RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/020794-25 (P)
Uitspraakdatum: 5 maart 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 februari 2026 in de zaak tegen:
[naam verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M.G.T. Kramer en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. H.A.F.C. Tack, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 20 december 2024, althans een tijdstip gelegen in de maand december 2024, te Zaandam, gemeente Zaanstad, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen met een persoon, te weten [het slachtoffer] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- ( tong)zoenen met [het slachtoffer] en/of
- betasten en/of strelen en/of likken van de borsten van [het slachtoffer] en/of
- betasten van de vagina van [het slachtoffer] en/of
- stoppen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen van [het slachtoffer] en/of vingeren van [het slachtoffer] en/of
- laten vasthouden van zijn penis en (vervolgens) zich door [het slachtoffer] laten aftrekken/masturberen en/of
- brengen en/of houden van zijn geslachtsdeel in de mond van [het slachtoffer] en/of zich door [het slachtoffer] laten pijpen en/of
- stoppen en/of brengen en/of houden van zijn geslachtsdeel in de vagina van [het slachtoffer] en/of
- houden van zijn geslachtsdeel tegen de anus van [het slachtoffer]
terwijl hij, verdachte en/of zijn mededaders, wisten dat bij [het slachtoffer] daartoe de wil ontbrak
en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door
- het op (dwingende toon) instrueren van [het slachtoffer] welke seksuele handelingen zij moet verrichten, wat zij moet doen of zeggen en/of
- het aannemen van een dwingende en/of agressieve houding waartegen [het slachtoffer] geen weerstand kon bieden en/of
- het op (dwingende toon) zeggen dat [het slachtoffer] mee moet werken of mee moet bewegen terwijl er seksuele handelingen worden verricht en/of
- het op (dwingende toon) instrueren/zeggen van/tegen [het slachtoffer] in welke houding en/of standje zij moet gaan staan en/of aannemen en/of
- het (laten) filmen van de (gedeeltelijk) ontklede [het slachtoffer] en/of het (laten) filmen van de seksuele handelingen die zij bij verdachte moet verrichten en het (laten) filmen van de seksuele handelingen die hij, verdachte, bij [het slachtoffer] verrichten en/of
- het (aldus) misbruik maken van de kwetsbare positie waarin [het slachtoffer] zich bevond, doordat hij/zij, (mede)verdachte fysiek en/of emotioneel overwicht had op [het slachtoffer] en aldus een voor [het slachtoffer] een ongelijkwaardige en/of bedreigende situatie heeft doen ontstaan waaraan of waardoor [het slachtoffer] zich niet kon verzetten tegen eerdergenoemde seksuele handelingen en/of
- een feitelijk overwicht op [het slachtoffer] hebben, gezien de verstandelijke beperking en/of kwetsbaarheid van/bij [het slachtoffer] en/of het feit dat zij, medeverdachte, de moeder is van [het slachtoffer] .
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, met dien verstande dat sprake is van gekwalificeerde opzetverkrachting begaan door twee verenigde personen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair bepleit dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken, omdat het (voorwaardelijk) opzet bij de verdachte ontbreekt. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verdachte niet wist dat de wil tot seksueel contact bij de aangeefster ontbrak en dat hij niet door had dat zij verstandelijk beperkt was. De verdachte verkeerde daarom in de veronderstelling dat zij met de seksuele handelingen heeft ingestemd. Toen de aangeefster aangaf dat zij wilde stoppen, is hij direct gestopt.
Daarnaast heeft de raadsvrouw aangevoerd dat geen sprake was van medeplegen. De verdachte ontdekte pas naderhand dat de medeverdachte de aangeefster (haar dochter) ertoe had aangezet om voor geld seksuele handelingen met hem te verrichten. De verdachte heeft geen (dwingende) instructies gehoord en uit het dossier blijkt niet dat er onderlinge afspraken waren gemaakt of dat zij gezamenlijk hebben gehandeld.
Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring zou kunnen komen, heeft de verdediging het voorwaardelijk verzoek gedaan tot aanhouding van de behandeling van de zaak om [getuige B] (opnieuw) te horen als getuige.
Oordeel van de rechtbank
Bewijs
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
Bewijsmotivering
In de onderhavige zaak staat niet ter discussie dat de verdachte op 20 december 2024 in Zaandam seksuele handelingen heeft verricht met aangeefster [het slachtoffer] (hierna: [het slachtoffer] ). [het slachtoffer] (destijds 27 jaar) heeft een verstandelijke beperking, woont in een begeleid woonvoorziening en heeft een wettelijk vertegenwoordiger. [het slachtoffer] heeft bij de politie verklaard dat de seksuele handelingen tegen haar wil en op initiatief en onder dwang van haar moeder, medeverdachte [medeverdachte] (hierna: de medeverdachte), hebben plaatsgevonden. De verdachte heeft ontkend dat hij wist dat de wil tot seksueel contact bij [het slachtoffer] ontbrak. Hij heeft verklaard dat hij in de veronderstelling verkeerde – en mocht verkeren – dat sprake was van consensuele seks en dat hij direct is gestopt toen [het slachtoffer] aangaf dat zij niet (meer) wilde. Ook heeft de verdachte ontkend dat sprake is geweest van het brengen van zijn penis in de vagina van [het slachtoffer] . Hij heeft slechts zijn penis tegen haar vagina aangehouden.
De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte seksuele handelingen heeft verricht met [het slachtoffer] terwijl hij wist dat de wil daartoe bij [het slachtoffer] ontbrak. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, zal de rechtbank vervolgens beoordelen of deze seksuele handelingen zijn voorafgegaan door, vergezeld van of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging en of de verdachte de seksuele handelingen in vereniging met de medeverdachte heeft gepleegd.
Betrouwbaarheid van de verklaring van [het slachtoffer]
Inhoud van de verklaring van [het slachtoffer] Naar aanleiding van een melding bij de politie door haar wettelijk vertegenwoordiger is [het slachtoffer] op 21 december 2024 telefonisch gehoord door een zedenrechercheur. Daarna heeft zij op 16 januari 2025 in een studioverhoor een verklaring bij de politie afgelegd.
De verklaring van [het slachtoffer] houdt – samengevat – in dat zij van haar moeder (medeverdachte [medeverdachte] ) seks moest hebben met een oude man, de verdachte. [het slachtoffer] wilde dit niet en heeft dit ook tegen haar moeder gezegd. Haar moeder wilde toch dat zij seks zou hebben met de verdachte, omdat zij in ruil hiervoor geld zou krijgen en zij dat nodig had. [het slachtoffer] was die dag samen met haar moeder en een derde verdachte, [getuige B] (hierna: [getuige B] bij de verdachte thuis. [het slachtoffer] moest zich in de badkamer uitkleden en dingen doen die zij niet fijn vond. De verdachte heeft haar ge(tong)zoend op haar mond, haar borsten aangeraakt en aan haar tepels gezogen. Zij heeft steeds gezegd dat zij het niet wilde, maar hij bleef doorgaan. De verdachte heeft drie vingers in haar vagina gestopt en deze heen en weer bewogen. Ze had daarop een paar keer aangegeven dat dat heel veel pijn deed. De verdachte had haar gezegd dat zij niet bang moest zijn. Hij stopte pas nadat zij een paar keer ‘stop maar’ had gezegd. Haar moeder kwam steeds in de badkamer kijken, lachte haar uit dat ze verkeerd stond, deed voor hoe zij (wel) moest gaan staan waarbij zij zei dat [het slachtoffer] dat zo moest doen. De verdachte is toen met zijn penis in haar vagina gegaan, wat heel veel pijn deed. [het slachtoffer] heeft toen gezegd dat zij dat niet wilde en dat hij moest stoppen, waarop de verdachte in eerste instantie stopte maar het daarna opnieuw probeerde. Hij heeft ook geprobeerd met zijn penis in haar anus te gaan. Ook moest zij met haar hand heen en weer bewegen over zijn penis. Vervolgens heeft [het slachtoffer] zich weer aangekleed en is zij naar de woonkamer gegaan. Daar zei haar moeder dat zij weer wat moest doen met de verdachte. Zij heeft toen meerdere keren aangegeven dat zij dat niet wilde, maar haar moeder zei dat zij het toch moest doen. De verdachte heeft daarop zijn broek losgemaakt, waarna [het slachtoffer] aan de penis van de verdachte moest zuigen. De verdachte heeft hierbij de hele tijd met zijn hand op haar hoofd geduwd. Zij moest minutenlang doorgaan en vond dit zo vies dat zij moest overgeven. Haar moeder keek toe en lachte haar uit. [het slachtoffer] heeft verklaard dat zij door dit alles verwondingen aan haar vagina heeft opgelopen.
Beoordeling van de verklaring van [het slachtoffer] De rechtbank stelt vast dat [het slachtoffer] op 21 december 2024 en op 16 januari 2025 uitgebreid en gedetailleerd heeft verklaard over de seksuele handelingen die de verdachte heeft verricht, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de rol die de medeverdachte daarbij heeft vervuld. Haar verklaringen zijn naar het oordeel van de rechtbank consistent en komen de rechtbank bovendien authentiek voor. In dat verband acht de rechtbank bovendien van belang dat [getuige A] , de wettelijk vertegenwoordiger van [het slachtoffer] , heeft verklaard dat [het slachtoffer] moest huilen toen zij haar vertelde wat er was gebeurd. Daar komt bij dat de verklaring van [het slachtoffer] op specifieke punten wordt bevestigd door de hierna weer te geven verklaring van de verdachte. De rechtbank ziet dan ook geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van haar verklaring.
De rechtbank komt tot de conclusie dat de verklaring van [het slachtoffer] als betrouwbaar kan worden aangemerkt en om die reden bruikbaar is voor het bewijs. De rechtbank zal haar verklaring dan ook als uitgangspunt nemen in deze zaak. In deze conclusie ligt besloten dat de rechtbank de verklaring van de verdachte – dat [het slachtoffer] één keer heeft gezegd dat zij pijn had en dat hij toen direct is gestopt en dat geen sprake is geweest van vaginale penetratie met de penis – als ongeloofwaardig terzijde schuift.
Overig bewijs
De rechtbank is, zoals gezegd, van oordeel dat de verklaring van [het slachtoffer] niet op zichzelf staat, maar steun vindt in de verklaring van de verdachte. De verdachte heeft immers zelf ook verklaard dat hij seksuele handelingen heeft verricht met [het slachtoffer] en dat [het slachtoffer] tijdens de seks heeft gezegd dat het pijn deed en het ‘genoeg’ was. Hij heeft verklaard dat hij [het slachtoffer] heeft gevingerd, dat de medeverdachte tijdens de seks meerdere keren in de badkamer kwam kijken en hierbij tegen [het slachtoffer] heeft gezegd dat zij goed bij het toilet moest gaan staan en dat zij zich met haar benen wijd voorover moest buigen over het toilet. De medeverdachte wilde dat hij [het slachtoffer] zou penetreren. De verdachte heeft verder verklaard dat toen hij op de bank zat, de medeverdachte tegen [het slachtoffer] zei: “je moet hem nog even pijpen”. Daarop is [het slachtoffer] naar hem toegekomen en hem begonnen te pijpen.
De verklaring van [het slachtoffer] vindt verder steun in de verklaring van de getuige [getuige C] over het letsel dat zij bij [het slachtoffer] heeft waargenomen bij haar schaamlippen en het bloed dat zij heeft aangetroffen in twee onderbroeken van [het slachtoffer] .
Opzetverkrachting De verdediging heeft bepleit dat de verdachte geen opzet heeft gehad op het verrichten van seksuele handelingen tegen de wil van [het slachtoffer] . De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat [het slachtoffer] herhaaldelijk heeft gezegd dat zij het niet wilde, dat het (heel veel) pijn deed en dat de verdachte moest stoppen. De verdachte is desondanks doorgegaan met het verrichten van de seksuele handelingen. Bovendien heeft de verdachte gehoord dat [het slachtoffer] op aanwijzingen van haar moeder anders moest gaan staan bij het toilet en dat zij hem in de woonkamer moest pijpen. Hoewel bij de verdachte hoogstwaarschijnlijk sprake is van een licht verstandelijke beperking, zoals de verdediging heeft aangevoerd, moet ook voor hem duidelijk zijn geweest dat geen sprake was van consensuele seks. [het slachtoffer] heeft immers herhaaldelijk en op onmiskenbare wijze haar weerstand geuit. De rechtbank acht daarmee bewezen dat de verdachte opzettelijk – in de zin van vol opzet – de ontbrekende wil bij [het slachtoffer] heeft genegeerd en dat dus sprake is van opzetverkrachting.
Dwang De rechtbank stelt vast dat de medeverdachte als moeder van [het slachtoffer] een natuurlijk overwicht had op haar dochter. Met andere woorden: er was geen sprake van een gelijkwaardige relatie. Het is juist de medeverdachte geweest [het slachtoffer] heeft opgedragen seks te hebben met de verdachte, haar heeft geïnstrueerd welke seksuele handelingen zij moest verrichten en haar heeft verteld in welke houding zij moest gaan staan. De medeverdachte heeft hierbij telkens de weerstand en verbale uitingen van onwil van haar dochter genegeerd en erop gestaan dat [het slachtoffer] wél seks zou hebben met de verdachte. De verdachte heeft vervolgens misbruik gemaakt van het overwicht dat de medeverdachte vanuit haar moederrol op [het slachtoffer] had, waarbij hij telkens is doorgegaan en de aanwijzingen van de medeverdachte ook heeft opgevolgd, bijvoorbeeld door [het slachtoffer] proberen te penetreren nadat zij op aanwijzingen van haar moeder anders was gaan staan bij het toilet en door zich te laten pijpen. De rechtbank acht op grond hiervan bewezen dat zodanige psychische druk op [het slachtoffer] is uitgeoefend dat zij zich naar redelijke verwachtingen daar niet tegen heeft kunnen verzetten als gevolg waarvan zij de handelingen tegen haar wil heeft ondergaan. Daarmee acht de rechtbank bewezen dat de opzetverkrachting is voorafgegaan door en vergezeld van dwang. Nu uit de bewijsmiddelen niet blijkt van toepassing van geweld of bedreiging met geweld, zal de verdachte daarvan (partieel) worden vrijgesproken.
Medeplegen
Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank tot slot af dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte. Beiden hebben immers een onmisbare bijdrage van voldoende gewicht geleverd aan het delict. De medeverdachte was de initiator van de seks tussen de verdachte en [het slachtoffer] , zij was daarbij aanwezig en heeft zich daarmee actief bemoeid door te instrueren dat en welke seksuele handelingen [het slachtoffer] moest verrichten en in welke houding zij moest gaan staan. Vervolgens is de verdachte overgegaan tot het daadwerkelijk verrichten van de seksuele handelingen met [het slachtoffer] . Beiden hebben steeds haar (verbale) weerstand genegeerd en zijn doorgegaan met de uitvoering van het delict. De rechtbank acht dan ook het medeplegen bewezen.
Conclusie De rechtbank komt tot bewezenverklaring van gekwalificeerde opzetverkrachting, begaan door twee verenigde personen.
Voorwaardelijk verzoek tot het horen van een getuige
De raadsvrouw heeft bij pleidooi het voorwaardelijk verzoek gedaan om de behandeling van de zaak aan te houden, teneinde [getuige B] (opnieuw) te horen als getuige op het moment dat hij zich niet meer op het verschoningsrecht kan beroepen. Nu de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, is de aan het verzoek verbonden voorwaarde voldaan, zodat de rechtbank zich zal uitlaten over het verzoek.
De raadsvrouw heeft ter onderbouwing van het verzoek gesteld dat zij [het slachtoffer] (op dit moment) niet kan horen als getuige. De rechter-commissaris heeft dit verzoek afgewezen omdat door een getuigenverhoor de gezondheid en/of het welzijn van [het slachtoffer] in gevaar zou worden gebracht. Het horen van [getuige B] biedt de verdediging de mogelijkheid de betrouwbaarheid van haar verklaring te toetsen, omdat [getuige B] – in tegenstelling tot de woonbegeleiders van [het slachtoffer] – tijdens het tenlastegelegde aanwezig was in de woning van de verdachte en dus kan verklaren over wat daar is voorgevallen. De raadsvrouw wil [getuige B] (aanvullende) vragen stellen over wat hij heeft gezien en gehoord, of hij heeft gehoord dat de medeverdachte aanwijzingen heeft gegeven en of hij haar vanuit de keuken toen [het slachtoffer] de verdachte aan het pijpen was heeft horen lachen of aanwijzingen heeft horen geven.
Bij de beoordeling van het verzoek geldt als maatstaf of de noodzaak van het verzochte is gebleken. De rechtbank is, mede gelet op de onderbouwing van het verzoek, van oordeel dat de noodzaak van het (opnieuw) horen van de getuige niet is gebleken, omdat de rechtbank zich voldoende voorgelicht acht. De onderdelen van de verklaring van [het slachtoffer] waarover de verdediging de getuige [getuige B] (opnieuw) wil bevragen, worden bevestigd door de verklaring van de verdachte zelf. Zowel [het slachtoffer] als de verdachte heeft immers verklaard dat de medeverdachte aanwijzingen aan [het slachtoffer] heeft gegeven. Uit de verklaring van de verdachte volgt ook dat hij hij die aanwijzingen heeft gehoord, sterker nog hij heeft daar ook naar gehandeld. Dat die onderdelen van haar verklaring op betrouwbaarheid moeten worden getoetst, heeft de verdediging in dat licht daarom onvoldoende onderbouwd. Daar komt bij dat de verdediging niet heeft aangevoerd dat de verklaring van [het slachtoffer] door de rechtbank als onbetrouwbaar moet worden aangemerkt.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of toewijzing van het verzoek is geboden ter waarborging van het recht op een eerlijk proces van de verdachte zoals neergelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank is van oordeel dat, ondanks het gegeven dat de verdediging geen mogelijkheid is geboden [het slachtoffer] als getuige te horen, die belastende verklaring voor het bewijs kan worden gebruikt en dat wordt voldaan aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. In de eerste plaats is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een goede reden voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid van [het slachtoffer] , namelijk een eerder vastgesteld gegrond vermoeden van gevaar voor haar welzijn en/of gezondheid door het afleggen van een verklaring, wat door de verdediging ook niet is betwist. Daarnaast geldt dat het gewicht van de verklaring van [het slachtoffer] , binnen het geheel van de onderzoeksresultaten, voor de bewezenverklaring beperkt is, nu de onderdelen waarop de verdediging de getuige [getuige B] wenst te bevragen steun vindt in ander bewijsmateriaal, te weten (onder meer) de verklaring van de verdachte zelf. Tot slot is sprake geweest van verschillende compenserende factoren voor de verdediging, waaronder de gelegenheid tot het uitkijken van de opname van het studioverhoor van [het slachtoffer] en het horen als getuigen van haar woonbegeleiders.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat het verzoek tot het horen van de getuige [getuige B] moet worden afgewezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 20 december 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander, met een persoon, te weten [het slachtoffer] , seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten- (tong)zoenen met [het slachtoffer] en- betasten en likken van de borsten van [het slachtoffer] en- betasten van de vagina van [het slachtoffer] en- stoppen van zijn, verdachtes, vingers in de vagina van [het slachtoffer] en- laten vasthouden van zijn penis en zich door [het slachtoffer] laten aftrekken en- brengen en houden van zijn geslachtsdeel in de mond van [het slachtoffer] en zich door [het slachtoffer] laten pijpen en- brengen van zijn geslachtsdeel in de vagina van [het slachtoffer] en- houden van zijn geslachtsdeel tegen de anus van [het slachtoffer] ,terwijl hij, verdachte, en zijn mededader wisten dat bij [het slachtoffer] daartoe de wil ontbrak
en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door en vergezeld van dwang, door- het instrueren van [het slachtoffer] welke seksuele handelingen zij moet verrichten en wat zij moet doen en- het aannemen van een dwingende houding waartegen [het slachtoffer] geen weerstand kon bieden en - het zeggen dat [het slachtoffer] mee moet werken terwijl er seksuele handelingen worden verricht en- het zeggen tegen [het slachtoffer] in welke houding zij moet gaan staan en - een feitelijk overwicht op [het slachtoffer] te hebben, gezien het feit dat zij, medeverdachte, de moeder is van [het slachtoffer] .
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
gekwalificeerde opzetverkrachting, begaan door twee of meer verenigde personen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Voorwaardelijk verzoek tot het laten opmaken van deskundigenrapportage
De verdediging heeft, in het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen, het voorwaardelijk verzoek gedaan tot het laten opmaken van een deskundigenrapport ten aanzien van de mate van toerekeningsvatbaarheid van de verdachte, naar aanleiding van het vermoeden van de reclassering dat bij hem sprake is van een licht verstandelijke beperking.
Nu de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, is de aan het verzoek verbonden voorwaarde voldaan, zodat de rechtbank zich zal uitlaten over het verzoek. Bij de beoordeling van het verzoek geldt als maatstaf of de noodzaak van het verzochte is gebleken. De rechtbank is, mede gelet op de onderbouwing van het verzoek, van oordeel dat de noodzaak van het laten opmaken van een deskundigenrapportage niet is gebleken. De rechtbank acht zich op basis van het reclasseringsrapport van 3 februari 2026 en de rest van het strafdossier voldoende voorgelicht om te beslissen over de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte.
In het reclasseringsrapport staat dat bij de verdachte mogelijk sprake is van een licht verstandelijke beperking, maar dat dit hem, gezien de stabiliteit op de verschillende leefgebieden, niet lijkt te beperken. De rechtbank is daarom van oordeel dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat die beperking dermate van invloed is geweest op de wilsvrijheid van de verdachte, dat dit ertoe zou moeten leiden dat het bewezenverklaarde hem niet, althans in verminderde mate, is aan te rekenen.
Conclusie
Er is dus geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie vordert daarnaast oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) voor de duur van drie jaar, inhoudende een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod voor de wijk [naam wijk] in Purmerend. Voor iedere overtreding van deze maatregel door de verdachte moet vervangende hechtenis voor de duur van veertien dagen worden toegepast, met een maximum van zes maanden.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft in het kader van de straftoemeting verzocht te volstaan met een straf waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest en het overige deel in voorwaardelijke vorm op te leggen als stok achter de deur. De verdediging kan zich verenigen met een contactverbod met het slachtoffer, maar verzet zich tegen het locatieverbod. Primair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat daartoe de noodzaak ontbreekt, subsidiair dat een duidelijke afbakening van het verboden gebied is vereist, mede gelet op de werkzaamheden van de verdachte.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan opzetverkrachting met toepassing van dwang. Opzetverkrachting is een zeer ernstig feit. De verdachte heeft tegen de wil van het slachtoffer zeer vergaande seksuele handelingen met haar verricht, terwijl de medeverdachte het slachtoffer, haar eigen dochter, hiertoe heeft gedwongen en aanwijzingen heeft gegeven. Door zo te handelen heeft de verdachte de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer, een kwetsbare vrouw met een verstandelijke beperking, op zeer ingrijpende wijze geschonden. De verdachte heeft uitsluitend oog gehad voor zijn eigen lustgevoelens en heeft zich op geen enkele wijze bekommerd om het welzijn van het slachtoffer. De rechtbank rekent dit de verdachte zeer zwaar aan.Het is algemeen bekend dat slachtoffers van verkrachting langdurig psychische klachten kunnen ondervinden. Dat het feit ook een grote impact op [het slachtoffer] heeft gehad en nog steeds heeft, blijkt uit de toelichting op de vordering tot schadevergoeding en de door haar begeleidsters waargenomen en gerapporteerde gedragsveranderingen. [het slachtoffer] ondervindt hevige gevoelens van angst en onveiligheid en is het vertrouwen in anderen verloren. Zij is meerdere keren opgenomen in de crisisopvang in verband met angst- en paniekaanvallen, zelfbeschadigend gedrag en suïcidale uitlatingen. Haar draagkracht is aanzienlijk afgenomen en de fysieke agressie richting haar omgeving is toegenomen. Wegens haar grote gevoel van onveiligheid moesten verschillende interventies worden ingezet, waaronder maandenlange inzet van één-op-één begeleiding en wakkere nachtbegeleiding alsmede een interne verhuizing naar een andere kamer. Daarnaast volgt het slachtoffer voor haar trauma een beeldende therapiebehandeling van een EMDR-therapeut.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte, gedateerd 8 januari 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte weliswaar eerder strafrechtelijk is veroordeeld, maar niet wegens soortgelijke (zeden)feiten.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 3 februari 2026, opgemaakt door een reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland. Uit het rapport komt – zakelijk en samengevat weergegeven – naar voren dat sprake is van risicofactoren op het gebied van de relatie met een partner, gezin en familie, het psychosociaal functioneren en de houding van de verdachte. Verder zijn er aanwijzingen voor de aanwezigheid van een licht verstandelijke beperking. De reclassering schat het risico op recidive, letsel en onttrekking als laag in. Het risico op recidive van een zedenfeit schat de reclassering aan de hand van verschillende taxatie-instrumenten als matig-laag in. De reclassering adviseert bij een bewezenverklaring een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden verbonden aan een voorwaardelijk strafdeel, omdat zij interventies of toezicht niet nodig vindt. Een behandeling (gericht op zedenproblematiek) is gezien de lage kans op recidive niet aangewezen. Wel adviseert de reclassering het slachtoffer te volgen in haar wens om een contact- en locatieverbod.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de toelichting die de verdachte en zijn raadsvrouw op de zitting hebben gegeven met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden.
De op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur rechtvaardigen.
Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. In de oriëntatiepunten is voor een verkrachting onder artikel 242 (oud) Sr waarbij sprake is van geweld of een daarmee vergelijkbare mate van dwang, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden als uitgangspunt geformuleerd. De rechtbank acht deze categorie passend bij de mate van dwang die in deze zaak op het slachtoffer is uitgeoefend.
De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat de verdachte het slachtoffer, een kwetsbare vrouw met een verstandelijke beperking die 32 jaar jonger is dan hij, zowel vaginaal als oraal heeft verkracht. De verkrachting heeft plaatsgevonden in een bijzonder vernederende setting, namelijk (deels) in aanwezigheid van derden, onder wie de medeverdachte, haar eigen moeder die aanwijzingen heeft gegeven en heeft gezegd wat het slachtoffer moest doen. Daar komt bij dat sprake was van onbeschermde seks, met alle risico’s van dien op het gebied van seksueel overdraagbare aandoeningen en zwangerschap. Het feit heeft bijzonder schadelijke gevolgen voor het slachtoffer gehad. Gelet op voornoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat in deze zaak sprake is van een zeer ernstige verkrachting.
Ten nadele van de verdachte weegt de rechtbank verder mee dat hij zich blijkens zijn houding en uitlatingen in sterke mate in een slachtofferrol plaatst en zichzelf met name als benadeelde van de situatie beschouwt. Daarmee miskent hij de rol die hij zelf heeft gespeeld en heeft hij onvoldoende oog voor de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank acht geen andere straf op zijn plaats dan één die vrijheidsbeneming van langere duur meebrengt dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is.
Tenuitvoerlegging
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.
Vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr Ter voorkoming van strafbare feiten is de rechtbank – mede gelet op de uitdrukkelijk wens van het slachtoffer – van oordeel dat de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid moet worden opgelegd aan de verdachte voor de duur van drie jaren, inhoudende dat de verdachte:
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [het slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats B] ; - zich niet zal bevinden in het gebied dat ligt tussen de (water)wegen [beschrijving gebied] (de wijk ‘ [naam wijk] ’) in Purmerend.
De rechtbank zal daarbij bepalen dat een overtreding van het contact- of locatieverbod 14 dagen vervangende hechtenis tot gevolg heeft, met een totale duur van de vervangende hechtenis van maximaal zes maanden.
Voorlopige hechtenis Het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte is door de rechtbank met ingang van 25 september 2025 onder voorwaarden geschorst voor onbepaalde tijd. De rechtbank is van oordeel dat de ernstige bezwaren en de gronden die tot het verlenen van het bevel tot voorlopige hechtenis hebben geleid, nog steeds bestaan. De rechtbank acht noodzakelijk dat de aan de schorsing gestelde voorwaarden in stand blijven zolang dit vonnis niet onherroepelijk is. De rechtbank zal daarom de schorsing van de voorlopige hechtenis niet opheffen op het moment van de uitspraak, zodat de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst blijft onder dezelfde voorwaarden tot het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is. Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven met ingang van het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is geworden.
7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
Namens de benadeelde partij [het slachtoffer] heeft mr. M. van Rooij een vordering tot schadevergoeding van € 10.000,00 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de gevorderde schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, omdat de verdachte van het ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat uit de vordering niet volgt welke schade is ontstaan door de seksuele handelingen en welke schade door toedoen van de medeverdachte. Beantwoording van die vraag levert volgens de raadsvrouw een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij meer subsidiair om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering.
Oordeel van de rechtbank
Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek heeft degene die in zijn of haar persoon is aangetast recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. In beginsel moet degene die zich hierop beroept de aantasting in de persoon met concrete gegevens onderbouwen. Dit is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank is van oordeel dat dit in deze zaak aan de orde is, gelet op de ernst van de bewezen verklaarde gekwalificeerde opzetverkrachting in vereniging zoals hiervoor onder de strafmotivering is overwogen. Uit het verhandelde ter zitting en de onderbouwing bij het voegingsformulier is daarnaast voldoende gebleken dat het bewezen verklaarde handelen heeft geleid tot ingrijpende gevolgen voor de benadeelde partij, die ook rechtstreeks het gevolg zijn van verdachtes bewezen verklaarde handelen. De rechtbank gaat dus voorbij aan het subsidiair gevoerde verweer van de verdediging.
Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding neemt de rechtbank de Rotterdamse schaal (ordening van smartengeldbedragen bij lichamelijk letsel en andere persoonsaantastingen) als uitgangspunt. De rechtbank zal aansluiting zoeken bij de bandbreedte die in de Rotterdamse schaal is opgenomen voor verkrachting van ernstige aard zoals opgenomen onder hoofdstuk 15.1, te weten een bandbreedte tussen € 7.500,00 tot € 15.000,00.
De rechtbank komt gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde, de onderbouwing van de vordering, alsmede de bedragen die in min of meer vergelijkbare gevallen worden toegekend en de bedragen die worden genoemd in de Rotterdamse Schaal een vergoeding van de immateriële schade tot het gevorderde bedrag van € 10.000,00 billijk voor.
De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: gekwalificeerde opzetverkrachting in vereniging] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
36f, 38v, 38w, 63, 243, 254 van het Wetboek van Strafrecht.
9. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4 vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 (achtenveertig) maanden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vrijheidsbeperkende maatregel ex 38v Sr
Legt aan de verdachte op de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van 3 (drie) jaren, inhoudende dat de verdachte:
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 14 (veertien) dagen voor iedere keer dat één van de verboden wordt geschonden, met een maximum van 6 (zes) maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.Voorlopige hechtenisHeft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is. Zolang het vonnis niet onherroepelijk is, blijven de in het bevel tot schorsing van de rechtbank van 24 september 2025 gestelde voorwaarden in stand.
Vordering van de benadeelde partij [het slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 10.000,00 (zegge: tienduizend euro), bestaande een vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [het slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [het slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 10.000,00 (zegge: tienduizend euro), bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 75 (vijfenzeventig) dagen en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.C. van den Bos, voorzitter,
mr. M.S. Neervoort en mr. A.H. Tiemens, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffiers mr. R.M. Beekhuizen en mr. L.S. Rietdijk,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 maart 2026.
De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage
De bewijsmiddelen
(…)