het college heeft dit verzuim hersteld door als bijlage bij het verweerschrift de juiste Nota mee te sturen.

Het college erkent dat met de aanvraag wordt afgeweken van zowel de gebruiksmogelijkheden als van de bouwmogelijkheden. Ook erkent het college dat de ontwikkeling in strijd is met de bestemming “Tuin”. De kelder wordt namelijk gedeeltelijk binnen deze bestemming gerealiseerd en er wordt voorzien in parkeerplaatsen. Volgens het college heeft dit geen gevolgen voor de beoordeling van de aangevraagde omgevingsvergunning. De opgestelde Ruimtelijke Onderbouwing en de daaraan ten grondslag liggende onderzoeken zijn gebaseerd op het project als geheel zoals dat is aangevraagd, namelijk strijd met het vigerende bestemmingsplan.

Ten aanzien van het argument dat in het besluit de kaders ontbreken waaraan de aanvraag voor de bouwactiviteit moet worden getoetst en het hierdoor onduidelijk is wat de ruimtelijke impact is, stelt het college dat de Ruimtelijke Onderbouwing onderdeel uitmaakt van de verleende omgevingsvergunning. In Hoofdstuk 2 wordt het bouwplan uitvoerig besproken, inclusief bouwhoogte en bouwvlak. Ook de situering van het nieuwe gebouw is duidelijk aangegeven. Daarmee is gewaarborgd dat een (stedenbouwkundig) afwijkend bouwplan niet kan worden uitgevoerd.

Ten aanzien van de bouwhoogten stelt het college dat het bouwplan uit twee bouwlagen boven het maaiveld bestaat met een plat dak tot 7 meter, gemeten vanaf de begane grondvloer van het monument. De woning van Eiser 1 heeft een goot- en nokhoogte van respectievelijk 4 en 10 meter. Daarmee is de bouwhoogte van het bouwplan lager dan de woningen in de omgeving.

De rechtbank is van oordeel dat het college onzorgvuldig is geweest bij het bijvoegen en meesturen van stukken. Het college erkent zelf dat stukken bij het procesdossier ontbraken, zoals de bijlagen bij de Ruimtelijke Onderbouwing. Voorts erkent het college dat het per abuis een verkeerde Nota van beantwoording zienswijzen heeft meegestuurd. De rechtbank is van oordeel dat weliswaar sprake is van onzorgvuldigheid van de kant van het college maar dat het niet aannemelijk is dat Eiser 1 door deze onzorgvuldigheid in zijn belangen is geschaad nu het college de (juiste) stukken in het kader van dit geding alsnog heeft verstrekt. Deze stukken zijn op of omstreeks 11 september 2025 aan Eiser 1 gestuurd. Eiser 1 heeft derhalve voldoende tijd gehad om van de stukken kennis te nemen en zo nodig de beroepsgronden aan te vullen. Aan welke overige voorwaarden van artikel 3.1.6 Bro niet is voldaan of welke overige stukken ontbreken heeft Eiser 1 verder niet duidelijk gemaakt. Hieraan gaat de rechtbank dan ook voorbij bij gebrek aan voldoende onderbouwing. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb te passeren.

Voor zover Eiser 1 betoogt dat sprake is van een ondeugdelijke motivering omdat het college onvoldoende heeft aangegeven op welke onderdelen de ruimtelijke ontwikkeling afwijkt van het vigerend bestemmingsplan, is de rechtbank van oordeel dat dit voldoende blijkt uit de Ruimtelijke Onderbouwing die onderdeel uitmaakt van de verleende vergunning. Dit geldt ook voor de bebouwing buiten het bouwvlak en de afwijking van de maximale goothoogte. Het college heeft besloten dat het de ontwikkeling als geheel acceptabel acht omdat de ontwikkeling niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Verder is in de Ruimtelijke Onderbouwing, die onderdeel uitmaakt van de verleende vergunning, uitvoerig ingegaan op de onderdelen die afwijken van het vigerende bestemmingsplan. De rechtbank komt op basis hiervan tot het oordeel dat het college het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Parkeernormen (Eiser 1 en Eiseres 2)

6. Eiser 1 betoogt dat de door het college gehanteerde parkeernorm van 0,9 per zorgappartement in strijd is met de Nota Parkeernormen. Er is op basis van aannames aansluiting gezocht bij de norm voor een verpleeghuis (0,6) en de norm voor een zorgappartement (1,2) en daar is een gemiddelde van genomen (0,9). De aanname is gebaseerd op de Ruimtelijke Onderbouwing waaruit naar voren komt dat de 26 zorgappartementen zullen worden bewoond door bewoners die veelal VPT 5 of 6 zullen hebben en dus grotendeels afhankelijk zullen zijn van zorg. Volgens Eiser 1 dient eerder aansluiting te worden gezocht bij zorgappartementen (serviceflats) nu de zorgbehoevende feitelijk ‘thuis’ blijft wonen in plaats van in een verpleeghuis waar 24 uurs zorg nodig is. Bovendien heeft het college niet geborgd dat de appartementen uitsluitend door bewoners met een VPT 5 of hoger zullen worden bewoond. De afwijking om maar in 24 parkeerplaatsen (0,9 x 26) te hoeven voorzien in plaats van 32 (1,2 x 26) is in strijd met de uitgangspunten van de Nota Parkeernormen waarbij de parkeerbehoefte op eigen terrein opgelost dient te worden. Tot slot betoogt Eiser 1 dat bij de vaststelling van de parkeernorm het college geen rekening heeft gehouden met de aanvullende faciliteiten die in het complex worden gerealiseerd zoals fysiotherapie, beautysalon, etc. waarbij de klanten niet uitsluitend uit de bewoners van de zorgappartementen zullen bestaan.

Eiseres 2 betoogt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom een parkeernorm van 0,6 per appartement kan worden aangehouden. Uit rechtspraak volgt dat de plantoelichting niet te vaag en te algemeen geformuleerd mag zijn. Daar is hiervan sprake doordat in de plantoelichting staat: “Voor de te realiseren zorgappartementen geldt dat alle bewoners een zorgindicatie hebben. De zorgindicatie is veelal een VPT 5 of VPT 6, waarmee ook in een verpleeghuis gewoond kan worden. (…) Bewoners betalen zelf voor de huisvesting en daarmee verschilt het voorgenomen initiatief van een regulier verpleeghuis.” Eiseres 2 voert aan dat het college heeft nagelaten toe te lichten op welke wijze zeker is gesteld dat alle bewoners een VPT 5 of hoger zullen hebben. Als het college meende dat volstaan kon worden met een lagere parkeernorm dan had het op de weg van het college gelegen een onderzoek uit te laten voeren naar de parkeerbehoefte waarbij ook rekening wordt gehouden met het parkeren van personeel en leveranciers. Dat is niet gebeurd waardoor sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding. Er had eerst een onafhankelijk parkeerdrukonderzoek moeten plaatsvinden. Ook is Eiseres 2 het niet eens met de vergunningsvoorwaarde dat de parkeerdruk later gemeten wordt en afhankelijk daarvan extra parkeerplaatsen aangelegd moeten worden. Uitgangspunt bij de ontwikkeling is namelijk strijdigheid met het bestemmingsplan. Op basis daarvan had meteen het minimaal noodzakelijke aantal parkeerplaatsen op eigen terrein moeten worden opgelegd. Tot slot betoogt Eiseres 2 dat onvoldoende duidelijk is wat de verhouding is tussen het aanleggen van vijf extra parkeerplaatsen aan de [straat] en het uitbreiden van 18 naar 24 plaatsen op eigen terrein. Wanneer geldt welk scenario?

Het college stelt zich ten aanzien van Eiser 1 op het standpunt dat het heeft aangesloten bij de Nota Parkeernormen. In deze situatie was geen sprake van een vergelijkbare parkeernorm. In dat geval dient aangesloten te worden bij de parkeernorm die het meest vergelijkbaar is. Het initiatief valt tussen de functiegroepen “serviceflat” en “verpleeghuis”. De norm voor een serviceflat ligt dusdanig hoog dat van een vergelijkbare norm voor de toekomstige ontwikkeling niet gesproken kan worden. Het college acht gerechtvaardigd om een norm van 0,9 parkeerplaatsen per woning te hanteren. Hiervoor wordt gekozen mede op basis van een tweetal referentieprojecten in Heiloo. Op basis van een monitoringsverplichting gedurende een langere periode wordt gekeken of parkeeroverlast ontstaat. Hiermee wordt voorkomen dat extra parkeerplaatsen onnodig worden aangelegd ten koste van het groene karakter. VPT 5 of hoger is genoemd om aan te geven dat bewoners 24 uur zorg nodig hebben en daarom gesproken kan worden van een verpleeghuis. Het college heeft op de zitting van de rechtbank nog jurisprudentie aangehaald waaruit de conclusie kan worden getrokken dat het onderhavige bouwplan inderdaad vergeleken kan/mag worden met een verpleeghuis, althans met de bestemming ‘maatschappelijke doeleinden’. In het bouwplan kan zowel worden voorzien in realisatie van parkeerplaatsen op basis van de norm 0,6 als op basis van de norm 0,9.

De aanvullende faciliteiten zoals fysiotherapie en beautysalon zijn uitsluitend voor de bewoners van het verpleeghuis. Externen mogen hier geen gebruik van maken. Daarom is het niet nodig om de parkeerbehoefte van de aanvullende faciliteiten erbij te betrekken, aldus het college.

Het college stelt zich ten aanzien van Eiseres 2 op hetzelfde standpunt als ten aanzien van Eiser 1. Voorts geeft het college aan dat het de gehanteerde parkeernorm met monitorverplichting in de Nota beantwoording zienswijzen al uitvoerig heeft gemotiveerd. Het hanteren van aanwezigheidspercentages is alleen aan de orde bij dubbelgebruik (van parkeerplaatsen voor verschillende functies) waardoor de te hanteren parkeernorm mogelijk lager kan uitvallen. Daar is in dit geval geen sprake van. De maximale parkeernorm voor een verpleeg- en verzorgingstehuis is gehanteerd met een eventuele uitbreiding naar 0,9. Er komen geen parkeerplaatsen meer aan de [straat] . Alle parkeerplaatsen worden op eigen terrein gerealiseerd. Tot slot voert het college aan dat met VPT 5/6 indicatie is bedoeld om aan te geven dat het meer vergelijkbaar is met een verpleeghuis (maatschappelijke functie).

De rechtbank stelt voorop dat op basis van het bestemmingsplan “Parkeren” en de Nota parkeernormen het uitgangspunt is dat parkeren op eigen terrein opgelost moet worden. Het bestemmingsplan geeft het college een mogelijkheid om van artikel 3.1 af te wijken bij, kort gezegd, bijzondere omstandigheden of indien strikte toepassing van de Nota parkeernormen leidt tot een bijzondere hardheid. Aan de hand van de Nota parkeernormen wordt bepaald hoeveel parkeerplaatsen voor auto’s op eigen terrein aangelegd en in stand gehouden moeten worden. Om de parkeernormen te kunnen vaststellen dient te worden beoordeeld welke functie geldt voor het beoogde gebruik. Indien voor een functie geen parkeernorm is opgenomen in de Nota parkeernormen, wordt de parkeernorm van de meeste vergelijkbare functie gebruikt.

De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten om bij de vaststelling van de parkeernorm te middelen tussen de parkeernorm voor een serviceflat en een verpleeghuis. Daarbij is van belang dat in de Nota parkeernormen geen definitie wordt gegeven van serviceflat of verpleeghuis. Daar komt bij dat op de zitting van de rechtbank nog duidelijk is geworden dat de zorgwoningen niet beschikken over een eigen keuken en dat het de bedoeling is dat gebruik wordt gemaakt van het nuttigen van maaltijden in de eetzaal. Dit sluit meer aan bij een verpleeghuis dan bij een serviceflat. Tot slot geldt nog dat uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS) volgt dat complexen waarin mensen zelfstandig wonen in combinatie met een zorgaanbod, in overeenstemming is met een bestemming zoals “maatschappelijke doeleinden” en niet met een bestemming “Wonen”. Ook het uitgangspunt van het college dat op basis van twee referentieprojecten in eerste instantie wordt uitgegaan van een parkeernorm van 0,6 en dat dit aan de hand van monitoring over een langere periode mogelijk verhoogd kan worden naar 0,9 is naar het oordeel van de rechtbank een besluit dat het college in redelijkheid heeft kunnen nemen, temeer omdat daarbij rekening is gehouden met het feit dat de parkeerplaatsen in beide situaties volledig op eigen terrein van de zorglocatie kunnen worden gerealiseerd.

De beroepsgrond(en) slaagt(/slagen) niet.

Aantasting groen en privacy (Eiser 1 en Eiseres 2)

7. Eiser 1 betoogt dat onvoldoende zeker is dat het gebouw niet elders op het perceel kan worden geplaatst waardoor het groen (verder) wordt aangetast. Voorts betoogt hij dat een Bomen Effect Analyse (BEA) ontbreekt. De BEA is niet aangehecht aan de Ruimtelijke Onderbouwing en het is geen onderdeel geweest van de ter inzage gelegde stukken. Hierdoor kan Eiser 1 niet beoordelen welke effecten met name de nieuwbouw op het thans onbebouwde gedeelte van het perceel en op de bestemming “Tuin” heeft. Dit kan mogelijk een ingrijpende wijziging voor Eiser 1 betekenen; daar waar hij nu uitkijkt op een groene wand, kan hij straks uitkijken op een appartementencomplex met balkons waardoor zijn privacy wordt aangetast. Daar waar in de participatiereacties wordt aangegeven dat de haag aan de [straat] wordt behouden, is dat niet geborgd.

Eiseres 2 betoogt dat onduidelijk is op welke wijze het bestaande groen wordt gewaarborgd en het eventuele nieuwe groen zal worden aangebracht. Het college geeft aan dat “zo veel mogelijk” rekening gehouden wordt met de aanwezige bomen. Dit is een te vage formulering. Er is geen sprake van een groen plan. Er is ook geen sprake van dat zoveel mogelijk bomen blijven staan.

Het college stelt zich ten aanzien van de argumenten van Eiser 1 en Eiseres 2 op het standpunt dat de kaders van de voorgenomen ontwikkeling zijn vastgelegd in Hoofdstuk 2 van de Ruimtelijke Onderbouwing en daarvan niet meer kan worden afgeweken. Een verdere aantasting van het groen ten gevolge van verplaatsing van de nieuwbouw, is dan ook niet aan de orde. De BEA is altijd onderdeel geweest van de aanvraag. Het college verwijst naar bijlage 9 van de Ruimtelijke Onderbouwing. In het bouwplan zal het een perceel worden met heel veel groen met als gevolg dat het zicht op en vanaf het perceel beperkt wordt en hierdoor geen sprake is van een onevenredige aantasting van de privacy en woon- en leefklimaat. Enige aantasting is onvermijdelijk maar dat is inherent aan het wonen in een stedelijke omgeving. Voorts voert het college aan dat de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de kap van de bomen (en voor de bouwactiviteit) op een later moment ingediend zal worden.

De rechtbank stelt voorop dat in het kader van deze procedure de kap van bomen niet voorligt. In deze procedure gaat het om de vraag of het college in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank is van oordeel dat het college bij die beoordeling rekening heeft gehouden met de groenvoorzieningen die onderdeel uitmaken van de ruimtelijke ontwikkeling. Voorts stelt de rechtbank vast dat de BEA in ieder geval in het kader van deze beroepsprocedure is ingebracht en eisers daarvan kennis hebben kunnen nemen. Eisers maken zich vooral zorgen over het behoud van het groen en maken zich zorgen over de vraag in hoeverre bij de uiteindelijke ontwikkeling door verplaatsing van het gebouw het groen verder kan worden aangetast. Het college heeft aangegeven dat de kaders van de voorgenomen ontwikkeling zijn vastgelegd in hoofdstuk 2 van de Ruimtelijke Onderbouwing en dat het nader uit te werken bouwplan daarvan niet kan afwijken. Daarmee heeft het college voldoende geborgd dat de kaders van de ruimtelijke ontwikkeling duidelijk zijn en heeft het op dat punt in redelijkheid kunnen oordelen dat de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Dit geldt ook voor het argument van de privacy. Niet is gebleken dat de privacy van eisers op een onevenredige wijze wordt aangetast. Daarbij is rekening gehouden met het feit dat enige aantasting van het woon- en leefklimaat inherent is aan het wonen in een stedelijke omgeving. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college in redelijkheid het belang van het doorgaan van de ruimtelijke ontwikkeling zwaarder heeft mogen en kunnen laten wegen dan de aangevoerde belangen van eiser 1 en eiseres 2.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Belangenafweging (Eiseres 2)

8. Eiseres 2 betoogt dat onvoldoende rekening is gehouden met haar belangen. Zij doelt op haar privacy, uitzicht, waardevermindering en verkeersdrukte. Het bouwplan bestaat uit twee bouwlagen boven maaiveld met een plat dak tot 7 meter. Een plat dak harmonieert niet met het karakter van de omgeving. De woning van Eiseres 2 heeft een goot- en nokhoogte van respectievelijk 4 en 10 meter. Het college heeft in de reactie op de zienswijzen verwezen naar de beantwoording onder A2 en A4. Een concrete belangenafweging ontbreekt en bovendien wordt in A2 en A4 slechts ingegaan op de toename van de verkeersdrukte, de parkeerproblemen en de privacy. Kwesties zoals waardevermindering en verslechtering uitzicht zijn onbesproken gebleven. Hier is geen sprake van een deugdelijke motivering. Tot slot stelt Eiseres 2 dat een motivering en belangenafweging ook ontbreekt in de door de gemeenteraad afgegeven VVGB.

Het college stelt zich op het standpunt dat de bouwhoogte van het nieuwbouwplan lager is dan de woningen in de omgeving. Ook de woningen in de directe omgeving hebben een plat dak. Het perceel is groen omgeven, hierdoor is het zicht op en vanuit de toekomstige bebouwing beperkt. Tot slot betreft het een ontwikkeling in een stedelijke omgeving. Enige aantasting van het woonklimaat hoort daarbij. Het college verwijst naar rechtspraak van ABRvS.

Het college stelt zich voorts op het standpunt dat het in de Nota van beantwoording zienswijzen uitvoerig heeft gemotiveerd waarom de bezwaren van Eiseres 2 geen aanleiding vormen om de omgevingsvergunning te weigeren. Daarnaast verwijst het college naar vaste rechtspraak van de ABRvS waaruit volgt dat het de gemeenteraad vrijstaat om te volstaan met het instemmen met een gemotiveerd raadsvoorstel zoals in dit geval heeft plaats gevonden. Derhalve is geen sprake van het ontbreken van een motivering in de door de gemeenteraad afgegeven VVGB.

Deze beroepsgrond slaagt niet

De rechtbank is van oordeel dat het college heeft stil gestaan bij de belangen van Eiseres 2 en dat het in redelijkheid aan de belangen van de ruimtelijke ontwikkeling meer gewicht heeft mogen toekennen dan aan de individuele belangen van Eiseres 2.

Conclusie en gevolgen

9. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat Eiser 1 en Eiseres 2 in het ongelijk worden gesteld. Omdat Eiser 1 een beroepsgrond heeft aangevoerd tegen de zorgvuldigheid van de besluitvorming en deze grond op basis van artikel 6:22 Awb is gepasseerd, heeft Eiser 1 recht op vergoeding van het griffierecht alsmede recht op een vergoeding van de proceskosten. De vergoeding van de proceskosten bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van Eiser 1 een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Eiseres 2 krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. de Vries, rechter, in aanwezigheid van drs.A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 6:22 Awb

Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

Bijzondere wet

Wabo

Artikel 2.7, eerste lid, Wabo

1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 2.10, tweede lid, en 2.11, tweede lid, draagt de aanvrager van een omgevingsvergunning er zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project. In afwijking van de eerste volzin en onverminderd artikel 2.5 kan, indien één van die onlosmakelijke activiteiten een activiteit is als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor die activiteit voorafgaand aan en los van de overige onlosmakelijke activiteiten een aanvraag om een omgevingsvergunning worden ingediend.

Artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1° met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2° in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3° in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;

Bestemmingsplan Bergen-Dorpskern Zuid

Artikel 24

Bestemmingsomschrijving

1. De op de plankaart voor Wonen-2 (W-2) aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. het wonen en in samenhang daarmee voor de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;

alsmede voor:

b. ter plaatse van de aanduiding natuur- en landschapswaarden (nlw)”: natuur- en land

schapswaarden;

c. ter plaatse van de aanduiding ‘recreatiewoning (rw)”: recreatiewoningen;

d. archeologisch waardevol gebied zoals bedoeld in artikel 28;

met dien verstande dat:

e. ter plaatse van de aanduiding “recreatiewoning (rw)” ten hoogste één recreatiewoning is

toegestaan.

Bestemmingsplan Parkeren

Artikel 3.1 parkeervoorzieningen

Een omgevingsvergunning voor het (ver)bouwen van een bouwwerk wordt slechts verleend indien in, op of onder het bouwwerk, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het bouwwerk behoort, in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid, wordt bepaald aan de hand van het bepaalde in de 'Notitie Ruimtelijk Parkeerbeleid 2009'. Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, wordt rekening gehouden met de gewijzigde regels.

Artikel 3.3 afwijkingsbevoegdheid

a. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.1 indien:

1. het voldoen aan deze regel door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of

2. op andere geschikte wijze in de nodige parkeergelegenheid wordt voorzien;

3. strikte toepassing van de nota leidt tot een bijzondere hardheid, die niet door dringende redenen/noodzaak wordt gerechtvaardigd;

onder de voorwaarde dat dit mogelijk is indien de structuur van de omgeving daartoe aanleiding geeft en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid en de verkeerssituatie ter plaatse.

(…)

Artikel 4.1 parkeervoorzieningen

Een omgevingsvergunning voor het uitbreiden of wijzigen van de functie van een bouwwerk wordt slechts verleend indien in, op of onder het bouwwerk, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het bouwwerk behoort, in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid, wordt bepaald aan de hand van het bepaalde in de 'Notitie Ruimtelijk Parkeerbeleid 2009'. Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, wordt rekening gehouden met de gewijzigde regels.

Artikel 4.3 wijzigingsbevoegdheid

a. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.1 indien:

1. het voldoen aan deze regel door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of

2. op andere geschikte wijze in de nodige parkeergelegenheid wordt voorzien;

3. strikte toepassing van de nota leidt tot een bijzondere hardheid, die niet door dringende redenen/noodzaak wordt gerechtvaardigd;

onder de voorwaarde dat dit mogelijk is indien de structuur van de omgeving daartoe aanleiding geeft en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid en de verkeerssituatie ter plaatse

(…)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?