RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Haarlemmermeer
parketnummer : 15-344350-24
raadkamernummer : 26-002268
datum : 12 maart 2026
beslissing van de meervoudige strafkamer op het bezwaar op grond van artikel 182, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
Ingeschreven op het adres:
[adres],
hierna te noemen: de verdachte.
Feiten
Namens de verdachte heeft haar raadsman op 1 december 2025 de rechter-commissaris verzocht onderzoekshandelingen te verrichten, waaronder – voor zover hier van belang – het horen van de getuige [getuige].
De rechter-commissaris heeft ten aanzien van dit verzoek bij beslissing van 15 januari 2026 bepaald dat dit verzoek wordt toegewezen, waarbij de getuige [getuige] in een studioverhoor zal worden verhoord en door de verdediging op voorhand de te stellen vragen dienen te worden aangeleverd. De rechter-commissaris heeft daartoe overwogen dat uit het dossier blijkt dat sprake is van een kwetsbare getuige. Daarbij heeft de rechter-commissaris verwezen naar het proces-verbaal Samenvatting van drie documenten omtrent [getuige] (p. 236) en de mededeling van de raadsvrouw van de getuige, mr. F. Oehlen, aan de griffier van de rechter-commissaris dat na overleg door haar met de curator en begeleiding van de getuige “de voorkeur absoluut uitgaat naar een studioverhoor”.
De verdachte heeft hiertegen op 22 januari 2026 bij de griffie van deze rechtbank een bezwaarschrift ingediend.
Op 10 februari 2026 heeft het openbaar ministerie op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De procedure in raadkamer
De rechtbank heeft op 26 februari 2026 het bezwaar in besloten raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de advocaat van de verdachte, mr. W.J. Morra, en de officier van justitie op zitting gehoord. De verdachte is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.
Het standpunt van de verdachte
Het bezwaar richt zich ertegen dat de beslissing van de rechter-commissaris om het getuigenverhoor in die zin toe te staan dat dit verhoor in een studio moet plaatsvinden, een weigering inhoudt om de door de verdachte gewenste onderzoekshandeling te verrichten
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het bezwaar is namens de verdachte aangevoerd dat de verdediging heeft verzocht om een rechtstreeks verhoor van de getuige en dat de beslissing van de rechter-commissaris betekent dat de verdediging slechts schriftelijk vragen mag indienen die door een politieagent zullen worden gesteld aan de getuige. Dat heeft tot gevolg dat de verdediging zelf geen rechtstreekse vragen kan stellen en zelf geen enkele interactie kan hebben met de getuige. Hierdoor ontstaat geen daadwekelijke mogelijkheid om het ondervragingsrecht uit te oefenen. Om die reden kan de beslissing van de rechter-commissaris alleen maar worden opgevat als een weigering om de gevraagde onderzoekshandeling uit te voeren, zodat het bezwaar ontvankelijk is.
Namens de verdachte is verder aangevoerd dat uit de beslissing van de rechter-commissaris niet blijkt van welke feitelijke kwetsbaarheid de rechter-commissaris is uitgegaan en dat niet blijkt welke juridisch maatstaf daarbij is gehanteerd. Ook blijkt daaruit niet dat de (mate van) kwetsbaarheid van de getuige is afgewogen tegen de inperking van het ondervragingsrecht die een studioverhoor met zich brengt. De getuige is zes keer regulier door de politie verhoord, de processen-verbaal van die verhoren geven er blijk van dat de getuige de vragen heeft begrepen en in die processen-verbaal zijn geen opmerkingen gemaakt over een kwetsbaarheid bij de getuige die het verhoor heeft beïnvloed.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn bezwaar. Daartoe heeft de officier van justitie primair aangevoerd dat niet blijkt dat is verzocht om een rechtstreeks verhoor met de getuige. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ook om een andere reden niet-ontvankelijk is, omdat de weigering van de rechter‐commissaris om de getuige rechtstreeks te horen een beslissing betreft die ziet op de wijze waarop een onderzoekshandeling wordt uitgevoerd, in dit geval het horen van een getuige, en niet op de weigering van de onderzoekshandeling als zodanig.
Het oordeel van de rechtbank
1. De ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat, overeenkomstig de wettelijke voorschriften, het bezwaarschrift binnen veertien dagen na de beslissing van de rechter-commissaris is ingediend en dus tijdig. De verdachte kan daarom in zoverre in zijn bezwaarschrift worden ontvangen.
Weigering van een onderzoekshandeling
Ten aanzien van de vraag of sprake is van een weigering van een onderzoekshandeling overweegt de rechtbank als volgt.
Artikel 182 lid 6 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) houdt in dat indien de rechter-commissaris weigert de door de verdachte gewenste onderzoekshandelingen te verrichten, de verdachte binnen veertien dagen een bezwaarschrift kan indienen bij de rechtbank.
Deze mogelijkheid van het indienen van een bezwaarschrift voor de verdachte is ingevoerd na een amendement. De Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 1 december 2011 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten tot versterking van de positie van de rechter-commissaris (Wet versterking positie rechter-commissaris) (Stb. 2003, 620), houdt daarover in:
“De rechter-commissaris is bevoegd kennis te nemen van verzoeken van zowel de raadsman van verdachte als de officier van justitie tot het verrichten van onderzoekshandelingen. In de wet is geregeld (art. 446 Sv) dat de officier van justitie tegen een afwijzende beschikking in hoger beroep kan komen. Voor de verdachte bestaat die mogelijkheid niet. Met dit amendement beoogt indiener te bewerkstelligen dat een verdachte – net zoals het openbaar ministerie – een rechtsmiddel kan aanwenden tegen een afwijzende beschikking van de rechter-commissaris op een verzoek op grond van het voorgestelde artikel 182, eerste lid, Sv. Dit is in verband met de «equality of arms» gewenst.”
(Kamerstukken II, 2009-2010, 32 177, nr. 13)
Uit de toelichting op het amendement blijkt dat de wetgever bij de invoering van de mogelijkheid voor de verdachte een bezwaarschrift in te dienen op grond van artikel 182 lid 6 Sv, aansluiting heeft gezocht bij de mogelijkheid die de officier van justitie heeft op grond van artikel 446 Sv om tegen een afwijzende beschikking in beroep te komen.
Artikel 446 lid 1 Sv houdt in dat het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen, voor zover bijzondere bepalingen niet het recht van hoger beroep van het Openbaar Ministerie regelen, bij het gerechtshof of de rechtbank in hoger beroep kan komen van alle beschikkingen van de rechtbank of de rechter-commissaris waarbij een krachtens dit wetboek genomen vordering “niet is toegewezen”. Het tweede lid van die bepaling regelt de mogelijkheid van beroep in cassatie voor het Openbaar Ministerie als het gaat om alle in hoogste aanleg gegeven beschikkingen waarbij een krachtens het Wetboek van Strafvordering genomen vordering “niet is toegewezen”. De mogelijkheid van het instellen van bezwaar of beroep is dus zowel in artikel 182 lid 6 Sv als in art. 446 Sv negatief omschreven (“weigert” en “niet is toegewezen”).
In het arrest van de Hoge Raad van 4 maart 2014, ECLI:N:HR:2014:487 (rov. 2.2), was de vraag aan de orde of een vordering van de officier van justitie “niet was toegewezen” (het ging in die zaak om een machtiging op grond van artikel 34 lid 4 Sv). De Hoge Raad oordeelde dat de officier van justitie op grond van artikel 446 Sv in zijn beroep in cassatie kon worden ontvangen, omdat de vordering van het Openbaar Ministerie “niet geheel” was toegewezen.
In het licht van deze wetsgeschiedenis en uitspraak van de Hoge Raad, is de vraag die de rechtbank daarom moet beantwoorden of sprake is van een onderzoekshandeling die niet geheel is toegewezen.
De verzochte onderzoekshandeling
Het verzoek om de getuige te horen houdt naar het oordeel van de rechtbank in – anders dan de officier van justitie primair heeft gesteld – dat de verdediging gebruik wenst te maken van haar ondervragingsrecht zoals dat is neergelegd in artikel 6 lid 3, onder d, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).
Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (Hierna: EHRM) vereist het ondervragingsrecht “that the defendant be given an adequate and proper opportunity to challenge and question a witness against him – either when that witness is making his statements or at a later stage of the proceedings”.Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat enkel het geven van gelegenheid aan de verdediging om voorafgaand aan het verhoor vragen voor de getuige op schrift te stellen, niet wordt gezien als een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid, maar als een “counterbalancing factor” voor het ontbreken van die mogelijkheid.
Gelet op deze rechtspraak houdt naar het oordeel van de rechtbank de enkele mogelijkheid om op voorhand schriftelijk vragen aan te leveren niet een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid in, maar een beperking op dit recht.
Toepassing op de onderhavige zaak
De rechter-commissaris heeft bepaald dat de getuige in een studioverhoor zal worden verhoord, waarbij door de verdediging op voorhand de te stellen vragen dienen te worden aangeleverd. De rechtbank is van oordeel dat dit een beperking op het verzochte ondervragingsrecht van artikel 6 lid 3, onder d, EVRM inhoudt, waarmee het verzoek van de verdediging om de getuige te horen niet geheel is toegewezen.
De verdachte kan daarom in zijn bezwaarschrift worden ontvangen.
2. Beoordeling van het bezwaar
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de rechter-commissaris op juiste gronden heeft geoordeeld dat de getuige kwetsbaar is, op grond waarvan de rechter-commissaris heeft geoordeeld dat kan worden volstaan met een studioverhoor waarbij de verdediging op voorhand schriftelijke vragen dient aan te leveren.
Relevante rechtspraak van de Hoge Raad
De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 288 lid 1, aanhef en onder b, Sv de rechter van het verhoor van een niet verschenen getuige kan afzien als het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring op de terechtzitting in gevaar wordt gebracht en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang om de getuige op de terechtzitting te kunnen ondervragen. Dat betekent dat de rechter, als de rechter de in artikel 288 lid 1, onder b, Sv genoemde gronden aanwezig acht, het belang van de getuige zwaarder mag laten wegen dan het recht van de verdachte om die getuige te (doen) ondervragen. De vraag of het in artikel 288 lid 1, onder b, Sv genoemde gegronde vermoeden bestaat moet worden beantwoord tegen de achtergrond van het in artikel 6 EVRM gegarandeerde recht van de verdachte op een eerlijk proces. Daaruit volgt dat de rechter zijn oordeel ten aanzien van het belang van de getuige moet motiveren aan de hand van concrete feiten en omstandigheden, zoals het oordeel van een deskundige (vgl. EHRM 10 november 2005, nr. 54789/00 (Bocos-Cuesta/Nederland), overwegingen 69 en 72, en HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL9001). Bij de toetsing van de beslissing om op grond van artikel 288 lid 1, aanhef en onder b, Sv het verzoek tot het horen van een getuige af te wijzen kan een rol spelen of de rechter zich heeft uitgelaten over de mogelijkheid om bij het horen als getuige maatregelen te treffen ter bescherming van het belang van de gezondheid of het welzijn van de getuige (vgl. HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:446).
Toepassing op de onderhavige zaak
De rechter-commissaris heeft bepaald dat de getuige [getuige] gelet op haar kwetsbaarheid in een studioverhoor zal worden verhoord, waarbij door de verdediging op voorhand de te stellen vragen dienen te worden aangeleverd. De rechter-commissaris heeft daartoe overwogen dat uit het dossier blijkt dat sprake is van een kwetsbare getuige, waarbij de rechter-commissaris heeft verwezen naar het proces-verbaal “Samenvatting van drie documenten omtrent [getuige]” (p. 236) en de mededeling van de raadsvrouw van de getuige dat na overleg met de curator en begeleiding van de getuige “de voorkeur absoluut uitgaat naar een studioverhoor”.
Het proces-verbaal waar de rechter-commissaris naar verwijst, houdt samengevat in dat de getuige in haar kindertijd veel onveiligheid heeft gekend waarbij sprake is geweest van huiselijk geweld en meerdere andere problemen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het oordeel van de rechter-commissaris dat vanwege de kwetsbaarheid van de getuige een studioverhoor is aangewezen, waarbij de verdediging op voorhand vragen dient aan te leveren, niet zonder meer begrijpelijk is. Daaruit blijkt niet op grond van welke concrete feiten en omstandigheden de rechter-commissaris tot het (kennelijke) oordeel is gekomen dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring in een regulier verhoor in gevaar wordt gebracht en dat dit belang dient te prevaleren boven het belang van de verdachte om haar op die manier als getuige te kunnen horen. De verwijzing naar de samenvatting in het hiervoor genoemde proces-verbaal en de mededeling van de raadsvrouw van de getuige, zijn daartoe niet voldoende, met name niet tegen de achtergrond dat de getuige acht keer uitgebreid is verhoord door de politie in de periode van 4 september 2024 tot en met 5 februari 2025 en dat zij meerderjarig is.
De rechtbank zal het bezwaar daarom gegrond verklaren.
Beslissing
De rechtbank
- verklaart het bezwaar gegrond;
- vernietigt de beslissing van de rechter-commissaris van 15 februari 2026, voorzover de rechter-commissaris heeft bepaald dat de getuige [getuige] in een studioverhoor zal worden verhoord waarbij door de verdediging op voorhand de te stellen vragen dienen te worden aangeleverd;
- bepaalt dat de rechter-commissaris een nieuwe beslissing neemt op het verzoek om getuige [getuige] te horen.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Deze beslissing is gegeven door
mr. A.H. Tiemens, voorzitter,
mr. G.F.H. Lycklama à Nijeholt en mr. P.A. Hesselink, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Splunter
en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026.