ECLI:NL:RBNHO:2026:2645

ECLI:NL:RBNHO:2026:2645

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 24-03-2026
Datum publicatie 13-03-2026
Zaaknummer 15/055494-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Mega Petteri. De verdachte heeft zich in een periode van ruim vijf weken samen met anderen schuldig gemaakt aan het dealen in cocaïne en heroïne. De rechtbank legt een voorwaardelijke gevangenisstraf op van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden. Ook legt de rechtbank een taakstraf van 120 uur op.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/055494-25

Uitspraakdatum: 24 maart 2026

Tegenspraak

Verkort strafvonnis (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 februari 2026 (inhoudelijke behandeling) en 10 maart 2026 (sluiting) in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2001 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres]

De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt van de officier van justitie, mr. J.J. van Bree en van wat door de verdachte en mr. R. Haze, raadsman van de verdachte, naar voren is gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is, samengevat, ten laste gelegd dat hij in de periode van 1 augustus 2023 tot en met 27 maart 2024 in IJmuiden dan wel in Nederland samen met anderen heeft gehandeld in cocaïne en heroïne.

De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, maar vindt een kortere pleegperiode bewijsbaar, namelijk van 6 februari 2024 tot 27 maart 2024.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde pleegperiode veel te ruim is. Het ten laste gelegde feit kan worden bewezen, maar uitsluitend voor de periode van 7 maart 2024 tot en met 27 maart 2024. De verdachte dient dan ook partieel te worden vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten aanvulling worden opgenomen.

Bewijsmotivering

De verdachte heeft bekend dat hij voor zijn aanhouding op 27 maart 2024 een korte periode heeft gehandeld in drugs. Tijdens de doorzoeking van de woning van de verdachte op 27 maart 2024 is een hoeveelheid cocaïne en heroïne aangetroffen en daarnaast onder meer versnijdingsmiddelen, ponypacks, gripzakjes en een weegschaal. Verder is in een kattenkrabpaal een telefoon aangetroffen. Op basis van de bewijsmiddelen komt de rechtbank tot de conclusie dat dit een zogenoemde ‘dealertelefoon’ was, die vermoedelijk door meerdere personen werd gebruikt. Met deze telefoon zijn talloze berichten uitgewisseld over de verkoop en levering van verdovende middelen, waaronder cocaïne en heroïne. De gebruiker van deze telefoon werd in deze berichten aangeduid met verschillende namen, waaronder ‘Schele’ en ‘ [naam] ’. De verdachte heeft verklaard dat zijn bijnaam ‘Schele’ is. Zijn derde voornaam is [naam] . Gelet op deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, merkt de rechtbank de verdachte als één van de gebruikers van deze telefoon aan.

De berichten over verdovende middelen zijn verzonden tussen 16 februari 2024 en 26 maart 2024. De rechtbank zal het ten laste gelegde feit daarom vanaf 16 februari 2024 bewezen verklaren. De rechtbank zal het feit tot en met 27 maart 2024 bewezen verklaren, omdat op die datum nog verdovende middelen in de woning van de verdachte zijn aangetroffen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij in de periode van 16 februari 2024 tot en met 27 maart 2024 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen meermalen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

6. Motivering van de straf

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van twee jaar. Als bijzondere voorwaarden dienen te worden opgelegd een meldplicht bij de reclassering en deelname aan de gedragsinterventie Cova+. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door twee maanden hechtenis indien de taakstraf niet of niet naar behoren wordt uitgevoerd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, gelet op zijn standpunt dat sprake is geweest van een kortere pleegperiode, verzocht om een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich in een periode van ruim vijf weken samen met anderen schuldig gemaakt aan het dealen in cocaïne en heroïne. De verdachte had telefonisch contact met afnemers, reed rond om de cocaïne en heroïne te verkopen en bewerkte en verpakte de drugs in zijn woning.

Harddrugs zijn een gevaar voor de volksgezondheid, omdat deze middelen sterk verslavend werken. Daarnaast ontstaat door de handel in harddrugs schade en overlast voor de samenleving. De handel in verdovende middelen gaat steeds meer gepaard met andere, zware vormen van criminaliteit zoals geweldsdelicten en illegale geldstromen. De drugshandel vormt een belangrijke schakel in de keten van criminele en ondermijnende activiteiten die de samenleving ontwrichten. De verdachte heeft zich van dit alles niets aangetrokken en heeft kennelijk uitsluitend gehandeld uit eigen financieel gewin.

Oriëntatiepunten LOVS

Bij het bepalen van de hoogte van de aan de verdachte op te leggen straf, heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Bij het oriëntatiepunt dat ziet op dealen in harddrugs, wordt onderscheid gemaakt naar de duur van de bewezenverklaarde dealperiode. De categorie waar de zaak van de verdachte in valt, is die van een dealperiode van één tot drie maanden, waarbij als oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden staat vermeld. De rechtbank houdt er rekening mee dat de verdachte aan de lage kant van deze categorie valt.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 13 januari 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte zich in de vijf jaar voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit niet schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke feiten. De rechtbank weegt het strafblad van de verdachte dan ook niet in zijn nadeel mee.

Ook heeft de rechtbank gelet op het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 1 december 2025. De verdachte heeft na een turbulent verleden het tij weten te keren, aldus de reclassering. Hij is uit IJmuiden vertrokken, beschikt over een huurwoning, heeft een betaalde baan, heeft regelingen getroffen voor schulden en staat vrijwillig onder bewind.

De reclassering adviseert aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en deelname aan de gedragsinterventie Cova+. Deze bijzondere voorwaarden worden geadviseerd om de verdachte hulp te bieden bij het weerbaarder worden en om in de toekomst betere keuzes te maken.

Ter terechtzitting heeft de verdachte ook bij de rechtbank de indruk gewekt dat het hem is gelukt om zijn leven een positieve wending te geven. Hij heeft zich weten te onttrekken aan het milieu waarin hij zich tijdens het bewezenverklaarde feit bevond. Hij heeft een woning, een baan en staat open voor de hulp die de reclassering hem kan bieden. De rechtbank acht het van belang om deze positieve ontwikkeling niet te doorkruisen met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Conclusie

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van drie maanden moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat deze straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van 2 jaren, om de verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Aan die voorwaardelijke straf zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering is geadviseerd.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 120 uren moet worden opgelegd, met aftrek van de tijd dat de verdachte in verzekering heeft doorgebracht. Voor elke dag die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht wordt twee uur van de taakstraf afgetrokken.

Anders dan de raadsman ziet de rechtbank in de bewezenverklaring van een kortere pleegperiode, geen aanleiding om een lagere straf aan de verdachte op te leggen.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht,

artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

 de veroordeelde zich binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij reclassering Arnhem op het adres Nieuwe Oeverstraat 65 te Arnhem. De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt;

 de veroordeelde actief deelneemt aan de gedragsinterventie Cova+ of een andere gedragsinterventie die is gericht op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het wordt. De veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

 ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

 medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 120 (honderdtwintig) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.M.G. Hink, voorzitter,

mr. M. Hoendervoogt en mr. S.H. Bouwers, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.T. Sluis,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 maart 2026.

Bijlage

De tenlastelegging

hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2023 tot en met 27 maart 2024 te IJmuiden, gemeente Velsen en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende (telkens) een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. G.M.G. Hink
  • mr. M. Hoendervoogt
  • mr. S.H. Bouwers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?