RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/409317-24
Uitspraakdatum: 5 maart 2026
Tegenspraak
Verkort strafvonnis (artikel 138b van het Wetboek van Strafvordering (Sv))
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 februari 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres][adres] ,
nu gedetineerd in de [PI] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Funke Küpper, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. M. van Stratum, advocaat te ’s-Gravenhage, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij zich – kort en zakelijk weergegeven – heeft schuldig gemaakt aan:
Feit 1 Primair: medeplegen van opzettelijk invoeren, verkopen, afleveren en/of aanwezig hebben van 105 kilogram cocaïne op 25 juni 2020 te Schiphol;Subsidiair: medeplegen van voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen om opzettelijk 105 kilogram cocaïne in te voeren en/of te vervoeren in de periode van 2 juni 2020 tot en met 26 juni 2020 te Rijswijk, Schiphol en/of in Nederland;
Feit 2 Primair: medeplegen van opzettelijk invoeren, verkopen, afleveren en/of aanwezig hebben van 300 kilogram cocaïne op 3 augustus 2020 te Schiphol;Subsidiair: medeplegen van voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen om opzettelijk 300 kilogram cocaïne in te voeren en/of te vervoeren in de periode van 3 augustus 2020 tot en met 4 augustus 2020 te Rijswijk, Schiphol en/of in Nederland;
Feit 3 Primair: medeplegen van opzettelijk invoeren, verkopen, afleveren en/of aanwezig hebben van 300 kilogram cocaïne op 17 augustus 2020 te Schiphol;Subsidiair: medeplegen van voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen om opzettelijk 300 kilogram cocaïne in te voeren en/of te vervoeren in de periode van 16 augustus 2020 tot en met 18 augustus 2020 te Rijswijk, Schiphol en/of in Nederland;
Feit 4: handel en/of makelaardij in wapens en munitie in de periode van 28 juni 2020 tot en met 17 februari 2021 te Rijswijk en/of in Nederland en daarvan een beroep of gewoonte maken.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
2. Procesafspraken en de beoordeling daarvan
Verloop van de zaak en inhoud van de procesafspraken
In deze zaak zijn tussen het openbaar ministerie en de verdediging procesafspraken gemaakt waarvan een gezamenlijk voorstel voor de in de strafzaak uit te spreken bewezenverklaring, bijbehorende kwalificatie en sanctieoplegging deel uitmaken (hierna: de procesafspraken).
Over de totstandkoming van de procesafspraken stelt de rechtbank op grond van de stukken in het dossier en wat op de zitting is besproken het volgende vast.
Op 21 mei 2025 is de verdachte aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. De verdachte is vervolgens in verzekering gesteld en in voorlopige hechtenis genomen. De voorlopige hechtenis duurt – na een tijdelijke schorsing voor de duur van twee weken – nog steeds voort.
Op de pro forma zitting van 10 november 2025 heeft de officier van justitie laten weten dat partijen mondeling overeenstemming hebben bereikt over de inhoud van de procesafspraken. Op 15 december 2025 heeft de rechtbank een door de officier van justitie, de verdachte en de raadsman ondertekende raamovereenkomst inzake de procesafspraken ontvangen en daarnaast een schikkingsovereenkomst inzake de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 511c Sv.
In voornoemde raamovereenkomst zijn de volgende afspraken gemaakt:
- het openbaar ministerie zal rekwireren tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 tenlastegelegde en kwalificatie van de feiten zoals in de overeenkomst weergegeven;- het openbaar ministerie zal rekwireren tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht;- voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling sluiten het openbaar ministerie en de verdachte een schikkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 511c Sv, teneinde een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) te voorkomen;- de verdachte betaalt voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling een geldbedrag van € 50.000,- aan het openbaar ministerie / CJIB;
- de verdachte is aanwezig bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak;
- de verdachte hoeft geen nadere verklaring af te leggen;
- de verdachte en de verdediging zien af van het indienen van onderzoekswensen, zowel ten aanzien van de ten laste gelegde feiten als ten aanzien van het ontnemingsdossier;
- door de verdediging worden geen bewijsverweren gevoerd;
- door de verdediging en het openbaar ministerie wordt geen hoger beroep ingesteld indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de gemaakte afspraken;
- de verdachte doet voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling afstand van drie mobiele telefoons (één Apple iPhone SE en twee Google Pixel telefoons);- indien de rechtbank de procesafspraken zou afwijzen, verzoeken het openbaar ministerie en de verdediging tot heropening van het onderzoek ter terechtzitting in de gevallen dat:a) de rechtbank tot een andere bewezenverklaring zou komen, maar uitsluitend voor zover hierdoor de aard van het delict wezenlijk verandert;b) de rechtbank van oordeel zou zijn dat de overeengekomen straf van zes jaren onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak.
Beoordeling van de procesafspraken
Op de zitting van 19 februari 2026 heeft de rechtbank de procesafspraken, zoals deze zijn weergegeven in de raamovereenkomst, besproken met de verdachte, diens raadsman en de officier van justitie. Op enkele punten heeft de rechtbank een nadere toelichting gevraagd en gekregen. De rechtbank stelt op basis daarvan en het e-mailbericht van de officier van justitie van 18 februari 2026, vast dat de verdachte voorafgaand aan de zitting van 19 februari 2026 de eerste termijnbetaling van € 50.000,- (op twee euro na) heeft voldaan, middels overhandiging van een contant geldbedrag ter hoogte van € 21.800,- aan de Koninklijke Marechaussee en een overname van beslag uit de strafzaak tegen de verdachte met het parketnummer 22/001210-24 (26Koeban) ter hoogte van € 28.198,-. Ook heeft de verdachte schriftelijk afstand gedaan van de drie in de raamovereenkomst genoemde telefoons.
De rechtbank heeft de gevolgen van de procesafspraken besproken en de rechtspositie van de verdachte aan de orde gesteld. De verdachte heeft te kennen gegeven goed te hebben begrepen wat de gemaakte procesafspraken inhouden en wat de gevolgen daarvan zijn. Ook heeft hij kenbaar gemaakt volledig achter die afspraken te staan en de overeenkomst vrijwillig te zijn aangegaan. De rechtbank heeft begrepen dat de verdachte zich vrij voelde om zelf te beslissen en zich niet onder druk gezet heeft gevoeld om de procesafspraken met het openbaar ministerie te maken. Verder is duidelijk geworden dat de verdachte bij het hele proces om tot procesafspraken te komen rechtsbijstand van zijn raadsman heeft gehad. Met het maken van procesafspraken hebben partijen beoogd tot een efficiëntere en snellere afdoening van de zaak te komen.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte vrijwillig en op basis van voor hem voldoende en duidelijke informatie is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan wat in de raamovereenkomst is overeengekomen. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de verdachte zich bewust is van de rechtsgevolgen van de in die overeenkomst neergelegde procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de eisen die artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden stelt.
In het licht van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat zij bij de beoordeling van de strafzaak tegen de verdachte acht kan slaan op de tussen het openbaar ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken en het afdoeningsvoorstel.
3. Beantwoording van de vragen van artikelen 348 en 350 Sv
De rechtbank stelt bij de beoordeling van deze strafzaak voorop, ook gelet op het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252), dat de rechtbank geen partij is bij de (totstandkoming van de) procesafspraken en daaraan dus ook niet is gebonden. De rechtbank heeft een eigen verantwoordelijkheid om te waarborgen dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de daarvoor geldende wettelijke regelingen en de eisen van een eerlijk proces. Dat betekent dat de rechtbank de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv in dit vonnis zelfstandig zal beantwoorden.
4. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
5. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, onder verwijzing naar de procesafspraken, gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft, onder verwijzing naar de procesafspraken, geen bewijsverweren gevoerd en verzocht de zaak af te doen zoals in de raamovereenkomst is overeengekomen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 tenlastegelegde op grond van de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn weergegeven. De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van de feiten waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben en zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist. De bewijsmiddelen zullen dan in een aan dit vonnis te hechten aanvulling worden opgenomen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
Feit 1
Primair hij op 25 juni 2020 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 105 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne;
Feit 2 Primair hij op 03 augustus 2020 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 300 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne;
Feit 3 Primair hij op 17 augustus 2020 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 300 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne;
Feit 4 hij op meer tijdstippen in de periode van 28 juni 2020 tot en met 17 februari 2021 te Rijswijk en elders in Nederland, zonder erkenning telkens wapens en munitie in de uitoefening van een bedrijf ter beschikking heeft gesteld en heeft verhandeld en heeft onderhandeld over en een of meer transacties heeft geregeld voor de aankoop en levering van wapens en munitie, en de feiten heeft begaan met betrekking tot vuurwapens van categorie III onderdeel 1° (vuurwapens in de vorm van geweren, revolvers en pistolen voor zover zij niet vallen onder categorie II sub 2°, 3° of 6°) en scherpe munitie van categorie II te weten:- pistolen en revolvers en- scherpe patronenen de feiten heeft begaan met betrekking tot vuurwapens van categorie II onderdeel 2° (vuurwapens geschikt om automatisch te vuren) te weten:- automatische vuurwapens (Scorpion en AR15)terwijl hij, verdachte, hiervan een beroep of gewoonte heeft gemaakt.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Voor zover de rechtbank tot een andere bewezenverklaring is gekomen dan in de raamovereenkomst is overeengekomen, levert dit geen wezenlijk ander oordeel op. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding het onderzoek ter terechtzitting te heropenen teneinde partijen in de gelegenheid te stellen op dit punt nader het woord te voeren.
6. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1, feit 2, feit 3: telkens: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;
Feit 4:
handelen in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en van het verhandelen van wapens en munitie een beroep of een gewoonte maken en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 2° en/of categorie III en/of munitie van categorie II, meermalen gepleegd.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.
7. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.
8. Motivering van de straf
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, onder verwijzing naar de procesafspraken, gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van het voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, onder verwijzing naar de procesafspraken, verzocht de zaak af te doen zoals in de raamovereenkomst is overeengekomen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de
rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten De verdachte heeft zich in de eerste plaats samen met anderen schuldig gemaakt aan het meermalen invoeren van grote hoeveelheden cocaïne, in totaal ongeveer 705 kilogram. De verdachte heeft hierbij telkens een organiserende rol vervuld. Bij de invoer werd gebruikgemaakt van corrupte medewerkers van de luchthaven Schiphol. Met zijn handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het (internationale) drugscircuit. Harddrugs bevatten voor de gezondheid van de gebruikers daarvan zeer schadelijke stoffen en daarom moet het gebruik ervan worden ontmoedigd. De verspreiding van en de handel in harddrugs zijn bezwarend en ontwrichtend voor de samenleving en gaan bovendien gepaard met andere vormen van ernstige vormen van criminaliteit, waaronder levensdelicten. De verspreiding van en de handel in harddrugs worden daarom, evenals het bezit ervan, krachtig bestreden.
In de tweede plaats heeft de verdachte zich gedurende een periode van acht maanden schuldig gemaakt aan het op grote schaal handelen in en onderhandelen over (automatische) wapens en munitie. De verdachte heeft hiermee een bijdrage geleverd aan het ongecontroleerd verspreiden van vuurwapens binnen het criminele circuit. De illegale handel in vuurwapens dient met het oog op de veiligheid van personen en ter voorkoming van gevoelens van onveiligheid in de samenleving streng te worden bestraft. Dat vuurwapens een gevaar vormen voor de samenleving blijkt uit het feit dat er regelmatig vuurwapenincidenten (al dan niet met dodelijke afloop) plaatsvinden.
De verdachte heeft zich kennelijk enkel laten leiden door zijn eigen financieel gewin en heeft zich geen rekenschap gegeven van de gevolgen van zijn handelen. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.
De rechtbank houdt in het voordeel van de verdachte rekening met het tijdsverloop in de zaak. De feiten zijn in 2020 begaan (waarbij de wapenhandel heeft voortgeduurd tot februari 2021).
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 5 januari 2026. Hieruit volgt dat hij op 17 februari 2025 door het Gerechtshof Den Haag is veroordeeld tot gevangenisstraffen van 15 en 18 maanden en oplegging van een geldboete van € 20.000,- wegens witwassen en overtredingen van de Opiumwet. Nu deze veroordeling dateert van na het plegen van de bewezen verklaarde strafbare feiten in onderhavige strafzaak, is artikel 63 Sr van toepassing. De rechtbank houdt hiermee – in het voordeel van de verdachte – rekening in de straftoemeting.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de toelichting die de verdachte (op de zitting) heeft gegeven met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden.
De op te leggen straf De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van de feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur rechtvaardigen. Bij de bepaling hiervan heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die worden opgelegd in soortgelijke zaken en rekening gehouden met de rechterlijke oriëntatiepunten voor straftoemeting.
De rechtbank heeft acht geslagen op de procesafspraken in deze zaak. Die nopen tot een andere afweging die resulteert in een lagere gevangenisstraf. De rechtbank acht in dit geval een matiging van de straf gerechtvaardigd, omdat de verdachte heeft meegewerkt aan een procedure die uiteindelijk tot een efficiëntere rechtspleging heeft geleid. De behandeling van de strafzaak tijdens het onderzoek ter terechtzitting is voortvarend verlopen, nu als gevolg van de procesafspraken geen inhoudelijke verweren zijn gevoerd. Bovendien wordt door naleving van de overeenkomst een hoger beroep voorkomen. Dit levert tijdswinst op en bespaart kostbare zittingscapaciteit. Naast deze proceseconomische belangen zorgt deze procedure er ook voor dat zaken eerder onherroepelijk zijn en opgelegde straffen sneller kunnen worden geëxecuteerd. De procesafspraken doen daarmee ook recht aan de belangen van de maatschappij.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de vrijheidsstraf die in de procesafspraken is overeengekomen onder de gegeven omstandigheden nog net in redelijke verhouding staat tot de ernst en omvang van de feiten, alsook de rol die verdachte daarbij heeft vervuld. De rechtbank benadrukt dat hiermee sprake is van de absolute ondergrens van wat in dit geval acceptabel is. De rechtbank zal aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaren opleggen, met aftrek van de tijd die reeds in voorarrest is doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
47, 57, 63 van het Wetboek van Strafrecht;
2, 10 van de Opiumwet;9, 55 van de Wet wapens en munitie.
10. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 5.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 6 vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.C. van den Bos, voorzitter,
mr. M.S. Neervoort en mr. A.H. Tiemens, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffiers mr. M.L. van der Meij en mr. L.S. Rietdijk,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 maart 2026.
Bijlage – De tenlastelegging
Feit 1 Primair hij op of omstreeks 25 juni 2020 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht, althans opzettelijk verkocht en/of afgeleverd, althans opzettelijk aanwezig gehad, ongeveer 105 kilogram cocaïne, in elkgeval een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Subsidiair hij in of omstreeks de periode van 02 juni 2020 tot en met 26 juni 2020 te Rijswijk en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederlandbrengen en/of vervoeren van 105 kilogram, althans een grote hoeveelheid cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende een middel genoemd op de bij de Opiumwet behorende lijst I,voor te bereiden en/of te bevorderen- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om die feiten te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of- zich en/of een ander of anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft trachten te verschaffen, en/of- een of meer voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij en/of zij mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),
immers hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, toen en daar opzettelijk:- via telecommunicatie en/of persoonlijk overleg gevoerd en/of informatie uitgewisseld over het invoeren in Nederland van een zending cocaïne in een vrachtzending, althans elders verstopt in een vliegtuig, vanuit Ecuador naar Schiphol, althans naar Nederland, en/of en/of over betalingen en/of instructies gegeven en/of foto's en/of een of meer video’s uitgewisseld en/of een telefoonnummer verstrekt- een of meer telefoons |en/of een of meer voertuigen voorhanden gehad;
Feit 2 Primair hij op of omstreeks 03 augustus 2020 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht, althans opzettelijk verkocht en/of afgeleverd, althans opzettelijk aanwezig gehad, ongeveer 300 kilogram cocaïne, in elk geval een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Subsidiair hij in of omstreeks de periode van 03 augustus 2020 tot en met 04 augustus 2020 te Rijswijk en/of en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of vervoeren van 300 kilogram, althans een grote hoeveelheid cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende een middel genoemd op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om die feiten te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of- zich en/of een ander of anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft trachten te verschaffen, en/of- een of meer voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij en/of zij mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),
immers hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, toen en daar opzettelijk:- via telecommunicatie en/of persoonlijk overleg gevoerd en/of informatie uitgewisseld over het invoeren in Nederland van een zending cocaïne (vanuit Ecuador) naar de luchthaven Schiphol, althans naar Nederland, en/of- een of meer foto’s uitgewisseld en/of- met een voertuig op of nabij de luchthaven Schiphol aanwezig is geweest en/of goederen heeft vervoerd vanaf de luchthaven Schiphol en/of afgeleverd en/of verkocht en/of geld ontvangen en/of- een of meer telefoons en/of een of meer voertuigen voorhanden gehad;
Feit 3 Primair hij op of omstreeks 17 augustus 2020 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht, althans opzettelijk verkocht en/of afgeleverd, althans opzettelijk aanwezig gehad, ongeveer 300 kilogram cocaïne, in elk geval een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Subsidiair hij in of omstreeks de periode van 16 augustus 2020 tot en met 18 augustus 2020 te Rijswijk en/of en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of vervoeren van 300 kilogram, althans een grote hoeveelheid cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende een middel genoemd op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om die feiten te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of- zich en/of een ander of anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft trachten te verschaffen, en/of- een of meer voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij en/of zij mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),
immers hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, toen en daar opzettelijk:- via telecommunicatie en/of persoonlijk overleg gevoerd en/of informatie uitgewisseld over het invoeren in Nederland van een zending cocaïne (vanuit Ecuador) naar de luchthaven Schiphol, althans naar Nederland, en/of- een of meer foto's uitgewisseld en/of- met een voertuig op of nabij de luchthaven Schiphol aanwezig is geweest en/of goederen heeft vervoerd vanaf de luchthaven Schiphol en/of afgeleverd en/of verkocht en/of geld ontvangen en/of- een of meer telefoons en/of een of meer voertuigen voorhanden gehad;
Feit 4 hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 28 juni 2020 tot en met 17 februari 2021 te Rijswijk en/of elders in Nederland, zonder erkenning (telkens) één of meer wapens en/of munitie in de uitoefening van een bedrijf ter beschikking heeft gesteld en/of heeft verhandeld en/of heeft onderhandeld over en/of een of meer transacties heeft geregeld voor de aankoop en/of levering van één of meer wapens en/of munitie, en het/de feit(en) heeft begaan met betrekking tot een of meer vuurwapens van categorie III onderdeel 1° (vuurwapens in de vorm van geweren, revolvers en pistolen voor zover zij niet vallen onder categorie II sub 2°, 3° of 6) en/of (scherpe) munitie van categorie II(te weten:- een of meer pistolen en/of revolvers en/of- een of meer (scherpe) patronen)en/ofhet/de feit(en) heeft begaan met betrekking tot een of meer vuurwapens van categorie II onderdeel 2° (vuurwapens geschikt om automatisch te vuren)(te weten:- een of meer automatische vuurwapen(s) (Scorpion en/of AR15) )terwijl hij, verdachte, hiervan een beroep of gewoonte heeft gemaakt.