RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/071766-24 (P)
Uitspraakdatum: 16 februari 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
2 februari 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ),
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres]
.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. S.P. Visser en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman mr. A.T. Leigh, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
primair:
hij op of omstreeks 29 februari 2024 te Beverwijk als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), daarmede rijdende over de weg, de Plesmanweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
- met een niet toegestane en/of onverantwoord hoge snelheid een fietsoversteekplaats te naderen en/of
- tijdens het rijden tot kort voor het ongeval handelingen te verrichten op zijn telefoon en/of
- zijn snelheid niet zodanig te regelen dat hij, verdachte, in staat was zijn motorrijtuig tijdig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en deze vrij was en/of
- met grote impact aan te rijden tegen een op die fietsoversteekplaats overstekende fietsster, waardoor die fietsster, genaamd [slachtoffer] ,
werd gedood;
subsidiair:
hij op of omstreeks 29 februari 2024 te Beverwijk als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de Plesmanweg,
- met hoge snelheid een fietsoversteekplaats is genaderd en/of
- tijdens het rijden tot kort voor het ongeval handelingen heeft verricht op zijn telefoon en/of
- zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en deze vrij was en/of
- is aangereden tegen een op die fietsoversteekplaats overstekende fietsster, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van het primair ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken en heeft zich ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de raadsman zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
Bewijsmotivering
Het beoordelingskader.
De vraag die de rechtbank in deze zaak moet beantwoorden is of de verdachte zich zodanig in het verkeer heeft gedragen dat door zijn schuld een ander dodelijk letsel is toegebracht zoals bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna ook: WVW).
Op grond van vaste jurisprudentie gaat het bij de vaststelling of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW om het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst van deze gedragingen en de overige omstandigheden van het geval. Vastgesteld moet worden of de verdachte verwijtbaar heeft gehandeld. Het gedrag van de verdachte dient daarvoor te worden afgemeten aan dat wat van een bestuurder in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. In zijn algemeenheid kan niet worden aangegeven of een enkele verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Verder kan ook niet uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag worden afgeleid dat sprake is van schuld als bedoeld in deze bepaling.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast.
Op 29 februari 2024 heeft omstreeks 08:09 uur een verkeersongeval plaatsgevonden op de Plesmanweg in Beverwijk. De verdachte reed als bestuurder van een bedrijfsauto op de Plesmanweg, komende vanaf de rotonde op de Binnenduinrandweg. De Plesmanweg is een voorrangsweg. Vlak na de rotonde is door middel van het bord ‘Beverwijk’ aangegeven dat de Plesmanweg binnen de bebouwde kom ligt. Langs de Plesmanweg is met een verkeersbord aangegeven dat de maximum snelheid 50 kilometer per uur bedraagt.
Op de kruising met de Gladiolenlaan is een fietsoversteekplaats. De weg maakt hier een flauwe bocht. Vlak voor de fietsoversteekplaats staat een waarschuwingsbord en er ligt een verkeerskussen (een verhoging in het wegdek). De 14-jarige [slachtoffer] stond met haar fiets bij de fietsoversteekplaats. Zij stak op haar fiets de Plesmanweg over en verleende geen voorrang aan de verdachte. De verdachte is met zijn bedrijfsauto tegen de fiets van [slachtoffer] aan gebotst. [slachtoffer] is vier dagen na het ongeval overleden aan het letsel dat zij als gevolg van het ongeval had opgelopen.
De verdachte heeft verklaard dat hij wel vaker over de Plesmanweg heeft gereden en dat hij voorafgaand aan het ongeval te hard reed. Uit onderzoek van de politie volgt dat de verdachte op het moment van het ongeval 72 tot 79 kilometer per uur reed. De verdachte reed dus 22 tot 29 kilometer per uur harder dan de toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur. De verdachte heeft bij het naderen van de fietsoversteekplaats zijn snelheid niet verminderd en heeft pas vlak voor de fietsoversteekplaats geremd.
Uit onderzoek aan de telefoon van de verdachte blijkt dat de verdachte in ieder geval tot één minuut voor het ongeval meerdere handelingen op zijn telefoon heeft verricht. Zo heeft hij meermalen de calculator op zijn telefoon geopend en daarvan een screenshot gemaakt. Ook heeft hij een video op Snapchat geüpload.
Verweer raadsman
De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit omdat geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. De verdachte kan alleen worden verweten dat hij te hard heeft gereden. Op grond van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de verdachte zijn telefoon gebruikte op het moment van de aanrijding, of zodanig kort ervoor dat dit een bijdrage heeft geleverd aan het ontstaan van het ongeval. Daarnaast is het van belang dat [slachtoffer] geen voorrang heeft verleend aan de verdachte.
Oordeel rechtbank
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte meer dan 20 kilometer te hard op de fietsoversteekplaats af reed. Voor deze fietsoversteekplaats werd gewaarschuwd door middel van waarschuwingsborden, een verkeerskussen en een flauwe bocht in de weg. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de verdachte vanaf het moment van instappen in zijn auto tot vlak voor het ongeval handelingen heeft verricht op zijn telefoon. De rechtbank is van oordeel dat het niet anders kan dat dit van invloed is geweest op de oplettendheid van de verdachte. De verdachte was door het verrichten van handelingen op zijn telefoon niet met zijn volledige aandacht bij het verkeer, maar deels met zijn aandacht bij het verrichten van de handelingen op zijn telefoon. De verdachte heeft pas op het allerlaatste moment geremd bij het naderen van de fietsoversteekplaats en heeft (ook) daardoor niet (in voldoende mate) op de verkeerssituatie kunnen reageren. Hiermee heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank onaanvaardbare risico’s genomen. Hij heeft zichzelf in de positie gebracht dat hij de verkeersfout van [slachtoffer] , het niet verlenen van voorrang, niet meer kon opvangen, ontwijken of de gevolgen daarvan kon beperken. Gelet op de genoemde verkeersfouten van de verdachte is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld, als gevolg waarvan het dodelijke ongeval heeft plaatsgevonden.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
primair:
hij op 29 februari 2024 te Beverwijk als bestuurder van een bedrijfsauto, daarmede rijdende over de Plesmanweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend,
- met een niet toegestane en onverantwoord hoge snelheid een fietsoversteekplaats te naderen
en
- tijdens het rijden tot kort voor het ongeval handelingen te verrichten op zijn telefoon en
- zijn snelheid niet zodanig te regelen dat hij, verdachte, in staat was zijn motorrijtuig tijdig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en deze vrij was en
- met grote impact aan te rijden tegen een op die fietsoversteekplaats overstekende fietsster, waardoor die fietsster, genaamd [slachtoffer] , werd gedood.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
primair:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6. Motivering van de sancties
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
Daarnaast heeft de officier van justitie een ontzegging van de rijbevoegdheid gevorderd van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingehouden is geweest.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bij een bewezenverklaring van artikel 6 WVW verzocht om aan de verdachte een taakstraf van 240 uur op te leggen, omdat slechts sprake is van aanmerkelijke schuld aan de zijde van de verdachte.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft op 29 februari 2024 als bestuurder van een bedrijfsauto zeer onoplettend en onvoorzichtig gehandeld, waardoor hij een ongeval met een fietsster, de 14-jarige [slachtoffer] , heeft veroorzaakt. [slachtoffer] stak over op de fietsoversteekplaats en is door de verdachte aangereden. Zij is zwaar gewond geraakt en vier dagen later overleden.
De verdachte heeft een onverantwoord risico genomen door veel te hard te rijden en voorafgaand aan het ongeval handelingen op zijn telefoon te verrichten. Als gevolg van het rijgedrag van de verdachte is aan de nabestaanden van [slachtoffer] onherstelbaar leed toegebracht. Uit de slachtofferverklaringen van de beide ouders is gebleken hoe groot het verdriet binnen de familie is en hoezeer zij wordt gemist.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon van de verdachte gelet op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 23 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
Verder heeft de rechtbank gelet op de het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport van 23 juli 2025. De reclassering heeft geadviseerd om bij een veroordeling een gedeeltelijk voorwaardelijke straf op te leggen, met daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, begeleiding door de reclassering en het zich houden aan aanwijzingen, ook als dat inhoudt het meewerken aan het vinden van een dagbesteding en het meewerken aan schuldhulpverlening.
De rechtbank houdt rekening met het feit dat de verdachte spijt heeft betuigd, dat hij zijn verantwoordelijkheid wil nemen voor de schade en dat het ongeval ook voor de verdachte een ingrijpende gebeurtenis is geweest. De verdachte is zijn relatie, baan en woning kwijt geraakt en er is PTSS bij hem geconstateerd.
Straffen
De rechtbank realiseert zich dat geen enkele op te leggen straf in verhouding staat tot het leed van de nabestaanden en het feit dat zij [slachtoffer] voor altijd moeten missen.
De rechtbank heeft voor wat betreft de strafoplegging gekeken naar straffen die voor vergelijkbare gevallen door rechtbanken en gerechtshoven worden opgelegd en naar de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, die bij een situatie als deze uitgaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid van twee jaar.
De rechtbank vindt het bij de strafoplegging van belang dat de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden aan de verdachte worden opgelegd, zodat hij de juiste hulp en begeleiding krijgt. De rechtbank vindt de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf daarom passend en zal deze aan de verdachte opleggen. Dit betekent dat aan de verdachte een gevangenisstraf van zes maanden wordt opgelegd, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
De officier van justitie heeft een deels voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid gevorderd. Gelet op de verstrekkende gevolgen van het ongeval en het feit dat de verdachte geen persoonlijke belangen heeft bij behoud van het rijbewijs (zoals het verlies van werk), is de rechtbank van oordeel dat er geen reden is om van de landelijke oriëntatiepunten af te wijken. De rechtbank zal daarom een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee jaar opleggen.
8. Verbeurdverklaring
De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven telefoon verbeurd moet worden verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het bewezen verklaarde feit met betrekking tot die telefoon, die aan de verdachte toebehoort, is begaan.
9. Vorderingen benadeelde partijen
Vordering benadeelde partij [benadeelde 1]
De vordering
De benadeelde partij [benadeelde 1] (moeder van [slachtoffer] ) heeft een vordering tot schadevergoeding van € 20.795,04 ingediend wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 2.795,04 aan materiële schokschade en € 18.500,- aan immateriële schokschade.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel moet worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De moeder van [slachtoffer] vordert vergoeding van schokschade. Schokschade komt voor toewijzing in aanmerking als de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van een hevige emotionele schok door (i) het waarnemen van het door de verdachte gepleegde strafbare feit, of (ii) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2022:958) blijkt dat de rechter bij de beoordeling van een verzoek tot vergoeding van schokschade het volgende moet meewegen:
− de aard, de toedracht en de gevolgen van het tegen het slachtoffer gepleegde feit, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het slachtoffer toegebrachte leed;
− de wijze waarop de benadeelde partij wordt geconfronteerd met de tegen het slachtoffer gepleegde feit en de gevolgen daarvan;
− de aard en hechtheid van de relatie tussen het slachtoffer en de benadeelde partij.
Het bestaan van geestelijk letsel kan in het algemeen alleen worden aangenomen als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Een diagnose is daarvoor niet vereist, maar het bestaan van geestelijk letsel moet wel kunnen worden vastgesteld op grond van een rapportage van een bevoegde en bekwame deskundige, zoals een psychiater, huisarts of psycholoog. Als sprake is van geestelijk letsel, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering van [benadeelde 1] voldoende met stukken is onderbouwd. De moeder van [slachtoffer] heeft onverwacht te horen gekregen dat haar dochter na een aanrijding in levensgevaar in het ziekenhuis was opgenomen. Zij is in het ziekenhuis geconfronteerd met de coma van haar dochter, de uitzichtloze medische situatie en uiteindelijk het overlijden van haar dochter. Uit het verslag van de rouwtherapeut blijkt dat er sprake is van geestelijk letsel en dat zij niet in staat is om volledig te werken.
Nu de vordering is onderbouwd en verder niet is betwist, wijst de rechtbank de vordering tot vergoeding van de materiële en immateriële schokschade geheel toe.
Vordering benadeelde partij [benadeelde 2]
De vordering
De benadeelde partij [benadeelde 2] (vader van [slachtoffer] ) heeft een vordering tot schadevergoeding van € 18.500,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schokschade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel moet worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De vader van [slachtoffer] vordert vergoeding van schokschade. De rechtbank verwijst ten aanzien van het juridisch kader bij schokschade naar de hiervoor onder 9.1 opgenomen overweging bij de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] .
De rechtbank is van oordeel dat de vordering van [benadeelde 2] voldoende met stukken is onderbouwd. De vader van [slachtoffer] is direct in het ziekenhuis geconfronteerd met de coma van zijn dochter, de uitzichtloze medische situatie en uiteindelijk het overlijden van zijn dochter.
De gevolgen van het ongeval en het overlijden van zijn dochter hebben bij hem een hevige emotionele schok teweeggebracht, waardoor hij PTSS heeft opgelopen. Nu de vordering is onderbouwd en verder niet is betwist, wijst de rechtbank de vordering tot vergoeding van de immateriële schokschade geheel toe.
Vordering benadeelde partij [benadeelde 3]
De vordering
De benadeelde partij [benadeelde 3] (broer van [slachtoffer] ) heeft een vordering tot schadevergoeding van € 36.000,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schokschade (€ 18.500,-) en affectieschade (€ 17.500,-) die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.
De raadsvrouw van de benadeelde partij heeft met betrekking tot de gevorderde affectieschade aangevoerd dat hoewel broers en zussen op grond van de huidige wetgeving nog niet expliciet zijn opgenomen in de limitatieve kring van gerechtigden die voor vergoeding van affectieschade in aanmerking komen, er evident sprake is van affectieschade bij de broer van [slachtoffer] . Tussen de benadeelde partij en [slachtoffer] bestond een zeer nauwe en hechte affectieve relatie. De benadeelde partij was ten tijde van het ongeval 16 jaar oud en groeide samen met zijn zus op binnen het gezin. Het plotselinge en traumatische verlies van zijn zus heeft een diepgaande en blijvende impact gehad op zijn emotionele welzijn en ontwikkeling.
Het wetsvoorstel ter uitbreiding van de kring van gerechtigden tot vergoeding van affectieschade, waaronder broers en zussen, is nu in de consultatiefase. Het is de wens van de overheid dat broers en zussen in aanmerking komen voor deze vergoeding. Dit biedt volgens de raadsvrouw ruimte aan de rechtbank om de gevorderde affectieschade toe te wijzen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot vergoeding van de schokschade geheel moet worden toegewezen en dat de vordering tot vergoeding van de affectieschade niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat hiervoor geen wettelijke basis bestaat.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering tot vergoeding van de schokschade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de vordering tot affectieschade heeft de verdediging zich eveneens op het standpunt gesteld dat deze niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat hiervoor geen wettelijke basis bestaat.
Oordeel van de rechtbank
De broer van [slachtoffer] vordert vergoeding van schokschade. De rechtbank verwijst ten aanzien van het juridisch kader bij schokschade naar de hiervoor onder 9.1 opgenomen overweging bij de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] .
De rechtbank is van oordeel dat de vordering van [benadeelde 3] tot vergoeding van de schokschade voldoende met stukken is onderbouwd. De broer van [slachtoffer] is direct in het ziekenhuis geconfronteerd met de gevolgen van het ongeval en heeft door het overlijden van zijn zusje geestelijk letsel opgelopen. Hij is onder behandeling van een rouwtherapeut. Nu de vordering is onderbouwd en verder niet is betwist, wijst de rechtbank de vordering tot vergoeding van de immateriële schokschade (€ 18.500,-) geheel toe.
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat de vordering tot vergoeding van affectieschade niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De aanspraak op vergoeding van affectieschade is beperkt tot een vaste kring van gerechtigden. Broers en zusters behoren daar niet toe. De rechtbank ziet geen aanleiding om vooruit te lopen op een mogelijke wijziging van de wet.
In artikel 6:108, vierde lid, sub g BW is opgenomen dat in uitzonderlijke gevallen een recht op vergoeding van affectieschade kan worden toegekend aan personen die niet tot de vaste kring van gerechtigden behoren. Dit betreft de zogeheten hardheidsclausule. Een broer van het slachtoffer kan hierop aanspraak maken als de 'normale' broer/zus-verhouding wordt overstegen. Daarbij kan gedacht worden aan broers en zussen die langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen.
Uit de toelichting op de vordering kan worden opgemaakt dat de benadeelde partij een hechte band had met zijn overleden zusje. De raadsvrouw heeft echter onvoldoende onderbouwd dat sprake is van zodanig uitzonderlijke omstandigheden dat de benadeelde partij zich met succes kan beroepen op de hardheidsclausule. De rechtbank zal de benadeelde partij met betrekking tot de affectieschade dan ook niet-ontvankelijk verklaren.
Vordering benadeelde partij [benadeelde 4]
De vordering
De benadeelde partij [benadeelde 4] (zusje van [slachtoffer] ) heeft een vordering tot schadevergoeding van € 18.500,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schokschade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel moet worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Het zusje van [slachtoffer] vordert vergoeding van schokschade. De rechtbank verwijst ten aanzien van het juridisch kader bij schokschade naar de hiervoor onder 9.1 opgenomen overweging bij de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] .
De rechtbank is van oordeel dat de vordering van [benadeelde 4] voldoende met stukken is onderbouwd. Het abrupt uit de klas gehaald worden, het zien van haar zus in coma, het meemaken van heftige emoties in haar omgeving en het plotselinge verlies van haar zus heeft bij het zusje van [slachtoffer] geleid tot een hevig emotionele schok die nog steeds doorwerkt in haar gedrag en functioneren. Uit het verslag van de GZ-psycholoog volgt dat de benadeelde partij klachten heeft ontwikkeld die passen bij trauma gerelateerde problematiek. Nu de vordering is onderbouwd en verder niet is betwist, wijst de rechtbank de vordering tot vergoeding van de immateriële schokschade geheel toe.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank wijst de door de benadeelde partijen gevorderde wettelijke rente toe vanaf 29 februari 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoedingen volledig heeft betaald.
De rechtbank legt ook de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partijen de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeven te incasseren, maar dat de Staat dit voor hen doet.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van
vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast. Met betrekking tot het bepalen van de duur van de gijzeling geldt dat in totaal niet meer dan één jaar gijzeling mag worden opgelegd. In deze zaak moet de verdachte grote geldbedragen aan meerdere benadeelde partijen betalen. Gelet op het totale bedrag waarvoor de schadevergoedingsmaatregelen in deze zaak worden opgelegd, zou het aantal dagen gijzeling (opgeteld per maatregel) het maximum van één jaar overschrijden. De rechtbank heeft het aantal dagen gijzeling daarom naar evenredigheid berekend. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de
schadevergoeding te betalen.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
14a, 14b, 14c, 33, 33a en 63 van het Wetboek van Strafrecht.
6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
11. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het primair bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ZES MAANDEN.
Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot TWEE MAANDEN niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaar.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Veroordeelt de verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van TWEE JAAR, met aftrek overeenkomstig artikel 179, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 1] geleden schade tot een bedrag van € 20.795,04 (twintigduizend zevenhonderdenvijfennegentig euro en vier eurocent) bestaande uit € 2.795,04 als vergoeding voor de materiële en € 18.500,- als vergoeding voor de immateriële schade en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 1] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 20.795,04, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 98 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 2] geleden schade tot een bedrag van € 18.500,- (achttienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor de immateriële schade en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 2] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 18.500,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 89 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 3] geleden schade tot een bedrag van € 18.500,- (achttienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor de immateriële schade en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 3] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 3] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 18.500,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 89 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 4] geleden schade tot een bedrag van € 18.500,- (achttienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor de immateriële schade en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 4] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 4] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 18.500,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 89 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Verklaart verbeurd: 1 STK gsm (PL1100-2024043844-G1579776, Wit, merk: Apple)
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.H.E. Boomgaart, voorzitter,
mr. S. Mac Donald en N. Mook, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.L. de Vries,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 februari 2026.