RECHTBANK NOORD-HOLLAND
De zaak in het kort
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknummer : 11997671 \ WM VERZ 25-4353
CJIB-nummer : [nummer]
Uitspraakdatum : 11 februari 2026
Uitspraak op een vordering als bedoeld in artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering
in de zaak van
[betrokkene]
In deze zaak vordert de officier van justitie een machtiging om betrokkene in gijzeling te nemen. Gijzeling is een vrijheidsbenemend dwangmiddel, waarbij een betrokkene wordt vastgezet in een huis van bewaring. Het doel daarvan is om betrokkene ertoe te bewegen een openstaande boete voor een overtreding te betalen. De kantonrechter overweegt dat gijzeling een uiterste maatregel is die alleen mag worden ingezet als voldoende blijkt dat de betrokkene wel kan, maar niet wil betalen. De kantonrechter oordeelt dat de officier van justitie in dit geval onvoldoende heeft aangetoond dat sprake is van betalingsonwil van betrokkene. De gevorderde machtiging om betrokkene te gijzelen, wordt daarom afgewezen.
Het verloop van de procedure
De officier van justitie heeft een vordering ingesteld om te worden gemachtigd tot het toepassen van het dwangmiddel gijzeling.
De zaak is behandeld op de zitting van 28 januari 2026. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie niet verschenen. Betrokkene is ook niet verschenen, ondanks een oproep daartoe in een brief van de rechtbank. De kantonrechter heeft na de zitting uitspraak gedaan.
Overwegingen
Aan betrokkene is een boete opgelegd voor het voor handen hebben van twee stoffen uit lijst 1 van de Opiumwet. Het boetebedrag betreft, inclusief verhogingen, € 384,00 en daarbij administratiekosten van € 9,00. Betrokkene heeft geen beroep ingesteld tegen de boete.
De officier van justitie heeft geprobeerd om betaling te verkrijgen van de boete door zowel verhaal zonder als met dwangbevel toe te passen. Dat is niet gelukt. De officier van justitie vordert nu een machtiging om betrokkene in gijzeling te nemen, om betrokkene daarmee te bewegen alsnog te betalen.
De kantonrechter stelt voorop dat de officier van justitie op grond van de wet de mogelijkheid heeft om het dwangmiddel gijzeling toe te passen als betrokkene een boete niet betaalt en er geen verhaal mogelijk is. Gijzeling is een vrijheidsbenemend dwangmiddel, waarbij een betrokkene wordt vastgezet in een huis van bewaring. Het doel daarvan is om betrokkene ertoe te bewegen een openstaande boete voor een overtreding te betalen. Gijzeling komt dus niet in de plaats van de boete.
De kantonrechter overweegt dat gijzeling een uiterste dwangmiddel is, waartoe alleen mag worden overgegaan als voldoende is gebleken dat een betrokkene wel kan, maar niet wil betalen.
Het is aan de officier van justitie om aan te tonen dat aan de voorwaarden voor gijzeling is voldaan. De officier van justitie moet een vordering daartoe voldoende motiveren en onderbouwen. Anders dan in de Aanwijzing kader voor tenuitvoerlegging tot uitgangspunt wordt genomen, ligt de bewijslast in dit verband bij de officier van justitie en niet bij betrokkene. Het is immers de officier van justitie die machtiging vordert om een ingrijpend vrijheidsbenemend dwangmiddel toe te passen.
De kantonrechter oordeelt dat de machtiging tot gijzeling moet worden afgewezen, omdat onvoldoende is gebleken dat betrokken wel in staat is om te betalen, maar niet wil betalen. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat bij betrokkene geen sprake is van betalingsonmacht, omdat uit het RDW-register blijkt dat betrokkene kentekenhouder is van meerdere voertuigen die verzekerd en/of APK-gekeurd zijn, waaronder een splinternieuw voertuig. Daarnaast is door betrokkene in 2024 een verkeersboete van € 549,00 volledig voldaan. Het CJIB heeft vervolgens betrokkene voor de onderhavige boete de gelegenheid geboden de openstaande vordering in zes termijnen te voldoen, maar betrokkene heeft voor geen van die termijnen een betaling gedaan.
De kantonrechter komt tot het oordeel dat uit het voorgaande onvoldoende blijkt dat sprake is van betalingsonwil bij betrokkene. Het feit dat betrokkene kentekenhouder is van meerdere voertuigen, maakt nog niet dat betrokkene ook eigenaar is van die voertuigen en daarmee over financiële middelen beschikt. Ook is niet uitgesloten dat betrokkene als een zogenoemde katvanger wordt ingezet. Temeer niet omdat uit het overzicht van openstaande zaken van het CJIB is gebleken dat nog meer verkeersboetes op naam van betrokkene open staan en dat die boetes voor drie verschillende kentekens zijn opgelegd.
Ook het standpunt dat betrokkene eerder een verkeersboete heeft betaald en daarom in staat moet worden geacht om te betalen, volgt de kantonrechter niet. Weliswaar is een boete van betrokkene in 2024 voldaan, maar daar tegenover staat dat is gebleken dat er nog acht andere boetes op naam van betrokkene staan die niet zijn betaald. Daarmee komt het totaalbedrag aan thans openstaande boetes van betrokkene op € 3.251,00. De betaling van één boete in 2024 is onvoldoende om aan te nemen dat betrokkene op dit moment in staat is te betalen. Overigens is ook niet duidelijk of die ene boete door betrokkene zelf is betaald.
De vordering van de officier van justitie zal dus worden afgewezen.
De officier van justitie heeft subsidiair gevorderd dat een machtiging tot gijzeling wordt afgegeven onder de voorwaarde dat binnen een jaar na de uitspraak de openstaande vordering volledig moet zijn voldaan. Uit het voorgaande volgt dat ook deze vordering wordt afgewezen.
De uitspraak
De kantonrechter:
‒ wijst de vordering af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Jansen, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.
De griffier De kantonrechter