Stichting Oude 1 Alkmaar, uit Alkmaar, verzoekster
(gemachtigde: V. Kloos),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar
(gemachtigde: mr. S. Smit).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoekster om een ontheffing te verkrijgen van het verbod om met een voertuig in het afgesloten deel van de binnenstad van Alkmaar te rijden. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Vanwege de spoedeisendheid van het verzoek doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Het college heeft de aanvraag om een ontheffing met het besluit van 25 februari 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Verzoekster heeft op 9 februari 2026 een aanvraag gedaan voor het verkrijgen van een ontheffing van het verbod om met een voertuig in het afgesloten deel van de binnenstad van Alkmaar te rijden (het verbod). De ontheffing is aangevraagd voor de periode van 7 maart 2026 tot en met 8 maart 2026 en voor de periode van 14 maart 2026 tot en met 17 maart 2026.
De ontheffing is aangevraagd om een klassieke brandweerauto, die de stichting beheert, in te zetten bij de (gemeenteraads-) verkiezingscampagne van de Onafhankelijke Partij Alkmaar (OPA) in het afgesloten deel van de binnenstad van Alkmaar. Met het emailbericht van 19 februari 2026 is de aanvraag afgewezen.
3. Verzoekster heeft tegen deze afwijzing bezwaar gemaakt.
4. OPA heeft, daartoe gemachtigd door verzoekster, verzocht om een voorlopige voorziening.
5. In het verzoek om een voorlopige voorziening is - kort samengevat - gesteld dat voor de brandweerauto regelmatig een ontheffing van het verbod wordt verleend en dat de huidige weigering om een ontheffing te verlenen politiek is gemotiveerd.
6. In verweer heeft het college gesteld dat het verlenen van ontheffingen is geregeld in de Beleidsregels verkeersontheffingen van de gemeente Alkmaar (Beleidsregels) en dat het uitgangspunt van die Beleidsregels is dat geen ontheffing wordt verleend voor het rijden met een voertuig in de afgesloten binnenstad, behoudens de in het beleid omschreven uitzonderingen.
Ontheffingen worden slechts verleend indien de aangevraagde activiteit in één van de beleidsmatige categorieën valt. Het college heeft de aanvraag aan de Beleidsregels getoetst en is tot de conclusie gekomen dat de aangevraagde activiteit niet binnen één van de in de Beleidsregels genoemde uitzonderingscategorieën valt. Het college heeft in de omstandigheden van het geval ook geen aanleiding gezien om de hardheidsclausule toe te passen, omdat volgens het college geen sprake is van bijzondere omstandigheden die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen.
Het college heeft er verder op gewezen dat op 3 maart 2026, in het kader van de (gemeenteraads-)verkiezingscampagne, is besloten om aan alle politieke partijen die deelnemen aan de Alkmaarse gemeenteraadsverkiezingen - op aanvraag - voor één dag een ontheffing van het (inrij-)verbod te verlenen.
7. Hierop is door verzoekster gereageerd bij brief van 5 maart 2026. In de brief heeft verzoekster gewezen op de weigeringsgronden als opgenomen in artikel 1:8 van de Algemene plaatselijke Verordening (Apv) en gesteld dat deze weigeringsgronden zich in dit geval niet voordoen. Daarbij heeft verzoekster er – kort samengevat – op gewezen dat het recht op campagnevoeren - door het weigeren van de ontheffing - teveel wordt beperkt en dat er geen grond is om het campagnevoeren met een brandweerauto te verbieden.
De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoekster heeft aangevoerd geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, omdat de weigering naar verwachting in bezwaar stand zal houden. Redengevend hiervoor is het volgende.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de Wegenverkeerswet 1994 de grondslag vormt voor het inrijverbod, en niet de Apv. De stelling van verzoeker dat zich geen weigeringsgronden voordoen, als bedoeld in de Apv, treft daarom geen doel.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college conform zijn beleid gehandeld door geen ontheffing te verlenen. Daarbij heeft het college naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid kunnen besluiten om de hardheidsclausule als opgenomen in het beleid niet toe te passen, gelet op het gegeven dat verzoekster (als eigenaar/exploitant van de brandweerauto) hierdoor niet direct in haar belangen wordt geraakt. Voor zover verzoekster schade lijdt door de weigering om een ontheffing te verlenen, kan deze schade worden verhaald als in bezwaar komt vast te staan dat het besluit tot weigering van de aangevraagd ontheffing onrechtmatig is.
Ook de aangevoerde politieke belangen, als die al tot de belangen van verzoekster kunnen worden gerekend, leiden naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet tot de conclusie dat het college had moeten besluiten om met toepassing van de hardheidsclausule van het beleid af te wijken. Het voeren van de verkiezingscampagne door OPA wordt door de weigering om een ontheffing te verlenen immers in de kern niet beperkt. OPA zal alleen niet op alle gewenste dagen gebruik mogen maken van de brandweerauto voor het voeren van verkiezingscampagne in het afgesloten deel van de binnenstad van Alkmaar
Conclusie en gevolgen
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag van verzoekster (voorlopig) in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
griffier voorzieningenrechter
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: