RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Haarlemmermeer
Raadkamernummer : 25/031837
Datum beslissing : 12 maart 2026
Beslissing op de vordering van de officier van justitie tot machtiging toepassing gijzeling op grond van artikel 6:6:25 lid 1 onder b van het Wetboek van Strafvordering in de zaak van:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
ingeschreven op het adres [adres],
hierna te noemen: de veroordeelde.
Bijgestaan door mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat te Hoofddorp.
Feiten
De veroordeelde is op 5 maart 2001 veroordeeld voor - onder andere - het leiding geven aan een organisatie die als oogmerk had het plegen van misdrijven, waaronder het opzettelijk onjuist doen van belastingaangiften en het plegen van valsheid in geschrifte.
Bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 15 december 2009 is aan de veroordeelde een maatregel tot betaling aan de staat van het door haar wederrechtelijk verkregen voordeel opgelegd ter hoogte van € 483.000,-.
Deze ontnemingsmaatregel is na verwerping van het cassatieberoep op 11 oktober 2011 onherroepelijk geworden.
Op 9 december 2011 heeft het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) deze ontnemingsmaatregel ter executie overgedragen gekregen.
Na uitwinning van het conservatoir beslag en de executieverkoop van de woning bedroeg het openstaande restbedrag in totaal € 275.681,62.
Het openstaande bedrag per 14 november 2025 betreft een bedrag van € 275.371,45.
Procedure
De vordering is op 9 december 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Het openbaar ministerie heeft in die vordering zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De zaak is vervolgens in openbare raadkamer behandeld op 26 februari 2026. De rechtbank heeft de advocaat van de veroordeelde, mr. D.W.H.M. Wolters en de officier van justitie, mr. E.E.G. Duijts, op zitting gehoord.
De veroordeelde is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet op zitting verschenen.
Vordering van het Openbaar Ministerie
De vordering van de officier van justitie strekt tot het verlenen van een machtiging tot toepassing van gijzeling voor de duur van 540 dagen. De officier van justitie heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van betalingsonmacht, maar van (structurele) betalingsonwil.
Standpunt van de verdediging
Namens de veroordeelde is bepleit de vordering af te wijzen. Daartoe is aangevoerd dat de veroordeelde ziek is en zij alleen een WIA-uitkering ontvangt, waar reeds beslag op rust. Nu zij verder geen bronnen van inkomsten heeft of vermogen bezit, is zij niet in in staat te betalen, waardoor sprake is van betalingsonmacht.
Beoordeling
Inleiding
De rechtbank stelt vast dat de veroordeelde niet heeft voldaan aan haar verplichting om over te gaan tot betaling van het restant van het te ontnemen bedrag, terwijl zij daartoe meermalen door het CJIB is aangemaand. Het openbaar ministerie kan een vordering instellen om te worden gemachtigd het dwangmiddel gijzeling jegens de veroordeelde toe te passen, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt (zie artikel 6:6:25 lid 1 Sv). Op grond van lid 6 van dit wetsartikel wordt deze vordering niet toegewezen indien de veroordeelde aannemelijk maakt dat zij buiten staat is te voldoen aan de verplichting tot betaling, oftewel dat sprake is van betalingsonmacht.
Voorgeschiedenis
De rechtbank constateert dat de veroordeelde sinds de oplegging van de ontnemingsmaatregel in 2009 een groot aantal procedures is gestart, die tot aanzienlijke vertraging van de executie van de ontnemingsvordering hebben geleid. Zo zijn vijf verzoeken tot vermindering of kwijtschelding van de aan haar opgelegde betalingsverplichting ingediend, soms binnen zeer korte tijd na een voorgaande afwijzing. Alle verzoeken zijn afgewezen. Ook is een gratieverzoek ingediend, dat ook is afgewezen.
Mede door deze verzoeken is aanzienlijke vertraging ontstaan bij de executie van het pand gelegen aan [adres] te Wervershoof. Daarnaast heeft de veroordeelde een kort geding gestart om executie van het pand te voorkomen, maar ook hier zijn haar vorderingen integraal afgewezen. Ook de Maltese vennootschap Malt-In-Trade Ltd., die een tweede hypotheek had op het pand, heeft geprobeerd de executie te voorkomen door de Staat der Nederlanden te dagvaarden. De rechtbank Den Haag heeft in dat kader echter geoordeeld dat de leningsovereenkomsten en het in verband daarmee verstrekte hypotheekrecht moeten worden aangemerkt als een schijnconstructie bedoeld om het door de veroordeelde verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel een legale herkomst te geven en het verhaal van de schuldeisers van de veroordeelde te frustreren.
Aannemelijkheid betalingsonmacht
De vraag die nu aan de rechtbank voorligt, is of de veroordeelde aannemelijk heeft gemaakt dat zij buiten staat is te voldoen aan haar verplichting tot betaling. De rechtbank is op grond van het navolgende van oordeel dat de veroordeelde daar niet in is geslaagd.
De rechtbank is van oordeel dat de veroordeelde langdurig en op verschillende manieren heeft geprobeerd om de executie van de ontnemingsvordering te bemoeilijken en/of te vertragen door het telkens doen van nieuwe verzoeken en -naar de rechtbank Den Haag heeft vastgesteld- het (laten) opzetten van een schijnconstructie die als doel had haar schuldeisers te frustreren. De veroordeelde heeft evenmin meegewerkt aan de taxatie en het mogelijk maken van bezichtigingen aan het pand, ook nadat zij er expliciet op was gewezen dat hierdoor de executieopbrengst van het pand negatief zou worden beïnvloed. Daarmee heeft zij naar het oordeel van de rechtbank blijk gegeven van betalingsonwil.
De veroordeelde heeft weliswaar, onder verwijzing naar allerlei (Spaanstalige) documenten, aangevoerd dat zij geen vermogen op haar naam heeft staan, maar heeft hiermee nog steeds geen inzicht gegeven in haar geldstromen en haar verdiencapaciteit. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat deze stukken niet zijn vertaald, de exacte duiding van deze stukken de rechtbank daarom niet bekend is en het bovendien op de weg van de veroordeelde had gelegen deze stukken tijdig te delen met het CJIB. Dat veroordeelde nog steeds geen inzicht heeft gegeven in haar geldstromen en haar verdiencapaciteit klemt des te meer nu zij in het televisieprogramma “Ik Vertrek” heeft aangevoerd dat zij een succesvolle B&B in Spanje runt. De rechtbank is, mede omdat elk inzicht in de geldstromen of verdienapaciteit ontbreekt, niet overtuigd door de tegenwerping van de veroordeelde dat haar uitingen in het programma fictief zouden zijn, de B&B op naam zou staan van haar familieleden (en tevens medeveroordeelden) en zij daar enkel een kamer zou huren.
Naar het oordeel van de rechtbank mag van veroordeelde verwacht worden om inzicht te geven in deze geldstromen om betalingsonmacht aannemelijk te maken, juist in het licht van haar strafrechtelijke veroordeling voor financiële fraude en de eerder ingezette schijnconstructie die bedoeld was om het verhaal van schuldeisers van de veroordeelde te frustreren.
Nu de veroordeelde niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij buiten staat is haar verplichtingen uit hoofde van de ontnemingsvordering te voldoen, zal de rechtbank de machtiging tot toepassing van gijzeling verlenen voor de duur van 540 dagen.
Beslissing
De rechtbank wijst de vordering toe en machtigt de officier van justitie tot de toepassing van gijzeling voor de duur van 540 (vijfhonderdenveertig) dagen.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Deze beslissing is gegeven door
mr. P.A. Hesselink, voorzitter,
mr. G.F.H. Lycklama à Nijeholt en mr. A.H. Tiemens, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Splunter
en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026.