RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/026680-26 (P)
Uitspraakdatum: 3 maart 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 3 maart 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
nu gedetineerd in Justitieel Complex Schiphol.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. T.M. Fikkers, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. M. de Klerk, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 26 januari 2026 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer al dan niet opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten een hoeveelheid cocaïne, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, in elk geval aanwezig heeft gehad.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot de bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden die zijn opgenomen in de hierna te noemen bewijsmiddelen tot de bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Daarbij zal zij, omdat de verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan tot een bewezenverklaring is gekomen, namelijk:
de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 3 maart 2026;
een proces-verbaal van bevindingen van 26 januari 2026 (dossierpagina 20 e.v.);
een proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen van 27 januari 2026 (dossierpagina 60 e.v.);
een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 30 januari 2026 (dossierpagina 72 e.v.), zijnde een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 4°, van het Wetboek van Strafvordering.
De hiervoor vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 26 januari 2026 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk een hoeveelheid cocaïne, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6. De sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. De raadsman wijst daarbij op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de nieuwe, voorlopige, algemene uitgangspunten van de rechtbank Noord-Holland ten aanzien van de strafmaat van dit soort delicten.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van bijna één kilo cocaïne vanuit Brazilië. Cocaïne is een voor de gezondheid van de gebruikers daarvan schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van zodanige aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan vaak gepaard met andere vormen van criminaliteit, waaronder levensdelicten en strafbare feiten gepleegd door gebruikers ter financiering van hun behoefte aan deze stof. De verspreiding van en de handel in harddrugs, alsmede de invoer daarvan, worden daarom krachtig bestreden.
Het uitgangspunt
Bij de bepaling van de straf voor drugskoeriers die zijn aangehouden op Schiphol, heeft de rechtbank tot voor kort vrijwel steeds de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt gehanteerd. Daarin is voor de invoer van harddrugs bij een hoeveelheid van 500 tot 1.000 gram bij de categorie ‘standaard’ een gevangenisstraf voor de duur van zes tot acht maanden als oriëntatiepunt geformuleerd.
Over dit oriëntatiepunt overweegt de rechtbank dat daarin met een forse gevangenisstraf tot uitdrukking wordt gebracht dat het bij de invoer van harddrugs gaat om een ernstig misdrijf, waarvan potentiële nieuwe daders zoveel mogelijk moeten worden weerhouden. Het belang van dit strafdoel (generale preventie) staat als zodanig niet ter discussie, maar de rechtbank constateert wel dat al enige tijd een disbalans bestaat tussen de hoogte van gevangenisstraffen die worden opgelegd aan op de luchthaven aangehouden drugskoeriers, en de hoogte van gevangenisstraffen die worden opgelegd aan de verdachten die zich, vaak voor langere tijd, hebben beziggehouden met (de organisatie van) vervaardiging, handel, in- en/of uitvoer van (zeer) grote hoeveelheden harddrugs. In tegenstelling tot deze laatste groep hebben de koeriers die via Schiphol reizen een relatief kleine hoeveelheid drugs bij zich en is hun aandeel in de smokkel in de regel beperkt tot het enkele vervoer ervan. De rechtbank is van oordeel dat de hoeveelheid en de rol bij de invoer van deze koeriers, naast een relatief geringe hoeveelheid een inwisselbare rol bij de invoer betrokken moet worden bij de hoogte van een op te leggen straf. Voor deze matiging van de strafmaat ten opzichte van het LOVS-oriëntatiepunt hanteert de rechtbank – voorlopige – algemene uitgangspunten. De rechtbank probeert met deze uitgangspunten ook te komen tot meer maatwerk bij de bestraffing van de genoemde categorie drugskoeriers, omdat het daarbij in veel gevallen gaat om verdachten die kwetsbaar zijn door hun slechte persoonlijke omstandigheden, schulden en die (mede) onder invloed daarvan tot het plegen van hun misdrijf zijn gekomen.
Die recente voorlopige uitgangspunten vermelden bij een gewicht tot 1.500 gram aan harddrugs als uitgangspunt een gevangenisstraf tot 8 maanden en/of een taakstraf.
De rechtbank stelt vast dat het nettogewicht van de in deze zaak aangetroffen cocaïne 997,1 gram is. De rechtbank zal haar eigen recente uitgangpunten dan ook als uitgangspunt nemen bij het bepalen van (de hoogte van) de straf. Wat door de officier van justitie in dit verband naar voren is gebracht, maakt dit niet anders.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte, van 13 februari 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. De rechtbank heeft ook gekeken naar wat de verdachte heeft verklaard over zijn persoonlijke omstandigheden. Hieruit blijkt dat de verdachte kampt met hoge schulden en dat hij onder druk van die schulden de keuze heeft gemaakt om het ten laste gelegde feit te begaan. Verder heeft de verdachte direct na zijn aanhouding openheid van zaken gegeven en heeft hij blijk gegeven het kwalijke van zijn handelen in te zien.
De rechtbank is van oordeel dat deze persoonlijke omstandigheden niet van dusdanig bijzondere aard zijn dat de rechtbank aanleiding ziet om in belangrijke mate af te wijken van het hiervoor besproken uitgangspunt.
Conclusie
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd, passend en geboden is.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
7. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
2 en 10 van de Opiumwet.
8. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes (6) maanden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. I.E. Voorberg, voorzitter,
mr. M.E. Francke en mr. C.S. Schoorl, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Splunter
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 maart 2026.