ECLI:NL:RBNHO:2026:2625

ECLI:NL:RBNHO:2026:2625

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 05-02-2026
Datum publicatie 13-03-2026
Zaaknummer 15-123975-24, 15-076818-24 (ttz gev), 15-152829-25 (ttz gev) en 15-230385-24 (ttz gev) (P)
Rechtsgebied Strafrecht; Strafprocesrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

Veroordeling minderjarige verdachte voor medeplegen van afpersing, medeplegen diefstal met geweld en bedreiging met geweld, openlijke geweldpleging en het overtreding van een gebiedsverbod. Veroordeling tot een werkstraf van 120 uren, een voorwaardelijke leerstraf (Tools4U verlengd plus) met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad is geadviseerd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd

Locatie Alkmaar

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummers: 15-123975-24, 15-076818-24 (ttz gev), 15-152829-25 (ttz gev) en

15-230385-24 (ttz gev) (P)

Uitspraakdatum: 5 februari 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 22 januari 2026 in de zaak tegen:

[de verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] .

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

1 (hierna: feit 1):
2 (hierna: feit 2):

Aan de verdachte is in de zaak met parketnummer 15-123975-24 ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 januari 2024 te Santpoort-Noord , gemeente Velsen, op de openbare weg (in het parkje en/of de bosjes nabij) de [openbare weg] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [de benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot de afgifte van zijn jas en/of zijn handschoen(en), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [de benadeelde partij 1] en/of een derde toebehoorde(n)door die [de benadeelde partij 1]- bij zijn jas vast te grijpen en/of- in zijn gezicht te slaan en/of- te achtervolgen en/of in te sluiten en/of- op dreigende en/of intimiderende toon te dwingen te knielen en/of- op dreigende en/of intimiderende toon te dwingen zijn jas en/of zijn handschoen(en) af te geven door hem de woorden 'doe je jakka uit, nu!' en/of 'handschoenen, jakka', althans woorden van gelijke strekking toe te voegen en/of- gedurende het knielen en/of het afgeven van zijn jas en/of handschoen(en) te filmen;

hij, op of omstreeks 28 januari 2024 te Velserbroek, gemeente Velsen, openlijk op of aan de openbare weg, te weten de [openbare weg] , in elk geval op of aan een openbare weg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [de benadeelde partij 2] en/of [de benadeelde partij 3] heeft gedwongen tot de afgifte van hun jas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [de benadeelde partij 2] en [de benadeelde partij 3] , en/of een derde toebehoorde(n) door die [de benadeelde partij 2] en/of [de benadeelde partij 3] ;- een of meerdere malen aan te spreken en/of te laten stoppen en/of in te sluiten en/of;- een machete, althans een scherp en/of puntig voorwerp te tonen en/of tegen de buik en/of het been, althans tegen het lichaam te houden en/of een of meerdere malen een zwaaiende beweging te maken in hun richting en/of;- op dreigende en/of intimiderende toon te dwingen hun jassen af te geven door hun de woorden ‘Geef me je jas’ en/of 'Jij moet nu al je spullen aan mij geven', althans woorden van gelijke strekking toe te voegen en/of;- aan hun kleding te doorzoeken;

Aan de verdachte is in de zaak met parketnummer 15-076818-24 ten laste gelegd dat:

(hierna: feit 3):

hij op of omstreeks 29 december 2023 te Heemstede, aan de openbare weg, te weten ter hoogte van de [openbare weg] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een helm, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 4] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- die [de benadeelde partij 4] aan te spreken en/of- een mes aan die [de benadeelde partij 4] te tonen en/of- tegen die [de benadeelde partij 4] te zeggen 'je mag de helm inleveren' en/of- daarbij (opnieuw) een mes aan die [de benadeelde partij 4] te tonen en/of- vervolgens de helm uit de handen van die [de benadeelde partij 4] te trekken/pakken en/of- tegen die [de benadeelde partij 4] te zeggen 'heb je iets om met de helm te ruilen? heb je cash?', althans woorden van gelijke aard of strekking en/of- daarbij (opnieuw) een mes aan die [de benadeelde partij 4] te tonen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 29 december 2023 te Heemstede, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een helm, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 4] , in elk geval aan een ander dan aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd vangeweld of bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren door- die [de benadeelde partij 4] aan te spreken en/of- een mes aan die [de benadeelde partij 4] te tonen en/of- tegen die [de benadeelde partij 4] te zeggen 'je mag de helm inleveren' en/of- daarbij (opnieuw) een mes aan die [de benadeelde partij 4] te tonen en/of- vervolgens de helm uit de handen van die [de benadeelde partij 4] te trekken/pakken en/of- tegen die [de benadeelde partij 4] te zeggen 'heb je iets om met de helm te ruilen? heb je cash?', althans woorden van gelijke aard of strekking en/of- daarbij (opnieuw) een mes aan die [de benadeelde partij 4] te tonenbij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 29 december 2023 te Heemstede opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door op de uitkijk te gaan staan;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 december 2023 te Heemstede, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een helm, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

Aan de verdachte is in de zaak met parketnummer 15-152829-25 ten laste gelegd dat:

(hierna: feit 4):

hij op of omstreeks 14 juni 2024 te Driehuis, gemeente Velsen met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de [openbare weg] , in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [de benadeelde partij 5] welk geweld bestond uit het- achtervolgen van die [de benadeelde partij 5] op de fiets en tegen de fiets van die [de benadeelde partij 5] aanduwen/trappen- meermalen slaan en/of stompen tegen het hoofd en/of lichaam van die [de benadeelde partij 5]en/of- het aanmoedigen/opjutten tot het slaan en/of stompen van die [de benadeelde partij 5] en/of- het filmen van bovengenoemde handelingen;

Aan de verdachte is in de zaak met parketnummer 15-230385-24 ten laste gelegd dat:

(hierna: feit 5):

hij op of omstreeks 16 juli 2024 te Santpoort-Zuid, gemeente Velsen opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, kenmerk [kenmerk] krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172 en/of 172a van de gemeentewet, gedaan door of namens de burgemeester van Velsen, in elk geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste en/of tweede lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen tussen 28 juni 2024 en 28 september 2024 niet mocht bevinden in/op het grondgebied Santpoort- Noord en Santpoort- Zuid, door, zich op voornoemde datum om 18:00 in/op, althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden;

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 (de afpersing in vereniging van [de benadeelde partij 1] op 28 januari 2024), 2 (de afpersing in vereniging van [de benadeelde partij 2] en [de benadeelde partij 3] op 28 januari 2024), 3 primair (de diefstal met geweld en met bedreiging met geweld in vereniging tegen [de benadeelde partij 4] op 29 december 2023), 4 (de openlijke geweldpleging tegen [de benadeelde partij 5] op 14 juni 2024) en 5 (de overtreding van het gebiedsverbod op 16 juli 2024) ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 en 2 niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen, omdat er gezien de rol van de verdachte niet kan worden gesproken van een nauwe en bewuste samenwerking en dus niet van medeplegen, maar hooguit van medeplichtigheid. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde (medeplegen). Het onder 3 subsidiair ten laste gelegde (medeplichtigheid) kan haars inziens wel wettig en overtuigend bewezen worden.

Oordeel van de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

Bewijsmotiveringen feit 1, feit 2 en feit 3 primair

De rechtbank stelt voorop dat medeplegen kan worden bewezen verklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan van het delict sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte(n). Ook wanneer het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict, aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Uit het dossier en het onderzoek op de zitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij de tenlastegelegde feiten 1, 2 en 3 concreet het volgende af.

Feit 1 (de afpersing in vereniging van [de benadeelde partij 1] op 28 januari 2024)

Op 28 januari 2024 bevonden de verdachte en de medeverdachten, waaronder [de medeverdachte 3] , zich aan de [openbare weg] in Santpoort-Noord . De verdachte was ervan op de hoogte dat aangever [de benadeelde partij 1] op zijn fiets onderweg was en dat een aantal van de medeverdachten hem te grazen wilde nemen. Toen [de benadeelde partij 1] langsfietste werd hij door drie van de medeverdachten aangesproken, vastgegrepen en in zijn gezicht geslagen. [de benadeelde partij 1] heeft zichzelf weten los te trekken, is weggerend en heeft zich verstopt in de bosjes. Vervolgens zijn de verdachte en twee van zijn medeverdachten, waaronder [de medeverdachte 3] , de bosjes ingegaan om [de benadeelde partij 1] te zoeken. [de benadeelde partij 1] heeft verklaard dat hij de verdachte en [de medeverdachte 3] aan zag komen lopen en dat de verdachte toen heeft gezegd “hij zit hier”. [de medeverdachte 3] heeft vervolgens tegen [de benadeelde partij 1] gezegd dat hij op zijn knieën moest gaan zitten en zijn jas en handschoenen moest afgeven. Dit heeft [de benadeelde partij 1] ook gedaan. Deze handelingen zijn door [de medeverdachte 3] gefilmd.

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een dusdanige nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten dat gesproken kan worden van medeplegen. Immers, uit hetgeen hiervoor is vastgesteld blijkt dat de verdachte wist dat de medeverdachten van plan waren om [de benadeelde partij 1] te pakken en te slaan. Daarbij komt dat de verdachte, nadat [de benadeelde partij 1] de bosjes in was gevlucht, actief naar hem op zoek is gegaan, hem heeft gevonden en dit ook kenbaar heeft gemaakt aan de medeverdachten. Daarnaast heeft de verdachte voor getalsmatige overmacht gezorgd tijdens de afpersing van de jas en handschoenen van [de benadeelde partij 1] en heeft hij zich op geen enkele manier gedistantieerd.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van afpersing van aangever [de benadeelde partij 1] .

Feit 2 (de afpersing in vereniging van [de benadeelde partij 2] en/of [de benadeelde partij 3] op 28 januari 2024

In de nacht van 28 januari 2024 bevond de verdachte zich met twee anderen, waaronder de medeverdachte [de medeverdachte 3] , op de [openbare weg] in Velserbroek. [de medeverdachte 3] had de machete van de verdachte, met medeweten van de verdachte, mee genomen uit diens woning, en op enig moment ontstond bij de jongens het idee om iemand te beroven. Toen aangever [de benadeelde partij 3] samen met twee vrienden langs de verdachten fietste, zijn de verdachten achter hen aan gefietst. Vervolgens werd tegen [de benadeelde partij 3] en zijn vrienden gezegd te stoppen. Dat hebben zij gedaan, waarna de verdachten bij hen zijn gaan staan. [de medeverdachte 3] is vervolgens op [de benadeelde partij 3] afgelopen en heeft een machete tegen zijn buik gedrukt, waarbij tegen [de benadeelde partij 3] is gezegd dat hij zijn jas moest afgeven. Dit heeft [de benadeelde partij 3] ook gedaan. Vervolgens heeft [de medeverdachte 3] de kleding van [de benadeelde partij 3] nog doorzocht. Daarna zijn de verdachten weggegaan.

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een dusdanige nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten dat gesproken kan worden van medeplegen. Uit wat hiervoor is vastgesteld blijkt immers dat bij de verdachten gezamenlijk het plan is ontstaan om iemand te beroven en dat één van hen de machete van de verdachte bij zich had waarvan de verdachte ook op de hoogte was. Daarnaast heeft de verdachte tijdens de afpersing gezorgd voor getalsmatige overmacht en zijn de verdachten na de afpersing gezamenlijk weggegaan, waarbij zij de buit hebben meegenomen.

De rechtbank acht het medeplegen van afpersing van [de benadeelde partij 2] niet bewezen, nu uit het dossier niet blijkt dat [de benadeelde partij 2] een goed heeft afgegeven aan de verdachte of zijn medeverdachte.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van afpersing van aangever [de benadeelde partij 3] .

Feit 3 primair (de diefstal met geweld en met bedreiging met geweld in vereniging tegen [de benadeelde partij 4] op 29 december 2023)

Op 29 december 2023 bevond de verdachte zich met twee anderen, waaronder medeverdachte [medeverdachte 1] op het station [station] in Heemstede. Aangever [de benadeelde partij 4] , die daar ook was, is op enig moment aangesproken door [medeverdachte 1] , omdat [medeverdachte 1] de helm van [de benadeelde partij 4] wilde hebben. [medeverdachte 1] heeft daarbij aan [de benadeelde partij 4] een mes getoond en gezegd “je mag de helm inleveren”. Vervolgens heeft [medeverdachte 1] nogmaals een mes getoond en de helm uit de handen van [de benadeelde partij 4] gepakt. Volgens [de benadeelde partij 4] heeft een persoon die wordt aangeduid als “jongen 2” daarna ook een mes getoond, waarna de verdachten zijn weggelopen. Uit het dossier en de verklaringen van de verdachte op de zitting blijkt dat de verdachte “jongen 2” is.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende bewijs is voor medeplegen, omdat er geen plan was en er geen steunbewijs is voor de verklaring dat de verdachte een mes bij zich zou hebben gehad. Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank echter van oordeel dat sprake is geweest van een dusdanige nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte dat gesproken kan worden van medeplegen. De verdachte wist immers dat [medeverdachte 1] de helm van [de benadeelde partij 4] wilde hebben, is doelbewust samen met hem naar [de benadeelde partij 4] toegelopen en heeft aldus voor getalsmatige overmacht gezorgd tijdens de diefstal en heeft daarbij zelfs een mes getoond. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan wat [de benadeelde partij 4] heeft verklaard over het tonen van een mes door de verdachte. Ook de getuige [getuige] heeft verklaard dat de tweede jongen een mes had. Uit het dossier en de verklaring van de verdachte blijkt voorts dat de verdachte “jongen 2” was.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van diefstal met geweld en met bedreiging met geweld tegen aangever [de benadeelde partij 4] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

parketnummer 15-123975-24

Feit 1:

hij op 28 januari 2024 te Santpoort-Noord in het parkje en de bosjes nabij de [openbare weg] tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [de benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot de afgifte van zijn jas en zijn handschoenen, die aan die [de benadeelde partij 1] toebehoorden, door die [de benadeelde partij 1]- bij zijn jas vast te grijpen en- in zijn gezicht te slaan en- te achtervolgen en in te sluiten en- op dreigende en intimiderende toon te dwingen te knielen en- op dreigende en intimiderende toon te dwingen zijn jas en zijn handschoenen af te geven door hem de woorden 'doe je jakka uit, nu!' en 'handschoenen, jakka', althans woorden van gelijke strekking toe te voegen en- gedurende het knielen en het afgeven van zijn jas en handschoenen te filmen.

Feit 2:

hij, op 28 januari 2024 te Velserbroek aan de [openbare weg] , tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [de benadeelde partij 3] heeft gedwongen tot de afgifte van zijn jas, die aan die [de benadeelde partij 3] toebehoorde, door die [de benadeelde partij 3]- aan te spreken en te laten stoppen en- een machete te tonen en tegen de buik te houden en- op dreigende en intimiderende toon te dwingen zijn jas af te geven door hem de woorden ‘Geef me je jas’ en 'Jij moet nu al je spullen aan mij geven', toe te voegen en

- zijn kleding te doorzoeken.

parketnummer 15-076818-24

Feit 3 (primair):

hij op 29 december 2023 te Heemstede ter hoogte van de [openbare weg] , tezamen en in vereniging met anderen, een helm, die aan [de benadeelde partij 4] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- die [de benadeelde partij 4] aan te spreken en- een mes aan die [de benadeelde partij 4] te tonen en- tegen die [de benadeelde partij 4] te zeggen 'je mag de helm inleveren' en- daarbij opnieuw een mes aan die [de benadeelde partij 4] te tonen en - vervolgens de helm uit de handen van die [de benadeelde partij 4] te trekken en- daarbij opnieuw een mes aan die [de benadeelde partij 4] te tonen.

parketnummer 15-152829-25

Feit 4:

hij op 14 juni 2024 te Driehuis, met anderen, op de openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [de benadeelde partij 5] welk geweld bestond uit het

- achtervolgen van die [de benadeelde partij 5] op de fiets en tegen de fiets van die [de benadeelde partij 5] aanduwen en- meermalen slaan en stompen tegen het hoofd en lichaam van die [de benadeelde partij 5] en- het aanmoedigen en opjutten tot het slaan en stompen van die [de benadeelde partij 5] en- het filmen van bovengenoemde handelingen.

parketnummer 15-230385-24

Feit 5:

hij op 16 juli 2024 te Santpoort-Zuid, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, kenmerk [kenmerk] krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a van de gemeentewet, gedaan namens de burgemeester van Velsen, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen tussen 28 juni 2024 en 28 september 2024 niet mocht bevinden in het grondgebied Santpoort- Noord en Santpoort- Zuid, door, zich op voornoemde datum om 18:00 in voornoemd gebied te bevinden.

De in de tenlasteleggingen voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Wat aan de verdachte onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1 en feit 2: telkens afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen

Feit 3: diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Feit 4: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

Feit 5: opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de straf

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke werkstraf, voor de duur van 120 uren, met aftrek van het voorarrest, en een voorwaardelijke leerstraf (Tools4U verlengd plus), met een proeftijd van twee jaren. Verder heeft hij gevorderd dat aan het voorwaardelijke strafdeel, naast de algemene voorwaarden, de bijzondere voorwaarden zullen worden verbonden zoals geadviseerd door de Raad in het rapport van 25 augustus 2025 en dat deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. In de strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de schending van de redelijke termijn en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht bij het bepalen van de straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en zijn open proceshouding. Ook heeft de raadsvrouw verzocht om er rekening mee te houden dat de feiten lang geleden zijn gepleegd en dat de verdachte zich al een lange periode aan strenge schorsingsvoorwaarden heeft gehouden. De raadsvrouw acht een voorwaardelijke leerstraf passend. Zij kan zich vinden in de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad. Verder heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het opleggen van een onvoorwaardelijke werkstraf niet passend is, omdat de verdachte dan mogelijk wordt overvraagd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Strafwaardigheid van het handelen van de verdachte

De verdachte heeft in korte tijd meerdere strafbare feiten gepleegd, waarvan een belangrijk deel is aan te merken als geweldsfeiten. Voornamelijk leeftijdsgenoten worden bedreigd en/of geslagen en/of gedwongen op hun knieën te gaan zitten en/of spullen, waaronder kledingstukken, af te geven. Tijdens het plegen van de feiten zijn soms filmpjes gemaakt met een telefoon met als doel de slachtoffers te vernederen.

Zo heeft de verdachte zich op 29 december 2023 samen met anderen schuldig gemaakt aan diefstal met geweld en bedreiging met geweld tegen slachtoffer [de benadeelde partij 4] , die op dat moment met een vriend in de fietsenstalling was, gelegen naast het station [station] . Daar hebben zij [de benadeelde partij 4] aangesproken, hem (meerdere malen) een mes getoond en de helm van [de benadeelde partij 4] afgepakt.

In de nacht van 28 januari 2024 fietste de verdachte samen met anderen rond in Velserbroek, waarbij zij een machete op zak hadden en het slachtoffer [de benadeelde partij 3] en zijn vrienden hebben aangesproken, de machete tegen de buik van [de benadeelde partij 3] hebben gehouden en hem hebben gedwongen zijn jas af te geven.

Op dezelfde dag heeft de verdachte samen met anderen slachtoffer [de benadeelde partij 1] in de buurt van het station [station] , opgewacht en vervolgens aangevallen, achtervolgd en mishandeld. Ook hebben zij hem gedwongen om op zijn knieën te gaan zitten en zijn jas en handschoenen af te geven waarbij zij dit alles ook hebben gefilmd.

Daarnaast heeft de verdachte zich op 14 juni 2024 schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging, waarbij slachtoffer [de benadeelde partij 5] vanuit het niets en zonder enige reden werd mishandeld. Het slachtoffer heeft hierbij een bult op zijn hoofd en diverse beurse plekken op zijn lichaam opgelopen.

Dat het voor de slachtoffers zeer angstige en bedreigende ervaringen zijn geweest, waarvan zij nog steeds last hebben, blijkt mede uit de vorderingen van de benadeelde partijen. Zo is [de benadeelde partij 4] erg geschrokken van de gebeurtenis op 23 december 2023. Hij heeft daarna slecht kunnen slapen, verminderde focus gehad op school en vermijdt hij nog altijd de plek en omgeving waar de diefstal heeft plaatsgevonden. Ook bij [de benadeelde partij 1] heeft de gebeurtenis op 28 januari 2024 een diepe indruk achtergelaten. Hij is gedurende een aantal maanden zo angstig geweest dat hij niet meer alleen de deur uit durfde. Daarbij heeft zijn schoolwerk er onder geleden. [de benadeelde partij 5] is als gevolg van de gebeurtenis op 14 juni 2024 zijn vertrouwen in de medemens kwijtgeraakt.

Naast de impact van deze feiten op de individuele slachtoffers, waaronder ook de slachtoffers die geen vordering hebben ingediend, veroorzaken de bewezenverklaarde feiten, die plaatsvonden op straat, onrust en gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte aan.

Tot slot heeft de verdachte zich op 16 juli 2024 schuldig gemaakt aan het overtreden van een gebiedsverbod. Hiermee heeft de verdachte laten zien dat hij geen enkel respect had voor het verbod dat de burgermeester hem had opgelegd noch voor de reden waarom dit was opgelegd.

De persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op: - het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 18 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte eerder voor een openlijke geweldpleging is veroordeeld. Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden te recidiveren, en

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 25 augustus 2025 van [raadsonderzoeker] , als raadsonderzoeker verbonden aan de Raad. De Raad adviseert de verdachte te veroordelen tot een voorwaardelijke leerstraf, te weten Tools4U, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals opgenomen in het rapport.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank verder nog het volgende overwogen.

De Raad heeft zowel in haar rapport als op de zitting aangegeven dat het recidiverisico als hoog wordt ingeschat. Er zijn nog zorgen op diverse leefgebieden, waarop moet worden ingezet. De verdachte lijkt te hebben geleerd van zijn fouten en heeft positieve stappen gezet om niet opnieuw met politie en justitie in aanraking te komen, maar lijkt niet in te zien dat hij nog steeds omgaat met vrienden die hem in de problemen kunnen brengen. Daarnaast zijn er zorgen over zijn dagritme en leefstijl en lijkt het inzicht bij de verdachte te ontbreken dat het niet gemakkelijk zal zijn om zijn ritme om te gooien op het moment dat hij een nieuwe opleiding gaat beginnen en vier dagen in de week moet gaan werken. Een beschermende factor is dat de verdachte betrokken ouders heeft, die openstaan voor hulpverlening. Ook heeft de verdachte goed meegewerkt aan de hulpverlening, is hij eerlijk en lijkt hij instructies goed op te volgen. De Raad acht aanvullende hulpverlening, in de vorm van een coach, noodzakelijk om de verdachte te helpen zijn inzicht te vergroten en om de hiervoor genoemde zorgen te verkleinen. Daarnaast acht de Raad het van belang dat de jeugdreclassering langer betrokken blijft, omdat de verdachte externe controle nodig heeft om niet opnieuw in de problemen te komen. Hij heeft behoefte aan begeleiding en herhaling.

De jeugdreclassering heeft aangegeven dat de schoringsperiode redelijk is verlopen. De verdachte is zijn afspraken over het algemeen nakomen, maar het lukte hem niet altijd. Ook was zijn motivatie voor school beperkt. De verdachte heeft veel uitleg nodig en heeft baat bij een directe aanpak. De jeugdreclassering kan zich niet vinden in het advies van de Raad ten aanzien van de voorwaardelijke leerstraf. De jeugdreclassering acht een onvoorwaardelijke werkstraf passender, omdat de verdachte daarmee leert dat zijn gedrag consequenties heeft. Bovendien raakt de verdachte overvraagd op het moment dat er te veel hulpverlening tegelijkertijd wordt ingezet.

Verder houdt de rechtbank er rekening mee dat de verdachte na zijn aanhoudingen en op de zitting openheid van zaken heeft gegeven over (een deel van) de feiten. Daarmee heeft de verdachte (deels) laten zien verantwoordelijkheid te nemen voor zijn daden. Daarnaast heeft de rechtbank gelet op de overschrijding van de redelijke termijn en de omstandigheid dat de verdachte zich lange tijd heeft moeten houden aan intensieve schorsingsvoorwaarden waaraan hij goed heeft meegewerkt. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. In het nadeel van de verdachte neemt de rechtbank mee dat hij geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn aandeel in de afpersing van [de benadeelde partij 1] en de diefstal met geweld en met bedreiging met geweld tegen [de benadeelde partij 4] en dat hij eerder is veroordeeld.

De straf

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf voor de duur van 120 uren, met aftrek van het voorarrest, en een leerstraf voor de duur van 35 uren, te weten Tools4U verlengd plus, passend en geboden is. De rechtbank zal echter bepalen dat de leerstraf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren. Het voorwaardelijk deel van de straf dient ertoe om de verdachte ervan te weerhouden om gedurende de proeftijd opnieuw over te gaan tot het plegen van strafbare feiten. Verder moet dit ervoor te zorgen dat, zoals door de Raad is geadviseerd, wanneer de verdachte niet meewerkt aan begeleiding van een coach om vaardigheden aan te leren om niet opnieuw strafbare feiten te plegen, dit alsnog via de leerstraf zal kunnen worden geprobeerd. De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden opleggen zoals door de Raad is geadviseerd.

Dadelijke uitvoerbaarheid voorwaarden

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, te weten afpersing, diefstal met geweld en bedreiging met geweld en openlijke geweldpleging. Nu uit het rapport van de Raad naar voren komt dat het recidiverisico bij een veroordeling hoog wordt ingeschat, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

7. Vordering benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 1] (feit 1)

De benadeelde partij [de benadeelde partij 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.912,32 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van feit 1 zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade van € 1.112,32 bestaat uit vergoeding van een jas, een paar handschoenen en een spijkerbroek, stomerijkosten van een jas, kosten voor de aanschaf van een nieuw ID bewijs, vergoeding voor een geldbedrag dat was opgeladen op een OV kaart, reiskosten en de kosten van een abonnement op de sportschool, waarvan [de benadeelde partij 1] geen gebruik heeft kunnen maken. Daarnaast is een bedrag van € 800,00 aan immateriële schade gevorderd.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om de materiële schade toe te wijzen tot een bedrag van € 556,16 en de immateriële schade tot een bedrag van € 300,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige moet de benadeelde partij volgens de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard.

De officier van justitie heeft bij de hoogte van deze gevorderde schade rekening gehouden met het feit dat de vordering en de schadevergoedingsmaatregel in de zaak van de medeverdachte [de medeverdachte 3] niet hoofdelijk is opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de vordering te matigen tot een bedrag van € 305,00, bestaande uit € 205,00 aan materiele schade en € 100,00 aan immateriële schade, omdat dat de bedragen zijn die ook aan de medeverdachte zijn opgelegd. Ook heeft zij verzocht in ieder geval de gestelde schade ten aanzien van de reiskosten voor de reis tussen Duinkerken en Beverwijk voor het verhoor van de vader bij de politie af te wijzen, omdat dat verhoor op een andere datum heeft plaatsgevonden.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 881,32 rechtsreeks voortvloeit uit het onder feit 1 bewezenverklaarde feit. De gestelde schade voor de reiskosten voor de reis tussen [plaats] en [plaats] in verband met een politieverhoor komt niet voor vergoeding in aanmerking, omdat de reis volgens de vader op 1 februari 2024 is gemaakt, terwijl het verhoor op 11 februari 2024 heeft plaatsgevonden.

Immateriële schade

De rechtbank is ook van oordeel dat het, gezien de aard en omstandigheden van het bewezenverklaarde, evident is dat de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij is geschonden en dat sprake is van aantasting van de persoon en dus van immateriële schade. Vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 600,00 komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met welke bedragen in vergelijkbare zaken worden toegewezen.

Geen hoofdelijke aansprakelijkheid

De rechtbank zal de vordering en de schadevergoedingsmaatregel niet hoofdelijk opleggen, omdat dat in de zaak van de medeverdachte [de medeverdachte 3] ook niet is gedaan. Ervan uitgaande dat de verdachte de benadeelde partij met tenminste een ander heeft benadeeld, zal de rechtbank de helft van de hiervoor genoemde bedragen toewijzen.

Conclusie

Dit betekent dat de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 1] gedeeltelijk zal worden toegewezen tot een bedrag van € 740,66 vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 1 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: afpersing] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 4] (feit 3)

De benadeelde partij [de benadeelde partij 4] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 550,00

ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 3

ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit

bedrag.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft toewijzing gevorderd van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het, gezien de aard en omstandigheden van het bewezenverklaarde, evident is dat de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij is geschonden en dat sprake is van aantasting van de persoon en dus van immateriële schade. Vergoeding van de schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met welke bedragen in vergelijkbare zaken worden toegewezen. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 december 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 3 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: diefstal met geweld en met bedreiging met geweld] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 5] (feit 4)

De benadeelde partij [de benadeelde partij 5] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 500,00 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 4 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om de immateriële schade toe te wijzen tot een bedrag van € 300,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige moet de benadeelde partij volgens de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard. De officier van justitie heeft zich bij de hoogte van deze gevorderde schade rekening gehouden met welke bedragen in vergelijkbare zaken worden toegewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de vordering te matigen tot € 300,00.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het, gezien de aard en omstandigheden van het bewezenverklaarde, evident is dat de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij is geschonden en dat sprake is van aantasting van de persoon en dus van immateriële schade. Vergoeding van de schade komt de rechtbank tot een bedrag van € 300,00 billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met welke bedragen in vergelijkbare zaken worden toegewezen. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van het overige deel van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren.

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 4 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: openlijk geweld] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 36f, 47, 63, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 184, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 3.4. bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 120 (honderdtwintig) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 60 (zestig) dagen jeugddetentie.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten 4 dagen, bij de ten uitvoer te leggen taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag jeugddetentie, in mindering wordt gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 35 uren taakstraf in de vorm van een leerstraf, te weten Tools4U verlengd plus, aangeboden door of namens de Raad voor de Kinderbescherming, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 17 dagen jeugddetentie, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

Geeft opdracht aan De Jeugd- en Gezinsbeschermers, gevestigd te Haarlem, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Stelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.

Beveelt dat de op grond van artikel 77z Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Benadeelde partijen

Wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [de benadeelde partij 1] geleden schade gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 740,66 (zegge: zevenhonderdveertig euro en zesenzestig eurocent), bestaande uit € 440,66 voor de materiële en € 300,00 voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 740,66 (zegge: zevenhonderdveertig euro en zesenzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen jeugddetentie.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [de benadeelde partij 4] geleden immateriële schade tot een bedrag van € 550,00 (zegge: vijfhonderdvijftig euro) en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 december 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij 4] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 4] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 550,00 (zegge: vijfhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 december 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen jeugddetentie.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [de benadeelde partij 5] geleden immateriële schade gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 300,00 (zegge: driehonderd euro) en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij 5] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 5] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 300,00 (zegge: driehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen jeugddetentie.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Beslissingen over voorlopige hechtenis

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.D. de Jong, voorzitter, en tevens kinderrechter,

mr. S.I.A.C. Angenent – Bakker en mr. N. Cuvelier, (kinder)rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Excel,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G.D. de Jong

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?