ECLI:NL:RBNHO:2026:2779

ECLI:NL:RBNHO:2026:2779

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 10-03-2026
Datum publicatie 17-03-2026
Zaaknummer 15/042907-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

Overtreding art. 6 en 7 WVW. Bewezenverklaring aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend verkeersgedrag en verlaten plaats ongeval. De verdachte heeft vlak voor het ongeval harder gereden dan toegestaan, ondanks een waarschuwing van zijn bijrijder zijn snelheid niet aangepast en zijn aandacht onvoldoende bij de weg gehouden. Hij heeft niet zoveel mogelijk rechts gehouden en is over de dubbel doorgetrokken streep deels op de voor het hem tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook terechtgekomen. Als gevolg daarvan is hij met een tegenligger in botsing gekomen, welke bestuurder zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Vervolgens is de verdachte weggerend. GEV 3 mnd + OBM 2 mnd m.a.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/042907-25 (P)

Uitspraakdatum: 10 maart 2026

Tegenspraak ex artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering (Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 24 februari 2026 in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1]

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S.P. Visser en van wat de raadsman van de verdachte mr. W.J. Morra, advocaat te Amsterdam, naar voren heeft gebracht.

1. Tenlastelegging

De verdachte wordt, kort gezegd, vervolgd voor zijn betrokkenheid bij een aanrijding tussen twee auto’s op 29 november 2024 op de [adres 2] in Assendelft. Bij dit ongeval is [slachtoffer] zwaar gewond geraakt. Aan de verdachte is onder 1 primair ten laste gelegd dat hij zich als bestuurder van een personenauto zo heeft gedragen, dat het ongeval aan zijn schuld te wijten is (overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, hierna: WVW). Onder 1 subsidiair is hem ten laste gelegd dat hij gevaar of hinder op de weg heeft veroorzaakt (overtreding van artikel 5 WVW). Daarnaast wordt de verdachte verweten dat hij de plaats van het ongeval heeft verlaten (feit 2).

De volledige tenlastelegging is als Bijlage 1 bij dit vonnis opgenomen.

2. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde. Doordat de verdachte kort voor het ongeval een voorligger heeft ingehaald, deels op de verkeerde weghelft is blijven rijden, daarbij een dubbel doorgetrokken streep negerend, niet zijn aandacht bij het verkeer hield en harder reed dan toegestaan, acht de officier van justitie het ongeval aan de schuld van de verdachte te wijten. De officier van justitie heeft geconcludeerd dat deze gedragingen zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag als bedoeld in artikel 6 WVW opleveren.

Ook feit 2 kan volgens de officier van justitie bewezen worden verklaard. De verdachte is na het ongeval weggelopen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft ten eerste bepleit dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken, omdat niet kan worden bewezen dat hij de bestuurder was van de bij het ongeval betrokken Kia.

Voor zover de rechtbank zou oordelen dat wel kan worden bewezen dat de verdachte de bestuurder was, heeft de raadsman vrijspraak bepleit voor het onder 1 primair ten laste gelegde feit. Primair omdat niet objectief kan worden vastgesteld welke gedragingen hebben plaatsgevonden. Zo is er geen Verkeersongevallenanalyse gemaakt, waardoor veel vragen over de oorzaak onbeantwoord zijn gebleven en het niet mogelijk is om vast te stellen dat de bestuurder van de Kia zich zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gedragen en dat daardoor het ongeval is ontstaan. Subsidiair meent de raadsman dat enkel kan worden vastgesteld dat de Kia deels op de weghelft van het tegemoetkomend verkeer heeft gereden en dat dit onvoldoende is om schuld als bedoeld in artikel 6 WVW aan te nemen.

Oordeel van de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden

Op grond van de bewijsmiddelen die in Bijlage 2 van dit vonnis staan komt de rechtbank tot bewezenverklaring van de feiten 1 primair en 2. De rechtbank komt tot de conclusie dat de verdachte de bestuurder was en dat het ongeval aan zijn schuld is te wijten. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake geweest van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend verkeersgedrag. In onderstaande bewijsmotivering licht de rechtbank dit toe.

Bewijsmotivering feit 1 primair (schuld in de zin van artikel 6 WVW)

Inleiding

Als vaststaand kan worden aangenomen dat in de late avond van 29 november 2024 een verkeersongeval heeft plaatsgevonden op de [adres 2] te Assendelft. Twee personenauto’s komende uit tegengestelde rijrichtingen, te weten een Toyota bestuurd door de heer [verdachte] en een Kia, zijn op elkaar gebotst. De [adres 2] is voorzien van één rijbaan, bestaande uit twee rijstroken bestemd voor verkeer in tegengestelde richtingen. De maximale toegestane snelheid is 80 kilometer per uur (hierna: km/u). In de flauwe bocht waar het ongeval plaatsvond, is het niet toegestaan om in te halen; dit is op de weg aangegeven met dubbel doorgetrokken strepen. [verdachte] heeft als gevolg van het ongeval zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

De verdachte was de bestuurder

De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat de verdachte op het moment van het ongeval de bestuurder was van de bij het ongeval betrokken Kia. Ten eerste staat deze Kia op naam van de verdachte. Daarnaast heeft getuige [getuige 1] verklaard dat zij ten tijde van het ongeval als bijrijder in de Kia zat en dat de verdachte de auto bestuurde. Deze verklaring vindt steun in de verklaring van getuige [getuige 2], hij heeft verklaard dat de Kia een mannelijke bestuurder had en een vrouwelijke passagier en dat de bestuurder na het ongeval is weggerend.

Dat er contra-indicaties voor deze vaststelling zijn omdat getuigen hebben verklaard dat de bestuurder een blanke man was terwijl de verdachte (ook) de Marokkaanse nationaliteit heeft, zoals door de raadsman bepleit, volgt de rechtbank niet. Nu [getuige 1] in de Kia zat, gaat de rechtbank uit van wat zij heeft verklaard over de identiteit van de bestuurder. Dat andere getuigen hebben verklaard over een bepaalde huidskleur van de bestuurder, doet hier niet aan af. Zij hebben de bestuurder slechts kort, van enige afstand en in het donker gezien en mogelijk de huidskleur niet correct waargenomen of beschreven.

Vaststelling feiten

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank verder de volgende feiten en omstandigheden vast.

Vlak voordat het ongeval plaatsvond, lette de verdachte volgens zijn bijrijder [getuige 1] niet goed op en keek hij vaak naar haar, waardoor hij niet voortdurend en niet voldoende zijn aandacht bij de weg en het verkeer heeft gehouden. Ook heeft hij in de betreffende bocht, bij een dubbel doorgetrokken streep markering, zijn auto niet volledig rechts gehouden en reed hij in het midden van de weg, deels op de rijstrook bestemd voor het tegemoetkomend verkeer. Dit blijkt uit zowel de verklaring van [getuige 1] als de verklaring van [verdachte].

Hoewel uit het dossier blijkt dat de verdachte kort voor het ongeval een andere auto heeft ingehaald, kan de rechtbank niet met voldoende zekerheid vaststellen dat dit van invloed was op het ongeval. Immers kan – gelet op de verklaring van [getuige 1] – niet worden uitgesloten dat de verdachte na die inhaalactie weer (geheel) is teruggekeerd op zijn eigen weghelft voordat hij vervolgens opnieuw (deels) naar de weghelft voor het tegemoetkomend verkeer heeft gestuurd.

Over de snelheid heeft [getuige 1] verklaard dat ze in ieder geval harder reden dan de toegestane 80 km/u. Dit wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 2], die in een auto zat die werd bestuurd door zijn broer en in dezelfde rijrichting als de verdachte reed. Kort nadat zij door de verdachte werden ingehaald, waren zij getuige van de botsing voor hen. Ook hij heeft verklaard dat de verdachte (veel) harder reed dan de maximum snelheid. Hoewel de rechtbank niet de exacte snelheid van de Kia kan vaststellen, bevat het dossier voldoende bewijs dat de verdachte harder heeft gereden dan was toegestaan.

Tot slot stelt de rechtbank vast dat het donker was en dat er geen verlichting was. [getuige 2] heeft verklaard dat zij vanwege die omstandigheden juist alert op de weg waren. Ook heeft [getuige 1] de verdachte na de inhaalactie gewaarschuwd om rustig te rijden, maar hij heeft daarna geen vaart geminderd.

Wettelijk kader

Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Schuld in deze zin kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag, dat in strijd is met één of meer wettelijke verkeersregels, worden afgeleid. Het gaat volgens vaste rechtspraak om het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Bij de omstandigheden van het geval kan ook worden gedacht aan de aard van de verkeerssituatie. Deze kan zodanige aandacht van een bestuurder vergen dat ook een kort moment van onoplettendheid als zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig kan worden aangemerkt.

Conclusie

Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval sprake van een verkeerssituatie die vanuit verkeerstechnisch oogpunt bijzondere oplettendheid en voorzichtigheid van weggebruikers vraagt. Immers, de weg waar het ongeval heeft plaatsgevonden heeft maar één rijbaan en de rijstroken voor het elkaar tegemoetkomende verkeer zijn dus niet fysiek van elkaar gescheiden, zoals door een middenberm. Daarnaast maakt de weg op de locatie van het ongeval een flauwe bocht, waarbij de te betrachten extra voorzichtigheid nog wordt benadrukt door de dubbel doorgetrokken streep op het midden van de weg die duidt op een absoluut inhaalverbod. Bovendien was het ten tijde van het ongeval donker en was de weg niet verlicht.

De verdachte heeft vlak voor het ongeval harder gereden dan toegestaan, ondanks een waarschuwing van zijn bijrijder zijn snelheid niet aangepast en zijn aandacht onvoldoende bij de weg gehouden. Hij heeft niet zoveel mogelijk rechts gehouden en is over de dubbel doorgetrokken streep deels op de voor het hem tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook terechtgekomen. Als gevolg daarvan is hij met een tegenligger in botsing gekomen.

Door zich op een dergelijke weg en onder deze omstandigheden zo te gedragen, heeft de verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gedragen en is het verkeersongeval aan zijn schuld te wijten.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat

feit 1

hij op 29 november 2024 te Assendelft, gemeente Zaanstad als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de [adres 2], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend,

- met een niet toegestane snelheid te rijden; en- niet voortdurend en niet voldoende zijn aandacht bij de weg en het verkeer te houden; en- een dubbele doorgetrokken streep te overschrijden daarbij gedeeltelijk rijdend op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weghelft; en- vervolgens in botsing te komen met een op die weghelft tegemoet komende personenauto,

waardoor de bestuurder van die personenauto (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken heup, een schouderbladbreuk, een hoofdwond en een hersenschudding werd toegebracht;

feit 2

dat hij, als degene door wiens gedraging als bestuurder van een motorrijtuig een verkeersongeval was veroorzaakt, welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Assendelft op de [adres 2], op 29 november 2024 de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander ([slachtoffer]) letsel en schade was toegebracht.

Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 en overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994.

Het bewezenverklaarde levert op:

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven maanden en tot de bijkomende straf van ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaar, met aftrek van de periode dat het rijbewijs van de verdachte al is ingevorderd geweest.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht in geval van een bewezenverklaring de verdachte in lijn met vergelijkbare zaken een taakstraf op te leggen en af te zien van een ontzegging van de rijbevoegdheid die meebrengt dat de verdachte zijn rijbewijs opnieuw kwijt zou raken, nu dat al twaalf maanden ingevorderd is geweest.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek op de zitting is gebleken.

Ernst van het feit

De verdachte heeft door aanmerkelijk onvoorzichtig te rijden een ernstig verkeersongeval veroorzaakt. Hij heeft te hard gereden en zijn aandacht niet volledig op de weg gehouden, waardoor de door hem bestuurde auto op de verkeerde weghelft is gekomen en tegen de tegemoetkomende auto van het slachtoffer is gebotst. Het slachtoffer is hierbij ernstig gewond geraakt. Hij heeft al een langdurig zwaar en intensief medisch traject achter de rug en tot op heden is hij nog niet volledig hersteld. Op de zitting heeft het slachtoffer toegelicht dat de impact van het ongeval op zijn leven enorm is. Hij draagt de gevolgen van het ongeluk tot op de dag van vandaag met zich mee en zijn leven zal nooit meer zijn zoals voor het ongeluk. Extra kwalijk is dat de verdachte na het ongeval is weggelopen en het slachtoffer (evenals zijn bijrijder) heeft achtergelaten, kennelijk om zijn straf te ontlopen. Ook is het daardoor niet mogelijk geweest om te achterhalen of de verdachte onder invloed van alcohol of drugs was ten tijde van het ongeval. De rechtbank rekent dit alles de verdachte zwaar aan.

Persoon van de verdachte

Namens de verdachte is door de raadsman ter zitting naar voren gebracht dat de verdachte begeleiding krijgt van stichting 123Moos en dat hij onder bewind staat.

De rechtbank heeft gelet op het strafblad (Uittreksel Justitiële Documentatie) van de verdachte, gedateerd 29 januari 2026. Daaruit blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld en dit weegt dus niet in het nadeel mee.

Ook heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsrapport van 13 februari 2026 waaruit naar voren komt dat er zorgen zijn over het psychisch functioneren van de verdachte, maar dat de reclassering gelet op de (proces)houding van de verdachte geen mogelijkheden ziet om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen. Geadviseerd is daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.

Op te leggen straf

Bij het bepalen van de op te leggen straf gaat de rechtbank uit van de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De rechtbank neemt als vertrekpunt het oriëntatiepunt voor artikel 6 WVW in de categorie aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag en zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer. Dit oriëntatiepunt maakt onderscheid tussen bestuurders die tijdens het ongeval (i) niet onder invloed waren van alcohol, (ii) een promillage van minder dan 570 microgram per liter uitgeademde lucht (hierna: ug/l) hadden en (iii) een promillage van 570 ug/l of meer hadden. Indien iemand een alcohol- of bloedonderzoek heeft geweigerd, wordt aangesloten bij het oriëntatiepunt voor een alcoholgehalte van 570 ug/l of meer. Door de plaats van het ongeval te verlaten, heeft de verdachte een alcohol- of bloedonderzoek onmogelijk gemaakt. Dit betekent dat de rechtbank zal uitgaan van de hoogste categorie (570 ug/l of meer).

Alles afwegende acht de rechtbank een straf conform de oriëntatiepunten, te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor twee jaar, passend en geboden. De rechtbank zal bepalen dat de tijd dat het rijbewijs al ingevorderd is geweest van de rijontzegging wordt afgetrokken.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

57 van het Wetboek van Strafrecht;

6, 7, 175, 176, 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Veroordeelt de verdachte ter zake van feit 1 tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 (twee) jaren met aftrek overeenkomstig artikel 179, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.H. de Jonge van Ellemeet, voorzitter,

mr. I.M. Hendriks en mr. M. Goedhart, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Bleijendaal,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 maart 2026.

Bijlage 1

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a Sv, ten laste gelegd dat:

feit 1

primair:hij op of omstreeks 29 november 2024 te Assendelft, gemeente Zaanstad als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de [adres 2], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- met een niet toegestane, althans onverantwoord hoge snelheid te rijden; en/of- niet voortdurend en niet voldoende zijn aandacht bij de weg en het verkeer te houden en niet voortdurend de controle over zijn motorrijtuig te houden; en/of- vervolgens een dubbel doorgetrokken streep negerend in te halen, althans een dubbele doorgetrokken streep te overschrijden daarbij geheel, althans gedeeltelijk rijdend op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weghelft; en/of- vervolgens in botsing te komen met een op die weghelft tegemoet komende personenauto,

waardoor de bestuurder van die personenauto (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken heup, een schouderbladbreuk, een hoofdwond, een hersenschudding en een inwendige bloeding in de buik, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair:

hij op of omstreeks 29 november 2024 te Assendelft, gemeente Zaanstad als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de [adres 2], met een niet toegestane, althans onverantwoord hoge snelheid een dubbele doorgetrokken streep heeft genegeerd en is gaan inhalen, in elk geval een dubbel doorgetrokken streep heeft overschreden en op de weghelft bestemd voor het tegemoetkomende verkeer is gaan rijden en in botsing is gekomen met een op die weghelft tegemoet komende personenauto, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

feit 2

dat hij, als degene door wiens gedraging (al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig) een verkeersongeval was veroorzaakt, welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Assendelft op/aan de [adres 2], op of omstreeks 29 november 2024 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer]), aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten en/of terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander ([slachtoffer]) letsel en/of schade was toegebracht.

Bijlage 2

De bewijsmiddelen

(…)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?