RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/372590 / JU RK 25-1761
Datum uitspraak: 20 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Stichting de Jeugd- & Gezinsbeschermers,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , [land] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] , [land] ,
hierna gezamenlijk ook te noemen: de ouders.
1. Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van 13 januari 2026 met de daarbij behorende stukken;
de schriftelijke update van de GI van 16 februari 2026.
Op 20 februari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
[vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI;
[begeleider] , begeleider van [de minderjarige] vanuit [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] .
De ouders zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij beiden wel juist is opgeroepen.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
[de minderjarige] verblijft bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] , groep [groep] , in [plaats] .
In de beschikking van 13 januari 2026 heeft de kinderrechter het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van zes subsidiair drie maanden, voor een korte periode toegewezen en voor het overige aangehouden. Hetzelfde geldt voor het verzoek om een machtiging om [de minderjarige] voor de duur van vijf maanden uit huis te plaatsen. Kort gezegd, achtte de kinderrechter het van belang om nader geïnformeerd te worden over de actuele stand van zaken ten aan zien van [de minderjarige] .
3. Het verzoek
De GI handhaaft het aangehouden verzoek en verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van vijf maanden subsidiair twee maanden en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van vier maanden. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI heeft ter onderbouwing van het verzoek – samengevat – het volgende naar voren gebracht. Wanneer [de minderjarige] geen hulp en sturing van de GI krijgt, stagneert zij in haar ontwikkeling. Daarnaast is de moeder veel aan het werk en lukt het haar niet om de basiszorg voor [de minderjarige] te regelen. Omdat [de minderjarige] nog steeds in haar ontwikkeling wordt bedreigd, handhaaft de GI het eerdere verzoek.
4. De standpunten
De vader heeft eerder al per e-mail aangegeven dat hij akkoord is met het verzoek.
De begeleider vanuit [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] heeft naar voren gebracht dat [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] zich inzet voor de bewustwording en zelfstandigheid van [de minderjarige] . Voor [de minderjarige] is het nodig dat zij begrijpt dat zij loyaal mag zijn naar de moeder, maar ook weet wat zij nodig heeft om voor zichzelf te kiezen.
5. De mening van [de minderjarige]
heeft verteld dat zij denkt dat het beter is voor haar om op de groep te blijven, maar dat zij het heel lastig vindt om die keuze te maken. Zij wil graag zelfstandiger worden en heeft daar hulp bij nodig.
6. De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Door de omstandigheid dat [de minderjarige] en de ouders burgers van de Bondsrepubliek [Bondsrepubliek] zijn en de moeder daarnaast de Amerikaanse nationaliteit heeft, moet eerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek van de GI. Aangezien de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] zich in Nederland bevindt, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ter zake van de verzoeken. Vervolgens is de vraag aan de orde welk recht op de verzoeken van toepassing is. Dat is in dit geval het Nederlands recht.
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [de minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd, omdat zij langdurig is geconfronteerd met de scheidingsproblematiek van de ouders alsmede de onveilige en instabiele thuissituatie bij de moeder. Er bestaan verschillende zorgen over [de minderjarige] die met name zien op haar veiligheid en schoolgang. De moeder houdt al lange tijd het contact met de GI en de hulpverlening af, waardoor geen zicht is op [de minderjarige] wanneer zij bij de moeder is. De moeder lijkt onvoldoende te kunnen voorzien in de basisbehoeften van [de minderjarige] . Zo komt [de minderjarige] niet aan op school wanneer zij bij de moeder verblijft. Ook als medische zaken geregeld moeten worden, keert [de minderjarige] terug naar de groep.
[de minderjarige] verblijft sinds oktober 2024 (gedeeltelijk) op verschillende groepen van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . De afgelopen periode is, conform de wens van [de minderjarige] , gewerkt aan de thuisplaatsing bij [de minderjarige] middels een terugwerkschema. Dit schema bleek niet goed aan te sluiten bij de wensen en behoeften van [de minderjarige] . Zij heeft recent aangegeven dat de thuisplaatsing te snel gaat en zij lijkt daarbij klem te zitten tussen de moeder en de groep. In het gesprek met de kinderrechter heeft [de minderjarige] aangegeven dat zij de plaatsing op de groep op dit moment nodig vindt, maar dat zij het vanuit de loyaliteit naar de moeder lastig vindt om die keuze te maken. De kinderrechter vindt het knap van [de minderjarige] dat zij dit kan inzien en uitspreken.
De kinderrechter is met de GI van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is dat de plaatsing van [de minderjarige] bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] voortduurt. Met [de minderjarige] is afgesproken dat zij doordeweeks op de groep verblijft en naar school ( [school] ) gaat, en in het weekend bij de moeder verblijft. De GI wil de komende periode gebruiken om de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van [de minderjarige] te vergroten middels hulpverlening. Over vier maanden kan gekeken worden wat de mogelijkheden zijn van een thuisplaatsing of overgang naar het vrijwillig kader. Het is nodig dat de GI betrokken blijft om regie te voeren en om [de minderjarige] te helpen bij het maken van de juiste keuzes.
De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] zijn daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt, zoals (primair) verzocht, de ondertoezichtstelling voor de resterende duur van vijf maanden en de machtiging tot uithuisplaatsing voor de resterende duur van vier maanden.
De beslissing tot ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 24 juli 2026;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 24 juni 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door A.K. Mireku, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026, in aanwezigheid van mr. E.E. ten Kate als griffier, en vastgesteld en ondertekend op 10 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.