RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/137508-25 (P)
Uitspraakdatum: 6 maart 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 februari 2026 in de zaak tegen:
[naam verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1948 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. B. Rademacher en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S. Meijer, advocaat te Beverwijk, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
De verdachte wordt – na wijziging van de tenlastelegging - ervan beschuldigd dat hij zijn destijds minderjarige stiefdochter [het slachtoffer] (hierna: [het slachtoffer]) in de periode juli 2011 tot juli 2017 seksueel heeft misbruikt. Zij was in die periode twaalf tot achttien jaar oud. Volgens de beschuldiging heeft de verdachte toen (meermalen) haar borsten, billen en/of vagina aangeraakt, haar gezoend en haar met zijn penis en/of vingers vaginaal gepenetreerd. Dit zou zich hebben afgespeeld in Nederland, Spanje en Frankrijk. De volledige tekst van de tenlastelegging staat opgenomen in bijlage I.
2. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van alle ten laste gelegde feiten. Op het verweer van de raadsvrouw zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II bij dit vonnis zijn opgenomen.
Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1 primair en feit 2
Juridisch kader: betrouwbaarheid aangifte en bewijsminimum-regel
De rechtbank zal eerst beoordelen of de aangifte die [het slachtoffer] heeft gedaan, op zichzelf beschouwd betrouwbaar kan worden geacht. Pas dan is die verklaring bruikbaar als bewijs.
Als de aangifte betrouwbaar is, zal de rechtbank vervolgens moeten nagaan of er ook steunbewijs is voor die verklaring. Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan namelijk het bewijs dat een verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, niet alleen worden gebaseerd op de verklaring van één enkele getuige. Deze bepaling ziet op de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing: als de verklaring van één getuige op zichzelf staat en de daarin genoemde feiten en omstandigheden onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal, dan kan er geen bewezenverklaring volgen. Dit steunbewijs moet afkomstig zijn uit een andere bron dan de getuige zelf. Niet vereist is dat ieder onderdeel van de bewezenverklaring wordt ondersteund. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval. Ten slotte geldt dat het steunbewijs geen betrekking hoeft te hebben op de tenlastegelegde gedragingen, maar dat niet een te ver verwijderd verband dient te bestaan tussen de verklaring van de aangever en het steunbewijs. Het moet gaan om feiten en omstandigheden die op relevante wijze in verband staan met de inhoud van de verklaring van de aangever.
Betrouwbaarheid verklaring aangeefster
Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring van [het slachtoffer] kijkt de rechtbank naar de authenticiteit van de verklaring en hoe concreet en gedetailleerd de verklaring is. Ook kijkt de rechtbank of zij steeds hetzelfde heeft verklaard.
Op grond van deze factoren acht de rechtbank de verklaring van aangeefster [het slachtoffer] betrouwbaar. De verklaring is authentiek, gedetailleerd en consistent waardoor de rechtbank geen twijfel heeft aan de kern van haar verklaring. De rechtbank heeft hierbij gelet op het volgende.
[het slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2]) heeft op 24 april 2024 aangifte gedaan van seksueel misbruik door de verdachte, die vanaf haar zesde in haar leven is als stiefvader en die zij heeft beschouwd als haar vader. Zij heeft – kort samengevat – verklaard dat het seksueel misbruik is begonnen tijdens een vakantie in Spanje toen zij twaalf jaar oud was. Op haar dertiende vond het misbruik plaats in een hotel in Frankijk, op weg naar een vakantie in Spanje.
Het misbruik gebeurde vanaf haar dertiende wekelijks en later vrijwel dagelijks, vooral in de woning in Nieuw-Vennep, onder andere in het bed van haar stiefvader en op de bank in de woonkamer. De seksuele handelingen bestonden onder meer uit tongzoenen, het met de penis penetreren van haar vagina en het vingeren in haar vagina. Voorafgaand aan de aangifte heeft aangeefster op 25 maart 2024 in een informatief gesprek met de politie gesproken over het seksueel misbruik door de verdachte. De rechtbank is van oordeel dat [het slachtoffer] steeds authentiek, consistent en op belangrijke onderdelen gedetailleerd heeft verklaard over de seksuele handelingen die de verdachte bij haar heeft verricht. Haar verklaring bij de politie is in de kern gelijkluidend aan hetgeen zij eerder heeft verklaard in het informatieve gesprek met de politie. Zij heeft concrete gebeurtenissen benoemd waarbij zij details heeft genoemd met betrekking tot waar en wanneer deze hebben plaatsgevonden en onder welke omstandigheden. Daarnaast heeft zij beschreven welke specifieke gevoelens en gedachtes zij had bij de seksuele handelingen, zoals de opmerking dat zij verstijfde toen hij haar voor het eerst penetreerde en dat zij vanaf haar zestiende ook een fysieke prikkel kreeg als hij haar penetreerde.
Dat [het slachtoffer] pas jaren later aangifte tegen de verdachte heeft gedaan, is naar het oordeel van de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van haar verklaring. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat [het slachtoffer] inzichtelijk heeft gemaakt wat uiteindelijk de aanleiding is geweest voor haar aangifte. Ze heeft ook verklaard dat haar herinneringen er altijd waren, maar dat zij door therapiesessies pas besefte dat het niet normaal was tussen een (stief)vader en een dochter. Ook heeft zij uitgelegd waarom zij er niets over heeft durven zeggen op het moment zelf en de jaren daarna. Dit draagt naar het oordeel van de rechtbank bij aan de authenticiteit van haar verklaring.
De rechtbank concludeert dat de verklaring van aangeefster betrouwbaar is en tot bewijs kan dienen. De rechtbank zal nu de vraag beantwoorden of de verklaring voldoende wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal, afkomstig van een andere bron.
Steunbewijs
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van aangeefster wordt ondersteund door de aard en inhoud van de telefoongesprekken die tussen de verdachte en [het slachtoffer] hebben plaatsgevonden. Die gesprekken zijn heimelijk door [het slachtoffer] opgenomen en op een USB-stick aan de politie overhandigd. De politie heeft die gesprekken uitgeluisterd en onderdelen daarvan in een proces-verbaal letterlijk uitgewerkt. De rechtbank wijst daarbij in het bijzonder op de passages waarin de verdachte meermaals bevestigend antwoordt op de vraag van [het slachtoffer] of er met de verdachte seks is geweest in Spanje toen zij 13 jaar was. Zo antwoordt de verdachte op die specifieke vraag onder meer met ‘Ja [voornaam slachtoffer], ja ‘[afgekorte voornaam slachtoffer]. Ja ‘[afgekorte voornaam slachtoffer]. We hebben seks gehad. Meer dan eens. Nou en nu’. Op de specifieke vraag van [het slachtoffer] aan de verdachte of zij seks hebben gehad toen zij 16 jaar was, antwoordt de verdachte vervolgens ‘met je 16e is inderdaad de goeie seks begonnen, dat klopt, maar ook nog geeneens zo van gut gut wat regent het want dat was allemaal nog op een verkennende toer’.
De rechtbank ziet hierin voldoende steun voor de beschuldigingen uit de aangifte en verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat in de gesprekken sprake is van dubbelzinnig taalgebruik door de verdachte en dit daarom niet als bekentenis kan worden opgevat. In het dossier bevinden zich letterlijke uitwerkingen van doorlopende passages van de gesprekken van de verdachte en [het slachtoffer], waarin concreet en herhaaldelijk door haar wordt gevraagd naar specifieke gebeurtenissen (te weten die op vakantie in Spanje en de gebeurtenis op haar 16e) en waar de verdachte herhaaldelijk ondubbelzinnig bevestigend op antwoordt. De verdediging heeft niet duidelijk kunnen maken hoe deze uitlatingen van de verdachte anders zouden moeten worden geïnterpreteerd in de gegeven context. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de verdachte tegenover zijn stiefdochter [het slachtoffer] heeft erkend dat hij seks met haar heeft gehad in de ten laste gelegde periodes. Gelet op de context van de gesprekken – waarin ook wordt gesproken over het kopen van een zwangerschapstest – is de rechtbank van oordeel dat de verdachte met ‘seks’ heeft bedoeld het seksueel binnendringen zoals ten laste gelegd.
Op grond van de betrouwbaar geachte aangifte die op relevante onderdelen voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal, komt de rechtbank tot het oordeel dat de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
1.
hij in de periode van 9 juli 2011 tot en met 8 juli 2015 te Nieuw-Vennep en in Spanje en in Frankrijk, met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, [het slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [het slachtoffer], immers heeft verdachte (telkens):
- zijn penis en vingers in de vagina van die [het slachtoffer] gebracht en/of
- met zijn hand(en) en/of vinger(s) de vagina, althans schaamstreek van die [het slachtoffer] aangeraakt en/of- die [het slachtoffer] gezoend;
2.
hij in de periode van 9 juli 2015 tot en met 8 juli 2017, te Nieuw-Vennep ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, [het slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2], doordat hij:
- zijn penis en vingers in de vagina van die [het slachtoffer] heeft gebracht en
- die [het slachtoffer] heeft gezoend.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 primair: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.
feit 2: ontucht plegen met een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van de periode die de verdachte al in verzekering heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd de verdachte een maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen inhoudende een gebiedsverbod voor de gemeente [plaatsnaam] en een contactverbod met het slachtoffer [het slachtoffer]. De officier van justitie heeft dadelijke uitvoerbaarheid gevorderd van de vrijheidsbeperkende maatregelen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit en heeft geen standpunt ingenomen voor het geval de rechtbank wel tot een bewezenverklaring komt.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich gedurende een periode van zes jaren schuldig gemaakt aan het stelselmatig seksueel misbruiken van zijn stiefdochter, welk misbruik bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam. De verdachte kwam als stiefvader in het leven van de aangeefster als partner van haar moeder toen zij zes jaar oud was. De handelingen zijn begonnen toen het slachtoffer twaalf jaar oud was en zijn vanaf haar dertiende stelselmatig – wekelijks en soms dagelijks – doorgegaan tot in ieder geval haar achttiende levensjaar. Het seksueel misbruik vond onder meer plaats in het huis waar de verdachte met zijn partner en stiefkinderen woonde en op vakantie. De verdachte heeft gedurende langere tijd op een zeer grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn stiefdochter en een zeer onveilige thuissituatie voor haar gecreëerd. Daarmee heeft hij de normale seksuele en lichamelijke ontwikkeling, waar ieder kind recht op heeft, doorkruist. De woning is bij uitstek een plaats waar mensen zich veilig zouden moeten voelen. Dit geldt vooral voor kinderen. Door zijn handelen heeft de verdachte ook hiermee het slachtoffer ernstige schade berokkend. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit soort strafbare feiten vaak langdurige en ernstige schade kunnen toebrengen aan de psychische gezondheid van de slachtoffers. Dit wordt ook bevestigd door de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring en de toelichting bij de ingediende vordering van de benadeelde partij. Hieruit volgt dat het slachtoffer nog elke dag herbelevingen, nachtmerries, angst en paniek ervaart. Haar jeugd is haar ontnomen en zij heeft nooit gevoeld en ervaren hoe het is een zorgeloos kind te zijn. Het slachtoffer is gediagnostiseerd met een posttraumatische stres stoornis (hierna: PTSS) en staat nog steeds onder behandeling van de psychiater, psycholoog en psychotherapeut. De verdachte heeft zich kennelijk niet bekommerd om deze gevolgen voor het slachtoffer en zijn eigen lustgevoelens voortdurend voorop gesteld. Daarbij heeft de verdachte geen openheid van zaken gegeven en geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 8 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Dit werkt neutraal mee in de strafoplegging.
De rechtbank heeft verder gelet op het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van de reclassering van 16 september 2025. In het rapport schrijft de reclassering dat zij vanwege de ontkennende houding van de verdachte geen delictanalyse kan opstellen en ook niet precies duidelijk is geworden wat ten grondslag heeft gelegen aan het delictgedrag. Hoewel het recidiverisico wordt ingeschat als laag en er twijfels zijn over medewerking van de verdachte, vindt de reclassering een reclasseringstoezicht met psychologische behandeling toch geïndiceerd. Vanwege de ernst van het feit en de onduidelijkheid over het ontstaan ervan, vindt de reclassering het belangrijk dat de verdachte bij veroordeling een behandeltraject volgt, gericht op het creëren van probleembesef en inzicht van het delictgedrag. De reclassering adviseert bij veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met daaraan verbonden de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht, diagnostiek en ambulante behandeling en een contactverbod met aangeefster.
De op te leggen straf
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat enkel kan worden volstaan met een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank ziet vanwege de aard, de ernst en de lange duur van de feiten geen ruimte voor een voorwaardelijk strafdeel. De verdachte heeft gedurende een zeer lange periode en met grote regelmaat zijn stiefdochter ernstig seksueel misbruikt. Hij heeft daarbij op grove wijze misbruik gemaakt van zijn vaderrol ten opzichte van zijn kwetsbare en van hem afhankelijke stiefdochter. Hierdoor is haar normale seksuele ontwikkeling doorkruist en haar jeugd haar grotendeels ontnomen, wat niet kan worden hersteld. De rechtbank komt daarom tot een hogere straf dan door officier van justitie gevorderd en legt aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van vijf jaren.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.
7. Vrijheidsbeperkende maatregel
Naast het opleggen van voormelde gevangenisstraf ziet de rechtbank aanleiding tot het opleggen van een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid, zoals bedoeld in artikel 38v Sr. Uit het dossier zijn namelijk aanwijzingen te ontlenen dat de verdachte het misbruik heeft voortgezet tot kort voor het doen van de aangifte en dat hij ook na de aangifte herhaaldelijk contact is blijven zoeken met de aangeefster, terwijl deze daar niet van gediend was. De maatregel wordt daarom opgelegd om te voorkomen dat de verdachte opnieuw strafbare feiten pleegt.
Gebiedsverbod
De maatregel betekent in de eerste plaats dat hij zich gedurende vijf jaren niet mag ophouden in de gemeente [plaatsnaam].
Contactverbod
De maatregel betekent daarnaast dat de verdachte zich voor de duur van vijf jaren zal onthouden van contact met [het slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2].
Vervangende hechtenis
Voor iedere keer dat de verdachte deze maatregel overtreedt, zal vervangende hechtenis worden opgelegd voor de duur van twee weken, met een maximale duur van zes maanden.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank ziet aanleiding te bepalen het gebieds- en contactverbod dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Ter terechtzitting is gebleken dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte zich opnieuw belastend zal gedragen jegens aangeefster en de rechtbank zal daarom, gelet op artikel 38v, vierde lid Sr, bevelen dat de opgelegde maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn.
8. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
Namens de benadeelde partij [het slachtoffer] is door mr. M.C. van Megen een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde schade bestaat uit:
a. Materiële schade
(totaal: € 14.649,92)
Immateriële schade € 50.000,00
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de gevorderde schade, onder oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat vrijspraak van het tenlastegelegde is bepleit. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de benadeelde partij niet ontvankelijk in zijn vordering moet worden verklaard, omdat beoordeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
Oordeel van de rechtbank
Gelet op de bewezenverklaring gaat het primair gevoerde verweer van de verdediging niet op. Evenmin geeft de complexiteit van de vordering de rechtbank aanleiding om de benadeelde partij om die reden op voorhand (zonder verdere beoordeling) in zijn vorderingen niet ontvankelijk te verklaren.
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde materiële schade, voor zover het ziet op de reiskosten (€ 2.472,61), zorgkosten (€ 837,99) en gederfde inkomsten (€ 8.395,33), rechtstreeks voortvloeit uit de bewezenverklaarde feiten en voldoende is onderbouwd.
Het is echter niet voldoende onderbouwd dat de overige gevorderde materiële schade (kosten nieuwe telefoon ad € 720,00 en afkoop van het contract van haar leaseauto ad € 2.223,99) rechtstreeks voortvloeien uit de bewezenverklaarde feiten. Niet gebleken is dat hij haar traceerde middels haar telefoon of leaseauto, waardoor de benadeelde partij niet langer gebruik kon maken van haar telefoontoestel en leaseauto. De rechtbank is aldus van oordeel dat de gevorderde materiële schade tot een bedrag van in totaal € 11.705,93 kan worden toegewezen.
Immateriële schade
Op grond van artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer wanneer de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Uit het dossier en de onderbouwing van de vordering volgt dat de benadeelde partij geestelijk letsel, te weten PTSS heeft opgelopen als gevolg van de onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde feiten. Er is daarom een wettelijke grondslag voor de vordering.
Uit de toelichting op de vordering blijkt dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde verscheidene intensieve traumabehandelingen heeft ondergaan. Angst en emoties als walging, schaamte en schuldgevoel hebben veel aandacht gekregen gedurende de behandelingen. Uiteindelijk is zij gediagnostiseerd met PTSS. De traumabehandelingen heeft zij klinisch voortgezet, in de vorm van acute dagbehandeling en wekelijkse psychomotorische therapie. Zij slikt dagelijks antidepressiva en slaappillen en ziet het leven, ondanks haar jongvolwassen leeftijd, eigenlijk niet meer zitten als gevolg van het bewezenverklaarde. Daarnaast ervaart zij sterke fysieke klachten, zoals pijn in de onderbuik en schaamstreek waarvoor zij onder behandeling is bij een bekkenbodem fysiotherapeut.
Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde handelen, de onderbouwing van de vordering alsmede de bedragen die in min of meer vergelijkbare gevallen worden toegekend en de bedragen die worden genoemd in de Rotterdamse Schaal, komt de rechtbank een vergoeding van de immateriële schade tot het gevorderde bedrag van € 50.000,00 billijk voor.
Conclusie
Toegewezen bedrag
Dit betekent dat de door [het slachtoffer] gevorderde schade zal worden toegewezen tot een bedrag van € 61.705,93. De wettelijke rente over dit bedrag is toewijsbaar als volgt:
en dan steeds tot aan de dag van algehele voldoening.
De benadeelde partij [het slachtoffer] zal voor het overige niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Proceskosten Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: seksueel binnendringen bij een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige onder de 16 jaar en ontucht plegen bij een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
36f, 38v, 38w, 57, 63, 245, 248 en 249 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
10. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Maatregel ex artikel 38v Sr
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 5 (vijf) jaren
- zich niet zal ophouden in de gemeente [plaatsnaam] en
- zich zal onthouden van contact met [het slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2].
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 (twee) weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximale duur van 6 (zes) maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Vordering benadeelde partij [het slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 61.705,93 (zegge: eenenzestigduizend zevenhonderdvijf euro en drieënnegentig eurocent), bestaande uit € 11.705,93 als vergoeding voor de materiële en € 50.000,00 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag aan [het slachtoffer], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in de vordering. De benadeelde partij kan haar vordering in zoverre aan de civiele rechter voorleggen.
Bepaalt dat het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente:
- over een bedrag van € 2.472,61 vanaf 5 maart 2025,
- over een bedrag van € 67,99 vanaf 17 december 2024,
- over een bedrag van € 385,00 vanaf 12 februari 2024,
- over een bedrag van € 385,00 vanaf 2 juli 2025,
- over een bedrag van € 8.395,33 vanaf 16 augustus 2025,
- over een bedrag van € 50.000,- vanaf 8 juli 2014,
tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [het slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 61.705,93 (zegge: eenenzestigduizend zevenhonderdvijf euro en drieënnegentig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 262 (tweehonderdtweeënzestig) dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hiervoor genoemde aanvangsdata tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. H. Bakker, voorzitter,
mr. A.K. Korteweg en mr. S.J. de Vries, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Snelder
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 maart 2026.
Bijlage I
De tenlastelegging
1.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 juli 2011 tot en met 8 juli 2015 te Nieuw-Vennep, althans in Nederland en/of in Spanje en/of in Frankrijk, met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, [het slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [het slachtoffer], immers heeft verdachte (telkens):
- zijn penis en/of vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [het slachtoffer] geduwd/gebracht en/of
- met zijn hand(en) en/of vinger(s) de borsten en/of billen en/of de vagina, althans schaamstreek van die [het slachtoffer] aangeraakt en/of betast en/of
- die [het slachtoffer] gezoend;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 juli 2011 tot en met 8 juli 2015 te Nieuw-Vennep, althans in Nederland, en/of in Spanje en/of in Frankrijk, met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, [het slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, immers heeft verdachte:
- met zijn hand(en) en/of vinger(s) de borsten en/of billen en/of vagina, althans schaamstreek van die [het slachtoffer] aangeraakt en/of betast en/of
- die [het slachtoffer] gezoend;
2.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 juli 2015 tot en met 8 juli 2017, te Nieuw-Vennep, althans in Nederland, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, [het slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2], doordat hij:
- zijn penis en/of vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [het slachtoffer] heeft geduwd/gebracht en/of
- met zijn hand(en) en/of vinger(s) de borsten en/of billen en/of vagina, althans schaamstreek van die [het slachtoffer] heeft aangeraakt en/of betast en/of
- die [het slachtoffer] heeft gezoend.