ECLI:NL:RBNHO:2026:2921

ECLI:NL:RBNHO:2026:2921

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 23-01-2026
Datum publicatie 19-03-2026
Zaaknummer AWB - 25 _ 2445
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

IB. Is het verhoogde eigenwoningforfait van 2,35% in strijd is met artikel 1 EP bij het EVRM i.c.m. artikel 14 van het EVRM? Beroep ongegrond.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 25/2445

(gemachtigde: mr. H.M. Klooster RB),

en

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2023 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 85.191 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 2.000.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2026 te Haarlem. Op verzoek van de gemachtigde van eiser heeft de zitting digitaal plaatsgevonden via een MS-Teams-verbinding (te weten een geluidsverbinding met beeld). Namens eiser is zijn gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. [naam 1] en [naam 2] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser beschikt over een eigen woning. De WOZ-waarde van deze woning voor het jaar 2023 (waardepeildatum 1 januari 2022) bedraagt € 2.086.000.

2. De definitieve aanslag IB/PVV 2023 is overeenkomstig eisers aangifte vastgesteld. Het vastgestelde saldo inkomsten en aftrekposten uit de eigen woning bedraagt € 1.191, zijnde het eigenwoningforfait van € 25.021 minus de aftrekbare rente van € 17.870 en een aftrek geen of geringe eigen woningschuld van € 5.960.

Geschil

3. In geschil is of het verhoogde eigenwoningforfait van 2,35% in strijd is met artikel 1 van het eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) in combinatie met artikel 14 van het EVRM.

4. Eiser heeft gesteld dat het verhoogde eigenwoningforfait (2,35% voor woningen met een WOZ-waarde boven de € 1.200.000) niet past in het doel van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). De wetgever heeft als rechtvaardiging van de hoogte van het hoge(re) forfaitair rendement het beleggingsaspect laten meewegen, maar daarbij ten onrechte geen rekening gehouden met, onder andere, het afnemend grensnut en het feit dat de vaste lasten voor woningen met een waarde boven de € 1.200.000 fors zijn gestegen, hetgeen disproportioneel is. Volgens eiser is daarmee de heffing op stelselniveau in strijd met artikel 1 van het EP EVRM, zodat het percentage van 0,35% toegepast dient te worden op de gehele eigen woningwaarde en dus het eigenwoningforfait verminderd dient te worden tot € 7.301, zodat het belastbaar inkomen uit eigen woning vastgesteld dient te worden op € 10.570 negatief.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag.

5. Verweerder heeft gesteld dat de berekening van het eigenwoningforfait niet in strijd is met artikel 1 van het EP EVRM en artikel 14 van het EVRM.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

6. Artikel 3.112, eerste lid, van de Wet IB 2001 (tekst 2023) luidt als volgt:

“1. De voordelen uit eigen woning worden bij een eigenwoningwaarde van:

7. De regeling van het eigenwoningforfait berust op het uitgangspunt dat de eigen woning voor de inkomstenbelasting als bron van inkomen geldt. Van oudsher strekte deze regeling ertoe het woongenot te belasten alsof de belastingplichtige zijn eigen woning verhuurt aan een derde. Ook de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 1964), het Besluit IB 1941 en de Wet op de inkomstenbelasting 1914 kenden een bepaling met dezelfde strekking. De tot het inkomen te rekenen huurwaarde werd vanaf 1963 afgeleid van de huurwaarde voor de personele belasting; met ingang van 1971 is (met artikel 42a van de Wet IB 1964) voor een eenvoudige forfaitaire benadering gekozen. Blijkens de wetsgeschiedenis van het laatstgenoemde artikel is “[d]e grondgedachte daarachter (…) een simpele methodiek, waarbij de bruto huurwaarde het uitgangspunt is. Deze is gerelateerd aan de huurontwikkeling. Vervolgens komen de hiervoor genoemde kosten op genormeerde en geforfaiteerde wijze in mindering, terwijl voorts de bijzondere positie van de eigen woning als bron van inkomen verwerkt wordt door een aftrek. Aldus resulteert een netto forfait.” (Kamerstukken II 1996/97, 25 052, nr. 7, p. 13).

8. In de memorie van toelichting bij de Wijziging van enkele belastingwetten (Belastingplan 2008) staat – voor zover hier van belang – het volgende over het inmiddels in artikel 3.112 van de Wet IB 2001 opgenomen eigenwoningforfait van 2,35% (Kamerstukken II 2007/08, 31205, nr. 3, p. 31 en p. 51):

“In het kader van evenwichtige maatregelen voor diverse inkomens- en vermogensgroepen is ook gekeken naar de huidige vormgeving van het eigenwoningforfait. De hoogte van het destijds nog als huurwaardeforfait aangeduide eigenwoningforfait werd vóór de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001 bepaald door de eigen woning te beschouwen als een mix van een belegging (wat een heffing in de inkomstenbelasting rechtvaardigt) en een besteding (wat niet leidt tot een heffing in de inkomstenbelasting). Van een directe koppeling van de hoogte van het eigenwoningforfait aan deze twee aspecten is echter onder de sinds 1 januari 2001 geldende regeling geen sprake meer. Wij wijzen in dit verband op de wijze van indexering van het eigenwoningforfait met de huurindex en de waardeontwikkeling. Wel kan worden aangenomen dat vanaf een bepaald waardeniveau het beleggingsaspect een verhoudingsgewijs grotere rol gaat spelen, hetgeen een hoger eigenwoningforfaitpercentage rechtvaardigt. Het eigenwoningforfait heeft in dat opzicht de laatste jaren de ontwikkeling op de woningmarkt, met name het topsegment, onvoldoende gevolgd.

(…)

Daarnaast wordt in dit kader voorgesteld een hoger percentage (2,35) ter vaststelling van het eigenwoningforfait in te voeren bij een eigenwoningwaarde van € 1 miljoen of meer, maar alleen voor het deel van de eigenwoningwaarde dat uitkomt boven € 1 miljoen. De grens is bij € 1 miljoen gelegd, aangezien naar onze mening vanaf dit waardeniveau het beleggingsaspect een verhoudingsgewijs grotere rol gaat spelen. De verhoudingswijze grotere rol van het beleggingsaspect rechtvaardigt ook een hoger percentage, dat op grond van dit voorstel op 2,35 is gesteld. De hiervoor genoemde grens van € 1 miljoen wordt jaar-

lijks aangepast aan de inflatie via indexatie.

(…)

Artikel 3.112, eerste lid, van de Wet IB 2001 bepaalt de hoogte van het in aanmerking te nemen eigenwoningforfait. Momenteel wordt vanaf een waarde van € 75 000 eenzelfde percentage van 0,55% als voordeel uit eigen woning in aanmerking genomen, zij het dat er wel een absoluut maximum geldt. Er wordt geen onderscheid gemaakt naar de verschillende waarden van woningen in dit segment. Zo wordt bijvoorbeeld voor een woning met een waarde van € 80 000 eenzelfde procentueel voordeel in aanmerking genomen als voor een woning met een waarde van € 400 000 en een woning met een waarde van € 800 000. Vanaf een waarde van € 1 mln achten wij dit niet langer gewenst en daarom wordt – mede ingegeven door budgettaire overwegingen – voorgesteld per 1 januari 2009 een hoger percentage (2,35%) ter vaststelling van het eigenwoningforfait in te voeren bij een eigenwoningwaarde van € 1 mln of meer. Deze verhoging geldt echter alleen voor het deel van de waarde dat uitgaat boven € 1 mln.”

9. De Nota naar aanleiding van het verslag bij de Wijziging van enkele belastingwetten (Belastingplan 2008) bevat de volgende nadere toelichting op het inmiddels in artikel 3.112 van de Wet IB 2001 opgenomen eigenwoningforfait van 2,35% (Kamerstukken II 2007/08, 31 205, nr. 9, p. 44):

“De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet het percentage van 2,35% in het voorstel tot aanpassing van het eigenwoningforfait nader kan motiveren vanuit de «mix van beleggen en besteden».

Hierop kan ik genoemde leden antwoorden dat in het algemeen geldt dat aan een eigen woning economisch gezien zowel een bestedingsaspect te onderkennen valt (verkrijging van woongenot) als een beleggingsaspect. Het eigenwoningforfait geeft forfaitair uitdrukking aan het totale voordeel dat iemand heeft van zijn eigen woning. In het kader van een evenwichtig pakket aan maatregelen is gekeken of hele dure woningen op basis van de huidige regeling rond het eigenwoningforfait fiscaal reëel worden behandeld. Dat is niet het geval. In 2007 geldt een bijtelling (eigenwoningforfait) van 0,55% van de WOZ-waarde. Die bijtelling heeft een maximum van € 9 150. Dat betekent dat iemand met een woning van € 2 miljoen in 2007 een bijtelling krijgt van € 9 150 maar iemand met een woning van € 5 miljoen ook. Dure woningen worden op deze manier niet op een reële manier in de heffing betrokken. De eventuele extra renteaftrek wordt wel verleend, maar de bijtelling wordt niet hoger. Het kabinet stelt daarom twee maatregelen voor: vanaf 2009 vervalt het plafond in het eigenwoningforfait. Verder geldt dan voor het deel van de waarde van een woning boven € 1 miljoen een eigenwoningforfait van 2,35% van de WOZ-waarde.”

10. Het gerechtshof Amsterdam heeft op 21 oktober 2025 (ECLI:NL:GHAMS:2025:2995) over het verhoogde eigenwoningforfait als volgt geoordeeld:

“4.4.3. In het arrest Berkvens heeft het EHRM ten aanzien van het heffen van belasting voorts overwogen:

‘with particular regard to taxation, the Court has held, that under Article 1 of Protocol No. 1 taken alone, that when framing and implementiuong policies in the area of taxation a Contracting State enjoys a wide margin of appreciation and the Court will respect the legislature’s assessment in such matters unless it is devoid of reasonable foundation’ (r.o. 32).

Naar het oordeel van het Hof heeft de wetgever in het kader van zijn streven naar evenwichtige maatregelen voor diverse inkomens- en vermogensgroepen te komen tot de afweging om bij duurdere woningen aan het beleggingsaspect (de waardeontwikkeling) meer gewicht toe te kennen - en in zoverre dus een verschil te maken tussen belastingplichtigen met een eigen woning waarvan de eigenwoningwaarde boven en belastingplichtigen met een eigen woning waarvan de eigenwoningwaarde onder een bepaald grensbedrag ligt - de hem toekomende ruime beoordelingsmarge niet overschreden. (…). Dat de wetgever ook budgettaire aspecten in zijn beoordeling heeft betrokken maakt een en ander niet anders, budgettaire aspecten zijn immers inherent aan (vrijwel) elke maatregel op het gebied van belastingheffing. Anders dan belanghebbende meent brengt ook de omstandigheid dat geheven wordt over inkomsten die niet feitelijk zijn gerealiseerd, niet mee dat de heffing in strijd is met art. 1 EP EVRM. Steun hiervoor vindt het Hof in het gegeven dat de Hoge Raad bij het bepalen van het zogenaamde werkelijk rendement voor de heffing in box 3 ook ongerealiseerde vermogenswinsten tot dat rendement rekent (vgl. HR 6 juni 2024, nr. 22/04676, ECLI:NL:HR:2024:704, BNB 2024/84, r.o. 5.4.8.).

Het forfaitaire percentage

De stukken van het geding en hetgeen overigens van de zijde van belanghebbende is aangevoerd geven geen aanleiding tot het oordeel dat het forfait opgenomen in art. 3.112 lid 1 Wet IB 2001 dermate hoog is dat het de som van de aan het woongenot en het beleggingsaspect (de waardeontwikkeling) toe te rekenen inkomen in het onderhavige jaar in werkelijkheid niet benadert, maar in relevante mate overtreft. Dit geldt, in aanmerking nemende dat het percentage van 2,35% alleen geldt voor dat gedeelte van de eigenwoningwaarde waarmee die waarde het bedrag van (in 2021) € 1.100.000 overtreft, ook voor woningen in het duurdere segment van de markt.”

11. De rechtbank ziet geen aanleiding anders te oordelen dan gerechtshof Amsterdam heeft gedaan. De rechtbank deelt niet dat voor de hoogte van het eigenwoningforfait uitsluitend de te realiseren huuropbrengst van belang zou mogen zijn, en niet de eventuele waardestijging. Immers, de wetgever heeft bij het motiveren van het verhoogde forfait voor dure woningen en het laten vervallen van een maximum voor het forfait het beleggingsaspect in brede zin (en daartoe behoren ook waardestijgingen) in aanmerking genomen. Het gerechtshof heeft dat in bovenvermelde uitspraak ook in aanmerking genomen. Ook kan, anders dan eiser stelt, uit het feit dat voor ondernemerswoningen een forfait van 2,35% geldt waarnaast ook de feitelijk gerealiseerde boekwinst nog wordt belast niet a contrario worden afgeleid dat in het eigenwoningforfait voor particulieren de waardestijging niet zou zijn inbegrepen. Ook hetgeen eiser verder nog heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

12. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. M.B.K. Stroosnier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).

U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de datum van verzending;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026050703 V-N Vandaag 2026/921 FutD 2026-0830 NLF 2026/0933
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand