RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 19 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
de minister van Buitenlandse Zaken
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/5517
(gemachtigden: mr. E.W. Jurjens en mr. T. de Boer)
en
(gemachtigde: S. Raterink).
1. Deze uitspraak gaat over de besluitvorming van de minister naar aanleiding van een verzoek van eiser op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). De minister heeft aan eiser in eerste instantie een overzicht verstrekt van documenten waarin persoonsgegevens van hem zijn verwerkt. In de beslissing op bezwaar heeft de minister aan eiser een vernieuwd overzicht verstrekt van documenten en een afschrift verzonden van een deel van die documenten. Eiser is het niet eens met de besluitvorming. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de besluitvorming.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het overzicht van verstrekte documenten onvoldoende duidelijk is. Ook is de rechtbank van oordeel dat de minister de weigering van inzage in (delen van) documenten niet concreet genoeg heeft gemotiveerd. Eiser krijgt wat dit betreft dus gelijk. Het beroep is om die reden gegrond. De grond van eiser over de wijze van verstrekking van de gegevens slaagt niet. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 14 augustus 2023 een verzoek ingediend, onder meer op grond van de AVG. De minister heeft op 6 november 2023 op dat verzoek beslist. Met het bestreden besluit van 5 juli 2024 op het bezwaar van eiser heeft de minister het bezwaar deels gegrond verklaard en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De minister heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Een deel van de stukken heeft de minister toegezonden onder geheimhouding van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiser heeft de rechtbank toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb om mede op grond van die documenten uitspraak te doen.
De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigden van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht op 19 maart 2026 uitspraak te doen.
Beoordeling door de rechtbank
Wat is er gebeurd?
Eiser is journalist en fotograaf. In zijn werk ligt de nadruk op ontwikkelingen in Syrië, Turkije en andere landen in het Midden-Oosten. Sinds ongeveer 2017 ervaart eiser (ernstige) belemmeringen bij het internationaal reizen. In 2023 heeft Follow the Money ontdekt dat de naam van eiser voorkomt in een ‘Terrorist Screening Database’ van de FBI. Eiser vermoedt dat zijn naam en/of andere persoonsgegevens op enig moment ten onrechte door Nederlandse autoriteiten zijn gedeeld met in elk geval de Verenigde Staten. Eiser heeft daarom bij verschillende instanties verzoeken ingediend om helder te krijgen welke informatie door Nederlandse autoriteiten is gedeeld, met wie die informatie is gedeeld, of de informatie klopt en ook om eventueel onjuiste verwerkingen te laten rectificeren of te verwijderen.
Op 14 augustus 2023 heeft eiser bij de minister een verzoek ingediend. Eiser heeft verzocht om een overzicht van en/of inzage in alle persoonsgegevens die de minister (waaronder ook begrepen alle consulaten en ambassades) over hem heeft verwerkt, in de periode 2012 tot op de datum van het verzoek. Eiser heeft ook gevraagd om (verlopen) verlengingen en intrekkingen van signaleringen, meldingen en/of verstrekkingen in kaart te brengen en kopieën daarvan aan hem te verstrekken. Verder vraagt hij om kopieën van eventuele persoonsgegevens van hem die uit openbare bronnen zijn gehaald en zijn gebruikt binnen het ministerie. Aanvullend vraagt hij om bij elke aangetroffen verwerking van zijn persoonsgegevens te specificeren wat het doel is of was van de verwerking, aan wie en/of aan welke partij of autoriteit de gegevens zijn verstrekt, wat de herkomst is van de gegevens en welke passende waarborgen voor doorgifte de minister heeft getroffen als zij deze gegevens heeft doorgegeven aan een ander land of aan een internationale organisatie. Ook vraagt eiser om een uitputtend overzicht van de afdelingen en systemen die in de afhandeling van het verzoek wel en niet zijn geraadpleegd, en op welke wijze dit is gebeurd.
De minister heeft op 6 november 2023 op het verzoek beslist. De minister heeft een inventarisatie uitgevoerd van de persoonsgegevens van eiser die het ministerie heeft verwerkt. De minister heeft als bijlage bij het besluit een overzicht verstrekt van 52 documenten waarin persoonsgegevens van eiser zijn verwerkt. Volgens de minister stelt dat overzicht eiser in staat om de juistheid van de persoonsgegevens te controleren en om te controleren of die in overeenstemming met de AVG zijn verwerkt. De minister heeft persoonsgegevens van derden niet verstrekt. In het besluit staat verder dat de minister persoonsgegevens van eiser heeft verwerkt in het kader van het verlenen van consulaire bijstand en in het kader van de behandeling van het AVG-verzoek. Voorts is in het besluit informatie opgenomen over de categorieën van persoonsgegevens die zijn verwerkt, aan wie de persoonsgegevens zijn verstrekt en wat de herkomst is van de gegevens.
De minister heeft het bezwaar van eiser op verschillende onderdelen gegrond verklaard. Bij het bestreden besluit van 5 juli 2024 heeft de minister een vernieuwd overzicht verstrekt, waar 53 documenten op staan vermeld. De documenten van die lijst met nummers 1 tot en met 25 dateren uit 2017. De documenten met nummers 26 tot en met 41 dateren uit 2019. De documenten met nummers 42 tot en met 52 dateren blijkens dat overzicht uit 2020. Document 53 is van mei 2021. De minister heeft aan eiser een afschrift verstrekt van een deel van die documenten, al dan niet met weglakkingen. In het vernieuwde overzicht staat bij de documenten met nummers 42, 47, 49, 50, 51 en 53 de omschrijving ‘niet verstrekken’.
Het beroep
4. Eiser heeft beroep ingesteld op gronden die hierna, voor zover voor de beslissing van belang, aan de orde komen.
In onderdeel 5 van zijn aanvullende beroepschrift van 13 januari 2025 stelt eiser dat de minister heeft geweigerd om (volledig) afschrift te verstrekken van zes documenten. In onderdeel 6 van dat aanvullende beroepschrift staat dat de gronden zijn gericht tegen de weigering om inzage te verstrekken in ‘voornoemde stukken’. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser desgevraagd verklaard dat het beroep niet beperkt is tot enkel die zes documenten maar dat het beroep ruimer is bedoeld. De rechtbank gaat daar in het navolgende dan ook vanuit.
AVG als basis voor de beoordeling
5. Eiser heeft zijn verzoek gebaseerd op verschillende wettelijke regelingen, namelijk de AVG, de Wet politiegegevens, de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017. De minister heeft zich bij de afhandeling van dat verzoek enkel gebaseerd op de AVG. Eiser heeft zich daar niet tegen verzet. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de minister uitsluitend persoonsgegevens van eiser heeft verwerkt op grond van de AVG en niet op basis van de andere wetgeving die eiser in het verzoek noemt. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank de beoordeling van het beroep ook uitsluitend baseert op de AVG en de daarbij bijbehorende uitvoeringswet.
Is voldoende duidelijk wat er is verstrekt?
6. De minister heeft aan eiser digitale documenten verstrekt, via een bestand ‘dossier 2017’ en via een bestand ‘dossier 2019’. Bij de beoordeling van de vraag of voldoende duidelijk is wat er aan eiser is verstrekt, stelt de rechtbank voorop dat zij die twee digitale bestanden niet ontvangen heeft.
Dossier 2017
Eiser stelt dat uit het (digitale) dossier 2017 niet blijkt welk document correspondeert met welk nummer op de herziene inventarislijst die bij het bestreden besluit is gevoegd. Bovendien komen volgens eiser de tijdstippen en titels genoemd in de tabel van ‘dossier 2017’ in meerdere gevallen niet overeen met de tijdstippen en titels in de inventarislijst. Eiser noemt op dit punt nummers 5 tot en met 7 van de inventarislijst. Eiser voegt hieraan toe dat andere weergaven in ‘dossier 2017’ niet voorkomen in de inventarislijst. Ter illustratie noemt hij in het aanvullend beroepschrift een document ‘Dank mail cp’, pagina 5 van dossier 2017.
Verder stelt eiser dat van nummers 4, 21 en 23 van de inventarislijst niet duidelijk is of die in dit dossier zitten. In dossier 2017 zijn volgens eiser de tabellen leeg die bij die nummers horen, er staat wel een tijdstip en titel, maar geen andere tekst. Voor nummer 22 geldt volgens eiser dat op pagina 16 van het dossier wordt gewezen naar ‘bijgaande mailwisseling en bericht’ maar is het niet duidelijk of dat is bijgevoegd.
De rechtbank is het met eiser eens dat voor ‘dossier 2017’ geldt dat tot aan de behandeling ter zitting onvoldoende duidelijk was wat er wel en wat er niet of niet geheel is verstrekt. Hiertoe overweegt zij het volgende.
Volgens verweerder maken de documenten die op het herziene overzicht zijn genummerd 1-16, 18-19 en 21-25 deel uit van het bestand genaamd ‘dossier 2017’. Verweerder heeft documenten overgelegd, als bijlage 15b van de gedingstukken.
De rechtbank constateert dat de nummering van die gedingstukken niet overeenkomt met de nummering van het overzicht. Op de desbetreffende stukken staan zowel links onderaan de pagina als rechts onderaan de pagina’s allerlei nummers, maar niet de nummering van het overzicht. Bovendien lijkt er geen chronologische volgorde te zijn gehanteerd bij de verstrekte stukken. Dit maakt dat de koppeling tussen de documenten en de inventarislijst niet of lastig te maken is. Deze nummering staat wel op de stukken die verweerder onder geheimhouding heeft overgelegd, maar eiser heeft die stukken niet ontvangen.
Op zitting heeft de gemachtigde van verweerder onder andere verklaard dat de nummering niet bepaald eenduidig is. Aan de hand van de tijdstippen en onderwerpen van de lijst is de inhoud echter wel terug te voeren naar de stukken die er zijn. Ook heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat de lijst op bepaalde punten niet helemaal lijkt te kloppen. Naar het oordeel van de rechtbank belemmerde dit eiser in de mogelijkheid om zelfstandig te constateren wat er wel en wat er niet is verstrekt. Bovendien ligt het in de eerste plaats op de weg van verweerder om voldoende inzichtelijk te maken welke persoonsgegevens er zijn verwerkt en in dit geval aan eiser zijn verstrekt. Als de minister zoals in dit geval gebruik maakt van een inventarislijst, moet de minister ervoor zorgen dat de nummering van die lijst overeenkomt met de nummering op de (deels) verstrekte documenten. Die lijst maakt dan namelijk onderdeel uit van het besluit en daarmee van de motivering. De minister kan niet in redelijkheid van eiser vergen dat hij aan de hand van tijdstippen en onderwerpen zelf die koppeling probeert te maken. Daarbij komt dat eiser onweersproken heeft gesteld dat de tijdstippen en titels van de documenten niet in alle gevallen overeenkomen met die op het herziene overzicht.
Op de zitting heeft verweerder nummers 4, 21, 22 en 23 van de inventarislijst toegelicht. Voor het document dat op de inventarislijst nummer 4 heeft gekregen, geldt volgens verweerder dat dit een melding is dat het dossier is afgesloten. Daarom is die tabel leeg. Voor het document met nummer 21 geldt dat het enkel een melding is die is gemaakt. Ook nummer 23 van de inventarislijst bevat geen tekst, omdat het een interne melding is dat er gecontroleerd moet worden op welk niveau nog consulaire bijstand moet worden gegeven. Daar zit volgens verweerder verder niets bij. Over nummer 22 heeft de gemachtigde van verweerder uitgelegd dat nummer 20 een mailwisseling is over een arrestatie van eiser en dat die bij nummer 22 hoort. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de hiervoor benoemde onduidelijkheden ter zitting voldoende heeft toegelicht. Doordat die motivering niet in het bestreden besluit staat, althans doordat deze onduidelijkheid niet is voorkomen door ervoor te zorgen dat de nummering van de inventarislijst overeenkomt met de nummering op de (deels) verstrekte documenten, is sprake van een motiveringsgebrek.
Dossier 2019
Eiser stelt dat de documenten met nummers 26 tot en met 41 zijn verstrekt in het digitale ‘dossier 2019’. Volgens eiser is bij veel documenten geen volledige weergave van de e-mailcorrespondentie gegeven, maar is er alleen een passage weergegeven in de tabel, met name vanaf p. 5 van ‘dossier 2019’. Hierdoor is het voor eiser niet mogelijk om na te gaan of volledige inzage is gegeven in de correspondentie die ziet op hem en die dus zijn persoonsgegevens betreffen, of dat er delen zijn weggelaten die mogelijk ook zijn persoonsgegevens bevatten. Daarnaast acht eiser de gegevens in de aanhef van een e-mailverzending relevant, omdat dit laat zien tussen hoeveel personen c.q. instanties de informatie is uitgewisseld. Daarmee wordt informatie verstrekt over de verzenders en ontvangers. Die informatie mag niet ontbreken, zo stelt eiser. Meer concreet stelt eiser zich op het standpunt dat geen tekst is weergegeven in de tabel die hoort bij het document met nummer 37 op de lijst. Voor nummer 39 van de lijst geldt dat er enkel staat vermeld “ Zie note 1”.
De rechtbank is het met eiser eens dat (ook) voor ‘dossier 2019’ geldt dat tot aan de behandeling ter zitting onvoldoende duidelijk was wat er wel en wat er niet of niet geheel is verstrekt. Hiertoe overweegt zij het volgende.
In het bestreden besluit staat dat de minister titels van documenten geanonimiseerd heeft, omdat daar namen van ambtenaren en derden in zouden staan. Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister verklaard dat in een beperkt aantal gevallen de namen zijn weggelakt. Volgens de minister ging het in 2019 vooral om mailwisselingen. De gemachtigde van de minister heeft onder verwijzing naar nummers 26, 27, 30 en 32 van de lijst toegegeven dat in het overzicht niet duidelijk staat dat sommige documenten slechts gedeeltelijk zijn verstrekt. Er zijn niet alleen namen weggelakt maar ook andere elementen.
Voor nummer 37 van de lijst geldt volgens de minister dat het hier gaat om gegevens van een ander persoon. Nummer 39 is een melding die is gemaakt op een bepaald moment om te kijken or er nog actie nodig is. De rechtbank is van oordeel dat dit alles onvoldoende is gemotiveerd in het bestreden besluit en dat ook voor ‘dossier 2019’ geldt dat de minister ervoor had moeten zorgen dat de nummering van de inventarislijst overeenkomt met de nummering op de (deels) verstrekte documenten.
Op de zitting is ook gesproken over het document dat op de lijst nummer 41 heeft. Dit zou gaan om een uittreksel uit de basis registratie personen (voorheen: gemeentelijke basisadministratie) met een bijlage. De gemachtigde van de minister heeft verklaard dat het uittreksel niet is verstrekt omdat die al bij eiser bekend is, en dat zij niet weet wat de bijlage is die genoemd wordt. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit onvoldoende duidelijk heeft gemaakt wat er wel en niet is verstrekt. Ter zitting is veel verduidelijkt, maar dit had in een eerder stadium gemoeten. Doordat die motivering niet in het bestreden besluit staat is ook op dat punt sprake van een motiveringsgebrek.
Overige documenten
Op de herziene overzichtslijst die bij het bestreden besluit hoort, staan ook documenten met nummers 42 tot en met 53. Dat zijn hoofdzakelijk verwerkingen uit 2020. Het document met nummer 53 is van 2021. In het bestreden besluit staat dat de minister documenten 43-46 en 48 los aan eiser heeft verstrekt en dat de overige documenten niet aan hem verstrekt zijn.
De rechtbank constateert dat niet goed te achterhalen valt welke van de documenten horen bij deze nummers van de herziene inventarislijst. Daardoor is ook niet inzichtelijk wat er wel en wat er niet aan eiser is verstrekt. Eiser stelt dat op de inventarislijst staat dat document 44 is verstrekt, maar dat hij het niet heeft gekregen. Volgens de gemachtigde van de minister gaat het om een mailwisseling die deels is verstrekt. De rechtbank stelt vast dat op de herziene inventarislijst staat dat document 44 verstrekt moet worden en document 43 deels. Dit komt dus niet overeen met de verklaring van de gemachtigde van de minister.
Op de zitting heeft de rechtbank geprobeerd hierover meer duidelijk te krijgen. Zoals al werd overwogen, heeft de minister als gedingstuk 15b de aan eiser verstrekte documenten in het geding gebracht en komt de nummering op die documenten niet overeen met die van de lijst. Op het eerste document dat bij gedingstuk 15b achter de inventarislijst zit, staat bijvoorbeeld een foto. Bij de voorbereiding van de zitting heeft de rechtbank zich afgevraagd welk document van de inventarislijst dit zou zijn. Ter zitting heeft de minister desgevraagd aangegeven dat dit document een openbaar stuk betreft en niet op de inventarislijst staat. Ook is geconstateerd dat het document dat op de 5de pagina staat, nummer 44 van de inventarislijst is. Volgens de gemachtigde van de minister staat op de pagina daarvóór, dus pagina 4 van de gedingstukken, het document dat op de inventarislijst nummer 43 heeft. Dit is een e-mail van 17 augustus 2020 met onderwerp ‘RE: update Sadir Khader’. Op de herziene inventarislijst staat echter dat nummer 43 gaat om een e-mail van
8 september 2020. Uit het vorenstaande blijkt dat de informatie van de lijst niet overeenkomt met wat er in de document staat. Bovendien is hierdoor niet goed te achterhalen wat de minister wel en wat de minister niet heeft verstrekt. De minister heeft niet deugdelijk gemotiveerd hoe de koppeling tussen de inventarislijst en de verstrekte documenten te maken is.
De rechtbank is van oordeel dat eiser ook door deze onduidelijkheden in zijn belangen is geschaad. Hij kan immers aan de hand van de herziene inventarislijst niet goed verifiëren welke documenten hij heeft gehad, welke documenten hij niet heeft ontvangen en ook niet waarom hij (delen van) documenten niet heeft gekregen. Dit belemmert eiser in de uitoefening van zijn rechten op grond van de AVG. De beroepsgrond van eiser dat niet voldoende duidelijk is wat is verstrekt, slaagt. De inventarislijst maakt deel uit van de motivering van het besluit. Vanwege de geconstateerde onduidelijke koppeling tussen de lijst en de documenten, wordt het bestreden besluit vernietigd. De minister moet opnieuw op het bezwaar beslissen en daarbij een nieuwe inventarislijst opmaken waarin er in de nummering een duidelijk verband bestaat tussen die lijst en de (deels) verstrekte documenten. Zo nodig moet hierbij dus ook een nieuwe kopie van de (deels) verstrekte documenten gevoegd worden, waarbij elk document duidelijk te onderscheiden is en genummerd is corresponderend met de inventarislijst.
Gehanteerde weigeringsgronden
De minister heeft (delen van) documenten geweigerd op grond van artikel 15, vierde lid, van de AVG, respectievelijk artikel 23, eerste lid, aanhef en onder a van de AVG, in combinatie met artikel 41, eerste lid, aanhef en onder i van de Uitvoeringwet AVG (UAVG). Volgens de minister gaat het hier om (passages van) documenten waarin het ministerie bij Turkse autoriteiten geïnformeerd heeft naar de arrestatie van eiser en de gevolgen daarvan. De verwerking van persoonsgegevens van eiser vond plaats om duidelijkheid te krijgen over zijn situatie. Op diplomatiek niveau vanuit de ambassade en in een gesprek van de (toenmalige) minister met zijn Turkse ambtsgenoot is navraag gedaan om die duidelijkheid te krijgen. De documenten zijn diplomatiek van aard en in vertrouwen gedeeld. Als de minister die informatie zou verstrekken, zou de vertrouwelijkheid en effectiviteit van het diplomatieke verkeer in het geding komen. Los van de diplomatieke verhoudingen met dat land, zou dit in brede zin ook van invloed kunnen zijn op (toekomstige) kwesties zoals de onderliggende kwestie waarin het ministerie en de betrokken personen (zoals eiser in dit geval) afhankelijk is van een ander land. Het zou ertoe kunnen leiden dat Turkije of andere landen in de toekomst minder bereidwillig zijn om relevantie informatie te delen met het ministerie. Dat zou de manier waarop de minister invulling kan geven aan consulaire dienstverlening in individuele zaken negatief beïnvloeden, aldus de minister.
De rechtbank overweegt dat uit het vierde lid van artikel 15 van de AVG volgt dat het recht op een kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt, geen afbreuk mag doen aan de rechten en vrijheden van anderen. Uit art. 23 AVG jo art. 41 lid 1 aanhef en onderdeel i UAVG volgt dat dit recht op inzage kan worden beperkt indien dit in het individuele geval noodzakelijk en evenredig is ter waarborging van de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen. Onder “anderen” dient ook de verwerkingsverantwoordelijke te worden verstaan. Op basis van dit laatste volgt de rechtbank eiser in dit specifieke geval niet in diens standpunt dat de bescherming van het diplomatiek verkeer geen belang zou zijn dat gelijk te stellen is met een recht of vrijheid van een derde. In dit geval is de verwerkingsverantwoordelijke de minister van buitenlandse zaken, die van doen heeft met diplomatiek verkeer.
De rechtbank kan de hiervoor weergegeven algemene redenering van de minister dus volgen. Zij is echter ook van oordeel dat de minister per (deels) geweigerde inzage onvoldoende concreet gemotiveerd heeft waarom het geven van inzage aan eiser in de verwerking van zijn eigen persoonsgegevens negatieve gevolgen zou kunnen hebben voor de consulaire dienstverlening in toekomstige individuele gevallen. De minister moet daarom per (deels) geweigerde inzage nader motiveren waarom dit maakt dat het in het geval van eiser noodzakelijk en evenredig is. De rechtbank volgt daarom eiser in diens betoog dat de weigering onvoldoende is gemotiveerd.
De manier waarop inzage is gegeven
Eiser stelt dat de minister geen inzage heeft geboden in de zin van de AVG. De omschrijving van de documenten is volgens eiser uitermate summier. Op basis van die summiere omschrijvingen is eiser niet in staat om te beoordelen welke persoonsgegevens zijn verwerkt en of de verwerkte informatie correct is. Op de zitting heeft eiser verklaard dat bijvoorbeeld voor document 50 geldt dat op basis van de tabel niet te controleren is wat er is gelakt.
De minister betoogt dat voldaan is aan het doel van artikel 15, derde lid, van de AVG. Volgens de minister kan uit het overzicht worden opgemaakt wat de inhoud van de documenten is en hoe persoonsgegevens van eiser zijn verwerkt.
De rechtbank stelt voorop dat artikel 15 van de AVG bepaalt welke informatie bij een inzageverzoek verstrekt moet worden. In het derde lid van dat artikel staat dat de verwerkingsverantwoordelijke aan de betrokkene ‘een kopie’ verstrekt van de persoonsgegevens die worden verwerkt. Het is vaste rechtspraak dat die bepaling een bestuursorgaan niet verplicht om een kopie te verstrekken van de documenten waarin die persoonsgegevens voorkomen. Het bestuursorgaan mag een andere vorm van verstrekking kiezen, maar met de gekozen manier van verstrekken moet aan het doel van deze bepaling zijn voldaan. Het gaat erom dat betrokkene zich van de verwerking op de hoogte kan stellen en de juistheid daarvan kan controleren.
Het voorgaande betekent dat het aan minister is om de wijze van verstrekking te bepalen. De tabel in het primaire besluit bevat de onderwerpen ‘doeleinden’, ‘categorieën van persoonsgegevens’, ‘aan wie en/of welke partij of autoriteit de gegevens zijn verstrekt’, ‘herkomst van persoonsgegevens’ en ‘passende waarborgen in geval van doorgifte’. De tabel van de inventarislijst behorende bij het bestreden besluit bevat kolommen met de volgende titels: ‘nr’, ‘datum’, ‘document’, ‘verwerkingsdoel’, ‘persoonsgegevens’, ‘herkomst’, ‘verzender’, ‘ontvanger’ en ‘opmerkingen’. Vervolgens wordt dat in de lijst per document ingevuld. In dit geval zijn sommige documenten verstrekt, voor andere documenten is de inhoud (deels) weergegeven in de tabel. mDe rechtbank is van oordeel dat minister hiermee voldaan heeft aan artikel 15, derde lid, van de AVG. De beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit niet goed is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Het ligt op de weg van de minister om te zorgen voor een inzichtelijke lijst en documentenset en de weigering beter te motiveren. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigden van eiser een beroepschrift hebben ingediend en aan de zitting hebben deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 5 juli 2024;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, voorzitter, en mr. A.H. de Regt en mr. H.E. Noordhoek, leden, in aanwezigheid van mr.F. Vermeij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.