ECLI:NL:RBNHO:2026:2288

ECLI:NL:RBNHO:2026:2288

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 11-03-2026
Datum publicatie 06-03-2026
Zaaknummer 11408269
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

Deze zaak gaat om de vraag of een directeur in dienstbetrekking zijn werkgever heeft benadeeld door mondkapjes aan overheidsinstanties te verkopen en daarom schade moet vergoeden en contractuele boetes moet betalen. De kantonrechter oordeelt dat de directeur is tekortgeschoten in zijn verplichting om zich als een goed werknemer te gedragen, omdat hij met de mondkapjesdeal met de Nederlandse Staat concurrerende nevenwerkzaamheden heeft verricht. Ook heeft de directeur zijn loon eenzijdig verhoogd. Hij moet het teveel ontvangen loon en de contractuele boetes voor schending van het nevenwerkzaamheden-beding aan de werkgever betalen, maar de kantonrechter matigt de verbeurde boetes. De kantonrechter oordeelt ook dat het eigen bedrijf van de directeur onrechtmatig heeft geprofiteerd van de concurrentie. Voor de begroting van de schade als gevolg van de tekortkoming van de directeur en de onrechtmatige daad van zijn bedrijf verwijst de kantonrechter de zaak naar de schadestaatprocedure.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Alkmaar

Zaaknummer: 11408269 \ CV EXPL 24-3852 (IL/PA)

Vonnis van 11 maart 2026

in de zaak van

1. TECHMEDIC DEVELOPMENT INTERNATIONAL B.V.,

te Eindhoven,2. PARINVEST B.V.,

te Eindhoven,

eisende partijen,

hierna samen te noemen: TMDI c.s.,

afzonderlijk te noemen respectievelijk: TMDI en Parinvest,

gemachtigde: mr. G.C. Vergouwen,

tegen

1. [gedaagde 1] ,

te [plaats 1] ,2. O2 HEALTH B.V.,

te Noord Scharwoude ,3. BELLA VITA HOLDING B.V.,

te Noord Scharwoude ,

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: [gedaagden] ,

afzonderlijk te noemen respectievelijk: [gedaagde 1] , O2H en Bella Vita ,

gemachtigde: mr. Y. Moszkowicz.

De zaak in het kort

Deze zaak gaat om de vraag of een directeur in dienstbetrekking zijn werkgever heeft benadeeld door mondkapjes aan overheidsinstanties te verkopen en daarom schade moet vergoeden en contractuele boetes moet betalen. De kantonrechter oordeelt dat de directeur is tekortgeschoten in zijn verplichting om zich als een goed werknemer te gedragen, omdat hij met de mondkapjesdeal met de Nederlandse Staat concurrerende nevenwerkzaamheden heeft verricht. Ook heeft de directeur zijn loon eenzijdig verhoogd. Hij moet het teveel ontvangen loon en de contractuele boetes voor schending van het nevenwerkzaamheden-beding aan de werkgever betalen, maar de kantonrechter matigt de verbeurde boetes. De kantonrechter oordeelt ook dat het eigen bedrijf van de directeur onrechtmatig heeft geprofiteerd van de concurrentie. Voor de begroting van de schade als gevolg van de tekortkoming van de directeur en de onrechtmatige daad van zijn bedrijf verwijst de kantonrechter de zaak naar de schadestaatprocedure.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van de kantonrechter van 18 december 2024

- de conclusie van antwoord in reconventie met de producties 101 tot en met 104

- de mondelinge behandeling van 2 februari 2026, waar TMDI c.s. zijn verschenen en [gedaagden] niet zijn verschenen

- het proces-verbaal van de zitting.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

TMDI heeft een werkmaatschappij, Techmedic International B.V. (hierna: TMI).

Parinvest is enig bestuurder van TMDI en houdt zich onder andere bezig met het investeren in en begeleiden van startups. Parinvest houdt 95% van de aandelen van TMDI. Parinvest behoort tot de groep van vennootschappen van investeerder [bestuurder Parinvest] (hierna: [bestuurder Parinvest] ).

[gedaagde 1] is voormalig titulair directeur van TMDI, met volledige volmacht.

O2H is de werkmaatschappij van [gedaagde 1] . [gedaagde 1] houdt via [B.V.] de aandelen en is enig bestuurder van O2H .

Bella Vita is de persoonlijke holding van [gedaagde 1] en ook bestuurder van TMDI. [gedaagde 1] is bestuurder van Bella Vita . Bella Vita houdt 5% van de aandelen van TMDI.

[gedaagde 1] heeft zijn echtgenote [echtgenote] in dienst van TMDI aangenomen. Zij verzorgde de administratie en deed de betalingen.

[gedaagde 1] , geboren op [geboortedatum] , is sinds 26 februari 2013 in dienst geweest bij TMDI. De functie van [gedaagde 1] was directeur. In de arbeidsovereenkomst staat dat het loon € 4.237,75 bruto per maand is bij een arbeidsduur van 23,14 uur per week exclusief vakantietoeslag.

TMDI en Bella Vita hebben een managementovereenkomst gesloten voor de duur van vijf jaar vanaf 26 februari 2013. Op basis van deze overeenkomst verrichtte Bella Vita managementwerkzaamheden voor TMDI. In de managementovereenkomst staat dat het gaat om het voeren van de directie over de vennootschap, waaronder het bestuur en de dagelijkse leiding, gedurende 790 uren per jaar (omgerekend ongeveer 17 uur per week; opmerking kantonrechter). Feitelijk voerde [gedaagde 1] de werkzaamheden uit als manager. Hij was geregistreerd als gevolmachtigde met volledige volmacht. De overeengekomen managementvergoeding was € 5.416,67 exclusief btw. De overeenkomst is na vijf jaar niet verlengd.

In maart 2016 hebben [bestuurder Parinvest] , handelend voor zich en als zelfstandig bevoegde bestuurder van Parinvest, en [gedaagde 1] , handelend voor zich en als enig bestuurder van Bella Vita , een aandeelhoudersovereenkomst inzake TMDI gesloten. Daarin staat dat het bestuur van TMDI wordt gevoerd door Parinvest, dat Parinvest zelfstandig bevoegd is om TMDI te vertegenwoordigen en dat daarnaast [gedaagde 1] door het bestuur van TMDI is gevolmachtigd om de vennootschap te vertegenwoordigen.

In de salarisstrook van [gedaagde 1] voor de maand januari 2018 staat dat zijn maandloon op dat moment € 4.237,32 bruto was bij 23,14 uur per week (57,85%).

Sinds 1 juni 2018 heeft [gedaagde 1] € 19.862 bruto per maand aan loon ontvangen.

[gedaagde 1] heeft per 1 januari 2023 ontslag bij TMDI genomen.

Kort na het uitbreken van de Covid 19 pandemie heeft de Staat der Nederlanden (hierna: de Staat) bij O2H bestellingen tot achttien miljoen mondmaskers en zes miljoen clips gedaan. De koopprijs van de maskers was 56,3 miljoen euro. De Staat heeft daarvan 45 miljoen euro aanbetaald. Nadat er discussie was ontstaan over de kwaliteit van de geleverde maskers, heeft de Staat de overeenkomst in mei 2021 grotendeels (met uitzondering van een geaccepteerde partij van 574.300 mondkapjes en de clips) buitengerechtelijk ontbonden en de aanbetaling van ruim 43 miljoen euro teruggevorderd.

De rechtbank heeft in de procedure tussen de Staat en O2H geoordeeld dat de ontbinding rechtsgeldig is. Zij heeft vordering van de Staat toegewezen en die van O2H afgewezen, met uitzondering van een bedrag van € 79.800,00 voor nog niet betaalde clips. Het hof is tot dezelfde oordelen gekomen en heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het arrest van het hof is uitvoerbaar bij voorraad verklaard maar (nog) niet onherroepelijk.

In de brief van 5 september 2023 heeft de gemachtigde van TMDI c.s. [gedaagde 1] , Bella Vita en O2H op verschillende gronden aansprakelijk gesteld.

Op 27 februari 2024 heeft de rechter van de rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan in een kortgedingprocedure tussen TMDI en [gedaagde 1] en Bella Vita . De rechter heeft de vordering van TMDI van € 249.636,93 aan schadevergoeding wegens ten onrechte ontvangen loon toegewezen. De vordering van de afgedragen belasting en sociale premies is afgewezen. De vordering tot schadevergoeding in de mondkapjeskwestie is afgewezen.

TMI heeft haar vorderingen op [gedaagden] overgedragen aan TMDI.

3. De vordering in conventie

De loonkwestie tussen TMDI c.s. en [gedaagde 1] / Bella Vita

TMDI c.s. vorderen - samengevat - dat de kantonrechter:

I. voor recht verklaart dat [gedaagde 1] jegens TMDI onrechtmatig heeft gehandeld of tekort is geschoten in de nakoming van zijn contractuele verplichtingen (door zich ten onterechte gedurende langere periode een hoger dan overeengekomen loon uit te (doen) betalen, of deze bedragen te ontvangen en behouden zonder te goeder trouw te zijn);

II. voor recht verklaart dat [gedaagde 1] geen beroep op verrekening toekomt met de door Bella Vita aan hem overgedragen vorderingen;

III. [gedaagde 1] veroordeelt tot betaling aan TMDI van:

a. € 249.636,93 aan schade wegens het zonder rechtsgrond uitbetalen van dat bedrag;

b. € 196.009,00 aan schade wegens afgedragen belasting en sociale premies daarover;

c. de wettelijke (handels)rente over deze bedragen vanaf de datum van verzuim;

d. de beslagkosten; en

voorwaardelijk, enkel indien op de bedragen onder III. a. en b. een korting wordt toegepast omdat de arbeidsovereenkomst van [gedaagde 1] heeft voortgeduurd en ter zake na 1 januari 2023 een loondoorbetalingsplicht wordt aangenomen:

IV. voor recht verklaart dat Bella Vita zich ertoe verplicht heeft de lopende kosten van TMDI te blijven dragen, inclusief kosten in verband met lopende arbeidsovereenkomsten;

V. Bella Vita veroordeelt tot betaling aan TMDI van een bedrag gelijk aan die korting en loondoorbetalingsplicht.

TMDI c.s. leggen aan deze vorderingen het volgende ten grondslag.

[gedaagde 1] heeft zichzelf gedurende meerdere jaren heimelijk, zonder overleg en toestemming van TMDI en Parinvest, een loonsverhoging toegekend. Hij is als directeur in dienstbetrekking tekortgeschoten in zijn taakvervulling, heeft niet als goed werknemer gehandeld en heeft onrechtmatig gehandeld. Hij moet daarom schade vergoeden. Er is ook sprake van behoud van een onverschuldigde betaling te kwader trouw. De schade bedraagt € 249.636,93 aan teveel betaald loon en € 196.009,00 aan daarover afgedragen belasting en premies.

In het geval [gedaagde 1] het standpunt van TMDI c.s. betwist of alsnog een geldige aanspraak op loon heeft, moet Bella Vita dat financieren net zoals zij dat voor de andere werknemers heeft gedaan op basis van gemaakte afspraken. In dat geval is Bella Vita jegens TMDI (euro voor euro) aansprakelijk voor al hetgeen [gedaagde 1] ter zake nog zal vorderen van TMDI of zal verrekenen.

De mondkapjeskwestie tussen TMDI c.s. en [gedaagde 1] / O2H

TMDI c.s. vorderen - samengevat - dat de kantonrechter:

VI. voor recht verklaart dat [gedaagde 1] jegens TMDI is tekortgeschoten in de nakoming van zijn contractuele verplichtingen en gehouden is tot het betalen van de contractuele boete;

VII. [gedaagde 1] te veroordeelt tot betaling aan TMDI van:

e. € 472.357,00 aan boete wegens schending van artikel 4.4. van de arbeidsovereenkomst;

f. € 1.194.721,00 aan boete wegens schending van artikel 9.1 van de arbeidsovereenkomst;

g. de wettelijke (handels)rente over deze boetebedragen vanaf de dagvaarding;

VIII. voor recht verklaart dat [gedaagde 1] jegens TMDI respectievelijk Parinvest onrechtmatig heeft gehandeld of is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen die zijn volmacht respectievelijk arbeidsovereenkomst respectievelijk het (vennootschaps)recht op hem leggen als (gevolmachtigd) directeur en middellijk aandeelhouder en gehouden is tot het vergoeden van de daarmee veroorzaakte schade;

IX. voor recht verklaart dat O2H van de handelwijze van [gedaagde 1] op de hoogte is geweest en daarvan onrechtmatig heeft geprofiteerd en gehouden is tot het vergoeden van de daarmee veroorzaakte schade;

X. [gedaagde 1] en O2H hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan TMDI respectievelijk Parinvest van:

h. € 2.390.050,00 exclusief btw (20% aan marge van het bedrag dat in verband met de levering van 574.300 mondkapjes en 6.000.000 klipjes aan de Staat is gefactureerd);

i. een bedrag gelijk aan 20% aan marge van het bedrag dat [gedaagde 1] respectievelijk O2H in rechte vordert en betaald heeft gekregen van de Staat in verband met de bestelling bij O2H door de Staat van nog eens 17.435.700 mondkapjes, welke mondkapjes door de Staat volgens [gedaagde 1] respectievelijk O2H ten onrechte zijn afgekeurd en ten onrechte onbetaald zijn gebleven;

j. een bedrag gelijk aan 20% aan marge van de 3.700.060 naar het buitenland vervoerde mondkapjes, vermenigvuldigd met de stuksprijs van € 4,50;

subsidiair

k. een bedrag gelijk aan 50% van de onder X. h. en i. gevorderde eindbedragen aan kansschade;

meer subsidiair

l. vergoeding van schade nader op te maken bij staat;

primair, subsidiair en meer subsidiair

m. de wettelijke (handels)rente over de bedragen onder X. i. t/m k. vanaf de datum van verzuim;

n. de beslagkosten;

XI. met veroordeling van [gedaagde 1] en OH2 in de proceskosten, met de wettelijke rente.

TMDI c.s. leggen aan deze vorderingen het volgende ten grondslag.

[gedaagde 1] heeft - persoonlijk of via O2H - TMDI een corporate opportunity ontnomen door mondkapjes aan de Nederlandse Staat en Duitse overheidsinstanties te verkopen. Daarmee heeft hij (als werknemer en als gevolmachtigd directeur) onrechtmatig gehandeld. Ook is hij tekortgeschoten in de nakoming van verschillende verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst. Hij moet daarom schade vergoeden en de contractuele boetes wegens schending van het non-concurrentiebeding en het nevenwerkzaamhedenbeding betalen.

O2H is aansprakelijk omdat zij zich te kwader trouw en met de hulp van de niet loyale (feitelijk) bestuurder een zakelijke kans heeft toegeëigend of heeft geprofiteerd van de wanprestatie of het onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] .

4. Het verweer en de vordering in reconventie en het verweer daartegen

[gedaagden] voeren verweer.

[gedaagden] vorderen voorwaardelijk (namelijk indien en voor zover hun vordering niet geheel teniet is gegaan door verrekening) betaling van € 534.165,08 van TMDI aan [gedaagde 1] en/of Bella Vita , te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf 1 december 2023.

[gedaagden] leggen aan hun tegenvordering het volgende ten grondslag. Vanaf 2020 bestond er een rekening-courantverhouding tussen Bella Vita en TMDI. De stand daarvan is € 534.165,08. Bella Vita heeft haar vordering gecedeerd aan [gedaagde 1] .

TMDI c.s. voeren verweer tegen de tegenvordering.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling

in het (verdere) incident

De mondkapjeskwestie valt niet onder de reikwijdte van het arbitragebeding

De kantonrechter moet eerst beoordelen of zij absoluut onbevoegd is om over de zaak te oordelen op grond van het arbitragebeding van artikel 12 van de aandeelhoudersovereenkomst. De kantonrechter oordeelt dat er geen grond is om zich onbevoegd te verklaren en motiveert dat als volgt.

In artikel 12 onder 2 van de aandeelhoudersovereenkomst staat: “Indien er een geschil mocht ontstaan naar aanleiding van deze Overeenkomst of nadere overeenkomsten die daarvan het gevolg mochten zijn, zal vooreerst worden getracht om dit geschil in der minne op te lossen. Indien een oplossing in der minne niet mogelijk is, zal het geschil worden beslecht overeenkomstig het reglement van het Nederlands Arbitrage Instituut (…)”.

[gedaagden] beroepen zich op de onbevoegdheid van de kantonrechter voor zover de vorderingen over de mondkapjeskwestie niet op de arbeidsovereenkomst zijn gebaseerd. De arbeidsovereenkomst, de managementovereenkomst en de nadere afspraken zijn een gevolg van de aandeelhoudersovereenkomst. Zonder deze zouden zij niet hebben bestaan. Het geschil (voor zover de vorderingen over de mondkapjeskwestie niet op de arbeidsovereenkomst zijn gebaseerd) valt daarom onder het arbitragebeding, aldus steeds [gedaagden]

De kantonrechter stelt voorop dat de vorderingen die niet op de arbeidsovereenkomst zijn gebaseerd, alleen over de mondkapjeskwestie gaan. Die kwestie betreft geen geschil naar aanleiding van de aandeelhoudersovereenkomst of nadere overeenkomsten die daarvan het gevolg mochten zijn. Het gaat om een geschil tussen TMDI c.s. en [gedaagde 1] (als bestuurder van Bella Vita ) en O2H , en heeft betrekking op een gestelde tekortkoming in de nakoming van de arbeids- of managementovereenkomst of onrechtmatige daad van [gedaagde 1] als directeur in dienstbetrekking en gevolmachtigde van TMDI en niet primair of alleen in de hoedanigheid van aandeelhouder. In feite gaat het geschil om de vraag of [gedaagde 1] de mondkapjesdeal(s) ten onrechte bij O2H heeft ondergebracht in plaats van bij TMDI. Dat heeft niets met de aandeelhoudersovereenkomst te maken. De koopovereenkomsten over de mondkapjes en clips zijn ook geen gevolg van de aandeelhoudersovereenkomst. Bovendien zijn Bella Vita en O2H geen partij bij de aandeelhoudersovereenkomst.

De conclusie is dat het geschil niet onder de reikwijdte van het arbitragebeding valt. De kantonrechter acht zich daarom bevoegd van deze vorderingen van TMDI c.s. in de hoofdzaak kennis te nemen en wijst de incidentele vordering af.

Omdat [gedaagden] op dit punt in het ongelijk gesteld zijn, moeten zij de proceskosten van dit (verdere) incident vergoeden. De kantonrechter begroot de proceskosten van TMDI c.s. in dit incident op nul, omdat ten opzichte van het eerdere incident bij de handelsrechter geen noemenswaardige verdere proceshandelingen zijn verricht en de kosten voor de proceshandelingen in het eerdere incident al zijn toegekend.

in conventie

Partijen zijn het erover eens dat tussen TMDI en [gedaagde 1] - ook na 1 maart 2018 - een arbeidsovereenkomst bestond. De kantonrechter gaat daar dus van uit.

De loonkwestie tussen TMDI c.s. en [gedaagde 1]

De kantonrechter moet beoordelen of [gedaagde 1] zich ten onrechte gedurende langere periode een hoger bedrag dan het overeengekomen loon heeft uitbetaald of doen uitbetalen en wat de eventuele gevolgen daarvan zijn.

TMDI c.s. stellen dat na de beëindiging van de managementovereenkomst het inkomen uit die overeenkomst naar de arbeidsovereenkomst is verschoven en dat [gedaagde 1] vanaf dat moment recht had op het in de arbeidsovereenkomst overeengekomen loon en niet op een hoger bedrag. Op de zitting lichten TMDI c.s. toe dat er geen nieuwe of gewijzigde schriftelijke arbeidsovereenkomst is opgemaakt. Partijen hebben na beëindiging van de managementovereenkomst gekeken naar het equivalent van de oude managementfee en het oude loon. Dit zou bij elkaar opgeteld ongeveer € 10.000,00 bruto per maand zijn voor 40 uur per week. [gedaagde 1] heeft daarom sinds 1 juni 2018 ten onrechte € 19.862,00 bruto per maand ontvangen en gehouden, aldus TMDI c.s.

[gedaagde 1] betwist dit, maar zijn betwisting is niet voldoende onderbouwd en niet aannemelijk, mede omdat hij niet op de zitting is verschenen. [gedaagde 1] stelt dat een loon van € 19.862,00 bruto per maand is afgesproken en verwijst daarvoor naar een arbeidsovereenkomst gedateerd op 3 januari, zonder jaartal. In die arbeidsovereenkomst staat € 12.500,00 bruto per maand aan loon genoemd. Dit document onderbouwt dus niet de door [gedaagde 1] gestelde afspraak. [gedaagde 1] heeft verder niet gesteld, toegelicht of onderbouwd waar het bedrag van € 19.862,00 bruto per maand vandaan komt, wat daarover is besproken, of er bijvoorbeeld is gesproken over bruto of netto bedragen en arbeidsomvang, wanneer dat was en met wie. Een en ander blijkt ook niet uit de e-mails waarnaar [gedaagde 1] , zonder nadere toelichting, verwijst.

[gedaagde 1] voert aan dat TMDI, haar bestuurders en aandeelhouders altijd inzicht in de bankbetalingen van TMI/TMDI hebben gehad en dat de loonsverhoging niet ‘onzichtbaar gemaakt’ is. De kantonrechter volgt dit niet. TMDI licht onbetwist toe dat het in de jaarrekeningen ging om een totale algehele loonsom en het personeelsbestand steeds wisselde en daarmee ook die totale loonsom. Het directe loon van [gedaagde 1] bleek daar dus niet uit. Bovendien blijkt uit de e-mail van 23 december 2018 van Parinvest dat er wel degelijk navraag is gedaan naar de toegenomen loonsom. [gedaagde 1] verklaarde toen de toegenomen loonsom door het schuiven van werknemers van TMI naar TMDI, maar maakte toen geen melding van de verhoging van zijn eigen loon. Dat was wel logisch en redelijk geweest.

De kantonrechter neemt daarom - als onvoldoende betwist - aan dat partijen een bedrag van € 10.000,00 bruto per maand aan loon voor 40 uur per week zijn overeengekomen. Het gevolg hiervan is dat [gedaagde 1] vanaf 1 juni 2018 te veel loon heeft ontvangen, namelijk € 9.862,00 bruto per maand.

TMDI c.s. leggen een berekening over en vorderen € 249.636,93 netto terug wegens teveel betaald loon. [gedaagde 1] voert geen zelfstandig verweer tegen de berekening en/of de hoogte van dit bedrag. Dit betekent dat de kantonrechter € 249.636,93 netto toewijst.

De kantonrechter wijst de hierover gevorderde wettelijke handelsrente af, omdat geen sprake is van een handelsovereenkomst. Wel wijst de kantonrechter de wettelijke rente toe vanaf de datum van iedere afzonderlijke maandelijkse loonbetaling.

De kantonrechter wijst de gevorderde verklaring voor recht over de onterechte loonsverhoging ook toe. Hiertegen is geen apart verweer gevoerd. De kantonrechter is het met TMDI c.s. eens dat sprake is van een tekortkoming van [gedaagde 1] , omdat hij zichzelf jarenlang een te hoog loon heeft laten uitbetalen. Hij heeft daarmee ook in strijd met zijn verplichting om de belangen van TMDI zoveel mogelijk te behartigen, gehandeld.

TMDI c.s. vorderen € 196.009,00 voor afgedragen belasting en sociale premies, vanwege het teveel betaalde loon. Zij verwijzen op de zitting desgevraagd naar het petitum onder I. De kantonrechter begrijpt daarom dat de grondslag van deze vordering schadevergoeding als gevolg van een tekortkoming van [gedaagde 1] is, omdat hij zichzelf ten onrechte en te kwader trouw een te hoog loon heeft laten uitbetalen. De kantonrechter wijst deze vordering af en motiveert dat als volgt.

De heffing van loonbelasting vindt plaats door middel van afdracht op aangifte. Dit houdt in dat de werkgever de loonbelasting inhoudt op het loon, binnen een maand na afloop van het aangiftetijdvak aangifte doet en bij die aangifte de verschuldigde belasting afdraagt aan de Belastingdienst. Dat betekent dat TMDI - eventueel alsnog en met terugwerkende kracht - loonaangifte moet doen of de loonaangifte moet aanpassen. Bovendien is het bedrag aan teveel afgedragen belasting en sociale premies teruggevraagd bij de Belastingdienst. Op de zitting stellen TMDI c.s. dat zij de vordering op de Belastingdienst willen verrekenen met een andere schuld die zij aan de Belastingdienst hebben. Volgens de Belastingdienst kan verrekening (nog) niet plaatsvinden, omdat het netto deel van het teveel betaalde loon niet is terugbetaald. Dat betekent dat op dit moment (nog) geen sprake is van schade.

De voorwaardelijke vordering in de loonkwestie ten aanzien van Bella Vita

De kantonrechter stelt vast dat de voorwaarde van de vordering tegen Bella Vita niet is vervuld. [gedaagde 1] heeft per 1 januari 2023 ontslag genomen en partijen zijn het eens over het einde van de arbeidsovereenkomst. Dit deel van de vordering behoeft daarom geen bespreking.

De arbeidsrechtelijke verboden tussen TMDI en [gedaagde 1]

De kantonrechter moet beoordelen of [gedaagde 1] het non-concurrentiebeding (artikel 4 lid 4 van de arbeidsovereenkomst) en/of het nevenwerkzaamhedenbeding (artikel 9 lid 1 van de arbeidsovereenkomst) heeft geschonden, en zo ja, of hij de contractuele boetes aan TMDI moet betalen.

Het verweer van [gedaagden] dat de tweede arbeidsovereenkomst geen boetebeding bevat, faalt. TMDI c.s. betwisten het bestaan en de geldigheid van deze overeenkomst gemotiveerd. [gedaagde 1] stelt daar niets tegenover. Hij is ook niet op de zitting verschenen om zijn standpunt toe te lichten. Uit de aandeelhoudersovereenkomst volgt dat hij zonder goedkeuring van de AVA niet bevoegd was om een tweede arbeidsovereenkomst aan te gaan of de bestaande arbeidsovereenkomst te wijzigen. [gedaagde 1] kan aan de arbeidsovereenkomst van 3 januari (zonder jaartal) dus geen rechten ontlenen, als die overeenkomst al bestaat.

Geen schending van het non-concurrentiebeding 5.21. [gedaagde 1] voert het verweer dat het non-concurrentiebeding pas ingaat na het einde van de arbeidsovereenkomst, terwijl TMDI c.s. zich beroepen op concurrentie tijdens het dienstverband. TMDI c.s. stellen daarop dat het non-concurrentiebeding ook geldt tijdens het dienstverband.

Partijen zijn het in de kern niet eens over de uitleg van het non-concurrentiebeding. Maar zij spitsen hun stellingen niet toe op de toepasselijke maatstaf (de Haviltex-maatstaf) en stellen ook niets over de totstandkoming van het beding, namelijk of partijen hebben onderhandeld over de tekst van het non-concurrentiebeding en of er destijds gesproken is over de inhoud en strekking van het beding. Daarom gaat de kantonrechter uit van de bewoordingen van het beding.

Artikel 4 lid 4 van de arbeidsovereenkomst luidt: “Het is de werknemer verboden om, zonder schriftelijke toestemming van de werkgever, gedurende 24 maanden na beëindiging van de arbeidsovereenkomst binnen Nederland direct of indirect, voor zichzelf of voor anderen, om niet of tegen betaling in enigerlei vorm werkzaam of betrokken te zijn in of bij enige onderneming met activiteiten, die concurrerend zijn met de activiteiten van de werkgever (…)”.

Volgens deze tekst gaat het om een verbod tot concurrentie tot 24 maanden na beëindiging van de arbeidsovereenkomst. TMDI c.s. stellen op de zitting dat als iets niet mag na het einde van de arbeidsovereenkomst, dit ook niet mag tijdens het dienstverband. Die stelling snijdt geen hout en staat haaks op de tekst van het beding. TMDI c.s. stellen geen feiten of omstandigheden die tot een andere uitleg leiden. Het verweer van [gedaagde 1] treft daarom doel.

Omdat geen sprake is van een schending van het non-concurrentiebeding, wijst de kantonrechter de vordering tot betaling van een boete van € 472.357,00 af.

Wel schending van het nevenwerkzaamhedenbeding 5.26. TMDI c.s. vorderen een contractuele boete voor schending van het nevenwerkzaamhedenbeding van in totaal € 1.194.721,00, omdat [gedaagde 1] tijdens zijn dienstverband bij vijf ondernemingen betrokken is geweest. Het betreft DutchWingCraft B.V., Dutch Virtual Clinics, NuevoCare Holding B.V., NuevoCare Alkmaar B.V. en QT Scan B.V.

[gedaagde 1] voert aan dat hij deze boete niet verschuldigd is omdat bij geen van deze vennootschappen hij of de betreffende vennootschap een zaak dreef. Volgens [gedaagde 1] zijn deze vennootschappen ook niet concurrerend met TM(D)I geweest.

Ook bij dit beding geldt dat partijen niets stellen over de uitleg van het beding. De kantonrechter gaat daarom uit van de bewoordingen van het beding.

In artikel 9 lid 1 van de arbeidsovereenkomst staat: “Het is de werknemer, zonder schriftelijke toestemming van de werkgever, verboden om tijdens het dienstverband in enigerlei vorm een zaak te vestigen, te drijven, mede te drijven, of te doen drijven, hetzij direct, hetzij indirect, alsook financieel in welke vorm dan ook (met uitzondering van aandelen, opties en obligaties die te verhandelen zijn op de effectenbeurs) bij een dergelijke zaak belang te hebben, direct of indirect, of daarin of daarvoor op enigerlei wijze werkzaam te zijn, hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet, of daarin een aandeel van welke aard ook te hebben, zulks op een verbeurte van een boete conform artikel 4.6”.

Uit de tekst van dit beding volgt dat het vestigen van een onderneming zonder toestemming (ook) verboden is. Omdat vaststaat dat [gedaagde 1] de vijf ondernemingen gevestigd heeft, is het niet relevant of met die vennootschappen een zaak gedreven wordt. [gedaagde 1] voert geen feiten of omstandigheden aan die tot een andere uitleg leiden. Zijn verweer faalt daarom.

Dat betekent dat [gedaagde 1] het nevenwerkzaamhedenbeding heeft geschonden. Hij is in principe dus de overeengekomen boete verschuldigd.

Artikel 4 lid 6 van de arbeidsovereenkomst luidt: “Indien de werknemer in strijd met zijn verplichtingen uit hoofde van (…) de artikelen 9.1 (…) handelt, zal hij/zij in afwijking van artikel 7:650 lid 3 BW aan de werkgever, zonder dat enige ingebrekestelling is vereist, in afwijking van artikel 7:650 lid 5 BW, voor iedere overtreding een boete verbeuren van € 4.537,- alsmede een boete van € 226,- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, onverminderd het recht van de werkgever om in plaats daarvan volledige schadevergoeding plus kosten en interesten te vorderen voor zover de werkelijk geleden schade de bedongen boete te boven gaat.”

[gedaagde 1] voert aan dat dit boetebeding nietig is, omdat de gevorderde boetes het wettelijk maximum overschrijden. Dit verweer faalt. Er is sprake van semi-dwingend recht in die zin dat bij schriftelijke overeenkomst een hogere boete mag worden vastgesteld, omdat sprake is van een werknemer met een hoger loon dan het wettelijk minimumloon. Het boetebeding in de arbeidsovereenkomst voldoet hieraan.

[gedaagde 1] voert aan dat TMDI c.s. ook schadevergoeding vorderen voor hetzelfde feitencomplex en daarom geen aanspraak kunnen maken op de arbeidsrechtelijke boete. Dit verweer gaat niet op. TMDI c.s. vorderen geen schadevergoeding voor het vestigen van deze vijf ondernemingen door [gedaagde 1] . De kwesties die tussen partijen spelen houden ook geen verband met die ondernemingen. TMDI c.s. vorderen wel een schadevergoeding van O2H , maar geen boete wegens schending van het nevenwerkzaamhedenbeding. Van O2H wordt namelijk alleen de boete wegens schending van het non-concurrentiebeding gevorderd en die vordering is hiervoor al afgewezen. Er is dus geen sprake van een dubbele vordering voor hetzelfde feitencomplex.

Dit betekent dat [gedaagde 1] de contractuele boete verschuldigd is wegens vijf overtredingen van het nevenwerkzaamhedenbeding. TMDI c.s. vorderen naast de eenmalige boete van € 4.537,00 per onderneming/overtreding een boete van € 226,00 per dag vanaf 2018/2019. Daarmee komen de boetes op € 362.521,00, € 86.575,00, € 289.523,00, € 289.297,00 en € 166.805,00, dus in totaal € 1.194.721,00. [gedaagde 1] doet een beroep op matiging van de boetebedragen, omdat de hoogte evident excessief is.

De kantonrechter zal de verbeurde boetes matigen, omdat deze bovenmatig voorkomen. Een boetebeding fixeert aan de ene kant de schade. Aan de andere kant dient het als een prikkel om na te komen. Dat doel doet zich hier niet voor. TMDI c.s. hebben achteraf ontdekt dat [gedaagde 1] betrokken is bij de vijf ondernemingen. Het boetebeding vormde tijdens het dienstverband dus geen prikkel tot nakoming. Achteraf heeft het meer een bestraffend karakter. De stelling van TMDI c.s. dat de boete niet voor matiging in aanmerking komt gezien de kwade trouw en het berekende gedrag van [gedaagde 1] , gaat niet op wat het nevenwerkzaamhedenbeding betreft. Dat verwijt gaat namelijk over de mondkapjeskwestie en niet over de onderhavige vijf ondernemingen. TMDI c.s. stellen daarover nauwelijks iets. Ook stellen zij niets over de eventuele schade als gevolg van zijn betrokkenheid bij die ondernemingen. De kantonrechter matigt de verbeurde boetes daarom tot € 4.537,00 per overtreding.

De kantonrechter wijst deze vordering daarom toe tot € 22.685,00.

De kantonrechter wijst de hierover gevorderde wettelijke handelsrente af, omdat geen sprake is van een handelsovereenkomst. Wel wijst de kantonrechter de gevorderde wettelijke rente toe vanaf de datum van dagvaarding (28 mei 2024).

De kantonrechter wijst de gevorderde verklaring voor recht af, omdat deze te algemeen is geformuleerd. Bovendien hebben TMDI c.s. geen specifiek belang gesteld bij een verklaring voor recht op dit punt.

De mondkapjeskwestie tussen TMDI c.s. en [gedaagde 1]

De kantonrechter moet beoordelen of [gedaagde 1] ten opzichte van TMDI respectievelijk Parinvest onrechtmatig heeft gehandeld of is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen als gevolmachtigd directeur (in dienstverband) en middellijk aandeelhouder.

TMDI c.s. leggen een onrechtmatige daad en tekortkoming van [gedaagde 1] aan hun vordering ten grondslag, maar stellen in de eerste plaats dat [gedaagde 1] heeft gehandeld in strijd met zijn plicht om zich als een goed werknemer te gedragen. De kantonrechter zal daarom eerst deze (kennelijk primaire) grondslag bespreken.

[gedaagde 1] heeft in strijd met het goed werknemerschap gehandeld

[gedaagde 1] moet zich tegenover zijn werkgever TMDI als een goed werknemer gedragen. Dat betekent dat hij zijn taken als directeur met volledige volmacht consciëntieus en loyaal moet uitvoeren. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde 1] dit niet heeft gedaan, omdat hij TMDI concurrentie heeft aangedaan. Hij heeft de mondkapjesorder van de Staat opzettelijk via zijn eigen bedrijf O2H laten lopen in plaats van via TMDI, de belangen van TMDI bij die order niet laten prevaleren en bij de uitvoering van de order gebruik gemaakt van de klantrelaties, de bedrijfsinfrastructuur en het personeel van TMDI. De kantonrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

[gedaagde 1] heeft via O2H een grote hoeveelheid mondkapjes en clips aan de Staat verkocht en geleverd. O2H staat in het handelsregister ingeschreven als een groothandel in machines en apparaten voor de warmte-, koel- en vriestechniek, actief op het gebied van reparatie en onderhoud van machines voor algemeen gebruiken machine-onderdelen (geen gereedschap) en de import, export en verkoop van-, alsmede het onderhoud aan apparatuur, accessoires en software ten behoeve van schone lucht in de leef- en werkomgeving. De handel in mondkapjes (en clips) valt niet onder deze omschrijving. Het dossier bevat geen aanknopingspunten om aan te nemen dat O2H vóór de coronapandemie al in mondkapjes en clips handelde.

TMDI c.s. onderbouwen hun stelling dat zij vóór de coronapandemie medische hulpmiddelen en medische stukgoederen aan diverse UMC’s en perifere ziekenhuizen leverden, met stukken. Hiertegenover onderbouwen [gedaagden] hun betwisting onvoldoende. Zij maken hun stelling dat de materialen die TMDI c.s. verkochten alleen als onderdeel werden verkocht en niet als losse stukgoederen, niet concreet en betwisten de bewijsstukken van TMDI c.s. niet. De kantonrechter stelt daarom vast dat TMDI/TMI vóór de coronapandemie al in medische hulpmiddelen en medische stukgoederen handelde. Daarbij was [gedaagde 1] vanuit zijn rol als directeur van TMDI de contactpersoon.

TMDI c.s. stellen dat [gedaagde 1] via de klantrelatie van TMI/TMDI met twee medisch centra ( [medisch centrum 1] en [medisch centrum 2] (hierna: [medisch centrum 1] en [medisch centrum 2] )) in contact is gekomen met de Staat, die hem de order heeft gegund. TMDI c.s. lichten deze stelling gedetailleerd toe en verwijzen daarbij naar verschillende bewijsstukken. [gedaagden] voeren aan dat [gedaagde 1] geen contacten van TMDI c.s. heeft ingezet voor de mondkapjeskwestie en dat O2H (in de persoon van de zwager van [gedaagde 1] , [naam 5] ) zelf is benaderd door inkoopafdelingen van UMC’s. Daarbij verwijzen zij naar correspondentie waarin staat dat [medisch centrum 2] via het facilitair bedrijf CSU naar O2H is verwezen. Dat staat daar inderdaad, maar TMDI c.s. voeren hiertegen aan dat uit de daarna gevolgde e-mail van 16 maart blijkt dat de tip die dag ook al was ontvangen via team [plaats 4] dus [medisch centrum 1] . Dus deze correspondentie onderbouwt het standpunt van [gedaagden] niet, althans niet zonder meer. Maar meer is er niet. Integendeel. Uit het antwoord op Kamervragen blijkt dat het ministerie toen samenwerkte met de UMC's om mondkapjes in te kopen en deze leverancier al zaken deed met een UMC. Hiermee moet TMDI/TMI bedoeld zijn: TMDI deed via haar werkmaatschappij TMI namelijk al zaken met UMC’s en O2H niet. Dat laatste blijkt namelijk uit niets.

De tussenconclusie is dat [gedaagde 1] in zijn hoedanigheid van directeur van TMDI door zijn contacten die hij via TMDI met in elk geval één UMC ( [medisch centrum 1] ) had, is benaderd en deze contacten heeft gebruikt om de mondkapjesorder van de Staat via O2H en niet via TMDI te laten lopen.

[gedaagde 1] heeft - met de aflevering van de mondkapjes op het adres van de bedrijfslocatie van TMDI - de bedrijfsinfrastructuur van TMDI ten onrechte aan O2H ter beschikking gesteld. [gedaagden] voeren aan dat O2H in 2020 en 2021 een deel van de bedrijfsruimte van TMDI huurde en verwijzen naar een schriftelijke huurovereenkomst. TMDI c.s. betwisten het bestaan en de geldigheid van deze huurovereenkomst. Volgens TMDI c.s. was deze huurovereenkomst hen onbekend en was [gedaagde 1] niet bevoegd om de huurovereenkomst aan te gaan. Bovendien is de huur pas achteraf betaald: er is pas in december gefactureerd terwijl het gaat om maart, aldus TMDI c.s. op de zitting. [gedaagden] weerspreken deze stellingen niet. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde 1] zonder goedkeuring van de AVA niet bevoegd was om een huurovereenkomst aan te gaan. De kantonechter stelt ook vast dat de huurovereenkomst geen ingangsdatum vermeldt en dat de eerste door [gedaagden] genoemde factuur van 4 december 2020 is en de eerste betaling van 13 december 2020. Deze stukken onderbouwen het standpunt van O2H dat zij ten tijde van de aflevering van de mondkapjes omstreeks maart 2020 een ruimte in het pand van TMDI huurde, daarom niet. [gedaagden] stellen geen (andere) omstandigheden waaruit volgt dat O2H ten tijde van de mondkapjesdeal in het bedrijfspand van TMDI gevestigd was of daar bevoegd activiteiten verrichtte. Uit het dossier blijkt juist dat O2H ergens anders was gevestigd, namelijk op het woonadres van [gedaagde 1] .

[gedaagde 1] heeft namens O2H bij de uitvoering van de mondkapjesorder personeel van TMDI/TMI ingezet. TMDI c.s. noemen een paar concrete voorbeelden. [gedaagden] voeren aan dat het over en weer weleens gebeurde dat iemand iets voor een ander deed, zoals printen, even een pakketje aannemen, plantjes water geven, omdat TMDI en O2H in hetzelfde pand zitten. Dit verweer gaat niet op, alleen al omdat TMDI en O2H niet in hetzelfde pand zaten en [gedaagden] geen andere rechtvaardiging voor het gebruik van het personeel van TMDI/TMI geven. Overigens is bij de levering van miljoenen mondkapjes geen sprake van ‘even een pakketje aannemen’.

TMDI c.s. stellen dat [gedaagde 1] heimelijk en te kwader trouw heeft gehandeld, dat hij zich ervan bewust moet zijn geweest dat hij TMI/TMDI een enorme kans ontnam en dat hij zijn eigen onderneming bewust heeft bevoordeeld ten koste van zijn werkgever en volmachtgever. De kantonrechter is het met hen eens. [gedaagde 1] heeft de mondkapjesorder verzwegen, gebruik gemaakt van de klantrelaties, de bedrijfsinfrastructuur en het personeel van TMDI en alleen in het (tegenstrijdig) belang van zijn eigen onderneming O2H gehandeld, terwijl hij de belangen van TMDI had moeten laten prevaleren boven dat belang. Kenmerkend hierbij zijn de door TMDI c.s. genoemde e-mails van [gedaagde 1] van 24 en 26 maart 2020. Deze heeft [gedaagde 1] een paar dagen na de eerste order van de Staat voor mondkapjes ter waarde van ruim 2,6 miljoen euro aan [bestuurder Parinvest] gestuurd. In de e-mail van 24 maart 2020 schrijft [gedaagde 1] : “Er staat nog een 9K loonheffingen van afgelopen maand die nu betaald moet worden evenals salarissen en wat losse dingen.” En op 26 maart 2020 schrijft [gedaagde 1] : “We hebben voor deze maand nog wel jouw financiële hulp voor de salarissen nodig omdat ik nog niet de betaling van enkele debiteuren heb ontvangen waar we achteraan zitten.” Hieruit blijkt dat [gedaagde 1] de miljoenenorder opzettelijk verzwijgt; hij vraagt Parinvest juist om extra financiering voor TMDI.

De conclusie is dat [gedaagde 1] zich tegenover zijn werkgever TMDI niet als een goed werknemer heeft gedragen. Hij is jegens haar tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter wijst de hiervoor gevorderde verklaring voor recht daarom toe, zoals hieronder nader bepaald.

[gedaagden] betwisten dat TMDI c.s. de mondkapjesdeal wel tot een goed einde zouden hebben weten te brengen. TM(D)I beschikte volgens [gedaagden] namelijk niet over andere medische contacten en expertise dan die van [gedaagde 1] . Dit verweer is bij de vaststelling van de tekortkoming niet relevant.

Geen aansprakelijkheid op grond van het onthouden of toe-eigenen van een corporate opportunity

TMDI c.s. verwijten [gedaagde 1] (ook) dat hij - persoonlijk, als aandeelhouder of via O2H - TMDI een corporate opportunity heeft ontnomen door de mondkapjes te verkopen. Volgens TMDI c.s. kan [gedaagde 1] als bestuurder, directeur-aandeelhouder en beleidsbepaler een ernstig en persoonlijk verwijt worden gemaakt in relatie tot zijn volmachtgever en heeft hij daarom onrechtmatig gehandeld. De kantonrechter volgt TMDI c.s. niet in dit standpunt.

Het verwijt wat TMDI c.s. [gedaagde 1] maken is een uitwerking van de tot de bestuurder gerichte norm van artikel 2:9 van het Burgerlijk Wetboek. In deze zaak gaat het om een (titulair) directeur in dienstbetrekking (met volledige volmacht); niet om een bestuurder. [gedaagde 1] was geen (statutair) bestuurder van TMDI. Dat was Parinvest. Alleen daarom al kan het op de leer van de corporate opportunity gebaseerde verwijt geen doel treffen. Dat [gedaagde 1] via zijn holding Bella Vita 5% van de aandelen van TMDI houdt, is onvoldoende om hierover anders te denken.

Geen aansprakelijkheid voor de Duitse order

De kantonrechter oordeelt dat TMDI c.s. hun vordering op [gedaagde 1] over de Duitse order onvoldoende hebben onderbouwd. TMDI c.s. stellen dat het zeer aannemelijk is dat [gedaagde 1] (direct of indirect) betrokken is bij de leveringen aan de Duitse overheid. Ze baseren dat onder andere op informatie ‘van horen zeggen’ en pakbonnen die op naam van ‘BBS’ staan. Tegenover het verweer van [gedaagden] dat BBS het bedrijf is dat (uiteindelijk) aan de Duitse overheid heeft geleverd, deze leveringen niet zijn betaald en de leveringen van O2H aan BBS ook niet zijn betaald, hebben TMDI c.s. hun stellingen niet voldoende nader toegelicht of onderbouwd. Dat hadden ze wel moeten doen, ook omdat de rechter in het eerdere kortgeding tussen TMDI en [gedaagde 1] en Bella Vita heeft geoordeeld dat in de stellingen van TMDI onduidelijk is gebleven of (ook) voor die order medische contacten binnen het netwerk van TMDI zijn aangewend en TMDI niet aannemelijk heeft gemaakt op grond waarvan die order eigenlijk aan TMDI verbonden zou zijn en waarom [gedaagde 1] aansprakelijk zou kunnen worden gehouden voor het onterecht niet inbrengen van die order binnen TMDI. Wat TMDI c.s. hierover op de zitting hebben gezegd (namelijk dat [gedaagde 1] 4,3 miljoen van de 7,5 miljoen afgekeurde mondkapjes van de eerste leveringen aan de Staat samen met een samenwerkingspartner in Duitsland heeft verkocht) is onvoldoende om die aansprakelijkheid aan te nemen. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.

De mondkapjeskwestie tussen TMDI c.s. en O2H

De kantonrechter moet beoordelen of O2H van de handelwijze van [gedaagde 1] op de hoogte is geweest en daarvan onrechtmatig heeft geprofiteerd. De kantonrechter beantwoordt deze vraag bevestigend en motiveert dat hierna.

TMDI c.s. stellen dat O2H aansprakelijk is omdat zij zich te kwader trouw en met de hulp van niet loyale (feitelijk) bestuurder een zakelijke kans heeft toegeëigend of heeft geprofiteerd van de wanprestatie of het onrechtmatig handelen van een ander, in de wetenschap dat een derde daar nadeel van lijdt. Omdat [gedaagde 1] de enig bestuurder en aandeelhouder was van O2H (via zijn persoonlijke holding [B.V.] ) moeten zijn kennis en heimelijk en bewust benadelend handelen worden toegerekend aan O2H . Door in die wetenschap de order niet aan TMI/TMDI te laten, maar voor eigen gewin zelf uit te voeren, heeft O2H bewust en weloverwogen gehandeld in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid en TMI/TMDI bewust benadeeld. Dit alles volgens TMDI c.s.

[gedaagden] voeren aan dat er geen grondslag voor zelfstandige aansprakelijkheid van O2H is. Volgens [gedaagden] is O2H namelijk niet door of via contacten van [gedaagde 1] benaderd, maar door inkoopafdelingen van UMC’s. Daarbij verwijzen [gedaagden] naar de e-mailcorrespondentie. De kantonrechter heeft hiervoor al geoordeeld dat dit standpunt niet opgaat en dat [gedaagde 1] in zijn hoedanigheid van directeur door klantcontacten van TMDI is benaderd voor de mondkapjesorder van de Staat en deze contacten voor de handel van O2H heeft gebruikt. Daarmee heeft O2H inderdaad geprofiteerd van de wanprestatie van [gedaagde 1] . Uit het opzettelijk handelen van [gedaagde 1] volgt dat O2H zelf onrechtmatig tegenover TMDI c.s. heeft gehandeld bij de mondkapjesorder van de Staat. O2H is dus ook aansprakelijk.

Voor zover [gedaagden] bedoelen dat O2H geen weet had (of had kunnen hebben) van het handelen van [gedaagde 1] omdat zij feitelijk door [naam 5] werd bestuurd, hebben zij die stelling niet concreet gemaakt. Uit het handelsregister blijkt dat [gedaagde 1] bestuurder van O2H is.

[gedaagden] voeren aan dat O2H in 2020 en 2021 € 38.574,00 aan huur voor [adres] aan TM(D)I heeft betaald en dit bedrag aan TM(D)I ten goede is gekomen. Volgens [gedaagden] moet dit bedrag op grond van eigen schuld in mindering komen op de schade. Bij de vaststelling van de onrechtmatige daad speelt de eventuele eigen schuld van TM(D)I geen rol. Omdat [gedaagden] geen beroep op verrekening doen en/of geen tegenvordering instellen, hoeft de kantonrechter dit verweer niet verder te bespreken.

De kantonrechter wijst de gevorderde verklaring voor recht ten aanzien van O2H daarom toe.

Verwijzing naar de schadestaatprocedure in de mondkapjeskwestie

[gedaagden] voeren het verweer dat TMDI c.s. geen aanspraak kunnen maken op schadevergoeding, omdat zij boetes vorderen. Dit verweer faalt. De kantonrechter verwijst naar wat hiervoor is geoordeeld.

De kantonrechter oordeelt dat het debat over de schade nog niet voldoende is gevoerd om op dit moment al over de schadehoogte te kunnen oordelen en motiveert dat als volgt.

TMDI c.s. gooien alle mondkapjes en clips op één hoop. Ze maken geen onderscheid tussen schade voor de (geldige) overeenkomst van de 574.300 mondkapjes en 6.000.000 clips die moet worden nagekomen en de (ontbonden) overeenkomst van de 17,4 miljoen mondkapjes.

De benadering van TMDI c.s. dat de schade gelijk is aan misgelopen marge is op zichzelf juist. Maar bij marge gaat het om het verschil tussen de inkoop- en de verkoopprijs. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met eventuele andere kosten of bespaarde kosten. TMDI c.s. stellen hierover in de dagvaarding dat [gedaagden] hebben nagelaten de benodigde gegevens hierover te verstrekken, zodat zij de marge hebben geschat. Op de zitting stellen TMDI c.s. dat inmiddels duidelijk is voor welk bedrag er kon worden verkocht aan de Staat en dat hun vordering met de e-mail van [naam 6] over de inkoopprijs in dollars kan worden herberekend. Volgens TMDI c.s. is hun schade dus deels zeker en deels onzeker. Ze hebben aangeboden de zekere schade alsnog te herberekenen en hun vordering daarop aan te passen. Volgens TMDI c.s. was dat niet eerder mogelijk omdat [gedaagden] niet op de zitting zijn verschenen.

TMDI c.s. bespreken in de dagvaarding als eerste de kans dat TMDI de opdracht gegund zou hebben gekregen van de Staat en als tweede de kans dat TMI/TMDI tot hetzelfde slechte resultaat zou zijn gekomen. Over de eerste kans zeggen ze dat alles erop wijst dat dit zo is en de tweede kans noemen ze aanzienlijk. TMDI c.s. laten zich niet specifiek uit over het conditio-sine-qua-non-verband verband, de reële kans en de schatting van de goede en kwade kansen. Ze noemen ook geen kanspercentages.

[gedaagden] voeren aan dat er geen sprake is van opbrengst omdat de overeenkomst tussen O2H en de Staat is ontbonden. Dit gaat om de ruim 17,4 miljoen afgekeurde mondkapjes. Inmiddels heeft het hof geoordeeld dat die overeenkomst rechtsgeldig is ontbonden. O2H moet de aanbetaling terugbetalen terwijl er wel mondkapjes zijn ingekocht. TMDI c.s. laten zich daarover niet uit, ook niet desgevraagd op de zitting. Zonder die nadere toelichting valt niet in te zien dat er sprake is van een winstmarge bij deze order.

Daar komt bij dat TMDI c.s. hun subsidiaire vordering van de kansschade ondanks de vragen van de kantonrechter niet hebben geconcretiseerd. TMDI c.s. vorderen 50% van het primair gevorderde eindbedrag of een in goede justitie vast te stellen ander bedrag aan kansschade. De kantonrechter stelt vast dat TMDI c.s. primair geen eindbedrag vorderen. TMDI c.s. vorderen primair namelijk 20% van het bedrag dat [gedaagde 1] respectievelijk O2H in rechte van de Staat vordert in verband met de bestelling van 17.435.700 mondkapjes. Maar voor zover de kantonrechter kan nagaan vordert [gedaagde 1] geen bedrag van de Staat. De kantonrechter leidt uit het vonnis van de rechtbank en het arrest van het hof af dat O2H (alleen) betaling van de resterende koopsom van € 11.275.000,00 van de Staat vordert.

Alles bij elkaar maakt dat de kantonrechter op basis van het huidige partijdebat de schade niet kan begroten. De kantonrechter vindt de mogelijkheid van schade wel aannemelijk. De kantonrechter zal de zaak daarom naar de schadestaat verwijzen, zoals meer subsidiair door TMDI c.s. is gevorderd.

Verrekening met de tegenvordering?

Indien en voor zover [gedaagde 1] enig bedrag aan TMDI verschuldigd zou zijn, beroept hij zich op verrekening met zijn tegenvordering. Uit het voorgaande volgt dat deze voorwaarde is vervuld. De kantonrechter zal hierna daarom eerst de (voorwaardelijke) tegenvordering bespreken.

in reconventie

[gedaagden] vorderen (voorwaardelijk) veroordeling van TMDI tot betaling aan [gedaagde 1] en/of Bella Vita van € 534.165,08. Zij stellen daartoe dat er tussen Bella Vita en TMDI een rekening-courantverhouding bestond en dat de stand daarvan is opgelopen tot laatstgenoemd bedrag. Bella Vita heeft vervolgens haar vorderingen gecedeerd aan [gedaagde 1] .

De kantonrechter wijst de vordering af. TMDI voert gemotiveerd verweer tegen de vordering van [gedaagde 1] . [gedaagde 1] is niet op de zitting verschenen en stelt niets tegenover het verweer. Daarmee is de vordering onvoldoende onderbouwd. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.

[gedaagden] moeten de proceskosten van TMDI betalen. De kantonrechter begroot deze zelfstandige tegenvordering op een bedrag van € 1.441,00 aan salaris gemachtigde. De kantonrechter kent hierbij één procespunt toe voor de conclusie van antwoord in reconventie, omdat [gedaagden] niet op de zitting zijn verschenen en TMDI c.s. de tegenvordering daar niet (of nauwelijks) hebben besproken.

De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

in conventie (vervolg)

Geen verrekening

De beslissing over de tegenvordering heeft tot gevolg dat het beroep van [gedaagde 1] op verrekening niet opgaat.

De kantonrechter wijst de door TMDI c.s. gevorderde verklaring van recht hierover af, omdat TMDI c.s. niet hebben gesteld welk specifieke belang zij bij die vordering hebben.

Tot slot

[gedaagde 1] en O2H zijn hoofdzakelijk in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van TMDI c.s. in conventie worden begroot op:

- dagvaarding

118,69

- griffierecht

1.409,00

- salaris gemachtigde

2.310,00

(2 punten × € 1.155,00)

- nakosten

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

3.981,69.

De gevorderde wettelijke rente over deze proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

TMDI c.s. vorderen de kosten van de gelegde beslagen, een en ander als blijkend uit de facturen van de deurwaarder en het griffierecht voor beslaglegging. De kantonrechter weet dat er verschillende beslagen zijn gelegd, maar concrete gegevens daarover ontbreken TMDI c.s. hebben niet gesteld welke beslagen (tot welk bedrag) of hoeveel verlofverzoeken het betreft. Ze hebben geen opgave van de kosten gedaan. En ze hebben de beslagexploten en de aangekondigde facturen van de deurwaarder niet overgelegd. De kantonrechter heeft dus geen idee welke kosten, welk griffierecht en/of hoeveel procespunten voor het salaris van de gemachtigde voor vergoeding in aanmerking komen. De kantonrechter wijst deze vorderingen daarom af.

Omdat de voorwaardelijke vordering tegen Bella Vita niet aan de orde is en zij niet heeft gesteld dat zij specifieke proceskosten heeft gemaakt, zal de kantonrechter in de zaak tussen TMDI c.s. en Bella Vita geen proceskostenveroordeling uitspreken.

De kantonrechter zal de veroordelingen - waar nodig - hoofdelijk uitspreken.

6. Beslissing

De kantonrechter

in het incident

wijst het gevorderde af,

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten, die tot en met heden worden begroot op nihil,

in de hoofdzaak in conventie

verklaart voor recht dat [gedaagde 1] jegens TMDI tekortgeschoten is in de nakoming van zijn contractuele verplichtingen, en wel door zich ten onrechte gedurende langere periode een hoger dan het overeengekomen loon uit te (doen) betalen,

veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling aan TMDI van € 249.636,93 netto aan teveel ontvangen salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van iedere maandelijkse loonbetaling tot aan de dag van algehele voldoening,

veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling aan TMDI van € 22.685,00 aan verbeurde boetes wegens schending van het nevenwerkzaamhedenbeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2024 tot aan de dag van algehele voldoening,

verklaart voor recht dat [gedaagde 1] jegens TMDI is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst door zich bij de mondkapjesdeal met de Staat niet als een goed werknemer te gedragen,

verklaart voor recht dat O2H van de handelwijze van [gedaagde 1] op de hoogte is geweest en daarvan onrechtmatig heeft geprofiteerd,

veroordeelt [gedaagde 1] en O2H hoofdelijk tot vergoeding van de schade die TMDI c.s. als gevolg van de tekortkoming van [gedaagde 1] en de onrechtmatige daad van O2H (zoals hiervoor in 6.6. en 6.7. bedoeld) lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

veroordeelt [gedaagde 1] en O2H hoofdelijk in de proceskosten van € 3.981,69, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] en O2H niet tijdig aan de proceskostenveroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt [gedaagde 1] en O2H hoofdelijk in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in de hoofdzaak in reconventie

wijst het gevorderde af,

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.441,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de proceskostenveroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.H. Lips en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?