ECLI:NL:RBNHO:2026:2461

ECLI:NL:RBNHO:2026:2461

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 05-03-2026
Datum publicatie 10-03-2026
Zaaknummer 15/298362-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de invoer van in totaal 2.408,60 gram cocaïne door twee drugskoeriers. De verdachte vervulde een belangrijke rol in de organisatie rondom de invoer van de cocaïne door de koeriers te regelen, het visum voor hen te regelen, contact met hen te onderhouden en hen te controleren en hen te instrueren en begeleiden naar Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/298362-25

Uitspraakdatum: 5 maart 2026

Tegenspraak

Verkort strafvonnis (artikel 138b van het Wetboek van Strafvordering (Sv))

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 februari 2026 in de zaak tegen:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] (Suriname),

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

opgegeven adres in het buitenland: [adres] (Suriname),

nu gedetineerd in het Justitieel Complex Schiphol.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt van de officier van justitie, mr. R. Funke Küpper en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J. de Haan, advocaat te Koog aan de Zaan, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair hij op of omstreeks 6 oktober 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen (te weten [medeverdachte A] en/of [medeverdachte B]), althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Subsidiair

hij op of omstreeks 6 oktober 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland en/of Suriname, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren,van cocaïne (ingevoerd door koeriers [medeverdachte A] en/of [medeverdachte B]), in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,- zich en/of een of meer anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s), daartoe- contact gehad en/of advies gegeven met/aan die koeriers en/of zijn mededader(s) omtrent de smokkel(methode) van die cocaïne en/of- afspraken gemaakt en/of inlichtingen verstrekt met/aan die koeriers en/of zijn mededader(s) met betrekking tot de smokkel van de cocaïne en/of- de cocaïne aan die koeriers verstrekt/laten verstrekken en/of- een beloning aan die koeriers aangeboden/in het vooruitzicht gesteld en/of- de vliegtickets en/of visa heeft verzorgd en/of- met die koeriers meegereisd van Suriname naar Schiphol.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde. Daartoe heeft de raadsvrouw primair aangevoerd dat moet worden uitgegaan van de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij niet wist dat de medeverdachten [medeverdachte A] en [medeverdachte B] cocaïne smokkelden en dat hij bepaalde contacten heeft onderhouden en activiteiten heeft verricht met het oog op zijn werkzaamheden voor de band [Naam-band], waarvan de medeverdachten ook onderdeel uitmaakten. De chatberichten in het dossier moeten in die context worden bezien. Ten aanzien van de chatgesprekken met [medeverdachte C] heeft de verdachte ter zitting verklaard dat die gesprekken gingen over de reis met de band of over zijn werkzaamheden voor een bedrijf dat zich bezighoudt met appartementen.

Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat voor een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten, zodat het primair ten laste gelegde medeplegen niet kan worden bewezen. Volgens de raadsvrouw kan slechts het subsidiair tenlastegelegde ten aanzien van de cocaïnesmokkel door de medeverdachte [medeverdachte A] worden bewezen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten aanvulling worden opgenomen.

Bewijsmotivering

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte, [medeverdachte A] en [medeverdachte B] op 6 oktober 2025 met een vliegtuig vanuit Suriname op Schiphol zijn aangekomen. [medeverdachte A] en [medeverdachte B] zijn vervolgens aangehouden. Na onderzoek zijn bij [medeverdachte A] 125 slikkersbollen aangetroffen met een nettogewicht van in totaal 1.012,50 gram cocaïne. Bij [medeverdachte B] zijn na onderzoek 182 slikkersbollen aangetroffen met een nettogewicht van in totaal 1.396,10 gram cocaïne.

De vraag die in deze zaak voorligt, is of de verdachte als medepleger is betrokken bij deze invoer. Voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. De kwalificatie medeplegen is slechts gerechtvaardigd als de bewezen verklaarde (intellectuele en/of materiële) bijdrage van een verdachte aan het delict van voldoende gewicht is.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Zowel bij [medeverdachte A] als bij [medeverdachte B] is een telefoon inbeslaggenomen. Daarnaast zijn bij F. [medeverdachte C] twee telefoons inbeslaggenomen. [medeverdachte C] was op de camerabeelden van de luchthaven Schiphol van 6 oktober 2025 herkend door verbalisanten en gezien was dat hij contact had gemaakt met bandleden van [Naam-band]. In de telefoons van [medeverdachte A], [medeverdachte B] en [medeverdachte C] zijn gesprekken aangetroffen met de verdachte. Uit de inhoud van de gesprekken met [medeverdachte A] en [medeverdachte C] volgt dat de verdachte al geruime tijd contact met hen onderhield.

Zo stuurde [medeverdachte C] op 13 mei 2025 naar de verdachte: “Ik zoek drie mannen of drie vrouwen om in een groep te gaan, mag ook een mix zijn, het moeten serieuze mensen zijn.” De verdachte reageerde daarop met: “Oké, oké, oké, ja, een van die jongens van december ga ik alvast bellen, hij had reeds een visum gekregen.” Hierop stuurde [medeverdachte C] terug: “Als je contact maakt met die man moet je hem zeggen dat het pas in oktober gaat lopen. Ik ga laten horen wanneer de voorbereidingen beginnen.” Op 20 mei 2025 stuurde [medeverdachte C] naar de verdachte “(…), wil je die man vragen om foto van zijn paspoort naar jou te sturen dan stuur jij het door naar mij. Ik heb een serieuze zaak voor hem.” Daarop antwoordde de verdachte met: “man is 100% serieus ik selecteer mannen met zorg.” De verdachte stuurde vervolgens een foto ten name van [medeverdachte B] naar [medeverdachte C], waarna hij schreef: “dit soort mannen hadden reeds eerder visum gekregen dus zij gaan geen problemen krijgen, serieuze mannen.”

In het contact met [medeverdachte A] vroeg [medeverdachte A] de verdachte herhaaldelijk wat “het model” was. Op 22 juni 2025 vroeg hij dat voor het eerst en daarop reageerde de verdachte met: “Ja ik ga je wenken.” In gesprekken met [medeverdachte C] en [medeverdachte A] wordt verder gesproken over het verkrijgen van een visum in het paspoort. Zo stuurde [medeverdachte C] op 24 juni 2025 naar de verdachte: “Neem jouw paspoort en die van die andere man ook je moet dan drie afgeven op het adres dat ik je zo zal doorgeven”. Een aantal dagen later, op 30 juni 2025, stuurde de verdachte vervolgens naar [medeverdachte A]: “Ja 1 dezer dagen van de komende week zullen we opgeroepen worden door die mannen om naar de ambassade gaan. Dan wachten wij totdat die mannen het visum hebben gedrukt in het paspoort. (…) Ja ik heb die mannen die enveloppe met alle toebehoren gegeven één van die mannen gaan ons opbellen.” Op 16 augustus 2025 stuurde [medeverdachte C] aan de verdachte: “Dat iedereen de 27ste augustus gaat vertrekken”, waarop de verdachte reageerde: “Oké ik ga het aan die andere mannen doorgeven”. Op 18 augustus 2025 stuurde de verdachte vervolgens naar [medeverdachte A]:“27 gaan we. Dus 26 moet je zorgen dat je er al bent.” Op 30 september 2025 stuurde de verdachte naar [medeverdachte C] twee afbeeldingen van een visum ten name van [medeverdachte A] en [medeverdachte B], waarbij hij meldde dat ze 45 dagen geldig zijn van 4 oktober 2025 tot en met 2 december 2025.

Eind september en begin oktober bespreken de verdachte, [medeverdachte C] en [medeverdachte A] het gebruik van Kowrudresie, wat volgens de betreffende processen-verbaal laxeermiddel betekent, en geldbedragen. Op 30 september 2025 vroeg de verdachte aan [medeverdachte A]: “Heb jij je kowrudresie al gedronken?” [medeverdachte A] reageerde met: “(…) Ik moet het 2 dagen drinken. Voor de geplande dag.” Op 2 oktober 2025 stuurde [medeverdachte C] naar de verdachte: “Laat die mannen zelf alles regelen, zelf hun laxeermiddel kopen en een ritueel bad nemen (…). Wij hebben visa betaald en het eten kost ook nog 1400 en zij krijgen 7000.” De verdachte antwoordde daarop: “Nu is in kas 100 euro en 4000 srd en die andere man komt morgen uit Frans Guyana en gaat het geld brengen. Het is lastig als je voor een grote organisatie werkt en deze kleine zaken zijn dan niet goed geregeld, ze maken mijn hoofd moe hier.” Diezelfde dag stuurde de verdachte naar [medeverdachte A]: “Regel wat je aan die kant kan regelen direct hoor. (…) Mocht je een kowrudresi daar op paranam vinden koop en drink het dan gelijk.” Daarop stuurde [medeverdachte A] terug: “Ik heb geen geld bij me toch. (…) Gisteren heb ik etenswaar met het geld gekocht toch.”

Uit de gesprekken van begin oktober is verder gebleken dat wordt gesproken over het vertrek naar een appartement en het bijhouden van een telling in een schema. Zo stuurde [medeverdachte C] op 3 oktober 2025 naar de verdachte: “(…) luister morgen vroeg moeten die mannen naar een ander appartement gaan want zij willen overzicht houden.” Op 4 oktober 2025 stuurde [medeverdachte C] vervolgens aan de verdachte: “Dalijk moet je aan die pikien nifoh (kleine neef) van jou laten weten dat hij uhh hij die dingen per twaja (25) voor die mannen moet zetten.” En: “Dan moet hij het schema bijhouden. Alles moet in het zicht van die mannen gebeuren. (…) 10.. 10… 10. Je moet alles tellen voordat je begint. Alles van een ieder moet apart. Hij moet die telling goed bijhouden.” Op 5 oktober 2025 stuurde de verdachte naar [medeverdachte C]: “Ja je kan die man wenken. (…) Al die mannen/iedereen is klaar.”

Op de dag van aankomst op Schiphol, op 6 oktober 2025, heeft [medeverdachte B] binnen een tijdsbestek van een half uur telefonisch contact gehad met de verdachte, voordat [medeverdachte B] die dag om 13.30 uur wordt aangehouden op verdenking van invoer van verdovende middelen. Om 13.03 uur stuurde [medeverdachte B] naar de verdachte: “Die mannen maken me verward en bezorgen mij stress. (…) Ja want dat hebben die mannen tegen mij gezegd toch. Er was gezegd dat ik de bandleider ben. Die mannen gaan me brengen om te scannen. Die mannen van jou bezorgen mij stress.” De verdachte antwoordde daarop: “Ja je moet tegen die mannen zeggen dat jij de bandleider bent toch.” En: “Je moet niet bang zijn. Jij en die dame zijn nu toch bij elkaar. Al zeggen ze tegen je dat ze je gaan brengen om te scannen dan maakt het niet uit. Laat maar scannen.”

[medeverdachte A] en [medeverdachte B] hebben verklaringen afgelegd over de door hen afgelegde reis. [medeverdachte A] heeft verklaard dat hij via [bijnaam verdachte], de verdachte, in contact was gekomen met een paar mannen aan wie hij had gevraagd hoe hij snel geld kon verdienen. Vervolgens had hij cocaïne gekregen om te slikken. Hij speelde niet in de band [Naam-band] maar is met ze meegelopen. Hem was geleerd om achter de band aan te lopen en te zeggen dat hij een soort van bandmanager was. Over de gesprekken die hij met de verdachte heeft gevoerd, heeft hij verklaard dat zijn vraag over wat “het model” was, te maken had met drugs. Het ging over wat er ging gebeuren, er was ook een andere manier om drugs te vervoeren. Waar ze in het gesprek spraken over “kowrudresie”, ging het over een middel bedoeld voor het gebruik van drugs. Verder heeft hij verklaard dat hij in een woning was geplaatst, dat hij daar moest blijven en dat hij het daar moest innemen. Hij was daarover gebeld door de verdachte. Die had hem gezegd dat hij op de hoek moest gaan staan en zijn spullen moest pakken om naar een appartement te gaan. [medeverdachte B] heeft verklaard dat hij ook niet in de band zat. Hij moest van de verdachte leugens vertellen omdat hij bolletjes in zijn buik had.

Gelet op de aard en strekking van de gesprekken die de verdachte heeft gevoerd met [medeverdachte C], [medeverdachte A] en [medeverdachte B] en gelet op de verklaringen die [medeverdachte A] en [medeverdachte B] hebben afgelegd, kunnen de gesprekken naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden uitgelegd dan dat zij zien op de invoer van cocaïne van Suriname naar Nederland. Uit de gesprekken volgt dat de verdachte de koeriers [medeverdachte A] en [medeverdachte B] heeft geregeld, dat het vertrek in oktober 2025 zou plaatsvinden, en dat de verdachte communiceert over het verkrijgen van een visum voor de koeriers, geldbedragen die zijn gegeven aan de koeriers, het gebruik van het laxeermiddel ten behoeve van het innemen van drugs, het verplaatsen naar een appartement voor het innemen van de bolletjes en het bijhouden van een telling daarvan en ten slotte over wat [medeverdachte B] het beste kon zeggen tegen de douane tijdens zijn controle op Schiphol.

De rechtbank leidt uit deze gesprekken en verklaringen ook af dat de verdachte een coördinerende rol heeft vervuld bij deze invoer en dat hij daarmee een substantiële bijdrage heeft geleverd aan het gezamenlijke plan om cocaïne binnen het grondgebied van Nederland te brengen. De verdachte stond in direct contact met [medeverdachte C] en regelde de praktische zaken rondom de invoer. In dat verband onderhield hij ook veelvuldig contact met [medeverdachte A]. Hij is vervolgens met beide koeriers meegereisd naar Schiphol en heeft, toen [medeverdachte B] door de controle bij de douane moest, hem geïnstrueerd wat hij tegen de douane moest zeggen. De verdachte vormde hiermee een belangrijke schakel bij deze manier van invoer van cocaïne.

De alternatieve lezing van de verdachte dat hij enkel op de vliegreis mee was vanwege werkzaamheden voor de band [Naam-band], en dat de berichten deels betrekking daarop hadden, en ook op zijn werkzaamheden voor een bedrijf dat zich bezighoudt met appartementen, wordt gelet op het voorgaande als ongeloofwaardig terzijde geschoven.

De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat gelet op de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, de verdachte opzettelijk en in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte A] en [medeverdachte B] betrokken was bij de invoer van de cocaïne en dus als medepleger is aan te merken.

De rechtbank acht het primair tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 6 oktober 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met anderen te weten [medeverdachte A] en [medeverdachte B] opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie de verbeurdverklaring van de onder de verdachte inbeslaggenomen telefoon gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht aansluiting te zoeken bij het uitgangspunt dat in de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting is geformuleerd voor de categorie ‘standaard’ bij de invoer van harddrugs. Daarnaast heeft zij verzocht de onder de verdachte inbeslaggenomen mobiele telefoon te retourneren aan de verdachte.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de hoofdstraf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de invoer van in totaal 2.408,60 gram cocaïne door twee drugskoeriers. Cocaïne levert een groot gevaar op voor de volksgezondheid, nu dit middel sterk verslavend werkt en kan zorgen voor ernstige lichamelijke en psychische klachten bij de gebruikers daarvan. Tegen de invoer ervan wordt dan ook streng opgetreden. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De handel in en het gebruik van verdovende middelen gaan vaak gepaard met verschillende vormen van (ernstige) criminaliteit, waaronder gewelds- en levensdelicten. Daarnaast plegen gebruikers van cocaïne geregeld strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

De verdachte vervulde een belangrijke rol in de organisatie rondom de invoer van de cocaïne door de koeriers te regelen, het visum voor hen te regelen, contact met hen te onderhouden en hen te controleren en hen te instrueren en begeleiden naar Nederland. De verdachte heeft zich kennelijk niets aangetrokken van de gezondheidsrisico’s voor de koeriers zelf door het slikken van de cocaïnebollen. Tot slot heeft de verdachte geen enkele openheid van zaken gegeven en dus geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn gedrag. De rechtbank rekent de verdachte dit alles aan.

Persoon van de verdachte Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van 9 november 2025 waaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld, zodat dit niet in zijn nadeel meeweegt.

De op te leggen straf

Bij bepaling van de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Voor de invoer van harddrugs is bij een hoeveelheid van 2.000 tot 3.000 gram in de categorie ‘standaard’ een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 tot 30 maanden als oriëntatiepunt geformuleerd. Indien de verdachte echter enige rol in de organisatie heeft gespeeld, zoals in dit geval, geldt een uitgangspunt van 30 tot 36 maanden gevangenisstraf.

Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen de aard en de ernst van het feit, de hoeveelheid ingevoerde cocaïne en de rol die de verdachte heeft vervuld zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden passend en geboden.

7. Bijkomende straf

De rechtbank is van oordeel dat het onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een mobiele telefoon (Apple iPhone 15, goednummer: PL2700-25-099904-2, dossierpagina 450), dient te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het bewezen verklaarde feit met behulp van dat voorwerp, dat aan de verdachte toebehoort, is begaan of voorbereid. De verdachte heeft immers met deze telefoon berichten uitgewisseld met de medeverdachten met betrekking tot de invoer van de cocaïne.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

33, 33a en 47 van het Wetboek van Strafrecht;

2 en 10 van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde het hierboven onder 4 vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd: een mobiele telefoon (Apple iPhone 15, goednummer: PL2700-25-099904-2, dossierpagina 450).

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.H. Tiemens, voorzitter,

mr. J.C. van den Bos en mr. M.S. Neervoort, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mr. M.L. van der Meij en mr. L.S. Rietdijk,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 maart 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A.H. Tiemens
  • mr. J.C. van den Bos
  • mr. M.S. Neervoort

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?