[verzoeker] , uit [plaats 2] , verzoeker
en
de burgemeester van de gemeente Haarlemmermeer, de burgemeester.
Inleiding
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Verzoeker ontleent zijn verblijfsrecht aan een W-document. Dit document toont het rechtmatig verblijf in Nederland aan, in afwachting van een beslissing op een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel.
4. Op 12 februari 2024 heeft de burgemeester aan verzoeker een rijbewijs verstrekt. Met het besluit van 26 februari 2026 heeft de burgemeester dit rijbewijs per 5 maart 2026 ongeldig verklaard. Hij voert daartoe aan dat verzoeker in afwachting is van een verblijfsvergunning, zodat hij (nog) geen recht heeft op een Nederlands rijbewijs.
5. Op grond van artikel 111, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) wordt aan degene die vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) is, en geen onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, een rijbewijs slechts afgegeven indien hij rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met d en l van die wet.
6. Op grond van artikel 124, eerste lid, aanhef en onder b, Wvw wordt een rijbewijs ongeldig verklaard indien na afgifte van het rijbewijs blijkt dat het kennelijk abusievelijk aan de houder is afgegeven.
7. De voorzieningenrechter stelt vast dat het rijbewijs is afgegeven in strijd met artikel 111, derde lid, Wvw. Verzoeker is nog in afwachting van een beslissing op zijn aanvraag om een verblijfsvergunning. Het W-document toont aan dat verzoekerrechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, Vw 2000. Hij verblijft dus niet rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder a tot en met d, Vw 2000. Verzoeker ontleent zijn verblijfsrecht niet aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije, zodat hij ook niet rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder l, Vw 2000.
8. Het standpunt van verzoeker dat de ongeldigverklaring in strijd is met het evenredigheids- en vertrouwensbeginsel, volgt de voorzieningenrechter niet. De omstandigheid dat aan verzoeker een rijbewijs is afgegeven, maakt niet dat verzoeker daaraan het gerechtvaardigde vertrouwen mocht ontlenen dat zijn rijbewijs niet ongeldig zou worden verklaard, juist omdat de verlening in strijd is met de wet. Voorts kan de voorzieningenrechter geen rekening houden met de door verzoeker benoemde voor hem mogelijk nadelige gevolgen van de ongeldigverklaring, omdat artikel 111, derde lid, Wvw, noch artikel 124, eerste lid, aanhef en onder b, Wvw daarvoor ruimte biedt. Conclusie en gevolgen
9. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. De ongeldigverklaring gaat 5 maart 2026 in. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Boon, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: