[verzoekster] B.V., uit [plaats 1] , verzoekster
(gemachtigde: mr. P.J.G. Poels),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, het college.
Inleiding
3. De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek kennelijk ongegrond is en doet daarom uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Is geen sprake van een spoedeisend belang, dan kan aanleiding bestaan voor het treffen van een voorlopige voorziening als blijkt dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Evident onrechtmatig houdt in dat ook zonder diepgaand onderzoek naar de feiten of het recht, ernstig moet worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van het besluit.
5. Verzoekster heeft in haar verzoek aangegeven dat in dit geval een spoedeisend belang niet aanwezig hoeft te zijn, omdat de weigering volgens haar evident onrechtmatig is. Volgens verzoekster is het geschil rechtens beperkt tot de vraag of het ontbreken van een maximale bouwhoogte een evidente misslag betreft. Verzoekster meent dat die vraag evident ontkennend moet worden beantwoord. Verzoekster meent ook dat het treffen van een voorlopige voorziening gerechtvaardigd is omdat het college geen uitsluitsel geeft over de maximale bouwhoogte op het perceel.
6. Voor zover verzoekster heeft willen betogen dat een spoedeisend belang bij het verzoek gelegen is in het feit dat het college geen uitsluitsel geeft over de maximale bouwhoogte op het perceel, volgt de voorzieningenrechter dit niet. Verzoekster kan weliswaar op zoek zijn naar duidelijkheid over de maximale bouwhoogte, maar heeft niet onderbouwd waarom voor eventuele beantwoording van die vraag de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Een spoedeisend belang acht de voorzieningenrechter dus niet aanwezig.
7. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is voorts geen sprake van een evident onrechtmatig besluit. Op voorhand kan niet worden gezegd dat de beoordeling van het beroep zich beperkt tot de vraag of het ontbreken van een maximale bouwhoogte een evidente misslag betreft.
8. Nu de gevraagde voorlopige voorziening tevens verstrekkend is en geen voorlopig karakter heeft, zal de voorzieningenrechter het verzoek afwijzen.
Conclusie en gevolgen
9. Gelet op het voorgaande is het verzoek kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Boon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: