ECLI:NL:RBNHO:2026:2622

ECLI:NL:RBNHO:2026:2622

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 05-02-2026
Datum publicatie 13-03-2026
Zaaknummer 15-367439-24 (P)
Rechtsgebied Strafrecht; Strafprocesrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

Veroordeling minderjarige verdachte voor aanranding. De verdachte heeft in de bosjes de vagina, heupen, billen en borsten van het minderjarige slachtoffer betast. Veroordeling tot een werkstraf van 30 uren.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd

Locatie Alkmaar

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer: 15-367439-24 (P)

Uitspraakdatum: 5 februari 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 22 januari 2026 in de zaak tegen:

[de verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 13 september 2024 te Santpoort Noord, althans in Nederland met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [de benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten- het brengen van zijn, verdachtes penis is de anus en/of de vagina en/of de mond van voornoemde [de benadeelde partij] en/of- het betasten van de vagina en/of de billen en/of de heupen van die [de benadeelde partij] en/of- het knijpen in, althans het betasten van de borsten van die [de benadeelde partij]en welke verkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door- haar mee te nemen naar een fietsenhok en/of bosjes en/of- tegen die [de benadeelde partij] te zeggen dat als zij niet zou meewerken er andere dingen zouden gebeuren;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op 13 september 2024 te Santpoort Noord, althans in Nederland met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [de benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten- het betasten van de vagina en/of de billen en/of de heupen van die [de benadeelde partij] en/of- het knijpen in, althans het betasten van de borsten van die [de benadeelde partij]en welke aanranding werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door- haar mee te nemen naar een fietsenhok en/of bosjes en/of- tegen die [de benadeelde partij] te zeggen dat als zij niet zou meewerken er andere dingen zouden gebeuren;

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit, te weten het binnendringen van het lichaam onder dwang of bedreiging.

De officier van justitie meent - kort gezegd - dat steunbewijs voor de verklaring van [de benadeelde partij] (hoewel formeel niet aan te merken als aangeefster, hierna wel zo genoemd) kan worden gevonden in het WhatsApp bericht dat zij op de bewuste middag naar de groepsleiding van haar woongroep bij ’ [zorgorganisatie] heeft gestuurd waarin zij zegt dat “er nare dingen gebeuren” en “iemand wil me verkrachten”. Ook kan volgens de officier van justitie steunbewijs worden gevonden in het NFI-rapport van 6 december 2024, waaruit blijkt dat er op aangeefster DNA van de verdachte is aangetroffen. Ten slotte wijst de officier van justitie hiervoor op de leugenachtige ontkennende verklaring van de verdachte bij de politie.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Er is volgens de raadsvrouw onvoldoende steunbewijs voor de primair ten laste gelegde penetratie en voor het betasten van de vagina en het knijpen in, althans het betasten van, de borsten van het slachtoffer. De verdachte heeft wel bekend dat hij de heupen en de billen van het slachtoffer heeft vastgehouden. Verder kan niet worden bewezen dat dwang, geweld of bedreiging heeft plaatsgevonden. De raadsvrouw is van mening dat de verklaring van aangeefster op dit punt ook geen steun vindt in andere bewijsmiddelen. Tot slot heeft de raadsvrouw bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van rechtsvervolging omdat de door de verdachte verrichte handelingen hebben plaatsgevonden in het kader van een gelijkwaardige situatie zoals bedoeld in artikel 247 en 248, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

Oordeel van de rechtbank

De context van de feiten en omstandigheden

Op basis van de inhoud van het dossier en wat op de zitting is besproken staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte op 13 september 2024 met aangeefster seksuele handelingen heeft verricht. Door aangeefster wordt aangegeven dat de desbetreffende handelingen tegen haar wil hebben plaatsgevonden en dat daarbij ook sprake is geweest van penetratie. Op 20 september 2024 is namens haar aangifte gedaan tegen de verdachte van verkrachting. De verdachte heeft verklaard dat hij op de bewuste dag inderdaad seks met aangeefster heeft gehad, maar geeft aan dat dit met wederzijdse instemming gebeurde en er geen sprake was van dwang. De verdachte betwist verder dat aangeefster hem heeft gepijpt.

De rechtbank dient een oordeel te geven over de vraag welke seksuele handelingen tussen aangeefster en de verdachte hebben plaatsgevonden en of er daarbij sprake is geweest van dwang, geweld en/of bedreiging.

Vrijspraak van de primair tenlastegelegde verkrachting

Juridisch kader

Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zedenzaken zich doorgaans

kenmerken door het gegeven dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste

gelegde seksuele handelingen, het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Dat is ook

in deze zaak het geval.

Op grond van artikel 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, niet uitsluitend worden aangenomen op grond van de verklaring van één getuige. Ook niet als de rechtbank deze verklaring betrouwbaar zou achten. Om tot een bewezenverklaring te komen is dus steunbewijs nodig uit een andere bron.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad betekent de bewijsminimumregel in

zedenzaken niet dat vereist is dat het (seksueel) misbruik als zodanig bevestiging vindt in

ander bewijsmateriaal, maar is voldoende als verklaring van de aangeefster op bepaalde punten bevestiging vindt in de andere bewijsmiddelen. Deze bewijsmiddelen

moeten voldoende steun geven aan de verklaring van de aangeefster. Dit betekent dat het

steunbewijs op relevante wijze in verband moet staan met de inhoud van de verklaring van

de aangeefster. Er mag tussen de verklaring van de aangeefster en het overige bewijsmateriaal geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband.

Betrouwbaarheid verklaring aangeefster

De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat aangeefster bij de politie in het informatief gesprek en in haar latere getuigenverklaring eenduidig en consistent heeft verklaard. De rechtbank acht de verklaring van aangeefster dan ook authentiek en betrouwbaar. De vraag die voorligt is of er voldoende steunbewijs voor deze verklaring voor handen is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Seksueel binnendringen van het lichaam (penetratie)

Aangeefster heeft verklaard dat de verdachte met zijn piemel ergens in ging, maar dat zij niet merkte of hij bij haar vagina of bij haar kont erin ging, en dat zij hem heeft moeten pijpen. De verdachte ontkent dat er sprake is geweest van pijpen, maar zegt wel dat hij bij aangeefster “naar binnen is geweest”. Hij heeft verklaard niet te weten in welk gaatje.

Uit het NFI-rapport van 6 december 2024 blijkt dat er in de vagina noch in de anus van aangeefster, DNA van de verdachte is aangetroffen en er alleen sprake is van spermavloeistof rondom de anus van aangeefster. Aangeefster heeft verklaard dat zij nog nooit eerder seksueel contact heeft gehad.

Hoewel aangeefster en de verdachte aldus beiden hebben verklaard dat sprake is geweest van penetratie ziet de rechtbank aanleiding om hieraan te twijfelen. Forensische sporen ontbreken, terwijl de rechtbank deze wel zou verwachten. Aan de buitenzijde van de anus van aangeefster zijn immers wel sporen aangetroffen. Een en ander klemt temeer nu zowel aangeefster als de verdachte niet hebben kunnen aangeven of er sprake is geweest van penetratie in de vagina of in de anus.

Gelet op de onduidelijkheid van beide verklaringen op dit punt, de seksuele onervarenheid van aangeefster en verdachte en het ontbreken van forensisch bewijs, is naar het oordeel van de rechtbank niet buiten gerede twijfel komen vast te staan dat de verdachte daadwerkelijk met zijn penis in de anus of de vagina van aangeefster is binnen gedrongen. De rechtbank acht het aannemelijk dat de verdachte met zijn penis tussen de billen van aangeefster is geweest, maar dit is niet aan te merken als binnendringen van het lichaam. Wat betreft het pijpen van de verdachte vindt de verklaring van aangeefster geen steun in andere bewijsmiddelen en uit het NFI rapport blijkt dat er geen DNA sporen in de mond van aangeefster zijn aangetroffen.

De rechtbank acht daarom onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde verkrachting, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Conclusie

De rechtbank komt tot de conclusie dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair aan hem tenlastegelegde wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.

Aanranding

Partiële vrijspraak dwang, geweld en/of bedreiging met geweld

Aangeefster heeft bij de politie verklaard dat zij - nadat de verdachte haar meermaals had gevraagd om seks met hem te hebben en zij steeds geantwoord had dat zij dit niet wilde - alvast een WhatsApp bericht naar de groepsleiding had gestuurd waarin zij aangaf dat “er nare dingen gebeuren” en “iemand wil me verkrachten”. Vervolgens ging de verdachte naar haar zeggen met zijn hand in haar broek en vroeg hij of zij dat ook bij hem wilde doen. Toen zij dat weigerde, zou de verdachte hebben gezegd dat “als zij dat niet zou doen, er andere dingen zouden gaan gebeuren”. De verdachte heeft bij de politie en op de zitting ontkend dat sprake is geweest van dwang, geweld of bedreiging. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Vast staat dat aangeefster het door haar gestelde WhatsApp bericht heeft verstuurd naar de groepsleiding. De rechtbank is echter van oordeel dat dit bericht niet als steunbewijs kan dienen voor de door aangeefster gestelde dwang en bedreiging, omdat blijkens de door aangeefster geschetste tijdlijn dit bericht door haar is verstuurd voordat de verdachte de door haar aangegeven bedreiging zou hebben geuit. Bovendien is dit bericht afkomstig van aangeefster en als zodanig afkomstig van dezelfde bewijsbron.

De verdachte wordt daarom te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde gedeelte “en welke aanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging door haar mee te nemen naar een fietsenhok en/of bosjes en/of tegen die [de benadeelde partij] te zeggen dat als zij niet zou meewerken er andere dingen zouden gebeuren”.

Aanranding

Uit de verklaringen van aangeefster blijkt dat de verdachte haar heupen en billen heeft betast. De verdachte heeft deze handelingen ook toegegeven. Dit geldt niet voor de door aangeefster gestelde overige handelingen te weten dat de verdachte op enig moment ook zijn hand in haar broek heeft gedaan en hij over haar vagina heeft gewreven. Noch heeft verdachte toegegeven dat hij met zijn handen onder haar T-shirt is gegaan, waarna hij haar borsten heeft vastgepakt. Nu de verklaring van [de benadeelde partij] wat betreft dit aspect op bepaalde punten steun vindt in de verklaring van de verdachte, te weten het moeten bukken van aangeefster en het vastpakken van haar heupen en billen, ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan haar verklaring dat de verdachte, naast haar heupen en billen, ook haar vagina en borsten heeft betast.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de aanranding van een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 13 september 2024 te Santpoort Noord met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [de benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum] seksuele handelingen heeft verricht, te weten- het betasten van de vagina en de billen en de heupen van die [de benadeelde partij] en- het betasten van de borsten van die [de benadeelde partij] .

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

aanranding in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

De rechtbank verwerpt het standpunt van de raadsvrouw dat er sprake is van een gelijkwaardige situatie zoals bedoeld in artikel 247, derde lid, Sr. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

In artikel 247, derde lid, Sr is bepaald dat niet strafbaar is degene die als leeftijdsgenoot de in het eerste lid bedoelde gedragingen begaat in het kader van een gelijkwaardige situatie tussen diegene en dat kind. Van een dergelijke situatie is naar het oordeel van de rechtbank echter geen sprake. Weliswaar was er sprake van leeftijdsgenoten maar aangeefster en verdachte hadden geen relatie, aangeefster heeft verklaard dat zij meermaals tegen de verdachte heeft gezegd dat zij hem niet “op die manier” leuk vond en dat zij geen seks met hem wilde hebben. Dit heeft de verdachte op de zitting ook (deels) erkend. Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat aangeefster tijdens de seksuele handelingen niets zei en hij aan haar had gevraagd waarom ze zo stil was. Ook uit de locatie waar de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden, namelijk een hokje bij een skatebaan en vervolgens in de bosjes, blijkt dat geen sprake was van een gelijkwaardige situatie. Tot slot heeft de rechtbank bij haar beslissing betrokken dat de verdachte na afloop van de seksuele handelingen, toen hij wist dat de groepsleiding onderweg was, is weggerend, omdat hij zich - zoals hij zelf heeft verklaard - schaamde voor wat er was gebeurd.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het de verdachte duidelijk was, althans had moeten zijn, dat geen sprake was van vrijwilligheid bij aangeefster en er geen sprake was van een gelijkwaardige situatie. Nu een strafuitsluitingsgrond ontbreekt, is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de straf

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke werkstraf van 60 uren en een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 14 dagen met een proeftijd van 2 jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht bij het bepalen van de straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij functioneert op een sociaal-emotionele ontwikkelingsleeftijd van zes jaren waardoor hij haars inziens (sterk) verminderd toerekeningsvatbaar is. Volgens de raadsvrouw is een straf niet passend en zou hooguit een geheel voorwaardelijke werkstraf moeten worden opgelegd aangezien de verdachte vanwege zijn problematiek niet in staat is om terug te kijken op zijn gedrag.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Strafwaardigheid van het handelen van de verdachte

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan aanranding van een 14-jarig meisje, gepleegd in de bosjes, nabij een skatepark, in Santpoort Noord. Hoewel duidelijk voor hem moet zijn geweest dat [de benadeelde partij] niet was gediend van zijn handelingen, heeft de verdachte haar vagina, heupen, billen en borsten betast. Hiermee heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en het veiligheidsgevoel van het slachtoffer. De ervaring leert dat dergelijke delicten een grote impact hebben op de slachtoffers waar zij langdurig de gevolgen van ondervinden. Een en ander blijkt ook uit de verklaringen in het dossier van aangeefster en haar opa.

De persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 19 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld;

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 19 januari 2026 van[raadsonderzoeker] , raadsonderzoeker bij de Raad. De Raad adviseert de verdachte te veroordelen tot een deels onvoorwaardelijke en deels voorwaardelijke werkstraf, met daaraan verbonden een bijzondere voorwaarde, te weten een meldplicht bij de jeugdreclassering.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank verder nog het volgende overwogen:

De Raad heeft zowel in haar rapport als tijdens de zitting aangegeven dat het algemeen recidiverisico hoog wordt ingeschat. De verdachte is van kleins af aan bekend met jeugdhulpverlening. Hij verblijft op dit moment bij [behandelcentrum] in [plaats] , waar hij de begeleiding krijgt die hij nodig heeft. Op zesjarige leeftijd is de verdachte gediagnostiseerd met ADHD en ODD en is geconstateerd dat sprake is van een licht verstandelijke beperking. In 2022 is hij gediagnostiseerd met PTSS, ouder-kind problemen en Gilles de la Tourette. Vanwege deze persoonlijke problematiek is de verdachte beïnvloedbaar, heeft hij onvoldoende inzicht in oorzaak en gevolg en heeft hij moeite met het kennen en respecteren van grenzen van anderen, maar ook zijn eigen grenzen. Dit maakt hem kwetsbaar en het risico is groot dat hij in de problemen komt. De Raad heeft, vanwege het taakstrafverbod, een jeugddetentie overwogen, maar vindt dat niet passend gelet op de persoonlijke problematiek van de verdachte en zijn cognitieve beperking. De Raad vindt het wel belangrijk dat de verdachte een consequentie ervaart van zijn gedrag. De Raad adviseert daarom een (deels voorwaardelijke) werkstraf op te leggen. De Raad betwijfelt of de bijzondere voorwaarde van begeleiding door de jeugdreclassering nodig is. Enerzijds zou de jeugdreclassering – in samenwerking met de hulpverlening van [behandelcentrum] – in het belang van de verdachte, kunnen werken aan begeleiding en hulpverlening zodat hij leert wat er qua gedrag van hem wordt verwacht op maatschappelijk gebied. Hierin zou de jeugdreclassering regie kunnen voeren. Anderzijds is vanuit [behandelcentrum] een duidelijk plan opgesteld op basis waarvan hieraan gewerkt kan worden en is de vraag wat de meerwaarde van de jeugdreclassering hier nog bij is.

De straf

Vanwege de ernst van het feit acht de rechtbank een jeugddetentie in beginsel een passende straf, maar in lijn met het advies van de Raad is de rechtbank van oordeel dat het gelet op de persoonlijke problematiek van de verdachte niet wenselijk is dat aan hem een jeugddetentie wordt opgelegd. De rechtbank heeft hierbij in het bijzonder acht geslagen op de cognitieve beperkingen van de verdachte, zijn bijzondere kwetsbaarheid en het gegeven dat zijn sociale ontwikkeling kennelijk op een veel lager niveau ligt dan zijn kalenderleeftijd. Verder heeft de rechtbank in het voordeel van de verdachte rekening gehouden met zijn open proceshouding, zijn persoonlijke omstandigheden en het feit dat hij first offender is. De rechtbank ziet in hetgeen de raadsvrouw daarover heeft opgemerkt en zonder een daartoe strekkend deskundigenadvies, geen aanleiding het bewezenverklaarde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf voor de duur van 30 uren passend en geboden is. De rechtbank ziet geen aanleiding om een deel van de werkstraf voorwaardelijk op te leggen, omdat de verdachte reeds intensieve begeleiding en behandeling ontvangt vanuit [behandelcentrum] , waarbij aandacht wordt besteed aan impulsbeheersing en het herkennen van grenzen. Het valt niet te verwachten dat begeleiding vanuit de jeugdreclassering hierbij noodzakelijk en van daadwerkelijke meerwaarde zal zijn.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 77a, 77g, 77m, 77n en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte primair ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 30 (dertig) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 15 (vijftien) dagen jeugddetentie.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. N. Cuvelier, voorzitter, en tevens kinderrechter,

mr. S.I.A.C. Angenent - Bakker en mr. G.D. de Jong, (kinder)rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Excel,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. N. Cuvelier

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?