RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/158052-25 (P)
Uitspraakdatum: 10 maart 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 24 februari 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1],
nu feitelijk verblijvende op het adres [adres 2].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. J.A. Zwinkels en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. I.J.M. de Wit, advocaat te Laren, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 04 april 2025 te Wervershoof, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een/meerdere Vuurwerk Brandstof Combinaties (VBC), (telkens) bestaande uit een fles met een brandbare en/of snel ontvlambare (vloei)stof, met daaraan bevestigd een of meerdere cobra's, althans zwaar vuurwerk, op/bij een of meer auto’s te plaatsen en/of met open vuur in aanraking te brengen, als gevolg waarvan een ontploffing is ontstaan en/of (vervolgens) brand is uitgebroken terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de woning gelegen aan de [adres 3] en/of de aldaar geparkeerde auto's en/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten aanwezige personen in de woning aan de [adres 3], te duchten was.
2. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, met uitzondering van het levensgevaar.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de verdachte heeft betoogd dat uit het dossier niet volgt dat sprake is geweest van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander. Van dat bestanddeel moet de verdachte (partieel) worden vrijgesproken.
Oordeel van de rechtbank
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis staan. De rechtbank acht bewezen dat door de brandstichting en ontploffing gevaar voor zwaar lichamelijk letsel bij personen te duchten is geweest. Dit wordt hierna nader toegelicht.
Nadere bewijsmotivering
Om te kunnen vaststellen of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht (Sr) was te duchten, is vereist dat dit gevaar ten tijde van de gedraging naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was. Dit hangt af van de omstandigheden van het geval. Dat de dader zelf dat gevaar wellicht niet heeft voorzien, is in dat verband niet van belang.
Feiten en omstandigheden
Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank het volgende af. De verdachte heeft in de ochtend van 4 april 2025 op twee naast elkaar geparkeerde auto’s vier vuurwerkbrandstofcombinaties (VBC) gelegd, op elke motorkap twee stuks. Bij ten minste twee VBC’s is gebruik gemaakt van zwaar knalvuurwerk (cobra 6). De auto’s stonden met de voorzijde naar de woning aan de [adres 3] gericht, op ongeveer een halve meter van de gevel. De verdachte heeft drie van de vier VBC’s met een gasbrander aangestoken, waarna deze zijn ontploft. Bij de auto waarop de beide VBC’s zijn aangestoken en ontploft is brand ontstaan. De verdachte heeft na het aansteken van de VBC’s de plaats delict verlaten zonder iemand te waarschuwen.
Gevaar voor goederen
De ontploffingen en de ontstane brand hebben gemeen gevaar voor goederen opgeleverd. De auto van de aangever is namelijk fors beschadigd en de brand had makkelijk kunnen overslaan naar de auto van zijn partner die er direct naast stond. Aan de voorgevel van de woning was als gevolg van de brand beroeting te zien. Deze schade had, als de brand later was ontdekt, mogelijk veel groter kunnen zijn, gezien de korte afstand van de auto tot de woning. Dit alles was voorzienbaar, omdat de verdachte bij drie VBC’s brandstof (benzine) heeft gecombineerd met het (zware) vuurwerk. De verdachte heeft zelf ook verklaard dat hij dit heeft toegevoegd om de auto te verwoesten.
Gevaar voor personen
De aangever en zijn partner, de eigenaren van de betreffende auto’s, waren thuis op het moment van de ontploffingen en de brand. Zij lagen te slapen in een kamer aan de voorkant van de woning. Gelet op het vroege tijdstip (vóór 07.00 uur), was het ook mogelijk geweest dat zij de brand niet tijdig hadden ontdekt en de brand was uitgebreid naar de woning voordat zij zichzelf in veiligheid hadden kunnen brengen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de ontploffingen en de als gevolg daarvan ontstane brand gevaar voor zwaar lichamelijk letsel als gevolg heeft gehad. Ook hiervoor geldt dat dit gevaar naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was, omdat de verdachte een brand versnellend middel heeft toegevoegd aan het zware vuurwerk en de auto’s op een halve meter van de woning stonden.
Partiële vrijspraak
Uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat de kracht van de ontploffingen en de omvang van de brand zodanig zijn geweest, dat hiervan levensgevaar te duchten is geweest. De verdachte zal van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat
hij, op 4 april 2025 te Wervershoof, opzettelijk brand heeft gesticht en een ontploffing teweeg heeft gebracht, door meerdere Vuurwerk Brandstof Combinaties (VBC), bestaande uit een fles met een brandbare en snel ontvlambare vloeistof, met daaraan bevestigd een cobra, althans (zwaar) vuurwerk, op auto’s te plaatsen en met open vuur in aanraking te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten de woning gelegen aan de [adres 3] en de aldaar geparkeerde auto’s en- gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten aanwezige personen in de woning aan de [adres 3], te duchten was.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk brand stichten en een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 447 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 270 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De officier van justitie heeft gevorderd aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden te verbinden zoals geadviseerd door de reclassering en deze dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Daarnaast heeft de officier van justitie een taakstraf van 200 uur gevorderd.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Ook heeft zij verzocht aan te sluiten bij het reclasseringsrapport waarin is geadviseerd een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen en geen hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan het voorarrest. Dit omdat de kliniek waarin de verdachte nu verblijft met de reclassering een plan van aanpak maakt voor de ambulante behandeling na ontslag uit de kliniek en een terugkeer naar de gevangenis dit plan zou doorkruisen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich in de vroege ochtend van 4 april 2025 schuldig gemaakt aan het veroorzaken van ontploffingen en brandstichting, door op twee auto’s zelfgemaakte vuurwerkbommen te plaatsen. De verdachte heeft verklaard het delict te hebben gepleegd onder invloed van drugs en vanwege gevoelens van woede jegens één van de aangevers. De auto’s stonden direct voor een woning naast elkaar geparkeerd, onder de slaapkamer van de bewoners. Op het moment van de ontploffingen lagen zij te slapen. Ten gevolge van de ontploffingen en de brand is één van de auto’s onherstelbaar verwoest. Brandstichting is een zeer ernstig feit, omdat het tot een oncontroleerbaar gevaarlijke situatie kan leiden die snel uit de hand kan lopen. De verdachte heeft met de vuurwerkbommen het risico genomen dat de ontstane brand zou overslaan naar de woning en dat de bewoners als gevolg hiervan zwaar letsel zouden oplopen. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan. De bewoners zijn na de ontploffingen nog geruime tijd zeer angstig geweest en hebben maanden niet thuis durven slapen. Ook voor de buurt moeten de ontploffingen in een woonwijk op de vroege ochtend heftig zijn geweest.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de reclassering van 5 februari 2026.
De reclassering ziet een verband tussen het bewezenverklaarde feit en problemen van de verdachte op diverse leefgebieden, waaronder zijn middelengebruik en zijn psychosociaal functioneren. Sinds de voorlopige hechtenis van de verdachte op 19 november 2025 is geschorst en hij is opgenomen in de Mondriaan kliniek, heeft de verdachte zich meewerkend opgesteld en laat hij een wil tot verandering zien. De reclassering acht het wenselijk dat de verdachte zijn klinische behandeling geheel afrondt en nadien ambulante behandeling ontvangt om een terugval in middelengebruik te voorkomen. Mogelijk is het ook nodig dat de verdachte enige tijd begeleid gaat wonen voordat hij kan terugkeren naar zijn eigen woning. Wanneer het huidige klinische traject en de vervolgtrajecten worden voortgezet, is de prognose op een vermindering van het recidiverisico gunstig. Hierbij zal gewerkt moeten worden aan de verslavingsproblematiek, beïnvloedbaarheid, copingvaardigheden en het maken van bewuste keuzes om risico’s in de toekomst te vermijden.
De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, waaronder (voortzetting van) opname in een zorginstelling, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang en beheersing van middelengebruik. Ter zitting heeft de verdachte aangegeven hard te werken aan zijn verslaving en heeft hij zich bereid verklaard zich aan de geadviseerde voorwaarden te houden.
De op te leggen straf
Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit en opgelegde straffen in vergelijkbare zaken, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur op zijn plaats. De verdachte heeft 177 dagen (bijna zes maanden) in voorarrest gezeten, waarna hij is geschorst om klinisch te worden opgenomen. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding om het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf te beperken tot die 177 dagen, zodat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. Daarbij is voor de rechtbank van belang dat de reclassering heeft geadviseerd dat de kans op herhaling wordt verkleind indien de verdachte de klinische behandeling (waarin hij gemotiveerd aan zijn verslaving werkt) en de daarop volgende ambulante behandeling geheel afrondt. Oplegging van een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zou de ingezette behandeling doorkruizen. Dit zou naar het oordeel van de rechtbank onwenselijke gevolgen hebben voor zowel de verdachte als de maatschappij. Ook weegt mee dat de verdachte tijdens de (langdurige) klinische opname beperkte bewegingsvrijheden heeft.
Alles afwegend acht de rechtbank daarom een straf gelijk aan de eis van de officier van justitie passend en geboden. De rechtbank zal opleggen een gevangenisstraf van 447 dagen, waarvan 270 dagen voorwaardelijk, met daaraan verbonden een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Ook legt de rechtbank een taakstraf van 200 uur op.
Gelet op de omstandigheid dat (i) de reclassering een verband heeft geconstateerd tussen het middelengebruik van de verdachte en het gepleegde strafbare feit en (ii) de behandeling van de middelenproblematiek van de verdachte nog niet is afgerond, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte zonder beschermend kader wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Om die reden beveelt de rechtbank dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.
7. Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel
Vordering benadeelde partij [benadeelde 1]
Inleiding
[benadeelde 1] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 28.753,95, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 26.753,95 voor vergoeding van materiële schade en € 2.000,00 voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld). De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen: (i) opstellen van een schaderapport voor de verwoeste auto (€ 168,19), (ii) schade aan de verwoeste auto (€ 22.880,00) en (iii) hotelkosten (€ 3.705,76). Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunten
De officier van justitie acht de vordering voldoende onderbouwd zodat deze in zijn geheel moet worden toegewezen.
Namens de verdachte is primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces met zich brengt. Subsidiair wordt de vordering op alle onderdelen betwist, met uitzondering van de schadevaststelling. Voor zover relevant, bespreekt de rechtbank het namens de verdachte aangevoerde hieronder bij de betreffende delen van de vordering.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schadevergoeding
De gemaakte kosten voor het schadevaststellingsrapport van Dekra Automotiv zijn kosten gemaakt voor het vaststellen van schade en vallen onder vermogensschade op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Deze post is niet betwist en de gemaakte kosten zijn naar het oordeel van de rechtbank redelijk. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe.
Over de schade aan de auto is namens de verdachte aangevoerd dat deze schade mogelijk wordt vergoed door de verzekering van de benadeelde partij en nu hierover geen duidelijkheid bestaat, de gevorderde schade niet voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank overweegt in dit verband dat een slachtoffer niet verplicht is om zich tot zijn verzekeraar te wenden voor vergoeding van schade en het recht behoudt om de schade rechtstreeks op de dader te verhalen. Dit deel van de vordering betreft rechtstreekse schade en is met de overgelegde stukken voldoende onderbouwd. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe.
Daarnaast heeft de benadeelde partij hotelkosten gemaakt, omdat hij (evenals zijn partner [benadeelde 2], zie onder par. 7.2 hierna) als gevolg van angstgevoelens na de ontploffing lange tijd niet thuis heeft durven slapen. [benadeelde 1] en [benadeelde 2] hebben gezamenlijk in hotels verbleven, waarbij telkens een van hen de kosten daarvan heeft voldaan. Zij hebben beiden verzocht om vergoeding voor die (individueel) geleden materiële schade. Namens de verdachte is aangevoerd dat dit geen rechtstreekse schade is.
Van rechtstreekse schade is sprake als voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade. Of sprake is van een dergelijk verband moet worden beoordeeld aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. Dit betekent dat moet worden vastgesteld (i) of sprake is van een condicio sine qua non-verband (oftewel: was de schade niet ontstaan indien het handelen van de verdachte niet had plaatsgevonden?) en (ii) of de schade in redelijkheid aan de verdachte kan worden toegerekend.
De rechtbank concludeert dat de hotelkosten in beginsel kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse schade. De benadeelde partij zou immers niet in een hotel hebben verbleven indien de ontploffingen bij zijn woning niet hadden plaatsgevonden (het condicio sine qua non verband). De rechtbank is verder van oordeel dat de gevorderde schade voor een deel in redelijkheid aan de verdachte kan worden toegerekend. De benadeelde partij heeft deze kosten gemaakt ter vermindering van gevoelens van onveiligheid ten gevolge van de door de verdachte teweeggebrachte ontploffingen, die ook specifiek op de benadeelde partij gericht waren en vlak naast zijn woning plaatsvonden. Onder die omstandigheden acht de rechtbank het begrijpelijk en redelijk dat de benadeelde partij enige tijd een ander onderkomen in hotels heeft gezocht. De vraag is echter voor welke duur de gevorderde hotelkosten nog in redelijkheid aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Naar het oordeel van de rechtbank staan de gemaakte hotelkosten – mede gelet op de daarover gegeven toelichting in de vordering benadeelde partij – voor de duur van één maand (dus tot 5 mei 2025) in voldoende rechtstreeks verband met de ontploffingen. Daarna kunnen deze kosten niet meer in redelijkheid aan de verdachte worden toegerekend. Ook de – door de verdediging betwiste – gemaakte kosten voor genuttigde etenswaren en dranken in de hotels kunnen niet als rechtstreekse schade worden aangemerkt. Deze kosten staan naar het oordeel van de rechtbank niet in voldoende verband met de ontploffingen.
Het resterende deel van de hotelkosten tot 5 mei 2025 is voldoende onderbouwd met facturen en betaalbewijzen. De per nacht gemaakte hotelkosten zijn naar het oordeel van de rechtbank niet zo hoog, dat dit tot matiging zou moeten leiden. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] daarom toe tot een bedrag van € 1.528,84.
Het voorgaande betekent dat de vordering tot vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 24.577,03 wordt toegewezen. De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Immateriële schade (smartengeld)
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. Uit de vordering blijkt dat deze op de laatste grondslag is gebaseerd. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij weliswaar bewijsstukken voor het bestaan van geestelijk letsel heeft overgelegd, maar dat daaruit niet blijkt dat dit is veroorzaakt door de ontploffingen. Uit de stukken kan namelijk enkel worden afgeleid dat hij al vóór 4 april 2025 in behandeling was, te weten vanaf 10 februari 2025.
Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van zo’n uitzonderlijke situatie, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade. Er hebben immers ontploffingen plaatsgevonden die zijn uitgemond in een brand in de auto van de benadeelde partij, die direct onder zijn slaapkamer stond geparkeerd, terwijl hij en zijn partner nog lagen te slapen. Daarbij neemt de rechtbank ook het motief van de verdachte in overweging; het was een gerichte actie tegen specifiek deze benadeelde partij.
Mede gelet op de Rotterdamse schaal, acht de rechtbank een vergoeding van € 2.000,00 billijk. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom toe.
Schadevergoeding
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 26.577,03 aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 april 2025 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
De betalingen die de verdachte aan de Staat verricht, komen in mindering op de betalingsverplichting aan de benadeelde partij. De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
Gijzeling
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 146 dagen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte verplicht om de schadevergoeding te betalen.
Vordering benadeelde partij [benadeelde 2]
Inleiding
[benadeelde 2] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 7.183,59, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 5.183,59 voor vergoeding van materiële schade en € 2.000,00 voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld). De materiële schade bestaat uit gemaakte hotelkosten. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunten
De officier van justitie acht de vordering voldoende onderbouwd zodat deze in zijn geheel toegewezen moet worden.
Namens de verdachte is primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces met zich brengt. Subsidiair wordt de vordering op alle onderdelen betwist. Voor zover relevant, bespreekt de rechtbank het namens de verdachte aangevoerde bij de betreffende onderdelen.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schadevergoeding
Evenals de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft de benadeelde partij [benadeelde 2] hotelkosten gemaakt. De rechtbank verwijst met betrekking tot dit deel van de vordering naar wat zij hierover in par. 7.1 heeft overwogen. Toewijzing van dit deel van de vordering tot 5 mei 2025 komt neer op toewijzing tot een bedrag van € 946,08. De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Immateriële schade (smartengeld)
Onder verwijzing naar het juridisch kader van art. 6:106 sub b BW, zoals hiervoor vermeld onder par. 7.1, stelt de rechtbank allereerst vast dat de benadeelde partij onvoldoende bewijsstukken voor het bestaan van geestelijk letsel heeft overgelegd. Een verwijzingsbrief van de huisarts die vermeldt dat sprake is van een vermoeden van het bestaan van geestelijk letsel, is daarvoor niet voldoende. Echter, naar het oordeel van de rechtbank kan, zoals al overwogen ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 1], ook in dit geval zonder nadere onderbouwing worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon. De rechtbank acht een vergoeding van € 2.000,00 billijk en wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom toe.
Schadevergoeding
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 2.946,08 aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 april 2025 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
De betalingen die de verdachte aan de Staat verricht, komen in mindering op de betalingsverplichting aan de benadeelde partij. De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
Gijzeling
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 29 dagen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte verplicht om de schadevergoeding te betalen.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 157 Sr.
9. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 447 (vierhonderdzevenenveertig) dagen.
Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 270 (tweehonderdzeventig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
De verdachte meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen 5 werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij SVG Reclassering Limburg (Mondriaan) via telefoonnummer 088-5068888. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak.
Opname in een zorginstelling
De verdachte laat zich tijdens de proeftijd voor de duur van 12 maanden of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, opnemen in en behandelen door Mondriaan Forensische Zorg of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De huidige opname wordt voortgezet. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op verslavingsproblematiek, psychische problematiek, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
Ambulante behandeling
De verdachte laat zich gedurende de proeftijd behandelen door Mondriaan Forensische Zorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zodra mogelijk na afloop van de klinische behandeling. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op verslavingsproblematiek, psychische problematiek, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
De verdachte verblijft gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, in een nog nader door de reclassering te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, mocht hiertoe een noodzaak of indicatie toe bestaan. Het verblijf start zodra mogelijk. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
Contactverbod
De verdachte zal gedurende de proeftijd geen contact opnemen, zoeken of hebben – in welke vorm dan ook, ook niet via derden – met: [benadeelde 1], geboren [geboortedatum 2], tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het contact.
Dagbesteding
De verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding met een vaste structuur.
Beheersing middelengebruik
De verdachte werkt gedurende de proeftijd mee aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Beveelt dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf is in dit geval gelijk aan de door de verdachte in voorarrest doorgebrachte tijd.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 200 (tweehonderd) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.
Benadeelde partij [benadeelde 1]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 1] geleden schade tot een bedrag van € 26.577,03 (zesentwintigduizend vijfhonderdzevenenzeventig euro en drie eurocent), bestaande uit € 24.577,03 als vergoeding voor de materiële en € 2.000,00 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 1] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Verklaart [benadeelde 1] voor wat betreft het materieel meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 26.577,03, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 146 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Benadeelde partij [benadeelde 2]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 2] geleden schade tot een bedrag van € 2.946,08 (tweeduizend negenhonderdzesenveertig euro en acht eurocent), bestaande uit € 946,08 als vergoeding voor de materiële en € 2.000,00 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 2] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Verklaart [benadeelde 2] voor wat betreft het materieel meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.946,08, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 29 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Voorlopige hechtenis
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. I.M. Hendriks, voorzitter,
mr. C.H. de Jonge van Ellemeet en mr. M. Goedhart, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Bleijendaal,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 maart 2026.
Bijlage
De bewijsmiddelen
(…)