ECLI:NL:RBNHO:2026:2909

ECLI:NL:RBNHO:2026:2909

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 18-03-2026
Datum publicatie 19-03-2026
Zaaknummer C/15/360895 / HA ZA 25-28
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

Bouwgeschil. Afrekening. Geschil over aanvullende kosten. Opschorting. Gevolgen van omzettingsverklaring ex art. 6:87 BW.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Alkmaar

Zaaknummer: C/15/360895 / HA ZA 25-28

Vonnis van 18 maart 2026

in de zaak van

ANTON BOUW & BETONTECHNIEK BV,

te Koggenland,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: Anton,

advocaten: mr. K.M. Janssen en mr. M. Pluister,

tegen

DE GEUS BOUW B.V.,

te Broek op Langedijk,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: De Geus Bouw,

advocaten: mr. E. Hoekstra en mr. P. Thole.

De zaak in het kort

Anton heeft in opdracht van De Geus Bouw werk in onderaanneming uitgevoerd tegen een overeengekomen aanneemsom. Op enig moment heeft Anton haar werkzaamheden opgeschort wegens, voor zover hier van belang, onenigheid over meerkosten ten gevolge van onvoorziene prijsstijgingen en verricht meerwerk. De Geus Bouw heeft daarop een omzettingsverklaring als bedoeld in artikel 6:87 Burgerlijk Wetboek (BW) uitgebracht. Anton vordert nu betaling van diverse meerwerkposten, van onvoorziene meerkosten ten gevolge van de oorlog in Oekraïne en van de resterende aanneemsom. De Geus Bouw vordert als vervangende schadevergoeding de kosten de zij heeft moeten maken om het werk van Anton alsnog zelf te (laten) doen.

De rechtbank oordeelt dat Anton haar werkzaamheden niet mocht opschorten. Wegens het verzuim van Anton mocht De Geus Bouw een omzettingsverklaring uitbrengen. Van de door Anton gevorderde meerkosten wordt een aantal posten toegewezen. Dat geldt ook voor de resterende aanneemsom. Een aantal meerwerkposten wordt afgewezen. Ook de kosten wegens onvoorziene prijsstijgingen wijst de rechtbank af. Partijen hebben voor onvoorziene kostenverhogingen in de aanneemovereenkomst een regeling getroffen die erop neer komt dat De Geus Bouw die kosten niet hoeft te vergoeden. Anton heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom zij desondanks aanspraak kan maken op onvoorziene meerkosten.

De door De Geus Bouw gevorderde schadevergoeding wijst de rechtbank af, omdat De Geus Bouw onvoldoende heeft onderbouwd dat en waarom die kosten een gevolg zijn van de toerekenbare tekortkoming van Anton.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 19 december 2024,

- de akte overlegging producties van Anton met producties 1 tot en met 74,- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties 1 tot en met 41,

- de conclusie van antwoord in reconventie met productie 75,

- het tussenvonnis van 21 mei 2025,

- de akte overlegging nadere producties van Anton met producties 76 tot en met 92,

- de akte overlegging nadere producties van De Geus Bouw met producties 42 tot en met 56,

- de akte “overlegging (herziene) producties 79 & 88” van Anton,

- de akte “overlegging (herziene) producties 48, 51 en 57” van De Geus Bouw,

- de mondelinge behandeling van 30 oktober 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. Partijen hebben spreekaantekeningen gebruikt en deze aan de rechtbank overgelegd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Anton haar eis verminderd.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Partijen zijn beiden werkzaam in de bouw. De Geus Bouw heeft met Bejo Zaden te Warmenhuizen een overeenkomst van aanneming gesloten voor het realiseren van een nieuw te bouwen complex voor Bejo Zaden. In verband met deze overeenkomst van aanneming heeft De Geus Bouw met Anton een overeenkomst van (onder)aanneming gesloten waarbij Anton, kort gezegd, van De Geus Bouw opdracht kreeg voor het realiseren van het betonskelet voor het nieuw te bouwen complex.

Op 6 september 2021 is een laatste versie van het voorlopig ontwerp (VO) opgesteld van het werk bij Bejo Zaden. Nadat De Geus Bouw op 5 november 2021 een inkooprapport naar Anton stuurde, heeft Anton op 8 november 2021 een inkoopbevestiging naar De Geus Bouw gestuurd. Op 30 november 2021 stuurde De Geus Bouw aan Anton een concept overeenkomst van onderaanneming. Na de nodige aanpassingen hebben partijen die overeenkomst van onderaanneming begin maart 2023 ondertekend. De door partijen ondertekende overeenkomst van onderaanneming zal hierna ook worden aangeduid als de aanneemovereenkomst. Anton was toen al begonnen met de uitvoering van het werk.

De overeengekomen aanneemsom bedroeg € 3.118.670,- exclusief btw. Op de aanneemovereenkomst zijn toepasselijk verklaard de door De Geus Bouw gebruikte Voorwaarden van Onderaanneming (AV De Geus Bouw) en de Algemene Voorwaarden Aanneming van werk 2013, zoals herzien in december 2014 (AVA 2013). De aanneemovereenkomst bepaalt dat bij tegenstrijdigheden tussen die beide bepalingen het Nederlands recht toepasselijk is.

Verder bevat de aanneemovereenkomst een aantal bepalingen die in dit geschil van belang zijn.

Op 20 december 2022 heeft zich op het werk een veiligheidsincident voorgedaan met een werknemer van Anton.

Op 23 december 2022 om 12.31 uur heeft Anton aan De Geus Bouw een overzicht gemaild van de financiële consequenties van extra hoeveelheden, prijsstijgingen, indexaties en meerwerk.

Op 23 december 2022 om 16.24 uur heeft Anton per e-mail aan De Geus Bouw meegedeeld haar werk op te schorten wegens het veiligheidsincident van 20 december 2022 en wegens het onbetaald blijven van de door Anton geclaimde meerkosten. Die meerkosten becijferde Anton op dat moment op € 515.830,-.

Bij brief van 10 januari 2023 heeft De Geus Bouw tegen die opschorting geprotesteerd. In de periode daaropvolgend hebben partijen overleg gevoerd over de door Anton geclaimde meerkosten. Nadat partijen op 17 januari 2023 overeenstemming leken te hebben over de wijze waarop zij financieel met elkaar verder zouden gaan, heeft Anton haar werkzaamheden op 18 januari 2023 hervat.

Partijen hebben vervolgens weer overleg gevoerd, maar uiteindelijk bleek dat partijen niet tot een akkoord zijn gekomen. Daarop heeft Anton haar werkzaamheden op 31 januari 2023 opnieuw opgeschort. Omdat Anton haar werk had opgeschort, heeft zij prefab betononderdelen niet laten afleveren op de bouwplaats bij Bejo Zaden maar op haar eigen terrein. Naar aanleiding hiervan sommeerde De Geus Bouw Anton de betreffende betonelementen nog dezelfde dag alsnog op het werk af te leveren.

Op 3 februari 2023 sommeerde De Geus Bouw Anton opnieuw en dit keer per brief om de betreffende betonelementen uiterlijk 6 februari aan te leveren en de prefab-elementen op 7 februari 2023.

Nadat Anton op 7 februari 2023 aan De Geus Bouw had meegedeeld het werk niet te zullen hervatten, heeft De Geus Bouw bij brief van 8 februari 2023 aan Anton, onder verwijzing naar artikel 6:87 BW, meegedeeld niet langer nakoming te verlangen van de aanneemovereenkomst en die verbintenis om te zetten in een verbintenis tot betaling van vervangende schadevergoeding.

3. Het geschil

in conventie

Anton vordert in de dagvaarding - samengevat - dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis Anton veroordeelt tot betaling van € 1.172.183,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 8 februari 2023, en tot betaling van de proceskosten.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft Anton haar vordering met een bedrag van € 40.000,- verminderd.

Anton legt aan de vordering - sterk samengevat - het volgende ten grondslag. De Geus Bouw dient haar verplichtingen uit hoofde van de aanneemovereenkomst met Anton na te komen. De Geus Bouw dient krachtens de aanneemovereenkomst nog aan Anton te vergoeden:

€ 604.796,- wegens veranderingen in het ontwerp;

€ 72.262,- wegens diverse meerwerkposten;

€ 17.499,99 wegens de door De Geus Bouw erkende meerwerkposten MMW 31 en MMW51;

€ 85.912,- wegens conform de aanneemovereenkomst overeengekomen verrekenbare hoeveelheden;

€ 197.674,- wegens (onvoorziene) prijsstijgingen door de grondstoffen- en energiecrisis als gevolg van de oorlog in Oekraïne;

€ 187.264,40 wegens restanttermijnen van de oorspronkelijke aanneemsom;

€ 6.775,- wegens buitengerechtelijke incassokosten.

De Geus Bouw voert verweer.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in reconventie

De Geus Bouw vordert - samengevat - dat de rechtbank bij uitvoerbaar te verklaren vonnis Anton veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 720.000,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 8 februari 2023, met veroordeling van De Geus Bouw in de proceskosten.

De Geus Bouw legt aan de vordering - sterk samengevat - het volgende ten grondslag. Anton heeft tweemaal ongerechtvaardigd haar werkzaamheden opgeschort. Eerst in december 2022 wegens een veiligheidsincident en wegens vermeende achterstand in de betaling. Op 12 januari 2023 heeft De Geus Bouw Anton gesommeerd het werk te hervatten. Partijen zijn vervolgens met elkaar in overleg gegaan over de betalingen door De Geus Bouw en Anton heeft haar werkzaamheden hervat. Anton kwam tijdens de overleggen met steeds grotere betalingsclaims. Op 30 januari 2023 hebben partijen met elkaar gesproken over een oplossing. Die hebben partijen niet gevonden. Anton heeft vervolgens opnieuw haar werkzaamheden opgeschort. Bovendien heeft zij betonelementen die voor het werk bij Bejo Zaden bestemd waren op haar eigen bedrijf laten afleveren. De Geus Bouw heeft Anton toen gesommeerd om de betreffende betondelen op het werk af te leveren. Daarop reageerde Anton met de mededeling (eerst) ruim € 550.000,- vergoed te willen krijgen wegens gestegen materiaalkosten en kosten van extra door Anton geleverde bewapening. Omdat Anton zonder grond haar werkzaamheden opschortte en op geen enkele wijze bereid bleek om haar werkzaamheden en leveranties na te komen, is Anton in verzuim geraakt en heeft De Geus Bouw op 8 februari 2023 een omzettingsverklaring als bedoeld in artikel 6:87 BW uitgebracht. Vervolgens heeft De Geus Bouw het werk bij Bejo Zaden zelf moeten afmaken. De kosten daarvan zijn schade die Anton moet vergoeden. Volgens de conclusie van antwoord in conventie/conclusie van eis in reconventie gaat het om een bedrag van € 720.000,-. Tijdens de mondelinge behandeling heeft De Geus Bouw aangevoerd dat die kosten € 739.334,41 bedragen.

Anton voert verweer.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en in reconventie

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.

De verzochte eiswijziging in reconventie

Tijdens de mondelinge behandeling heeft De Geus Bouw haar eis in reconventie vermeerderd in die zin dat zij in hoofdsom geen € 720.000,- wenst te vorderen maar € 739.334,41. Anton heeft bezwaar gemaakt tegen die eisvermeerdering. Volgens Anton is die in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde.

De rechtbank zal de eisvermeerdering door De Geus Bouw niet toestaan. Zij legt uit waarom. Krachtens artikel 130 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is, zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, de eiser bevoegd zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk, bij conclusie of akte ter rolle, te veranderen of te vermeerderen. Artikel 87 Rv, dat betrekking heeft op de mondelinge behandeling, bepaalt echter in lid 6 dat processtukken en andere stukken zoveel mogelijk onmiddellijk bij dagvaarding dan wel conclusie van antwoord en tot uiterlijk tien dagen voor de mondelinge behandeling in het geding moeten worden gebracht. Stukken die na die termijn of ter zitting in het geding worden gebracht, worden door de rechter buiten beschouwing gelaten, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet.

Hoewel uit de wet voortvloeit dat De Geus Bouw de voor de eiswijziging noodzakelijke akte of conclusie in beginsel tien dagen voor de mondelinge behandeling in het geding had moeten brengen en De Geus Bouw daar ook in het tussenvonnis van 21 mei 2025 op is gewezen, heeft De Geus Bouw dat niet gedaan en pas aan het slot van haar pleidooi meegedeeld haar eis te willen vermeerderen. Dat is te laat, gelet op het bepaalde in artikel 87 lid 6 Rv.

Daar komt nog bij dat De Geus Bouw in haar conclusie van eis in reconventie het hoe en waarom en de hoogte van haar vordering niet of nauwelijks heeft onderbouwd. Bewijsstukken waaruit de hoogte van haar vordering moet blijken, heeft zij daarbij in het geheel niet overgelegd. Pas met het oog op de mondelinge behandeling heeft De Geus Bouw, op zich tijdig, producties overgelegd waaruit de hoogte van haar vordering zou moeten blijken. De Geus Bouw heeft echter nagelaten om in de akte waarbij de producties zijn overgelegd enige uitleg of context bij de producties te geven. Dat heeft zij pas gedaan tijdens de mondelinge behandeling en dan nog zeer beknopt. Doordat De Geus Bouw pas zo laat in de procedure met enige uitleg over haar vordering komt en haar vordering op grond van de inhoud van de producties vermeerdert, kan niet van Anton worden verlangd dat zij daarop al tijdens de mondelinge behandeling reageert. Daarvoor zou Anton dan een nadere termijn moeten krijgen, wat leidt tot nodeloze vertraging. De eiswijziging door De Geus Bouw is daarom in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde.

Dat de rechtbank de vordering van De Geus Bouw hierna integraal zal afwijzen, maakt het voorgaande niet anders.

Opschorting door Anton en de omzettingsverklaring van De Geus Bouw

In dit geschil vragen partijen de rechtbank over te gaan tot de financiële afwikkeling van de tussen partijen gesloten (onder)aannemingsovereenkomst. De afspraken over de door Anton te verrichten werkzaamheden liggen vast in de aanneemovereenkomst en het daarbij behorende inkooprapport van De Geus Bouw. Hoewel de aanneemovereenkomst pas in maart 2022 is ondertekend, is Anton haar werkzaamheden al in het najaar van 2021 gestart. Vanaf eind december 2022 is de relatie tussen partijen verslechterd. Anton heeft haar werkzaamheden tweemaal opgeschort. Eerst op 23 december 2022 en daarna op 31 januari 2023 (zie hiervoor onder 2.6 en 2.8). Volgens De Geus Bouw mocht Anton haar werkzaamheden niet opschorten en is Anton in verzuim geraakt.

De rechtbank zal eerst ingaan op het vermeende opschortingsrecht van Anton. Daarbij gaat het met name om de vraag of Anton eind januari 2023 gerechtigd was haar werkzaamheden voor een tweede keer op te schorten. Zij had haar werkzaamheden immers op 18 januari 2023 hervat, zo blijkt uit wat Anton tijdens de mondelinge behandeling aanvoerde. De rechtbank is van oordeel dat Anton niet gerechtigd was haar werkzaamheden voor een tweede keer op te schorten. De rechtbank legt dit uit.

Partijen hadden een geschil over de vraag welke door Anton opgevoerde posten De Geus Bouw aanvullend verschuldigd zou zijn. Volgens Anton hebben partijen daarbij op 30 januari 2023 afgesproken dat De Geus Bouw € 650.000,- aanvullend zou betalen (zie randnummer 37 dagvaarding). Volgens Anton kwam De Geus Bouw de dag daarna, in afwijking van de gemaakte afspraak, met een nieuw vertrekpunt, namelijk € 468.882,-. Dat nieuwe uitgangspunt was voor Anton niet akkoord, waarna zij haar op 31 januari 2023 werkzaamheden opnieuw heeft opgeschort. Kennelijk meende Anton op dat moment goede grond te hebben om te vrezen dat De Geus Bouw haar betalingsverplichtingen uit de aanneemovereenkomst niet volledig zou nakomen (vgl. artikel 6:263 BW). De rechtbank kan die “goede grond” niet afleiden uit wat Anton heeft aangevoerd. Dat De Geus Bouw op 30 januari 2023 zonder voorbehoud heeft toegezegd als uitgangspunt te accepteren dat zij aanvullend € 650.000,- zal betalen, heeft Anton, gelet op de gemotiveerde betwisting van die toezegging door De Geus, onvoldoende onderbouwd. Ervan uitgaande dat De Geus Bouw op 30 dan wel 31 januari 2023 wel bereid was een bedrag van € 468.882,- als uitgangspunt te nemen, zoals Anton betoogt, blijkt niet waarom dat voor Anton goede grond gaf te vrezen dat De Geus Bouw haar betalingsverplichtingen uit de aanneemovereenkomst niet of niet volledig zou nakomen. Er was op dat moment dus voor Anton geen goede grond op om haar werkzaamheden opnieuw op te schorten. Weliswaar pretendeerde Anton op dat moment een hogere (aanvullende) vordering te hebben dan het bedrag dat De Geus Bouw als uitgangspunt nam, maar hierna zal blijken dat Anton daarop geen recht had en heeft.

Voor het geval Anton bedoelt dat zij haar werkzaamheden op 31 januari 2023 (ook) heeft opgeschort en mocht opschorten wegens de onveilige werkomgeving, is dat eveneens ten onrechte. Anton heeft haar standpunt dat De Geus Bouw niet voldeed aan haar verplichting zorg te dragen voor een veilige werkomgeving, omdat sprake zou zijn een onveilige steiger, onvoldoende onderbouwd in het licht van de betwisting van De Geus Bouw. De Geus Bouw heeft immers aangevoerd dat zij Anton per e-mail van 22 december 2022 heeft bevestigd dat de omissies aan de steiger opgepakt waren en teniet waren gedaan.

Omdat Anton zonder rechtsgrond haar werkzaamheden heeft opgeschort en ook weigerde aan de sommatie van De Geus Bouw van 3 februari 2023 te voldoen, is Anton in verzuim geraakt en was De Geus Bouw gerechtigd op 8 februari 2023 de omzettingsverklaring als bedoeld in artikel 6:87 BW uit te brengen.

Door die omzettingsverklaring is de verbintenis van Anton tot het afmaken van het werk omgezet in een verbintenis tot het betalen van (vervangende) schadevergoeding. De verbintenis van De Geus Bouw tot het betalen van de aanneemsom en andere verplichtingen die voortvloeien uit de aanneemovereenkomst zijn door de omzettingsverklaring niet geraakt en ongewijzigd in stand gebleven.

De rechtbank zal hierna ingaan op de diverse posten die in geschil zijn.

wegens veranderingen in het ontwerp

Anton vordert onder deze noemer betaling van een aantal posten. In zijn algemeenheid heeft Anton hierover aangevoerd dat Anton oorspronkelijk een traditionele verdiepingsvloer heeft voorgesteld. De Geus Bouw heeft echter de voorkeur uitgesproken voor breedplaatvloeren als alternatief. Het VO is daarop gebaseerd. Op basis daarvan heeft Anton op 18 oktober 2021 de definitieve offerte uitgebracht en die heeft geleid tot de concept-aanneemovereenkomst van De Geus Bouw d.d. 30 november 2021 die na de bespreking op 15 februari 2022 in maart 2022 is ondertekend. Gedurende de onderhandelingen en ook na de start van de bouwwerkzaamheden heeft de constructeur het ontwerp verder doorontwikkeld, waarbij het ontwerp is aangepast. De wijziging van het ontwerp levert een verhoging van de aanneemsom op. Anton heeft de verschillende wijzigingen in het ontwerp uitgesplitst en per post gespecificeerd.

De Geus Bouw heeft over de wijzigingen in het ontwerp (in zijn algemeenheid) aangevoerd dat voor het beoordelen van vorderingen wegens veranderingen in het ontwerp het juridisch kader uit de volgende afspraak bestaat:

Alles is conform bestek (en bijbehorende bijlagen) aangeboden, hierdoor is meerwerk niet mogelijk behoudens veranderingen in het ontwerp opgedragen door directievoerder c.q. opdrachtgever” en “Alles conform besteknummer 18-1 082, d.d. 30-06-2021 met bijbehorende tekeningen en bijlagen uitvoeren.

Dat betekent dat Anton, om aanspraak te kunnen maken op betaling van de vordering, aan zal moeten tonen dat De Geus Bouw opdracht heeft gegeven tot een wijziging van ontwerp.

De rechtbank zal de diverse posten hierna bespreken.

MW 64 ad € 269.027,33

Post MW 64 heeft betrekking op het “leveren en aanbrengen trekbandwapening breedplaatvoeren t/m dakvloer”. Volgens Anton heeft PBT als hoofdconstructeur samen met de leverancier van de breedplaatvloer, De Hoop Pekso (DHP), in de uitvoeringsfase aanmerkelijk meer trekbanden aangewezen dan op basis van het oorspronkelijke ontwerp kon worden verwacht. Anton heeft haar offerte gebaseerd op onder andere de uitgangspunten uit de begroting van De Geus Bouw en de offerte van DHP van 7 oktober 2021. Gedurende de onderhandelingen en ook na de start van de bouwwerkzaamheden is gebleken dat door de voornoemde veranderingen in het ontwerp veel meer trekbandwapening nodig was dan verwacht. De kosten voor het leveren en aanbrengen van de trekbandwapening bedragen in totaal € 269.027,33.

De Geus Bouw betwist de verschuldigdheid van deze post omdat Anton geen juiste berekening aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd. De hoeveelheden kilogrammen zijn akkoord, maar Anton heeft een onjuiste verrekenprijs toegepast

De rechtbank zal deze post toewijzen. Anton heeft voldoende inzichtelijk gemaakt waar deze post betrekking op heeft en hoe deze is opgebouwd. De Geus Bouw heeft erkend dat Anton in verband hiermee een vordering op De Geus Bouw heeft. Indien de door Anton verrekenprijs onjuist was, zoals De Geus Bouw aanvoert, lag het op de weg van De Geus Bouw om inzichtelijk te maken welke verrekenprijs Anton dan wel had moeten toepassen en welke gevolgen dat heeft voor de vordering. Omdat De Geus Bouw dat niet heeft gedaan, heeft zij deze post onvoldoende gemotiveerd betwist.

MW 25 ad € 145.000,-

Post MW 25 heeft betrekking op “Langere doorhuur ondersteuning t.g.v. het door PBT opgestelde ontstempelprotocol”. Volgens Anton hangt de verantwoordelijkheid voor het stempelplan samen met de constructie en ligt deze bij de opdrachtgever (De Geus Bouw) en haar constructeur-ingenieur (PBT). In de mail van De Geus Bouw van 3 februari 2021 bevestigt De Geus Bouw dat PBT het stempelplan zou uitwerken en goedkeuren. Anton is verantwoordelijk voor het leveren en plaatsen van de stempels. Anton is er in haar begroting van uitgegaan dat er een volledig uitgewerkt stempelplan en ontstempelplan zou worden aangeleverd. PBT zou het stempelplan moeten aanleveren, maar heeft dit niet gedaan. Voor het verwijderen van de ondersteuning heeft PBT uiteindelijk een vuistregel toegepast, de 3,2,1-methode in plaats van een precieze doorrekening per stempel. De vuistregel is een veilig uitgangspunt, waarbij de stempels zo lang blijven staan als minimaal nodig is gelet op de voortgang van de bouw. Anton heeft tijdens de werkzaamheden herhaaldelijk bij De Geus Bouw aangegeven dat een stempelplan ontbreekt en dat de uiteindelijke door PBT gehanteerde vuistregel conservatief is en tot meer kosten leidt. Uit de begroting blijkt dat De Geus Bouw de kosten voor ondersteuning heeft opgenomen voor circa € 150.000,-. Anton heeft in haar offerte de kosten voor ondersteuning begroot op circa € 280.000, uiteindelijk heeft de ondersteuning in totaal circa € 450.000,- gekost, dus € 145.000,- meer dan begroot.

De Geus Bouw heeft hiertegen aangevoerd dat onderstempeling al voor de contractvorming integraal onderdeel is geworden van de aan Anton opgedragen (de rechtbank begrijpt: op te dragen) werkzaamheden. Anton heeft het betonskelet aangenomen op basis van 100 procent compleetheid met betrekking tot de voor het gebouw benodigde onderstempelingsconstructie. De Geus Bouw verwijst daarbij naar de punten 02.8, 02.9, 02.10 en 02.13 uit de tussen partijen gesloten aanneemovereenkomst. PBT heeft een voorstel gelanceerd met de 3-2-1 methode voor de onderstempeling omdat Anton tijdens de uitvoering daarom zélf gevraagd heeft. Op verzoek van Anton heeft de hoofdconstructeur PBT dit toen opgesteld. De begroting van De Geus Bouw fungeerde tijdens de contractafronding slechts als “praat-exemplaar” en deze maakt dus géén onderdeel uit van de aanneemovereenkomst. In het contract staat geen expliciete huurperiode omschreven. Deze was gekoppeld aan de eigen planning van Anton en daarmee dus integraal onderdeel van de vaste prijs. Er kan daarom op dit punt niets aanvullend in rekening worden gebracht.

De rechtbank zal deze post afwijzen. Uit wat Anton heeft aangevoerd leidt de rechtbank af dat Anton zich op het standpunt stelt dat De Geus Bouw (samen met PBT) verantwoordelijk was voor het aanleveren van een deugdelijk stempelplan, maar dat zij dit niet hebben gedaan. Doordat vervolgens een stempelplan is opgesteld op basis van een meer algemene vuistregel, zou Anton meer kosten hebben moeten maken en mogen doorberekenen aan De Geus Bouw. Anton heeft echter nagelaten een concrete rechtsgrond voor deze vordering te noemen. Anton lijkt te stellen dat zij dit bedrag kan vorderen krachtens de overeenkomst met De Geus Bouw, maar heeft Anton niet inzichtelijk gemaakt op grond van welke bepaling(en) uit de overeenkomst dat is. Uit wat Anton heeft aangevoerd, kan de rechtbank ook geen andere rechtsgrond voor haar vordering afleiden.

MW 18 ad € 70.509,95

Post MW 18 heeft betrekking op “Natte stroken balkbodems en breedplaten bekisten”. Anton legt aan deze post ten grondslag dat De Geus Bouw op 9 november 2021 tekeningen heeft aangeleverd waarin de details van de breedplaatvloeren, de holle balkbodems en de stortstroken slechts als grof principe zijn weergegeven. De details van de breedplaatvloeren zijn pas gedurende het werk aangeleverd. PBT heeft, als hoofdconstructeur, samen met de breedplaatvloer leverancier DHP, in de uitvoeringsfase aanmerkelijk meer stortstroken aangewezen dan op basis van het oorspronkelijke ontwerp kon worden verwacht. In plaats van de breedplaatvloeren tegen elkaar aan te leggen, zoals gebruikelijk, heeft PBT tussen de breedplaatvloeren een opening van 100 mm ingetekend die met natte stroken beton moest worden opgevuld. Dit heeft tot een verhoging van de aanneemsom geleid van € 70.509,95.

De Geus Bouw heeft hiertegen aangevoerd dat de wijze van uitvoeren zoals die vanaf dag één aan Anton is voorgehouden, ook daadwerkelijk de wijze is waarop het werk is uitgevoerd. Anton heeft enkel en alleen een detail meegenomen ten aanzien van ruwbouw betonskelet, maar dit dateert van 24 maart 2021 en 8 april 2021, dus van ruim vóór de contractvorming. Ook dit maakt dan ook onderdeel uit van de overeenkomst en kan geen opgedragen wijziging van ontwerp zijn. Dat zou hoogstens anders kunnen zijn indien dit na contractvorming zou hebben plaatsgevonden, wat dus niet het geval is.

De rechtbank zal deze post afwijzen. Uit wat Anton heeft aangevoerd kan zij niet afleiden dat de vordering van Anton in verband met deze post voortvloeit uit een door De Geus Bouw goedgekeurde wijziging in het ontwerp waarmee in de aanneemovereenkomst (en de daarin overeengekomen aanneemsom) geen rekening is gehouden. Een andere rechtsgrond voor de verschuldigdheid van deze post ziet de rechtbank evenmin.

MW 65 ad € 40.632,66

Post MW 65 betreft “Herstel penanten begane grond + 1e verdieping”. Volgens Anton bleek gedurende de werkzaamheden dat door het unieke ontwerp van PBT het hoofdontwerp ook moest worden aangepast ten aanzien van een aantal penanten. Tijdens het werk is gebleken dat het constructief noodzakelijk was om een aantal reeds geplaatste penanten alsnog dragend uit te voeren. De kosten van deze ontwerpwijziging bedroegen € 40.632,66.

De Geus Bouw betwist deze post verschuldigd te zijn. Zij voert daartoe aan dat deze aanpassing in het werk is uitgevoerd en dat de kosten al door De Geus Bouw aan Anton zijn betaald. De productie van de nog niet geplaatste penanten is door De Geus Bouw zélf op eigen kosten aangepast. Ook hier geldt dus geen verplichting tot bijbetaling, aldus De Geus Bouw.

De rechtbank zal deze post toewijzen. De Geus Bouw erkent dat zij in verband met de door Anton gestelde extra werkzaamheden een bedrag aan Anton verschuldigd was. Met haar opmerking dat “De Geus Bouw op eigen kosten de productie van de nog niet geplaatste penanten heeft aangepast”, lijkt De Geus Bouw echter een deel van de geclaimde post te betwisten. Niet duidelijk is echter welk deel. Aan dat verweer van De Geus Bouw gaat de rechtbank dan ook voorbij. Dit betekent dat De Geus Bouw het gehele bedrag van € 40.632,66 aan Anton verschuldigd was. De Geus Bouw stelt echter dat zij deze post al heeft betaald. Anton betwist dat. Het lag daarom op de weg van De Geus Bouw om inzichtelijk te maken dat zij deze post daadwerkelijk heeft betaald. Dat kon eenvoudig door het overleggen van een betalingsbewijs, maar dat heeft zij niet gedaan. De Geus Bouw heeft haar (bevrijdende) verweer daarom onvoldoende onderbouwd.

MW 17 ad € 8.756,01

Post MW 17 betreft “aanpassingen prefab kern na UO – sparingen”. Volgens Anton zijn in het VO geen installaties ontworpen in de liftkern, maar slechts constructieve sparingen in de wanden. Na het verstrekken van de werktekeningen van de prefab kernwanden is de vraag gekomen om installaties in de wanden te storten. Het betrof ronde doorvoeren en elektravoorzieningen. Het ontwerp is daarop aangepast. In het werkoverleg van 2 februari 2022 heeft Anton meegedeeld dat er sparingen en instortleidingen in de IPC-modellen zijn aangegeven en dat deze in de vormtekeningen moeten worden toegevoegd. Deze wijziging in het ontwerp heeft geleid tot meer manuren en materiaalkosten dan begroot.

De Geus Bouw betwist deze post. Volgens De Geus Bouw is in de aanneemovereenkomst onder de punten 01.7, 07.8 [bedoeld zal zijn: 01.8] en 01.14 afgesproken dat Anton de sparingen zélf uit de beschikbare IFC modellen zou filteren en met hun prefab betonleveranciers zou afstemmen. Anton heeft dit echter nooit zelf gedaan en zij heeft de hulp van De Geus Bouw ingeroepen om dit voor haar te verzorgen. De Geus Bouw heeft daarom juist zelf, tijdens de controlerondes van de voorlopige vormtekeningen, prefab betonwerk voor Anton uitgevoerd. De door Anton geclaimde manuren zijn derhalve onjuist. De Geus Bouw heeft de coördinatie-uren van de E- en W-leidingen en sparingen in het prefab beton immers zelf voor Anton verzorgd.

De rechtbank zal deze post afwijzen. Dat wat Anton heeft aangevoerd is te summier om daaruit te kunnen afleiden dat zij recht heeft op vergoeding van deze post. Zo blijkt, bijvoorbeeld, niet dat het hier zou gaan om een verandering in het ontwerp opgedragen door directievoerder c.q. opdrachtgever. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij hiervoor onder 4.5.2 heeft overwogen.

MW 26 ad € 8.378,06

Post MW 26 betreft “Stellen en instorten t.b.s. gestelde ankerrails t.b.v. prefab werk”. Volgens Anton is zij in haar begroting uitgegaan van penanten en lateien die onder de vloer hangen en op de vloer staan. De vloer zou in dat geval traditioneel bekist worden. Het instorten van de ankerrails was ten tijde van de aanbesteding niet bekend en/of opgedragen. Na aanbesteding is tijdens de voorbereiding van de werkzaamheden in gezamenlijk overleg besloten om de prefab-penanten en lateien hoger uit te voeren zodat dit ook gelijk diende als randbekisting. Na het aanleveren van de ontwerptekeningen heeft De Geus Bouw aangegeven dat de ankerrails in de prefab-elementen dienen te worden gestort. Deze aanpassing heeft geleid tot extra manuren en meer materiaalkosten.

De Geus Bouw betwist deze post uitvoerig. In de kern komt het verweer van De Geus Bouw erop neer dat in gezamenlijk overleg tussen Anton en De Geus Bouw is besloten dat de prefab penanten en lateien hoger uitgevoerd mochten worden. De Geus Bouw heeft toen ook aangegeven, dat de extra manuren en materiaalkosten die hiermee gepaard zouden gaan voor rekening van Anton zouden zijn. Anton heeft hiermee ingestemd omdat dit voor haar een voordeel (minderwerk) opleverde.

De rechtbank zal deze post afwijzen. Weliswaar kan worden aangenomen dat het oorspronkelijke ontwerp met goedkeuring van De Geus Bouw is gewijzigd, maar uit wat Anton heeft aangevoerd kan de rechtbank niet afleiden dat De Geus Bouw akkoord is gegaan met eventuele meerkosten van Anton op dit punt.

MW 43 ad € 8.347,20

Post MW 43 heeft betrekking op “Stagnatie werkzaamheden t.g.v. wapening verdikte strook 9”. Volgens Anton hebben tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden verschillende problemen gespeeld rondom de kwaliteit van de bij Anton aangeleverde tekeningen. De tekeningen waren onvolledig of sloten niet aan op andere detailtekeningen. Anton heeft meermaals bij De Geus Bouw gemeld dat de kwaliteit van de tekeningen niet voldeed aan de eisen die daaraan mochten worden gesteld, met als consequentie dat de uitvoering van de werkzaamheden stagneerde. In de mail van Anton van 28 juli 2022 kaartte Anton opnieuw aan dat er problemen en onvolkomenheden in de tekeningen zitten en dat dit leidt tot stagnatie van de werkzaamheden. Door de genoemde onvolkomenheden in de tekeningen hebben onder andere de vlechters vertraging in hun werk opgelopen en extra manuren moeten maken.

De Geus Bouw betwist deze post. Volgens De Geus Bouw heeft Anton op het laatste moment (en vlak voor en tijdens het monteren van de wapening) aan De Geus Bouw gevraagd om een toelichting op tekeningen. Ondanks het feit dat dit veel eerder had gemoeten, heeft De Geus Bouw direct actie ondernomen en Anton voorzien van de benodigde toelichting. Van stagnatiekosten doordat de vlechter moest wachten op de toelichting, kan dan ook geen sprake zijn. Mocht al sprake zijn van vertraging, dan komt dit doordat Anton niet proactief te werk is gegaan. Bovendien is de enige onderbouwing van Anton een eigen specificatie zonder aanvullende bewijzen, zodat ook om die reden geen toewijzing van de vordering kan plaatsvinden.

De rechtbank zal deze post afwijzen. Uit wat Anton heeft aangevoerd blijkt niet op welke juridische grondslag zij aanspraak zou kunnen maken op de gevorderde vergoeding van extra-manuren.

MW 55 ad € 7.196,41

Post MW 55 betreft “Extra uitkisten i.v.m. ontbrekende delen breedplaten”. Volgens Anton heeft de leverancier van de breedplaten, DHP, tijdens het werk breedplaten geleverd die niet correct zijn geproduceerd. De Geus Bouw heeft op 26 april 2022 deze constatering zelf bij DHP gemeld. Anton heeft in dat kader de breedplaten extra moeten uitkisten. Dat is besproken tijdens het werkoverleg van 11 mei 2022. De kosten voor die extra werkzaamheden, bestaande uit manuren en materiaalkosten, bedragen € 7.196,41.

Volgens De Geus Bouw moet deze post worden afgewezen omdat De Geus Bouw de geclaimde schade op dit punt heeft ontvangen (de rechtbank begrijpt: van DHP) en reeds één op één aan Anton heeft doorgezet.

De rechtbank zal deze post toewijzen. Uit de reactie van De Geus Bouw blijkt dat zij de verschuldigdheid van deze post erkent. Dat zij deze al aan Anton heeft betaald, zoals De Geus Bouw aanvoert, heeft Anton betwist. Nu De Geus Bouw heef nagelaten haar stelling op dit punt verder te concretiseren terwijl dat wel op haar weg lag, gaat de rechtbank ervan uit dat deze post nog niet is betaald en dat De Geus Bouw dat alsnog moet doen.

MW 70 ad € 6.125,-

Post MW 70 betreft de huur van keten. Volgens Anton zijn partijen in de aanneemovereenkomst met elkaar overeengekomen dat De Geus Bouw zorg zou dragen voor een schaftkeet op de bouwplaats voor Anton. Na aanvang van de werkzaamheden bleek voor Anton echter geen schaftkeet aanwezig en/of beschikbaar te zijn. Anton heeft toen zelf een schaftkeet geregeld.

Volgens De Geus Bouw was op dit punt eerst een grove fout gemaakt, omdat het De Geus Bouw bleek dat Anton de huursom per maand per ongeluk per week had doorberekend. Naderhand is afgesproken dat De Geus Bouw conform het contract enkel de kosten van de schaftkeet voor haar rekening zou nemen, zijnde een bedrag van € 6.250,-.

De rechtbank kan uit de reactie van De Geus Bouw op deze vordering geen verweer afleiden. Deze post is daarom toewijsbaar.

MW 12 ad € 6.118,72

Post MW 12 betreft “Sparingen in kelderwand ter plaatse van koekoeken”. Volgens Anton behoorde tot haar opdracht het stellen en storten van sparingen in de kelderwanden ter plaatse van de koekoeken. De Geus Bouw zou de sparingen aanleveren, maar heeft dit niet gedaan. Om de werkzaamheden niet te stagneren heeft Anton in opdracht van De Geus Bouw zelf de sparingen gefabriceerd en uitgekist. Anton heeft in de mail van 12 mei 2022 meegedeeld dat deze werkzaamheden niet tot haar opdracht behoren en dat deze extra kosten voor rekening van De Geus Bouw komen.

De Geus Bouw betwist deze post. Zij voert aan dat deze sparingen in de kelderwanden altijd al op de constructietekeningen zichtbaar waren. Ook stonden deze vermeld op de tekeningenlijst van De Geus Bouw van 9 november 2021 (zie punt 01.1 uit de aanneemovereenkomst). Deze post is onderdeel van de hoofdopdracht. Anton heeft het complete ruwbouw betonskelet aangenomen en daar behoren de sparingen die op de constructietekeningen staan ook bij. De sparingen in de kelderwanden waarvoor Anton nu een vordering heeft ingesteld, stonden ook in het eigen werkplan van Anton van 18 oktober 2021. Daarmee liet Anton zien dat zij op de hoogte was van de sparingen in de koekoek wanden.

De rechtbank zal deze post afwijzen. Weliswaar kan uit wat Anton heeft aangevoerd worden afgeleid dat zij deze post als meerwerk heeft aangekondigd bij De Geus Bouw, maar hieruit valt niet af te leiden dat De Geus Bouw daarmee heeft ingestemd. Waarom Anton desondanks deze kosten in rekening zou mogen brengen, blijkt evenmin uit wat zij heeft aangevoerd.

MW 16 ad € 1.593,96

Post MW 16 betreft “Aanpassingen prefab kern na UO-vorm”. Volgens Anton heeft de architect tijdens de werkzaamheden de vorm van de prefab kern aangepast. De latei van de liftkern moest in hoogte worden aangepast, waardoor er een constructieve aanpassing moest plaatsvinden op basis van het nieuwe ontwerp. Door deze wijziging in het uitvoeringsontwerp heeft Anton meer manuren moeten maken.

De Geus Bouw erkent dat de architect tijdens de werkzaamheden de latei van de liftkern aangepast. Dit is pas tijdens de enginering van de vorm- en wapening afgerond en kon daarna met de productie van de prefab kernwanden worden meegenomen. Volgens De Geus Bouw zijn daarom alleen de extra kosten van een paar uur detailconstructeur en detailtekenaar van Anton juist.

De rechtbank zal deze post geheel toewijzen. Niet in geschil is dat de architect tijdens de werkzaamheden de vorm van de prefab kern heeft aangepast en dat Anton de meerkosten daarvan aan De Geus Bouw in rekening mocht brengen. Volgens de door Anton als productie 65 overgelegde kostenspecificatie betreft het 2 uur voor de projectleider, 4 uur voor de werkvoorbereider, 4 uur voor de constructeur en 8 uur voor de tekenaar/ontwerper 2D. De Geus Bouw erkent het meerwerk van de constructeur en de tekenaar. Anders dan De Geus Bouw, gaat de rechtbank er echter van uit dat het extra werk van de constructeur en tekenaar ook extra werk oplevert voor de projectleider en werkvoorbereider. Deze aanpassingen moesten immers in het reguliere werk ingepast worden.

wegens diverse meerwerkposten en € 17.500,- wegens MMW 31 en 51

Onder de noemer “diverse meerwerkposten” vordert Anton vergoeding van een divers meerwerk. Het gaat daarbij om meerwerk genummerd MMW 27 tot en met 66, zoals gespecificeerd opgenomen in het als productie 72 door Anton overgelegde Excel-overzicht. Daarnaast maakt Anton aanspraak op vergoeding van twee meerwerkopdrachten die De Geus Bouw al had goedgekeurd, maar nooit zijn voldaan, te weten MW 31 ad € 2.117,11 en MW 51 ter grootte van € 15.382,89.

De Geus Bouw heeft over de gevorderde meerwerkenposten 27 tot en met 66 opgemerkt dat het uitgangspunt van de aanneemovereenkomst was dat géén aanspraak kon worden gemaakt op de betaling van meerwerk. Mocht al enige aanspraak bestaan, dan dient Anton aan te tonen dat opdracht daartoe is gegeven door De Geus Bouw (dan wel dat voorafgaand afstemming heeft plaatsgevonden) en dat het werk ook daadwerkelijk is uitgevoerd. Te meer nu in de algemene voorwaarden is opgenomen dat 75 procent pas opeisbaar is na het gereed komen van het werk. Het meerwerk dient vervolgens in de eerstvolgende termijn te worden gefactureerd. Nergens blijkt echter uit, dat dit ook daadwerkelijk is gebeurd. Anton heeft nimmer een factuur gestuurd en daardoor kon en hoefde De Geus Bouw überhaupt niet te betalen. Ook toont Anton niet aan, dat het geclaimde meerwerk daadwerkelijk is uitgevoerd, zodat ook om die reden geen sprake kan zijn van een opeisbare vordering, aldus nog steeds De Geus Bouw.

De rechtbank constateert dat De Geus Bouw alle posten die hier aan de orde zijn betwist. De Geus Bouw betwist echter niet dat zij de meerwerkposten MW 31 en MW 51 al had eerder heeft goedgekeurd maar nooit heeft betaald. Dat leidt ertoe dat de rechtbank de vordering betreffende de posten MW31 en MW 51 zal toewijzen. Het gaat daarbij in totaal om € 17.500,-. Nu partijen komen tot een finale afrekening van het werk, zijn deze posten in ieder geval op dit moment opeisbaar.

De andere meerwerkposten die Anton hier vordert worden afgewezen. Uit wat Anton heeft aangevoerd, kan de rechtbank niet afleiden dat zij recht heeft op enige betaling op dit punt. Voor zover Anton ter onderbouwing van haar recht heeft verwezen naar producties, verliest Anton uit het oog dat het uitgangspunt in een procedure als deze is dat een procespartij haar stellingen voldoende kenbaar en duidelijk in haar processtukken moet laten verwoorden, in dit geval door haar advocaat (zie o.a. HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE7628). Dit brengt met zich dat een procespartij niet kan volstaan met een enkele verwijzing naar de door haar in het geding gebrachte stukken, maar dat zij concreet moet maken welke stellingen zij op basis van die stukken inneemt en waar die stellingen in de stukken steun vinden of onderbouwd worden. Dit op een zodanige wijze dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen hij zich dient te verweren.

wegens conform de aanneemovereenkomst overeengekomen verrekenbare hoeveelheden

Anton maakt aanspraak op een bedrag van € 85.912,- wegens volgens de aanneemovereenkomst te vergoeden verrekenbare hoeveelheden en resterende laagwatertoeslag voor beton. Uit de opdrachtbevestiging van Anton blijkt dat deze kosten voor rekening van De Geus Bouw komen, zo voert Anton aan.

In reactie op deze posten heeft De Geus Bouw aangevoerd dat ook zij vindt dat de kilogram wapening in de breedplaatvloeren verrekenbaar is. Echter was het, door het uitblijven van het aanleveren van de juiste buigstaten door Anton, niet (eerder) mogelijk om de toegepaste hoeveelheden te kunnen toetsen. De Geus Bouw heeft herhaaldelijk verzocht om buigstaten van de verwerkte wapening. Echter, de lange periode tussen het moment van aanbrengen wapening van bijvoorbeeld de eerste verdieping (circa week 31 van 2022) en het uiteindelijk aanleveren van de buigstaten (week 51 van 2022) heeft er uiteindelijk voor gezorgd dat De Geus Bouw pas na het kerstreces 2022 gepast en inhoudelijk kon reageren.

De rechtbank zal deze post toewijzen tot het gevorderde bedrag van € 85.912,-. De Geus Bouw heeft daartegen geen inhoudelijk verweer gevoerd.

wegens (onvoorziene) prijsstijgingen als gevolg van de grondstoffen- en energiecrisis als gevolg van de oorlog in Oekraïne

Als de rechtbank het goed begrijpt, maakt Anton (onder de noemers MW09 en MW67) aanspraak op een bedrag van € 197.674,-, wegens (onvoorziene) prijsstijgingen door de grondstoffen- en energiecrisis die is ontstaan als gevolg van de oorlog in Oekraïne. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Anton meegedeeld dat hierop in mindering komt een bedrag van € 40.000,-. Volgens Anton kan de “prijsvastclausule” in de aanneemovereenkomst gelet op die onvoorziene kostenstijging geen stand houden. Hierbij beroept zij zich kennelijk op art. 6:258 BW.

Ter onderbouwing van de omvang van de stijging van de materiaalprijzen heeft Anton een door haarzelf opgesteld en bijgehouden Excel-overzicht overgelegd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft zij haar standpunt verder toegelicht. Daaruit leidt de rechtbank af dat het recht van Anton zou moeten blijken uit het feit dat De Geus Bouw al op 22 december 2022 de verschuldigdheid heeft toegezegd van 70 procent van die kosten. De Geus Bouw zou die erkenning op 10 januari 2023 hebben herhaald. Bij brief van 17 januari 2023 zou De Geus Bouw de verschuldigdheid hebben erkend van MW09 voor een bedrag van € 125.811 en van MW67 voor een bedrag van € 12.000,-. Naar de rechtbank begrijpt heeft De Geus Bouw ook een voorschot op deze posten betaald van € 40.000,- en heeft Anton in haar oorspronkelijke vordering abusievelijk geen rekening met die betaling gehouden.

De Geus Bouw voert verweer tegen deze vordering. Zij voert daartoe aan dat voor prijsstijgingen binnen de contractuele kaders in principe geen ruimte is. Partijen hebben afgesproken onder bepaalde omstandigheden naar redelijkheid en billijkheid af te rekenen. De één-op-één doorberekening kan echter onder geen beding plaatsvinden. Verder is over prijsstijgingen in artikel 5 lid 3 van de algemene voorwaarden van Anton (AVA 2013) aanvullend het volgende bepaald:

Indien de aannemer van oordeel is dat kostenverhogende omstandigheden zijn ingetreden, dient hij de opdrachtgever hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk of elektronisch op de hoogte te stellen. Vervolgens zullen partijen op korte termijn overleg plegen omtrent de vraag of kostenverhogende omstandigheden zijn ingetreden en zo ja, in hoeverre de kostenverhoging naar redelijkheid en billijkheid zal worden vergoed.” Anton heeft dit nagelaten. Bovendien heeft Anton eerder nog aangegeven dat sprake zou zijn van prijsstijgingen ter hoogte van € 173.160,27, waarbij Anton per e-mail van 11 januari 2023 heeft erkend dat De Geus Bouw daarop € 40.000,- voldaan heeft. Daarmee zou nog een post van hooguit een bedrag ad € 133.160,27 kunnen resteren.

De rechtbank wijst deze post af. Zij legt hierna uit waarom.

De aanneemovereenkomst is, behoudens voor een aantal concreet benoemde posten, aangegaan voor een vaste prijs. Dit betekent dat eventuele prijsverhogingen (maar ook prijsverlagingen) van te gebruiken materiaal voor rekening en risico van de aannemer (Anton) zijn. Weliswaar kunnen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat onvoorziene prijswijzigingen moeten worden verdisconteerd (artikel 6:258 BW), maar daar staat tegenover dat partijen in de aanneemovereenkomst (zie hiervoor onder 2.3) expliciet hebben afgesproken, kort gezegd, dat voorziene en onvoorziene kostenverhogende omstandigheden die leiden tot het stijgen van lonen en prijzen niet worden verrekend.

Weliswaar is voorstelbaar dat de onvoorziene omstandigheden zodanig onvoorzien zijn of een zodanige uitwerking hebben dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is Anton aan deze prijsvast-bepaling te houden, maar Anton moet in dat geval wel stellen en voldoende onderbouwen dat de prijzen op de verschillende onderdelen zijn gestegen als gevolg van die omstandigheid. Dat heeft Anton niet gedaan. Weliswaar heeft zij zeer uitvoerige Excel-overzichten overgelegd waaruit de prijsstijgingen zouden moeten blijken, maar alleen uit eventuele prijsstijgingen blijkt niet dat deze een gevolg zijn van, kort gezegd, de oorlog in Oekraïne. Dit nog daargelaten dat de betreffende productie volstrekt onleesbaar is. Daar komt bij dat Anton bij haar (kennelijke) beroep op art. 6:258 BW volstaat met een citaat uit een uitspraak van de Raad van Arbitrage van de Bouw en daarmee verzuimt haar betoog dat haar een beroep toekomt op dat artikel te voorzien van een toereikende onderbouwing die is toegespitst op de omstandigheden in dit concrete geval.

Voor zover Anton aanvoert dat De Geus Bouw met vergoeding van de onvoorziene kostenstijging (of een deel daarvan) akkoord zou zijn gegaan, is dat onjuist. Niet blijkt dat De Geus Bouw op enig moment akkoord is gegaan met integrale vergoeding van onvoorziene meerkosten. Evenmin is gebleken dat partijen een afspraak hebben gemaakt dat De Geus Bouw 70 procent van die onvoorziene meerkosten zou betalen. Weliswaar heeft De Geus Bouw in haar mail van 22 december 2022 aan Anton voorgesteld de prijsstijgingen voor 70 procent te vergoeden, maar niet gebleken is dat Anton daarmee akkoord is gegaan. Anton verwijst verder naar toezeggingen van De Geus Bouw op 10 januari 2013 en 17 januari 2013, maar ook daarvoor geldt dat dit slechts een voorstel/aanbod van De Geus Bouw betrof. Ook dat voorstel heeft Anton afgewezen, zo blijkt uit wat zij daar zelf over betoogt in de randnummers 23 e.v. en 33 van de dagvaarding. Van een overeenkomst tot betaling door De Geus Bouw van de gehele of een gedeelte van de onvoorziene meerkosten is dus geen sprake. Dat De Geus Bouw op enig moment € 40.000,- aan Anton heeft betaald in verband met onvoorziene kostenstijgingen, maakt dat niet anders.

wegens restanttermijnen van de oorspronkelijke aanneemsom

Anton maakt aanspraak op betaling van de restanttermijnen van de oorspronkelijke aanneemsom, omdat De Geus Bouw ten onrechte de ontbinding van de overeenkomst heeft ingeroepen. Volgens Anton is er sprake van crediteursverzuim: Anton is niet meer in de gelegenheid gesteld het werk af te ronden. Het bedrag van € 187.264,40 betreft het nog niet gefactureerde gedeelte van de oorspronkelijk overeengekomen aanneemsom.

De Geus Bouw betwist deze vordering. Zij voert aan dat de aanneemovereenkomst niet is ontbonden maar dat De Geus Bouw haar recht op nakoming heeft omgezet in een vordering tot schadevergoeding. De aanneemovereenkomst bestaat dus gewoon nog. Door de omzettingsverklaring heeft Anton een deel van het werk niet hoeven uitvoeren. Daardoor heeft Anton zich kosten bespaard. Zo konden de niet door Anton gewerkte uren worden ingezet op een ander project. Daar komt bij dat Anton betonnen elementen aan zichzelf heeft laten uitleveren en deze dus ook nog heeft kunnen gebruiken. Bovendien heeft De Geus Bouw op de vaste aanneemsom een bedrag ter hoogte van € 190.598,70 te veel betaald ten opzichte van de feitelijke voortgang van het werk. Anton was nog lang niet klaar en kan dan uiteraard ook geen aanspraak maken op betaling. Zij toont ook totaal niet aan, dat alle materialen op het project reeds waren ingekocht. Bovendien kan Anton geen aanspraak kan maken op betaling van de aanneemsom, omdat zij ten onrechte haar werkzaamheden heeft opgeschort.

De rechtbank zal deze post toewijzen. Hiervoor onder 4.3.5 heeft de rechtbank al beschreven wat de gevolgen zijn van de omzettingsverklaring van De Geus Bouw. Door de omzettingsverklaring is de verbintenis van Anton tot het verrichten van de overeengekomen werkzaamheden omgezet in een verbintenis tot schadevergoeding. De omzettingsverklaring van De Geus Bouw heeft geen gevolg voor haar verbintenis tot het betalen van de overeengekomen aanneemsom. Die is onverminderd in stand gebleven. In zoverre zijn de rechtsgevolgen van een omzettingsverklaring anders dan die van ontbinding van een overeenkomst (zie artikel 6:271 BW).

Omdat de werkzaamheden van Anton door de omzettingsverklaring geacht worden te zijn afgerond en zij verder geen betalingsverplichting uit of in verband met de aanneemovereenkomst tegenover De Geus Bouw heeft (zie ook hierna onder 4.21), kan Anton nu aanspraak maken op betaling van de resterende aanneemsom. Of Anton door de omzettingsverklaring al dan niet besparingen heeft gehad, is niet relevant. De Geus Bouw heeft ook geen argumenten gegeven waarom Anton geen aanspraak kan maken op betaling van de gehele resterende aanneemsom.

wegens afbouwkosten De Geus Bouw

De Geus Bouw vordert van Anton € 720.000,- ter vergoeding van de door haar geleden schade. Door het onterecht opschorten van haar werkzaamheden is Anton in verzuim geraakt en heeft De Geus Bouw een derde moeten inschakelen om de resterende werkzaamheden bij Bejo Zaden tijdig af te ronden. De door De Geus Bouw geleden schade komt neer op een bedrag van 720.000,-. Tijdens de mondelinge behandeling van de zaak heeft De Geus Bouw ter onderbouwing van de door haar geleden schade verwezen naar een door haar als productie 47 overgelegd overzicht van de door haar gemaakte kosten naar aanleiding van de opschorting van het werk door Anton. Vervolgens heeft De Geus Bouw onder verwijzing naar haar producties 48 tot en met 55 nog kort een aantal posten toegelicht.

De Geus Bouw heeft de hoogte van de geleden schade gemotiveerd betwist.

De rechtbank zal deze post afwijzen. Hierna legt zij uit waarom. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat De Geus Bouw gerechtigd was om een omzettingsverklaring uit te brengen. Daardoor hoefde De Geus Bouw niet langer nakoming door Anton te verlangen, maar kon zij de nodige werkzaamheden zelf of door een derde laten uitvoerden. Eventuele schade die De Geus Bouw door de toerekenbare tekortkoming van Anton heeft geleden, is daardoor in beginsel vatbaar voor vergoeding. Het is daarbij wel aan De Geus Bouw om inzichtelijk te maken welke werkzaamheden zijn verricht als gevolg van de toerekenbare tekortkoming en de eventuele kosten daarvan inzichtelijk te maken. Dat heeft De Geus Bouw niet gedaan. In haar conclusie van eis in reconventie heeft De Geus Bouw slechts vermeld dat zij een derde heeft moeten inschakelen om het werk af te maken en dat de geleden schade neerkomt op een bedrag van € 720.000,-.

Weliswaar heeft De Geus Bouw voorafgaand aan de mondelinge behandeling bij akte een aantal producties in het geding gebracht ter onderbouwing van de schade, maar die producties zijn niet veel maar dan, naar de rechtbank aanneemt, door De Geus Bouw zelf opgestelde (Excel-)overzichten. Enige duiding van de inhoud van de producties heeft De Geus Bouw bij die akte niet gegeven. Slechts tijdens de mondelinge behandeling heeft De Geus Bouw een aantal posten van de door haar gepretendeerde schade kort toegelicht. Het hoe en waarom van de werkzaamheden/schadeposten, kan uit die beknopte toelichting echter niet worden afgeleid. Voor zover De Geus Bouw daarvoor verwijst naar de producties zelf, verliest Anton uit het oog dat het uitgangspunt in een procedure als deze is dat een procespartij haar stellingen voldoende kenbaar en duidelijk in haar processtukken moet laten verwoorden (zie ook r.o. 4.17.3). De Geus Bouw heeft aldus niet voldaan aan de op haar rustende (stel)plicht de door haar geleden schade deugdelijk inzichtelijk te maken en met bewijsstukken te onderbouwen. De rechtbank wijst deze post dan ook af. Aan bewijslevering komt de rechtbank niet toe.

Conclusies

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat van de vordering van Anton toewijsbaar zijn de volgende posten:

€ 269.027,33 wegens post MW 64 (r.o. 4.6.3);

€ 40.632,66 wegens post MW 65 (r.o. 4.9.3);

€ 7.196,41 wegens post MW 55 (r.o. 4.13.3);

€ 6.125,00 wegens post MW 70 (r.o. 4.14.3);

€ 1.593,96 wegens post MW 16 (r.o. 4.16.3):

€ 17.500,00 wegens posten MW 31 en MW 51 (r.o. 4.17.3);

€ 85.912,00 wegens verrekenbare hoeveelheden aanneemovereenkomst (r.o. 4.18.3);

€ 187.264,40 wegens restant oorspronkelijke aanneemsom (r.o. 4.20.3).

In totaal is De Geus Bouw dus aan Anton verschuldigd € 615.251,76.

Over dit bedrag is De Geus Bouw wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW verschuldigd vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de prestatie is ontvangen. De Geus Bouw heeft de prestatie ontvangen op 8 februari 2023, zodat zij wettelijke handelsrente verschuldigd is vanaf 10 maart 2023.

Anton vordert verder vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom zal een bedrag van € 4.851,26 worden toegewezen. Over de buitengerechtelijke kosten is De Geus Bouw geen wettelijke handelsrente verschuldigd. De rechtbank wijst daarom toe de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag en wel vanaf de datum van dagvaarding. Dat De Geus Bouw eerder in verzuim is geraakt, is niet gebleken.

De vordering van De Geus Bouw wordt integraal afgewezen.

De Geus Bouw is overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Het salaris advocaat wordt begroot volgens het gebruikelijke liquidatietarief. Omdat dit vonnis later wordt uitgesproken dan door de rechtbank zelf voorzien, hanteert zij daarbij de tarieven zoals die golden voor 1 februari 2026. De proceskosten van Anton worden in conventie begroot op:

- kosten van de dagvaarding

115,22

- griffierecht

10.188,00

- salaris advocaat

7.004,00

(2 punten × € 3.502,00)

- nakosten

139,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

17.446,22

De proceskosten van Anton in reconventie worden, met inachtneming van het voorgaande, begroot op:

- salaris advocaat

3.502,00

(1 punt × € 3.502,00)

- nakosten

139,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

3.641,00

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

veroordeelt De Geus Bouw om aan Anton te betalen een bedrag van € 615.251,76, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 10 maart 2023, tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt De Geus Bouw om aan Anton te betalen een bedrag van € 4.851,26 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt De Geus Bouw in de proceskosten van € 17.446,22, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als De Geus Bouw niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend

wijst het meer of anders gevorderde af.

in reconventie

wijst de vordering af,

veroordeelt De Geus Bouw in de proceskosten van € 3.641,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als De Geus Bouw niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, ,

in conventie en in reconventie

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1, 5.2, 5.3 en 5.6 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Gisolf, mr. B. Voogd en mr. J. Tromp en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand