RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Zaanstad
Zaaknr./rolnr.: 11685212 \ CV EXPL 25-1279
Uitspraakdatum: 12 maart 2026
Tussenvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser]
te [plaats]
de eisende partij
gemachtigde: R.M.Th. Toonen
tegen
[gedaagde]
te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen
1. De procedure
De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.
2. De beoordeling
De eisende partij vordert veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van € 2.251,84, aan hoofdsom, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente, de proceskosten en de nakosten.
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst op afstand tussen een handelaar en een consument. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet ter bescherming van de consument aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van de artikelen 6:230m lid 1 en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden voldaan. Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd.
Ambtshalve toetsing van de (pre)contractuele informatieplichten
De kantonrechter wijst de eisende partij erop dat zij haar standpunten met betrekking tot de (pre)contractuele informatieplichten strikt genomen onvoldoende heeft onderbouwd. Zij heeft weliswaar gesteld dat aan die verplichtingen is voldaan, waarbij wordt verwezen naar overgelegde schermafbeeldingen van de webwinkel en algemene voorwaarden, maar dit is niet voldoende. Producties kunnen stellingen ondersteunen, maar niet vervangen. De partij die producties overlegt, moet inzichtelijk maken welke delen daarvan relevant zijn voor welk standpunt van die partij. Een enkele verwijzing naar (bepaalde pagina’s van) de producties is daarom onvoldoende. Het is niet aan de kantonrechter om eigenhandig op zoek te gaan naar informatie. Dat betekent dat de eisende partij expliciet en op een duidelijke manier moet aangeven op welke schermafbeelding welke informatie van artikel 6:230m lid 1 BW en artikel 6:230v lid 3 BW te vinden is (bijvoorbeeld door de relevante onderdelen in de producties te onderstrepen of te arceren en daarbij te vermelden aan welk artikel, lid en subonderdeel is voldaan). De kantonrechter wijst de eisende partij erop dat in eventuele vervolgzaken het ontbreken van een dergelijke onderbouwing kan leiden tot afwijzing van de vordering.
In dit geval en bij wijze van uitzondering wordt de eisende partij echter eenmalig in de gelegenheid gesteld om bij akte nader toe te lichten hoe zij heeft voldaan aan de op haar rustende (pre)contractuele informatieverplichtingen.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
De kantonrechter moet onderzoek doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
Op de overeenkomst(en) zijn de volgende algemene voorwaarden van toepassing verklaard: ‘[bedrijf] B.V. Consumenten voorwaarden’ (hierna: de algemene voorwaarden).
Artikel 10.16 van de algemene voorwaarden bevat een incassokostenbeding. Dat luidt als volgt:
’10.16 Onverminderd (…) aanvaardt de consument een persoonlijke verantwoordelijkheid om te betalen voor: (…) c) Advocaatkosten waar de wet dit toestaat, incassokosten etc. die aan de consument worden opgelegd. (…)’
De bedoelde bedingen sluiten onvoldoende aan bij artikel 6:96 lid 5 en lid 6 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. In het algemeen spraakgebruik wordt de term ‘incassokosten’ niet alleen gebruikt in de zin van de wettelijke regeling voor incassokosten (artikel 6:96 lid 2 sub c BW en de leden 5 en 6 van datzelfde artikel). De term ‘incassokosten’ komt in dat wetsartikel ook niet voor. Het gebruik van deze term in voornoemde bedingen sluit voor een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument dus niet uit dat daarmee ook andere kosten kunnen worden bedoeld. Het gebrek aan verwijzing naar artikel 6:96 lid 5 en 6 BW leidt er bovendien toe dat kan worden afgeweken van de wet en dat incassokosten ongelimiteerd in rekening kunnen worden gebracht. Daarom is het beding vermoedelijk oneerlijk.
De kantonrechter is daarom voornemens om dit beding vanwege deze oneerlijkheid te vernietigen en de buitengerechtelijke incassokosten af te wijzen. De eisende partij zal in de gelegenheid worden gesteld om zich uit te laten over dit voorlopige oordeel.
Artikel 10.3.3 van de algemene voorwaarden bevat een prijswijzigingsbeding. Dat luidt als volgt: ‘Volgens huidige wetgeving kan de [bedrijf] partner na ondertekening van de auto huurovereenkomst achteraf verschuldigde kosten in rekening brengen of het transactiebedrag wijzigen.’
Dit beding valt onder punt 1 onder j en l en punt 2 sub b en d van de bijlage bij Richtlijn 93/13/EEG. Deze bijlage bevat een indicatieve en niet uitputtende lijst van bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt. Op grond van deze punten in samenhang met vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie is een prijswijzigingsbeding slechts aanvaardbaar wanneer de gronden voor de prijswijziging in de overeenkomst of algemene voorwaarden worden genoemd en deze een geldige reden voor wijziging vormen. Het beding moet ook voldoen aan het transparantievereiste. Dit transparantievereiste moet ruim worden uitgelegd, en impliceert dat een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument bij het sluiten van de overeenkomst in staat moet worden gesteld om de concrete werking van het beding te begrijpen, en op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria de – mogelijk aanzienlijke – economische gevolgen van het beding voor zijn financiële verplichtingen te beoordelen. De bedingen dienen duidelijk en begrijpelijk te zijn opgesteld. Het betrokken beding moet voor de consument niet alleen grammaticaal duidelijk en begrijpelijk zijn, maar de economische redenen voor de toepassing van het contractuele beding en het verband van dat beding met andere bedingen van de overeenkomst moeten voor die consument eveneens duidelijk en begrijpelijk zijn. De consument dient verder een reële mogelijkheid te hebben om de overeenkomst op te zeggen in het geval van een eenzijdige wijziging.
Aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet onderhavig prijswijzigingsbeding niet; met dit prijswijzigingsbeding kan de eisende partij het verschuldigde bedrag immers (achteraf) in onbeperkte mate verhogen. Daarmee is het onmogelijk om de financiële consequenties van de toepassing van dit beding in te schatten. Gelet hierop wordt dit beding vermoed oneerlijk te zijn. De kantonrechter is daarom voornemens om dit beding te vernietigen. De eisende partij zal in de gelegenheid worden gesteld om zich uit te laten over dit voorlopige oordeel.
De overige bedingen uit de algemene voorwaarden die op de vordering van toepassing zijn, te weten de artikelen 8.1, 10.3.4 en 12.1, zijn door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
Hoogte van de vordering
De prijzen zoals afgesproken in de huurovereenkomst komen niet overeen met de uiteindelijk in rekening gebrachte bedragen op de kostenspecificatie. De eisende partij heeft onvoldoende concreet gesteld waar deze verschillen vandaan komen. De eisende partij wordt daarom in de gelegenheid gesteld om per gefactureerde kostenpost (huurprijs, verzekeringen, borg, andere kosten en eventuele kortingen, etc.) uit te leggen welk bedrag is overeengekomen, hoe zij dit berekend heeft en welk bedrag zij uiteindelijk aan de gedaagde partij in rekening heeft gebracht. Als de overeengekomen en gefactureerde posten verschillen, dan dient de eisende partij uit te leggen wat de grondslag daarvoor is.
Daarbij wordt de eisende partij ook in de gelegenheid gesteld om toe te lichten of en in hoeverre zij bij het wijzigen van deze prijzen toepassing heeft gegeven aan het prijswijzigingsbeding uit artikel 10.3.3 van de algemene voorwaarden.
Conclusie
De eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld bij akte de onder 2.4, 2.14 en 2.15 bedoelde toelichting te geven. In deze akte kan zij zich ook uitlaten over de voorlopige oordelen over de oneerlijkheid van de hierboven bedoelde bedingen (zie 2.9 en 2.12).
Als aan de hierboven bedoelde opdracht niet of niet volledig wordt voldaan, zal de kantonrechter daaraan op grond van de artikelen 22 en 139 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de gevolgen verbinden die zij geraden acht.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3. De beslissing
De kantonrechter:
verwijst de zaak naar de rol van 8 april 2026 om de eisende partij in de gelegenheid te stellen bij akte de onder 2.4, 2.14 en 2.15 bedoelde toelichting te geven en zich uit te laten over de voorlopige oordelen over de oneerlijkheid van de hierboven bedoelde bedingen (zie 2.9 en 2.12);
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter