HebRECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/229435-24 (P)
Uitspraakdatum: 18 maart 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 5 maart 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie
mr. M. Sobering en mr. R. Funke Küpper en van wat de verdachte en zijn raadsman,
mr. R. van Leusden, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij op 10 juli 2024 een verkeersongeval heeft veroorzaakt, waardoor [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) om het leven is gekomen.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Primair (artikel 6 Wegenverkeerswet 1994) hij op of omstreeks 10 juli 2024 te Alkmaar als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto), daarmede rijdende over de weg, de Van Ostadelaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,- een rotonde met fietsstrook te naderen en zonder te stoppen op te rijden en de eerste afslag naar rechts, de Terborchlaan in te rijden, zonder zich er in voldoende mate van te vergewissen dat de weg vrij was en/of- niet (tijdig) waar te nemen dat:* een fietsster op de fietsstrook van die Van Ostadelaan eveneens naar die rotonde reed en/of* kort voor en/of bij het afslaan naar rechts, die fietsster die rotonde al dicht was genaderd en/of opgereden en/of- in aanrijding te komen met die fietsster, waardoor die fietsster (genaamd [slachtoffer]) werd gedood.
Subsidiair (artikel 5 Wegenverkeerswet 1994) hij op of omstreeks 10 juli 2024 te Alkmaar als bestuurder van een voertuig (vrachtauto), daarmee rijdende op de weg, de Van Ostadelaan,- een rotonde met fietsstrook is genaderd en zonder te stoppen op is gereden en de eerste afslag naar rechts, de Terborchlaan in isgereden zonder zich er in voldoende mate van te hebben vergewissen dat de weg vrij was en/of - niet (tijdig) waar heeft genomen dat:* een fietsster op de fietsstrook van die Van Ostadelaan eveneens naar die rotonde reed en/of* kort voor en/of bij het afslaan naar rechts, die fietsster die rotonde al dicht was genaderd en/of al was opgereden en/of- in aanrijding is gekomen met die fietsster, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is van de zaak kennis te nemen, dat de officier van justitie ontvankelijk is en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het overtreden van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), omdat er onvoldoende bewijs is voor schuld als bedoeld in dat artikel. De officier van justitie vindt wel bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5 WVW.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte volledig moet worden vrijgesproken, omdat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW, dan wel het veroorzaken van gevaar in de zin van artikel 5 WVW.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak primair tenlastegelegde (artikel 6 WVW) Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen wat de verdachte primair ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 10 juli 2024 omstreeks 11.11 uur reed de verdachte als bestuurder van een vrachtwagen met zogenoemde trekker-opleggercombinatie op de Van Ostadelaan in Alkmaar. De verdachte reed in de richting van de rotonde van de Van Ostadelaan, Terborchlaan en de Aert de Gelderlaan. Het slachtoffer fietste op een elektrische fiets vanuit dezelfde richting naar de rotonde. Het regende hard. De verdachte heeft zijn snelheid geminderd toen hij naar de rotonde reed, maar is niet volledig tot stilstand gekomen. Hij is rollend de rotonde opgereden en is vervolgens rechtsaf geslagen naar de Terborchlaan. Het slachtoffer reed op enig moment ook de rotonde op. Bij het verlaten van de rotonde door de verdachte, is het slachtoffer overreden. Zij is ter plekke aan haar verwondingen overleden.
De Van Ostadelaan bestond uit één rijbaan, met aan beide zijden een fietssuggestiestrook. Voor bestuurders die de rotonde vanuit de Van Ostadelaan naderden werd door middel van borden conform model B6 van bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 en haaientanden op het wegdek kenbaar gemaakt dat er voorrang moet worden verleend aan bestuurders op de rotonde. De verdachte heeft verklaard dat hij voordat hij de rotonde opreed gebruik heeft gemaakt van zijn spiegels, maar dat hij het slachtoffer op geen enkel moment heeft gezien. Er is onderzoek gedaan naar het zicht vanaf de bestuurderszitplaats van de vrachtwagen. Daaruit is gebleken dat het slachtoffer, rijdend op de fietsstrook naar de rotonde toe, voor de verdachte op enig moment zichtbaar moet zijn geweest als hij in de juiste spiegel had gekeken.
Uit het onderzoek is niet duidelijk geworden of sprake was van condensvorming op de spiegels van de vrachtwagen van de verdachte. Ook heeft het onderzoek niet aangetoond wie (de verdachte of het slachtoffer) het eerst de rotonde opreed en daarom voorrang had, of wat de exacte botspositie en botsplaats is geweest.
Juridisch kader
De rechtbank moet beoordelen of de verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld te wijten is dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden, met het overlijden van het slachtoffer als gevolg. Het begrip “schuld” in de zin van artikel 6 WVW houdt in dat minimaal sprake moet zijn geweest van een aanmerkelijke mate van verwijtbaar onvoorzichtig en/of onoplettend handelen. Er is sprake van aanmerkelijke onvoorzichtigheid of onoplettendheid als de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid.
Gedragingen met een hogere graad van verwijtbaarheid kunnen worden gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig en/of onoplettend handelen en in zeer bijzondere gevallen als roekeloos handelen. Bij de beoordeling of sprake is van “schuld” en zo ja, in welke gradatie, gaat het om het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de omstandigheden van het geval.
In de rechtspraak van de Hoge Raad over schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 is tot uitdrukking gebracht dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte een andere verkeersdeelnemer aan wie hij voorrang had moeten verlenen niet heeft gezien hoewel deze voor hem wel waarneembaar moet zijn geweest en de verdachte daarop zijn rijgedrag moet hebben kunnen afstemmen, nog niet kan volgen dat de verdachte zich “aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig” heeft gedragen. De achtergrond van deze rechtspraak is dat van iedere verkeersdeelnemer mag worden verwacht dat hij zijn gedrag afstemt op (onder meer) andere, voor hem waarneembare of te verwachten verkeersdeelnemers aan wie hij voorrang moet verlenen of met wie hij anderszins in zijn rijgedrag rekening moet houden. Als aannemelijk is dat de verdachte daadwerkelijk heeft gekeken of sprake was van zo’n andere verkeersdeelnemer maar hij desondanks een andere verkeersdeelnemer niet heeft opgemerkt, kan niet zonder meer worden gezegd dat hij in vergelijking met de verkeersdeelnemer in het algemeen aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag heeft vertoond.
Beoordeling
De rechtbank vindt de verklaring van de verdachte dat hij het slachtoffer op geen enkel moment heeft gezien aannemelijk. Uit het verkeersonderzoek is wel gebleken dat de verdachte het slachtoffer op enig moment had kunnen zien als de verdachte in de juiste spiegel had gekeken. De verdachte heeft bovendien zijn snelheid weliswaar geminderd toen hij richting de rotonde reed, maar hij is niet volledig tot stilstand gekomen. Door de vrachtwagen niet volledig tot stilstand te brengen, maar te laten doorrollen de rotonde op en rechtsaf te slaan, heeft de verdachte een verkeersfout gemaakt met voor het slachtoffer fatale gevolgen. Deze fout is echter, gelet op de omstandigheden van het geval en in het licht van het hiervoor geschetste juridisch kader, niet aan te merken als “aanmerkelijk onoplettend of onvoorzichtig”. Niet bewezen is daarom dat sprake is van “schuld” aan het verkeersongeval als bedoeld in artikel 6 WVW.
De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het primair ten laste gelegde feit.
Bewezenverklaring subsidiair tenlastegelegde (artikel 5 WVW)
Vervolgens is de vraag aan de orde of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5 WVW. Voor dit feit is niet een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid vereist. Om tot een veroordeling voor dit feit te kunnen komen, moet sprake zijn van zodanige gedragingen van de verdachte dat gevaar op de weg wordt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer wordt of kan worden gehinderd.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte gevaar op de weg veroorzaakt. Door niet voldoende in de spiegels te kijken en de vrachtwagen niet tot stilstand te brengen alvorens de rotonde op te rijden en rechtsaf te slaan, heeft de verdachte het slachtoffer niet gezien. Als de verdachte was gestopt, had hij meer gelegenheid gehad om andere verkeersdeelnemers waar te nemen. De verdachte heeft hierdoor gevaar op de weg veroorzaakt en is in botsing gekomen met het slachtoffer. Het gevaar voor andere verkeersdeelnemers heeft zich dus ook verwezenlijkt. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat
hij op 10 juli 2024 te Alkmaar als bestuurder van een voertuig (vrachtauto), daarmee rijdende op de weg, de Van Ostadelaan,- een rotonde met fietsstrook is genaderd en zonder te stoppen op is gereden en de eerste afslag naar rechts, de Terborchlaan in is gereden zonder zich er in voldoende mate van te vergewissen dat de weg vrij was en- niet waar heeft genomen dat:* een fietsster op de fietsstrook van die Van Ostadelaan eveneens naar die rotonde reed en- in aanrijding is gekomen met die fietsster, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uur. Daarnaast heeft de officier van justitie een ontzegging van de rijbevoegdheid gevorderd voor de duur van twee maanden met aftrek van de tijd dat het rijbewijs van de verdachte ingehouden is geweest.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft gevaar op de weg veroorzaakt door niet in voldoende mate in zijn spiegels te kijken en zonder te stoppen de rotonde op te rijden en rechtsaf te slaan, waardoor een verkeersongeval heeft plaatsgevonden en het zeventienjarige slachtoffer is komen te overlijden. Zoals ook blijkt uit de zeer indringende slachtofferverklaringen van de nabestaanden ter zitting heeft dit onvoorstelbaar veel verdriet veroorzaakt en zullen hun levens nooit meer hetzelfde zijn. Het leed van de nabestaanden zal ook door het opleggen van een straf aan de verdachte niet ongedaan gemaakt kunnen worden. De rechtbank realiseert zich dat geen enkele straf recht zal doen aan het gemis dat de ouders en de andere nabestaanden hun leven lang nog zullen ervaren.
Persoon van de verdachte
Ook voor de verdachte heeft het ongeval grote gevolgen gehad. Tijdens het onderzoek ter zitting is gebleken dat het lot van het slachtoffer de verdachte zeer aangrijpt en dat hij erg begaan is met de nabestaanden. Uit het reclasseringsrapport van 2 oktober 2025 en uit wat de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard is gebleken dat de verdachte na het ongeval last heeft gehad van psychische klachten. Dat heeft invloed gehad op zijn werk als beroepschauffeur. Het heeft enige tijd geduurd voordat hij zijn werk kon hervatten. De verdachte heeft ervoor gekozen niet meer werkzaam te zijn in de winkeldistributie, omdat hij zo min mogelijk wil rijden binnen de bebouwde kom. De verdachte is gaan werken in de internationale transportsector, zodat hij zo veel mogelijk op snelwegen rijdt. De reclassering heeft geadviseerd om bij een veroordeling een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden, omdat zij interventies of toezicht niet nodig vindt.
De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon van de verdachte verder gelet op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 2 februari 2026 (zijn strafblad), waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Dit wordt dan ook niet in het nadeel van verdachte meegewogen.
Op te leggen straf
De rechtbank heeft voorts gekeken naar straffen die in (tot op zekere hoogte) vergelijkbare gevallen door rechtbanken en gerechtshoven worden opgelegd.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf van 40 uren moet worden opgelegd.
7. Bijkomende straf
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte (naast de taakstraf van 40 uren) de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen dient te worden ontzegd voor de duur van twee maanden, met aftrek zoals bedoeld in artikel 179 WVW.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikelen 9, 22 en 22d van het Wetboek van Strafrecht;
artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
9. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 40 (veertig) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren daarvan verrichten te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.
Veroordeelt de verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 (twee) maanden met aftrek overeenkomstig artikel 179, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. E. van Kampen, voorzitter,
mr. J.M. Jongkind en mr. A. Buiskool, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.B.A.F. Burggraaf,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 maart 2026.
Bijlage
De bewijsmiddelen
De hierna vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.
Verklaring van de verdachte ter terechtzitting
De verklaring die de verdachte ter terechtzitting van 5 maart 2026 heeft afgelegd, houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in.
Ik reed op 10 juli 2024 op de Van Ostadelaan in Alkmaar. Het regende op dat moment erg hard. Ik heb voor het oprijden van de rotonde in mijn spiegels gekeken, maar ik heb het slachtoffer niet gezien. Tijdens het verhoor door de politie op 28 maart 2025 zijn mij de foto’s 3 en 4 getoond. Op het moment dat zichtbaar is op die foto’s had ik het slachtoffer kunnen zien.
Een proces-verbaal van bevindingen van 23 augustus 2024 (dossierpagina 117 e.v.), inhoudende: Op de datum en tijdstip: 2024-07-10 11:11:05 zag ik een vrachtwagen met oplegger rechts in het beeld verschijnen. Ik zag dat de vrachtwagen over de Van Ostadelaan reed in de richting van de rotonde Van Ostadelaan, Terborchlaan en de Aert de Gelderlaan.
Op de datum en tijdstip: 2024-07-10 11:11:09 zag ik een persoon op een fiets in beeld verschijnen. Ik zag dat deze persoon over de Van Ostadelaan achter de vrachtwagen en in dezelfde richting als de vrachtwagen fietste.
Op de datum en tijdstip: 2024-07-10 11:11:17 zag ik dat de persoon op de fiets nog steeds over de Van Ostadelaan, achter de vrachtwagen met oplegger fietste. Op de bewegende beelden zag ik dat de vrachtwagen met oplegger rollend, in ieder geval zonder te stoppen, de rotonde op reed.
Op de datum en tijdstip: 2024-07-10 11:11:24 zag ik dat de vrachtwagen met oplegger verder de rotonde op reed en de rotonde via de Terborchlaan wilde verlaten.
Op de datum en tijdstip: 2024-07-10 11:11:26 zag ik dat de vrachtwagen met oplegger verder de Terborchlaan op reed. Ik zag dat de oplegger met een van de rechterachterwielen over iets heen reed.
Een proces-verbaal FO Verkeer van 9 december 2024 (dossierpagina 42 e.v.), inhoudende: De bestuurder van een vrachtwagencombinatie had gereden over de Van Ostadelaan in de richting van de rotonde bij de Terborchlaan. De bestuurder van een fiets had gereden over de Van Ostadelaan in de richting van de rotonde bij de Terborchlaan. Op de rotonde ter hoogte van de Terborchlaan kwamen beide voertuigen met elkaar in aanrijding.
Een proces-verbaal FO Verkeer van 15 december 2024 (dossierpagina 67 e.v.), inhoudende:
Ik (…) zag dat het zicht van de bestuurder vanuit de bedrijfsauto niet werd belemmerd anders dan door de constructie van de bedrijfsauto. Tevens werd het zicht in de spiegels niet belemmerd. Ik zag dat bij het naderen van de rotonde waar het verkeersongeval had plaatsgevonden er continu zicht was op de naastgelegen fietsstrook.