ECLI:NL:RBNHO:2026:2445

ECLI:NL:RBNHO:2026:2445

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 06-02-2026
Datum publicatie 10-03-2026
Zaaknummer HAA 24/8104
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Het college mocht de aanvraag voor een omgevingsvergunning van eiseres buiten behandeling stellen op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef, onder c, en slot van de Awb.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2026 in de zaak tussen

Astoria Hotels Zaandam B.V., uit Amsterdam, eiseres

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 24/8104

(gemachtigde: mr. K.J.T.M. Hehenkamp),

en

(gemachtigde: mr. C.J. Loggen-ten Hoopen).

1. Deze uitspraak gaat over het besluit om de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een hotel en het aanleggen van een uitweg buiten behandeling te stellen. Eiseres is het niet eens met de buitenbehandelingstelling van haar aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de buitenbehandelingstelling van de aanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag van eiseres op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef, onder c en slot, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling mocht stellen. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 3 augustus 2023 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een hotel en voor het aanleggen of veranderen van een uitweg. Bij besluit van 12 april 2024 heeft het college deze aanvraag buiten behandeling gesteld.

Op 22 mei 2024 heeft eiseres pro forma bezwaar gemaakt tegen het besluit om de aanvraag buiten behandeling te stellen. Op 5 juli 2024 heeft eiseres de nadere gronden van bezwaar ingediend.

Op 26 november 2024 heeft eiseres het college in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op haar bezwaar. Eiseres heeft op 11 december 2024 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing. Met het bestreden besluit van 10 februari 2025 op het bezwaar van eiseres heeft het college het besluit van 12 april 2024 onder aanvullende motivering in stand gelaten.

Eiseres heeft op 31 maart 2025 nadere gronden van beroep ingediend tegen het bestreden besluit. Het college heeft met een verweerschrift op deze gronden gereageerd. Eiseres heeft daarna een aanvullend stuk ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 17 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres samen met [naam 1] en de gemachtigde van het college samen met mr. [naam 2] .

Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Daarbij heeft de rechtbank op grond van artikel 8:66, tweede lid, van de Awb de termijn voor het doen van een uitspraak verlengd in verband met de ter zitting gemaakte afspraak dat eiseres zou proberen om uiterlijk 19 januari 2026 de bij het college bestaande vraagtekens over de financiering weg te nemen. Eiseres en het college hebben voor die datum nadere stukken aan de rechtbank toegestuurd. Omdat het college daarbij heeft aangegeven dat de vraagtekens niet zijn weggenomen, heeft de rechtbank het onderzoek niet heropend en de nadere stukken verder buiten beschouwing gelaten.

Beoordeling door de rechtbank

Tenaamstelling beroep

3. In het beroepschrift is vermeld dat dit namens Astoria Hotels Zaandam B.V. en [naam 3] is ingediend. Gelet op wat ter zitting is besproken, begrijpt de rechtbank het beroep zo, dat dit is ingesteld namens Astoria Hotels Zaandam B.V. als eiseres, en dat [naam 3] enkel een rol heeft in de procedure als indirecte aandeelhouder en bestuurder van eiseres.

Het bestreden besluit

4. Eiseres heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een hotel aan Stationsstraat 71-73 in Koog aan de Zaan en voor het aanleggen of veranderen van een uitweg. In het kader van deze aanvraag moet een integriteitsbeoordeling plaatsvinden op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob), gelet op artikel 2.20 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het college achtte de aanvraag niet volledig en heeft eiseres op 3 oktober 2023, op 15 januari 2024 en op 29 februari 2024 verzocht om aanvullende informatie aan te leveren ten behoeve van het Bibob-onderzoek. Eiseres heeft op verzoek van het college op 19 december 2023, op 25 januari 2024 en op 19 maart 2024 aanvullende stukken aangeleverd.

Het college stelt in het besluit van 12 april 2024 dat de gevraagde gegevens niet of niet in voldoende mate waren ingediend. Dat maakt volgens het college dat het niet mogelijk is om voldoende inzicht te krijgen in de betrokken Bibob-relaties, de wijze van financiering en de herkomst van het vermogen. Het is daardoor niet mogelijk om een zorgvuldig besluit voor te bereiden en te nemen. Het college concludeert in het bestreden besluit dat de volgende informatie ontbreekt:

De financiering van de incompanylening tussen eiseres als schuldenaar en [bedrijf] B.V. als schuldeiser. Er is wel een overeenkomst aangeleverd, maar deze bevat niet alle nodige elementen.

Een (voorlopige) overeenkomst van de bancaire lening. Uit de aangeleverde stukken blijkt dat deze zou worden aangegaan ter financiering van het voorliggende plan.

Stukken die inzichtelijk maken waaruit het vermogen van [bedrijf] B.V. blijkt ten aanzien van de door haar verstrekte hypothecaire lening.

Omvang van het geding

5. Omdat het college inmiddels een beslissing op bezwaar heeft genomen en ten behoeve van eiseres reeds de maximale dwangsom wegens niet tijdig beslissen heeft vastgesteld, heeft eiseres geen procesbelang meer bij een oordeel over het niet tijdig nemen van een besluit door het college. De rechtbank zal daarom het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, niet-ontvankelijk verklaren. Omdat het procesbelang door toedoen van het college is vervallen, is er grond om het college te veroordelen tot vergoeding van proceskosten die eiseres in zoverre in verband met het beroep heeft gemaakt.

Ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoetkomt. Nu in het bestreden besluit niet geheel aan het beroep tegemoet is gekomen, heeft dit beroep op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb van rechtswege mede betrekking op de beslissing op bezwaar van 10 februari 2025. Het griffierecht wordt geacht mede te zijn voldaan voor beroep tegen dat besluit. Of het griffierecht moet worden vergoed, is daarom afhankelijk van de uitkomst van dat beroep (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2148).

Overgangsrecht

6. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 3 augustus 2023. Dat betekent dat in dit geval niet de Omgevingswet maar de Wabo zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing is.

Had het college een externe commissie moeten laten adviseren in bezwaar?

7. Artikel 2, tweede lid van de Verordening op de behandeling van bezwaarschriften Zaanstad luidt:‘Er is een interne commissie en een externe commissie die adviseert bij bezwaren tegen besluiten van de raad, het college en de burgemeester.’

De toelichting bij artikel 2, tweede lid, van de Verordening luidt:‘De externe commissie adviseert in bezwaren tegen complexere omgevingsvergunningen, bezwaarschriften tegen besluiten op aanvragen om een bouw- of milieuvergunning die het college aan zichzelf verstrekt, besluiten waartegen meer dan vijf afzonderlijke bezwaren zijn ingediend, zaken met een aanmerkelijk financieel belang en besluiten die betrekking hebben op de aanpak van ondermijning.

Het betreft geen limitatieve opsomming zodat ook in andere bezwaarzaken aan de externe commissie kan worden gevraagd om een advies uit te brengen.

De ambtelijke commissie hoort in alle gevallen waarin de externe commissie niet hoort.’

Eiseres voert aan dat het college ten onrechte een interne commissie heeft laten adviseren over haar bezwaar. Eiseres verwijst naar de toelichting bij artikel 2, tweede lid, van de Verordening. Zij stelt dat er sprake is van 1) een complexere omgevingsvergunning, 2) een aanmerkelijk financieel belang en 3) een besluit dat betrekking heeft op de aanpak van ondermijning.

De rechtbank volgt het college in het standpunt dat de interne commissie mocht adviseren over het bezwaar van eiseres. Het bezwaar, en daarmee ook het advies van de commissie, heeft alleen nog betrekking op het buiten behandeling stellen van de aanvraag van eiseres en niet op de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag voor de omgevingsvergunning of op de inhoud van de Bibob-toets. Het college was daarom op grond van de Verordening niet verplicht om de externe commissie te laten adviseren. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft het college het bestreden besluit genomen in strijd met de Beleidsregel voor de toepassing van de Wet Bibob gemeente Zaanstad 2023?

8. Paragraaf 5.2 van de Beleidsregel luidt:

‘(…)

Het proportionaliteitsbeginsel wordt door de gemeente tot uitdrukking gebracht door het Bibob-instrument risicogericht in te zetten op de plekken waar de kans op het onbewust faciliteren van criminele activiteiten het grootst is. In de praktijk betekent dit dat de gemeente de Wet Bibob zal toepassen om de mate van gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob te onderzoeken indien sprake is van:

bezwaren met betrekking tot de integriteit van de betrokkene en zijn zakelijke relaties;

geen tot onvoldoende transparantie met betrekking tot de bedrijfsstructuur, de organisatiestructuur en/of de wijze van financiering;

specifieke branche- en/of locatierisico’s.

(…)’

De toelichting bij de Beleidsregel luidt:

‘(…)

Ten aanzien van de financiering van het project/ activiteit geldt dat de financiering aannemelijk en inzichtelijk dient te zijn. Om de financiering aannemelijk en inzichtelijk te maken, gelden ten aanzien van de financiering de volgende niet-limitatieve bepalingen:

bij financiering door middel van eigen vermogen dient de aanwezigheid en de herkomst van dit eigen vermogen aangetoond te worden;

wanneer sprake is van financiering uit eigen vermogen door middel van contante gelden, dient de aanwezigheid en de herkomst van het contante geld aannemelijk en inzichtelijk te worden gemaakt door de betrokkene(n);

bij financiering door middel van vreemd vermogen dient altijd een (in het Nederlands dan wel vertaalde) lenings- of schenkingsovereenkomst overgelegd te worden waaruit de financiering blijkt en onder welke voorwaarden deze financiering is verstrekt;

bij financiering door middel van vreemd vermogen dient de identiteit van de (indirecte) vermogensverschaffer aangetoond te worden. Bij financiering door rechtspersonen dienen de uiteindelijk natuurlijke personen (aandeelhouders) achter deze rechtspersonen inzichtelijk gemaakt te worden;

bij financiering door middel van vreemd vermogen dient door middel van bankafschriften aangetoond te worden dat deze gelden ontvangen zijn;

wanneer financiering van vreemd vermogen plaatsvindt dient de herkomst van de geldstroom van de vermogensverschaffer naar betrokkene(n) volledig inzichtelijk en aannemelijk te worden gemaakt;

wanneer financiering van vreemd vermogen plaatsvindt door middel van crowdfunding dan wel vergelijkbare financiering, kan de gemeente het betreffende platform verplichten de identiteit van de uiteindelijke vermogensverschaffers kenbaar te maken aan de gemeente.

(…)’

Eiseres voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met de Beleidsregel. Zij stelt dat het college zich niet aan het uitgangspunt over proportionaliteit, zoals dat is opgenomen in paragraaf 5.2 van de Beleidsregel, heeft gehouden, nu dit niet terugkomt in de besluitvorming. Eiseres voert daarnaast aan dat het college zich bij het opvragen van aanvullende gegevens niet aan de uitgangspunten heeft gehouden die in de Beleidsregel zijn opgenomen met betrekking tot de financiering van een project met vreemd vermogen. Eiseres wijst er in dit verband ook op dat zij een bekende partij is bij het college.

De rechtbank overweegt dat uit het door eiseres aangehaalde beleid volgt dat het college de Wet Bibob zal toepassen als er sprake is van geen tot onvoldoende transparantie met betrekking tot de bedrijfsstructuur, de organisatiestructuur en/of de wijze van financiering. Verder blijkt uit de Beleidsregel dat om financiering met vreemd vermogen inzichtelijk te maken aangetoond moet worden dat de gelden zijn ontvangen en de herkomst van de geldstroom van de vermogensverschaffer naar betrokkene(n) volledig inzichtelijk en aannemelijk moet worden gemaakt. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college juist conform de Beleidsregel heeft gehandeld door aanvullende gegevens te verzoeken bij eiseres. Het verzoek van het college was namelijk gericht op het verkrijgen van documenten waarmee de wijze van financiering inzichtelijk zou worden. Dat eiseres een bekende partij is bij het college maakt dit niet anders, aangezien die omstandigheid geen antwoord geeft op de vraag wat de herkomst van de noodzakelijke financiering is. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft eiseres voldoende informatie aangeleverd aan het college?

Toetsingskader

9. Artikel 4:5, eerste lid, aanhef, onder c en slot, van de Awb luidt:

‘Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:

(…)

c. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking,

mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.’

Artikel 7a, tweede lid, aanhef en onder h, van de Wet Bibob luidt:

‘De betrokkene verschaft het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak de gegevens en bescheiden om deze in staat te stellen tot het eigen onderzoek. Deze gegevens en bescheiden omvatten in ieder geval:

(…)

h. de wijze van financiering.’

De incompanylening en de hypotheekakte

Eiseres voert aan dat zij onvoldoende gelegenheid heeft gehad om de vragen van het college over de incompanylening en de hypotheekakte te beantwoorden. De op 18 maart 2024 ondertekende overeenkomst van de incompanylening is door eiseres aangeleverd op 19 maart 2024 naar aanleiding van het verzoek van het college van 29 februari 2024. In het bestreden besluit is aangegeven dat de aangeleverde overeenkomst vragen bij het college heeft opgeroepen. Volgens eiseres dient dit stuk als de schriftelijke bevestiging van de lening die in 2019 is aangegaan. De hypotheekakte is op 19 december 2023 aan het college overgelegd. Het college heeft echter pas in het verzoek van 29 februari 2024 gevraagd om aanvullende informatie waaruit de herkomst van het vermogen van [bedrijf] B.V. blijkt. Naast de overeenkomst van de incompanylening heeft eiseres naar aanleiding van dit verzoek de jaarrekening van [bedrijf] B.V. over 2022 overgelegd. Het college heeft vervolgens pas in het besluit van 12 april 2024 duidelijk gemaakt dat deze informatie opnieuw tot vragen heeft geleid. Het college heeft eiseres niet de mogelijkheid gegeven deze vragen te beantwoorden. In plaats daarvan heeft het college besloten om de aanvraag buiten behandeling te stellen. Eiseres voert aan dat het college eiseres minimaal één keer de mogelijkheid had moeten geven eventuele vragen te beantwoorden die zijn voortgekomen uit de stukken die eiseres op 19 maart 2024 heeft aangeleverd. Het college heeft deze mogelijkheid niet geboden, terwijl het wel in het besluit van 12 april 2024 heeft vastgesteld dat eiseres in goede trouw heeft geprobeerd de benodigde gegevens over te leggen om inzicht te verschaffen in de herkomst van het vermogen. De werkwijze van het college is daarom onzorgvuldig, mede omdat het college verzoeken van eiseres om in bespreking te gaan heeft afgeslagen.

De rechtbank is van oordeel dat het college in de brief van 29 februari 2024 duidelijk heeft gemaakt welke gegevens het van eiseres wilde ontvangen. In deze brief heeft het college eiseres ook een termijn gegeven om deze informatie alsnog te verstrekken. Uit de brief van 29 februari 2024 blijkt dat onduidelijk is voor het college wat de herkomst is van het geld waarmee de incompanylening en de hypotheek zijn verstrekt. De rechtbank volgt het college in het standpunt dat zijn vragen over de herkomst van de financiering niet zijn beantwoord met de stukken die eiseres op 19 maart 2024 heeft overgelegd en ook niet met de stukken die hangende bezwaar zijn overgelegd. De herkomst van het vermogen van [bedrijf] B.V. blijkt niet uit de verstrekte jaarrekeningen van [bedrijf] B.V., omdat daaruit onvoldoende liquide middelen blijken. De herkomst van het vermogen blijkt ook niet uit de geconsolideerde jaarrekening in combinatie met het overgelegde organogram. Het voorgaande brengt al mee dat eiseres op dit punt niet heeft voldaan aan het verzoek dat het college op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef, onder c en slot, van de Awb heeft gedaan. Het college hoefde eiseres niet meer een termijn te geven om de betrokken gegevens aan te leveren, aangezien het college dat bij de brief van 29 februari 2024 al had gedaan.

De bancaire lening

Eiseres stelt dat het college het punt over de financiering van de bouwsom niet eerder heeft opgeworpen. Er blijkt niet uit het besluit van 12 april 2024 dat het college navraag doet naar de herkomst van € 5.000.000,-. Het is als onzorgvuldig aan te merken dat het college pas navraag doet naar de herkomst van dit vermogen in het bestreden besluit, terwijl de aanvraag op dat moment al geruime tijd buiten behandeling was gesteld. Eiseres stelt zich voorts op het standpunt dat het onzorgvuldig is geweest dat het college pas navraag heeft gedaan naar notulen naar aanleiding van onderzoek dat pas na de hoorzitting is uitgevoerd. De aanvraag was op dat moment namelijk al buiten behandeling gesteld. De onzorgvuldige handelwijze van het college blijkt volgens eiseres voorts uit het feit dat tijdens de hoorzitting is vastgesteld dat het college niet is ingegaan op het aanbod van eiseres om in gesprek te gaan over de aangeleverde en ontbrekende stukken. Tot slot stelt eiseres dat door het college wordt erkend dat pas na de hoorzitting van 17 oktober 2024 grondig onderzoek is verricht. Eiseres stelt dat dit geldt voor het hele dossier en dat het college pas nadat de aanvraag al buiten behandeling was gesteld en eiseres daartegen bezwaar had gemaakt echt met het Bibob-dossier aan de slag is gegaan. Dat dit het geval is, blijkt volgens eiseres ook uit het feit dat de gemachtigde van het college op de hoorzitting slechts in algemeenheden op de gestelde vragen kon reageren en geen inhoudelijke antwoorden kon geven over de stukken die in het kader van bezwaar zijn ingediend.

De rechtbank overweegt dat het college eiseres bij de brief van 29 februari 2024 heeft gevraagd een (voorlopige) bancaire leningsovereenkomst over te leggen, omdat eiseres bij de aanvraag heeft aangegeven het project met een bancaire lening te willen financieren. De rechtbank volgt het standpunt van het college dat in plaats van een leningsovereenkomst ook een intentieverklaring van de bank had kunnen worden overgelegd, gelet op de later door eiseres ingenomen stelling dat een bank pas na de verlening van de omgevingsvergunning een lening zou willen verstrekken. Eiseres heeft geen leningsovereenkomst en ook geen intentieverklaring overgelegd. Eiseres heeft reeds daarom ook op dit punt niet voldaan aan het verzoek van het college op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef, onder c en slot, van de Awb. Dat eiseres in bezwaar heeft aangegeven het project niet meer met een bancaire lening te hoeven financieren, komt voor haar rekening en risico. Het college heeft daarom niet onzorgvuldig gehandeld door naar aanleiding van het gewijzigde standpunt van eiseres op grond van de in bezwaar aanwezige stukken te onderzoeken of het project op een andere manier gefinancierd zou kunnen worden. Het college heeft zich in bezwaar terecht op het standpunt gesteld dat eiseres een andere wijze van financiering onvoldoende heeft onderbouwd. Weliswaar heeft eiseres in bezwaar gesteld dat zij samen met de aan haar verbonden vennootschappen voor de financiering zou kunnen zorgen, maar stukken over de herkomst van de benodigde bedragen zijn voor en in de bezwaarfase niet aangeleverd.

Conclusie over de aanlevering van informatie

De rechtbank overweegt dat het college in de brief van 29 februari 2024 duidelijk heeft aangegeven welke informatie het nog van eiseres wilde ontvangen. Het college heeft in deze brief ook een termijn van vier weken gesteld en aangegeven dat als de gevraagde gegevens niet zouden worden verstrekt de aanvraag op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef, onder c en slot, van de Awb buiten behandeling zou kunnen worden gesteld. Zoals overwogen onder 9.2 en 9.4, heeft eiseres de gevraagde informatie niet verstrekt op 19 maart 2024 en ook niet hangende bezwaar. Eiseres heeft de herkomst van de financiering daarmee niet inzichtelijk gemaakt. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het college de aanvraag van eiseres conform artikel 4:5, eerste lid, aanhef, onder c en slot, van de Awb buiten behandeling mocht stellen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk en voor zover gericht tegen het bestreden besluit ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Daarom krijgt eiseres het griffierecht niet terug en is er geen aanleiding om aan haar een vergoeding toe te kennen voor de proceskosten die zij heeft gemaakt in verband met het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit. Zoals is overwogen onder 5 krijgt eiseres wel een vergoeding van haar proceskosten in verband met het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door haar gemachtigde als beroepsmatige rechtsbijstandverlener krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft een punt voor een proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift in verband met het niet tijdig beslissen ingediend, waarvoor één punt wordt toegekend. Voor het verschijnen op zitting wordt geen vergoeding toegekend, aangezien op de zitting het beroep alleen voor zover gericht tegen het bestreden besluit behandeld hoefde te worden. Omdat een zaak over niet tijdig beslissen een licht gewicht heeft, is op de waarde een factor van 0,5 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 467,-.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit ongegrond;

- veroordeelt het college tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M. Duijkersloot, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. drs. J. de Vries

Griffier

  • mr. K.H.M. Duijkersloot

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?