RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/129648-24 (P)
Uitspraakdatum: 24 maart 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 februari 2026, 17 februari 2026 (inhoudelijke behandeling) en 10 maart 2026 (sluiting) in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2005 te [geboorteplaats] ,
thans gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.J. van Bree en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. M.J. Bouwman, advocaat te Zaandam, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, samengevat ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:
feit 1
medeplegen van doodslag op [slachtoffer 1] , op 13 februari 2024 in IJmuiden;
feit 2
medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen, van 7 tot en met 13 februari 2024 in Alkmaar, IJmuiden en/of elders in Nederland;
feit 3
medeplegen van poging tot dwang ten aanzien van [slachtoffer 2] , op 11 februari 2024 in IJmuiden, subsidiair medeplegen van bedreiging van [slachtoffer 2] op diezelfde datum en plaats.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Inleiding
Op 13 februari 2024 heeft een schietpartij plaatsgevonden op de Kromme Mijdrechtstraat in IJmuiden, waarbij [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) ter plaatse is overleden. Naar aanleiding hiervan is door de politie onder de naam ‘Petteri’ een grootschalig onderzoek gestart. Tijdens het onderzoek is het vermoeden ontstaan dat de schietpartij heeft plaatsgevonden tussen rivaliserende groepen in het drugscircuit van IJmuiden. In onderzoek Petteri zijn, naast de doodslag op [slachtoffer 1] , ten aanzien van verschillende personen verdenkingen van andere strafbare feiten ontstaan, waaronder de aanschaf van een vuurwapen in Alkmaar en de handel in verdovende middelen. Daarbij zijn naast de verdachte ook [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in beeld gekomen. Deze verdachten worden hierna met hun achternaam aangeduid.
Het onderzoek heeft ten aanzien van de verdachte geresulteerd in de verdenkingen dat hij zich samen met [medeverdachte 3] schuldig heeft gemaakt aan de doodslag op [slachtoffer 1] , dat hij zich samen met [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en dat hij zich samen met twee onbekend gebleven personen schuldig heeft gemaakt aan een poging tot dwang.
4. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde feiten.
Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de verdachte degene is geweest, die op [slachtoffer 1] (hierna ook: het slachtoffer) heeft geschoten, waarbij deze dodelijk gewond is geraakt. De verdachte heeft zich samen met [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (op 7 februari 2024) bewapend, waarmee hij zich volgens de officier van justitie ook schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 2 ten laste gelegde medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen. De verdachte is vervolgens op 13 februari 2024 samen met [medeverdachte 3] de confrontatie met [slachtoffer 1] aangegaan.
Ten aanzien van feit 3 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de verdachte aan te merken is als één van de daders van de poging [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) te dwingen tot de tenlastegelegde gedragingen.
Op het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, hierna worden ingegaan.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten.
Ten aanzien van de feiten 1 en 2 heeft de raadsman aangevoerd dat de uitwerking van de opgenomen vertrouwelijke communicatie (hierna OVC-gesprekken) waaraan [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) deelneemt, moet worden uitgesloten van het bewijs. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman erop gewezen dat [betrokkene 1] , na een toegewezen verzoek van de verdediging om hem als getuige te doen horen, zich beriep op zijn verschoningsrecht. Hierdoor is voor de verdediging geen sprake geweest van een effectief ondervragingsrecht. Zonder context en duiding zijn de OVC-gesprekken niet bruikbaar voor het bewijs.
Verder kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat de verdachte de schutter is geweest. Daartoe heeft de raadsman zich onder meer op het standpunt gesteld dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als de gebruiker van het telefoonnummer eindigend op *9473, in het dossier bekend met de gebruikersnaam ‘Blasco’. Het bewijs kan ook niet in voldoende mate worden afgeleid uit getuigenverklaringen, camerabeelden en of forensisch onderzoek.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken omdat niet kan worden vastgesteld dat het gaat om een wapen zoals omschreven in de tenlastelegging. Het wapen is immers niet aangetroffen. Ook kan niet worden vastgesteld dat er daadwerkelijk een wapen is overgedragen, laat staan aan de verdachte. De herkenning van de verdachte is niet onderscheidend genoeg. Evenmin kan worden vastgesteld dat de verdachte alleen of in nauwe en bewuste samenwerking met anderen het wapen voorhanden heeft gehad; wetenschap en beschikkingsmacht kan niet worden aangenomen.
Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van [slachtoffer 2] niet betrouwbaar is. De herkenning van de verdachte als één van de daders van dit feit door [slachtoffer 2] kan niet worden gebruikt voor het bewijs, omdat de fotoconfrontatie niet is verlopen zoals het hoort. Bovendien vindt de verklaring van [slachtoffer 2] op de belangrijkste onderdelen geen bevestiging in de verklaring van getuige [getuige] .
Op het standpunt van de verdediging, zal voor zover van belang, hierna worden ingegaan.
Oordeel van de rechtbank
Gebruik voor het bewijs van OVC-gesprekken [betrokkene 1]
De rechtbank begrijpt het verweer van de raadsman ten aanzien van de OVC-gesprekken zo dat het gebruik van deze gesprekken als bewijsmiddel in strijd is met het door artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces.
De rechtbank overweegt hierover het volgende.
Bij uitlatingen in OVC-gesprekken gaat het niet om een door een getuige afgelegde verklaring met belastende strekking. Maar ook ten aanzien van bewijsmateriaal waarin uitlatingen zijn opgenomen die niet als een getuigenverklaring met een belastende strekking kunnen worden aangemerkt, zoals in het onderhavige geval: door een andere verdachte gedane uitlatingen tijdens OVC-gesprekken met derden, geldt dat op grond van artikel 6 EVRM aan de verdachte het recht toekomt om de authenticiteit en de betrouwbaarheid van dat bewijs te betwisten en zich tegen het gebruik ervan te verzetten. Als de verdediging, ondanks het nodige initiatief tot het (doen) verrichten van (nader) onderzoek naar de authenticiteit en betrouwbaarheid van het bewijs, beperkingen heeft ondervonden in de mogelijkheid om die authenticiteit en de betrouwbaarheid van het bewijs te betwisten, moet worden beoordeeld of het gebruik van dergelijke uitlatingen voor het bewijs in overeenstemming is met het in artikel 6 EVRM gegarandeerde recht op een eerlijk proces en de daaraan verbonden notie van de ‘overall fairness of the trial’. Bij deze beoordeling komt betekenis toe aan onder meer de aard van de uitlatingen, de door de verdediging verstrekte toelichting op haar betwisting van de uitlatingen en haar belang bij het verzochte onderzoek, de reden waarom het door de verdediging verzochte onderzoek niet kan worden uitgevoerd, het gewicht van de uitlatingen – binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek – voor de bewezenverklaring van het feit en het bestaan van compenserende factoren voor het ontbreken van een mogelijkheid om het betreffende bewijs te kunnen betwisten.
[betrokkene 1] is op 25 maart 2024 als verdachte in onderzoek Petteri buiten heterdaad aangehouden. Tijdens zijn detentie zijn op 9 april 2024, 17 april 2024 en 23 april 2024 gesprekken die [betrokkene 1] met zijn bezoekers heeft gevoerd, afgeluisterd en opgenomen. In deze gesprekken heeft [betrokkene 1] uitlatingen gedaan die als belastend voor de verdachte kunnen worden uitgelegd. Op verzoek van de verdediging heeft de rechter-commissaris geprobeerd [betrokkene 1] als getuige te ondervragen. Toen duidelijk werd dat [betrokkene 1] zich op zijn verschoningsrecht zou beroepen bij een getuigenverhoor, heeft de rechter-commissaris met instemming van de verdediging en de officier van justitie afgezien van een getuigenverhoor. Tot op heden komt aan [betrokkene 1] in zijn hoedanigheid van verdachte in een strafzaak het verschoningsrecht toe.
Bij de betwisting van de bruikbaarheid van de OVC-gesprekken voor het bewijs heeft de raadsman ter terechtzitting aangevoerd dat deze gesprekken zonder context en duiding, die wat hem betreft ontbreekt, niet bruikbaar zijn voor het bewijs en daarvan moeten worden uitgesloten. Een nadere toelichting op of onderbouwing van dit standpunt, anders dan dat er zaken onduidelijk blijven, is achterwege gebleven. De verdachte zelf heeft de gelegenheid gehad zich uit te laten over de uitlatingen van [betrokkene 1] in de OVC-gesprekken. De verdachte heeft zich echter vanaf het moment van zijn aanhouding tot op de zitting, hoewel daartoe op zitting meermaals uitgenodigd, beroepen op zijn zwijgrecht en in het geheel niet willen verklaren over de inhoud van de OVC-gesprekken.
Over de authenticiteit en betrouwbaarheid van de uitlatingen van [betrokkene 1] overweegt de rechtbank het volgende. Zijn uitlatingen heeft [betrokkene 1] gedaan in gesprekken met derden. Uit het proces-verbaal van bevindingen waarin de gang van zaken wordt omschreven nadat [betrokkene 1] op 3 juli 2024 is geconfronteerd met een opname van één van deze gesprekken, leidt de rechtbank af dat [betrokkene 1] er tijdens het voeren van de gesprekken geen rekening mee hield dat deze werden opgenomen. Van belang is verder dat [betrokkene 1] eind maart 2024 – en dus op het moment dat hij de uitlatingen deed – niet langer verdachte was van de doodslag op [slachtoffer 1], dat hij dat ook wist en in die zin geen belang had bij het belasten van anderen in relatie tot de dood van [slachtoffer 1] . Bovendien belast [betrokkene 1] zichzelf in de gesprekken door onder meer te verklaren over testschieten en het leveren van een wapen en munitie. In dit licht bezien is de rechtbank van oordeel dat de uitlatingen van [betrokkene 1] , zoals deze te horen zijn op de OVC-gesprekken, spontaan door hem zijn gedaan.
Verder vinden de uitlatingen van [betrokkene 1] op diverse punten steun in andere onderzoeksbevindingen. Zoals onder 4.3.4 nader zal worden besproken, komen de uitlatingen van [betrokkene 1] overeen met onder meer camerabeelden en GPS-data van de taxi van [medeverdachte 3] en de bevindingen van forensisch onderzoek.
De rechtbank stelt op grond van het bovenstaande vast dat de door de verdediging gegeven toelichting op haar betwisting van de betekenis van de uitlatingen van [betrokkene 1] minimaal is, dat de uitlatingen door [betrokkene 1] spontaan zijn gedaan en deze uitlatingen steun vinden in andere, deels objectieve onderzoeksbevindingen.
Onder deze omstandigheden vindt de rechtbank dat het feit dat de verdediging [betrokkene 1] niet als getuige heeft kunnen ondervragen, onverlet laat dat de procedure als geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en dat dit dus niet in de weg staat aan het gebruik voor het bewijs van de uitlatingen van [betrokkene 1] . Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II bij dit vonnis zijn vervat.
Bewijsmotivering feit 1 – doodslag [slachtoffer 1]
Feiten en omstandigheden
Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde op zitting neemt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan.
Op 13 februari 2024 kort na 18:30 uur hebben [slachtoffer 1] en [medeverdachte 3] elkaar ontmoet op de kruising van de Kromme Mijdrechtstraat en de Rijnstraat in IJmuiden. De auto’s waarin [slachtoffer 1] en [medeverdachte 3] die avond reden, stonden hierbij naast elkaar geparkeerd. [medeverdachte 3] reed in zijn Volkswagen Passat met blauwe kentekenplaten en kenteken [kenteken taxi] (hierna: de taxi). [slachtoffer 1] reed in een witte Citroën.
Op enig moment is [medeverdachte 3] uit zijn auto gestapt en naar het bestuurdersportier van de auto van [slachtoffer 1] gelopen. [slachtoffer 1] zat op dat moment nog in zijn auto. Tussen [slachtoffer 1] en [medeverdachte 3] is een woordenwisseling ontstaan die is ontaard in een vechtpartij buiten de auto. [medeverdachte 3] is hierbij op de grond terechtgekomen, waarbij [slachtoffer 1] over hem heen gebogen stond.
Op dat moment is door een donkergetinte man die aan de zij-/achterkant van de taxi stond, met een vuurwapen meerdere keren in de richting van [slachtoffer 1] geschoten. De schutter bevond zich op dat moment dus in de nabijheid van [slachtoffer 1] en [medeverdachte 3] . De schutter droeg donkere bovenkleding en iets lichtere onderkleding. Boven zijn jas kwam een lichtgekleurd kledingstuk uit.
Op het moment dat werd geschoten, is [slachtoffer 1] de Kromme Mijdrechtstraat in gerend. De schutter is achter [slachtoffer 1] aan de straat in gelopen. [medeverdachte 3] is ook de Kromme Mijdrechtstraat in gelopen. Op de Kromme Mijdrechtstraat heeft de schutter nog een keer geschoten. Direct daarna zijn [medeverdachte 3] en de schutter terug gerend in de richting van de taxi van [medeverdachte 3] . Vrijwel gelijktijdig zijn [medeverdachte 3] achter het stuur en de schutter in de kofferbak van de taxi gestapt. De taxi is vervolgens weggereden. Gelet op het aantal ter plaatse aangetroffen hulzen, is tijdens de schietpartij in ieder geval vijf keer geschoten. Eén schot heeft [slachtoffer 1] in zijn rug geraakt. Kort daarna is hij overleden aan deze verwonding.
Identificatie van de schutter
Op grond van de bewijsmiddelen komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte de schutter is geweest. Daartoe vindt de rechtbank het volgende redengevend.
De verdachte is de gebruiker van telefoonnummer *9473
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ), in wiens woning aan de [verblijfadres] in IJmuiden de verdachte destijds verbleef, een contact in zijn telefoon had staan onder de naam ‘Blasco’, met een telefoonnummer eindigend op *9473. De gebruiker van dit telefoonnummer heeft op 13 februari 2024 rond 12:30 uur contact gehad met een servicelijn van de ABN Amro bank om een bankpas te deblokkeren. Uit gegevens van de bank blijkt het te gaan om een bankrekeningnummer op naam van de verdachte. De verdachte heeft daarbij een ‘selfie’ en een foto van zijn identiteitsbewijs verzonden aan de ABN Amro bank. Daarmee staat voor de rechtbank vast dat de verdachte op die bewuste dag de gebruiker van het telefoonnummer eindigend op *9473 is. De verdachte heeft, behalve de enkele ontkenning dat hij niet ‘Blasco’ is, geen verklaring afgelegd over de hiervoor vermelde bevindingen die in zijn richting wijzen en zich op zijn zwijgrecht beroepen. Bij deze stand van zaken gaat de rechtbank er, anders dan de raadsman heeft aangevoerd, ook van uit dat de verdachte de gebruiker van het telefoonnummer was op het moment van de schietpartij op 13 februari 2024.
Historische verkeersgegevens van de telefoon van de verdachte
Met de telefoon van de verdachte (telefoonnummer eindigend op *9473) wordt op 13 februari 2024 tussen 18:33 en 18:35 uur gebeld. Het nummer maakt in die minuten gebruik van de zendmast op de Spaarnestraat 8 in IJmuiden. Dit is de zendmast waarvan het het meest waarschijnlijk is dat deze wordt gebruikt bij telecommunicatie vanaf de plaats van de schietpartij. Om 18:38 uur vindt opnieuw een uitgaand telefoongesprek plaats vanaf dit telefoonnummer. Bij de start van dat gesprek wordt de zendmast aan de Spaarnestraat 8 weer aangestraald. Aan het einde van het gesprek wordt de zendmast aan de Tolsduinerlaan 10A in IJmuiden aangestraald. Dit is de mast waarvan het het meest waarschijnlijk is dat deze wordt gebruikt bij telecommunicatie vanaf de toenmalige verblijfplaats van de verdachte aan de [verblijfadres] in IJmuiden.
De schietpartij vond plaats rond 18:35 uur. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat een telefoontoestel met daarin het telefoonnummer van de verdachte op het moment van de schietpartij op de plaats delict aanwezig was.
Het signalement van de schutter
Op de middag van de schietpartij heeft de verdachte zich bij een servicelijn van ABN Amro bank geïdentificeerd door onder meer een ‘selfie’ te versturen. Op deze foto is de verdachte te zien in een zwarte jas, waar een grijze capuchon bovenuit komt. Later diezelfde middag is op camerabeelden bij de voordeur van de woning van [betrokkene 2] , waar de verdachte destijds verbleef, een persoon te zien. Deze persoon draagt een donkere jas, een lichter gekleurde capuchon en een lichter gekleurde broek. Om 18:45 uur, dus tien minuten na de schietpartij, staat bij diezelfde voordeur een donkergetinte persoon met een donkerkleurige jas met daaronder vandaan een lichte capuchon en met een lichte broek. [betrokkene 2] heeft verklaard dat die persoon de verdachte is.
De kleding die de verdachte op de middag en avond van 13 februari 2024 droeg, komt overeen met de kleding van de schutter. Daarnaast was de schutter volgens getuigen een man met een donkergetinte huidskleur. De verdachte heeft een donkergetinte huidskleur. De rechtbank stelt daarom vast dat het signalement van de schutter overeenkomt met uiterlijke kenmerken van de verdachte.
De route van de taxi voor en na de schietpartij
Zoals hiervoor vastgesteld is de schutter na de schietpartij in de kofferbak van de taxi van [medeverdachte 3] gestapt, waarna de taxi is weggereden. Uit GPS-data van de taxi blijkt op welke locaties de taxi op de avond van 13 februari 2024 is geweest. [medeverdachte 3] was die avond de bestuurder van de taxi. Deze dag is [medeverdachte 3] rond 18:12 uur over de Lange Nieuwstraat in de richting van de Zeeweg gereden. De woning waar de verdachte verbleef, bevindt zich op enkele minuten lopen van de kruising van de Lange Nieuwstraat met de Zeeweg. Een paar minuten later is [medeverdachte 3] weer teruggereden over de Lange Nieuwstraat. Vervolgens heeft hij een tijdje door IJmuiden gereden, om vervolgens om 18:33 uur aan te komen in de Rijnstraat. Hier stond de taxi geparkeerd op het moment dat de schietpartij plaatsvond.
Om 18:37 uur – dus direct na de schietpartij – is [medeverdachte 3] weggereden van de plaats delict. Opnieuw is hij over de Lange Nieuwstraat naar de Zeeweg gereden. In een zijstraat van de Zeeweg stond [medeverdachte 3] enige tijd stil. Op camerabeelden van een nabijgelegen tankstation wordt op dat moment een rennende persoon gezien. Deze persoon is in de richting van de verblijfplaats van de verdachte gerend. In de Pieter Vermeulenstraat, een straat die ligt op de route van het tankstation naar de verblijfplaats van de verdachte, is om 18:39 een rennende persoon te zien met donkerkleurige bovenkleding met een grijze rand aan de bovenkant. De verdachte is kort daarna, om 18:45 uur, te zien op de deurbelcamera van de woning aan de [verblijfadres] .
Gelet op de hiervoor genoemde bevindingen, in onderlinge samenhang bezien, concludeert de rechtbank dat het niet anders kan dan dat [medeverdachte 3] de verdachte kort voorafgaand de schietpartij in de buurt van zijn woning heeft opgehaald met diens taxi en hem daar direct na de schietpartij ook weer heeft afgezet.
De DNA-sporen en schotresten in de kofferbak van de taxi
De kofferbak van de taxi, een taxilicht en een tas die in die kofferbak lagen, zijn onderzocht op DNA-sporen en schotresten.
Op een bemonstering van het taxilicht is een DNA-mengprofiel aangetroffen dat is vergeleken met het DNA-profiel van de verdachte. Het DNA-mengprofiel kan het best worden verklaard wanneer de bemonstering DNA bevat van de verdachte, [medeverdachte 3] en ten minste één andere persoon. Het op het taxilicht aangetroffen DNA-mengprofiel is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering DNA bevat van de verdachte en [medeverdachte 3] dan wanneer de bemonstering DNA bevat van hoogstens één van deze personen.
De bevindingen van het onderzoek naar de aanwezigheid van schotresten in de bemonsteringen van de bodem van de kofferbak en een tas die in de kofferbak lag, zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer op de bemonsteringen schotresten aanwezig zijn dan wanneer er op die bemonsteringen geen schotresten aanwezig zijn.
Gelet op deze bevindingen, in samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen, concludeert de rechtbank dat er DNA van de verdachte op het taxilicht zat en dat in de kofferbak van de taxi schotresten aanwezig waren. Deze bevindingen dragen bij aan het bewijs dat de verdachte de schutter was, ook omdat getuigen hebben verklaard dat de schutter in de kofferbak van de taxi is gesprongen.
Aanschaf wapen
De rechtbank wordt tot slot gesterkt in haar overtuiging dat de verdachte de schutter is geweest doordat – zoals hierna onder feit 2 zal worden toegelicht – de verdachte een kleine week eerder betrokken is geweest bij de aanschaf van een vuurwapen, terwijl er celmateriaal van de persoon van wie het wapen is gekocht, is aangetroffen op een huls die op de plaats delict is gevonden.
Conclusie
De rechtbank komt, gelet op al het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien, tot de conclusie dat de verdachte degene is geweest die op 13 februari 2024 in de Kromme Mijdrechtstraat in ieder geval vijf keer met een vuurwapen op of in de richting van [slachtoffer 1] heeft geschoten. Daarbij heeft hij [slachtoffer 1] dodelijk geraakt. De rechtbank stelt vast dat bij de verdachte het opzet op het plegen van de doodslag op [slachtoffer 1] aanwezig was. Door met een vuurwapen te schieten op of in de richting van [slachtoffer 1] heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 1] zou komen te overlijden, welke kans zich ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt.
Partiële vrijspraak medeplegen
Op grond van de bewijsmiddelen is niet vast te stellen dat [medeverdachte 3] een rol als medepleger heeft gespeeld bij de doodslag op [slachtoffer 1] . Het dossier bevat geen bewijs voor betrokkenheid van anderen. De verdachte zal daarom partieel worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde medeplegen.
Bewijsmotivering feit 2 – medeplegen voorhanden hebben vuurwapen
Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde op zitting neemt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan.
Ten tijde van de schietpartij is [medeverdachte 3] met zijn taxi weggereden van de kruising Rijnstraat met de Kromme Mijdrechtstraat te IJmuiden. [medeverdachte 3] heeft zich die avond omstreeks 23:30 uur gemeld bij de politie.
Op de plaats delict van de schietpartij zijn hulzen aangetroffen. Op één van de hulzen is een DNA-profiel aangetroffen, dat overeenkomt met het DNA-profiel van [betrokkene 1] . Het DNA-profiel is meer dan 10 miljard keer waarschijnlijker wanneer – kort gezegd – het celmateriaal van [betrokkene 1] is dan wanneer dit niet zo is. De rechtbank concludeert hieruit, met in achtneming van de rest van het dossier, dat [betrokkene 1] donor is van het celmateriaal.
Rit van de taxi naar Alkmaar
De taxi is op 7 februari 2024 tussen 20:00 uur en 22:30 uur vanuit IJmuiden naar Alkmaar en weer terug gereden. Op camerabeelden van de stad Alkmaar en de snackbar HapWat (hierna: de HapWat) is te zien dat vier mannen in Alkmaar uit de taxi stapten. Deze mannen zijn herkend als de verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (hierna gezamenlijk ook aangeduid als: de verdachten). Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, acht de rechtbank de herkenning van de verdachte bruikbaar voor het bewijs. De verdachte is door verschillende verbalisanten op de beelden herkend, onder wie verbalisanten Bijlsma en Dekker, die vanuit hun werkzaamheden veelvuldig surveilleren in IJmuiden. Deze herkenningen zijn voldoende betrouwbaar. Daarbij is van belang dat de stills van de beelden van goede kwaliteit zijn en op die stills duidelijke, specifieke en onderscheidende persoonskenmerken waarneembaar zijn. Verder heeft verbalisant Buit de bewegende beelden van de HapWat vergeleken met de SKDB-foto van de verdachte. Deze verbalisant heeft nauwkeurig omschreven waaraan hij de NN04-man op de beelden van de HapWat herkent als de man op de foto van de verdachte: onder meer de haardracht, huidskleur, postuur/houding en vorm van de neus, wenkbrauwen en vlassige snor. Tot slot wordt de herkenning ondersteund door de overige bewijsmiddelen uit het dossier, waaronder de hierna te bespreken OVC-verklaringen van [betrokkene 1] en het treffen van [betrokkene 1] en de verdachte in een politiebureau.
Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de verdachte op 7 februari 2024 samen met [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met de taxi de rit naar Alkmaar heeft gemaakt.
Ontmoeting [betrokkene 1] in Alkmaar
In Alkmaar hebben de verdachten [betrokkene 1] ontmoet. Omstreeks 20:37 uur is [betrokkene 1] in de taxi gestapt en meegereden. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat [betrokkene 1] instapte en iedereen in de taxi een boks gaf. [betrokkene 1] had op dat moment een gele plastic tas met inhoud van enig gewicht bij zich. Op de Gravin Jacobastraat maakte de taxi een langere stop van ongeveer een half uur. Rond 21:14 uur stapte [betrokkene 1] uit de taxi op het Hofplein. Hij had de gele plastic tas toen niet meer bij zich.
De verdachten parkeerden de taxi vervolgens op het Hofplein en gingen rond 21:15 uur de HapWat binnen. Om 21:44 uur kwam [betrokkene 1] de HapWat binnen lopen en maakte contact met de verdachten. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat [betrokkene 1] in de snackbar iets heeft gegeven. Op de camerabeelden van de HapWat is te zien dat [medeverdachte 1] een klein voorwerp overhandigde aan [betrokkene 1] . [betrokkene 1] wisselde een bankbiljet aan de balie en overhandigde bankbiljetten aan [medeverdachte 1] . [betrokkene 1] verliet rond 21:52 uur de HapWat. Enkele minuten later vertrokken ook de verdachten en reden met de taxi weer terug naar IJmuiden.
Doel ontmoeting [betrokkene 1] ; opname vertrouwelijke communicatie (OVC-gesprekken)
[betrokkene 1] vertelde tijdens de OVC-gesprekken dat hij een afspraak in Alkmaar had met ‘mocro’s’ en een persoon met een donkere huidskleur. [betrokkene 1] sprak tijdens de OVC-gesprekken over de mannen die naar Alkmaar kwamen in een taxi en zei hierover “Ik laat die mannen komen […]. Ze kwamen in een taxi” en “Kwamen natuurlijk voor die ding. In het dossier zie je mij met een jumbotas […] met een zwarte doos in die ding. En dan zie je mij, bap, in die taxi stappen, met die man, die zich heeft gemeld voor die moord” en “Deze goon, hij rijdt taxi broski. Gewoon wit. Dat is zijn werk”. De mannen wilden een “orgi P” hebben (de rechtbank begrijpt: origineel pistool). [betrokkene 1] heeft tegen de mannen gezegd dat het geen origineel vuurwapen is maar dat het wel werkt. [betrokkene 1] vertelde hierover tegen de mannen te hebben gezegd “18 barki origi, dat is sowieso al gekke prijs. Moet je weten dat het bouw was toch” waarop door de mannen is gezegd “Ja, we dachten al zo goedkoop…Als het werkt gewoon, blaast gewoon goed, geen jam, dan kopen we het gewoon voor 18 barkie”. Verder vertelde [betrokkene 1] dat hij “die P heeft geseerd (de rechtbank begrijpt: verkocht). Die 18 barkies is daar”. [betrokkene 1] vertelde ook dat zij naar een plek zijn gereden om te testschieten. Over het testschieten vertelde [betrokkene 1] dat één van de mannen, de donkere man, het wapen moest testen. Die donkere man heeft [betrokkene 1] op een later moment op het politiebureau gezien. De mannen wilden nog “ballas” (de rechtbank begrijpt: patronen) hebben, die hij nog moest slijpen. Dit slijpen heeft hij in zijn “osso” (de rechtbank begrijpt: huis) gedaan en hij was in een kwartier klaar. Hij denkt dat zijn DNA daarom op één van de gevonden hulzen is aangetroffen. Ook zegt [betrokkene 1] dat het pistool nooit gevonden is.
De rechtbank stelt vast dat de uitlatingen van [betrokkene 1] tijdens de OVC-gesprekken overeenkomen met de camerabeelden in het centrum van Alkmaar en de GPS-data van de taxi. Zoals hiervoor is overwogen, zijn op deze beelden de verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] te zien. De rechtbank stelt daarom vast dat [betrokkene 1] met ‘de mannen’ de verdachten bedoelt. Daarbij komt dat [medeverdachte 3] taxi rijdt en zich na de schietpartij op 13 februari 2024 heeft gemeld bij de politie, zoals [betrokkene 1] vertelt. De verklaring van [medeverdachte 2] dat [betrokkene 1] in de taxi is gestapt, is meegereden en dat [betrokkene 1] later in de HapWat iets heeft gegeven, komt ook overeen met de camerabeelden. De rechtbank gaat ervan uit dat [betrokkene 1] op het moment dat hij de taxi instapte het wapen in de gele plastic Jumbotas bij zich had en dat dit vuurwapen in Alkmaar is getest. Uit de camerabeelden blijkt dat de verdachte de enige man van de groep is met een donkere huidskleur. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de verdachte het wapen heeft getest. Steun hiervoor vindt de rechtbank in de verklaring van [betrokkene 1] dat hij de man, die het vuurwapen heeft getest, in het politiebureau is tegengekomen in combinatie met camerabeelden van het cellencomplex van het politiebureau van Haarlem van 28 maart 2024. Daarop is namelijk te zien dat [betrokkene 1] en de verdachte elkaar tegenkwamen en oogcontact hadden. De rechtbank gaat ervan uit dat het wapen is getest op het moment van de langere stop ter hoogte van de Gravin Jacobastraat. Verder zijn in de woning van [betrokkene 1] tijdens een doorzoeking ter inbeslagneming attributen aangetroffen die geschikt zijn voor het ombouwen van wapens en het slijpen van patronen en zijn daarnaast ook kogelpatronen aangetroffen. Deze bevindingen en ook het hiervoor genoemde celmateriaal van [betrokkene 1] op een huls in de Kromme Mijdrechtstraat ondersteunen de uitlatingen van [betrokkene 1] . Verder blijkt uit de onder [betrokkene 1] in beslag genomen telefoon dat hij handelde in wapens. Hij droeg een enkelband, waaruit blijkt dat hij ten tijde van de schietpartij in Alkmaar was.
Tussenconclusie
De rechtbank komt gelet op voornoemde bevindingen tot de volgende tussenconclusie over de avond van 7 februari 2024. De verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn samen in de taxi naar het centrum van Alkmaar gereden, waar van [betrokkene 1] een vuurwapen is gekocht. Dit vuurwapen is op een andere plek in Alkmaar getest door de verdachte. [betrokkene 1] heeft daarna op verzoek patronen geslepen en vervolgens in de HapWat geleverd aan de verdachten.
Beoordelingskader
Voor een veroordeling voor het als medepleger voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van artikel 26 van de Wet wapens en munitie (WWM) is vereist dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een of meer anderen die was gericht op het voorhanden hebben van een wapen of munitie. Vereist is dat de verdachte zich in meer of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van dat vuurwapen en/of die munitie. De in de rechtspraak van de Hoge Raad gebruikte aanduiding van “een meerdere of mindere mate” van bewustheid geeft aan dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de exacte locatie van dat wapen. Van een dergelijke bewustheid kan ook sprake zijn in het geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. Daarnaast is voor een bewezenverklaring vereist dat de verdachte tezamen met de mededader(s) feitelijke macht over het vuurwapen heeft kunnen uitoefenen in die zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken. Daarvoor hoeft het wapen zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden het niet anders kan dan dat de verdachte, [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] zich bewust zijn geweest van de aankoop en daarmee de aanwezigheid van het vuurwapen in de taxi en dat zij daarover hebben kunnen beschikken. De rechtbank kent hierbij gewicht toe aan de gezamenlijkheid van het optreden van de verdachten. Zo zijn de verdachten samen in de taxi naar Alkmaar afgereisd, hebben zij daar samen wapenhandelaar [betrokkene 1] ontmoet, die in de taxi is gestapt en meegereden, waarna het vuurwapen is getest en gekocht. Daarna volgde nog een tweede ontmoeting met [betrokkene 1] later op de avond in de HapWat in Alkmaar waarbij alle vier de verdachten aanwezig waren. Deze ontmoeting in de HapWat was nadat [betrokkene 1] op verzoek nog patronen had geslepen en aan de verdachten kwam geven. De verdachten zijn vervolgens samen weer terug naar IJmuiden gereden.
Bij dit oordeel speelt tevens een rol dat de verdachte geen redelijke, de redengevendheid van het bewijs, ontzenuwende verklaring heeft afgelegd over de ontmoeting in Alkmaar met [betrokkene 1] . De verdachte heeft zich vanaf het moment van zijn aanhouding, zowel tijdens politieverhoren als op de zitting steeds beroepen op zijn zwijgrecht, ook op indringende vragen van de rechtbank over voor hem belastende onderzoeksbevindingen. Dit weegt de rechtbank mee bij de waardering van het bewijs en maakt dat zij uitgaat van de hiervoor reeds getrokken conclusies.
Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten dat sprake is van het medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben van een vuurwapen.
Onderzoeksresultaten ten aanzien van het tenlastegelegde vuurwapen
In dit onderzoek is geen vuurwapen gevonden. Wel zijn na de schietpartij op 13 februari 2024 hulzen gevonden. Uit het forensisch onderzoek blijkt dat nabij het voertuig van het slachtoffer vier hulzen op de grond en een vijfde huls op een rode auto (geparkeerd ter hoogte van de Kromme Mijdrechtstraat nummer 9) lagen.
De afvuursporen in de vijf aangetroffen hulzen worden volgens het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) verwacht wanneer deze zijn verschoten met een (semi-)automatisch pistool dat geschikt is gemaakt voor kaliber 7,65mm Browning (omgebouwd gas/alarmpistool). De rechtbank acht het op grond hiervan aannemelijk dat de aangetroffen hulzen zijn verschoten met een wapen van dit merk en type. Het NFI concludeert verder op grond van indicatief vergelijkend onderzoek naar de hulzen die zijn gevonden bij de schietpartij op 13 februari 2024 dat de resultaten van dit onderzoek worden verwacht wanneer de vijf hulzen zijn verschoten met één vuurwapen.
Op één van de hulzen met bodemstempel CBC 32 AUTO is celmateriaal van [betrokkene 1] aangetroffen. [betrokkene 1] handelde in (vuur-)wapens. Tijdens de hiervoor genoemde OVC-gesprekken sprak [betrokkene 1] meermalen over een “bouwtje” en “die P” en zei hij dat het aangekochte vuurwapen gelet op de genoemde prijs geen origineel wapen kon zijn. Ook heeft [betrokkene 1] het over “die pistool” die niet gevonden is. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat [betrokkene 1] een omgebouwd pistool heeft verkocht. De rechtbank vindt voor die conclusie ook steun in de in de in de woning van [betrokkene 1] aangetroffen attributen voor het ombouwen van wapens. Ook zijn in de woning kogelpatronen aangetroffen.
De rechtbank stelt ten slotte vast dat uit de overige bevindingen in het dossier niet volgt hoe het vuurwapen conform de Wet wapens en munitie gecategoriseerd dient te worden. Evenwel is de rechtbank van oordeel dat dit aan een bewezenverklaring van het feit niet in de weg staat. Het vuurwapen is niet gevonden, maar voor de rechtbank staat op grond van voornoemde bewijsmiddelen vast dat het door [betrokkene 1] geleverde wapen een vuurwapen is. Onder deze omstandigheden gaat de rechtbank ervan uit dat het wapen kan worden gecategoriseerd als een wapen van categorie III, onder 1, van de Wet wapens en munitie, in de vorm van een pistool.
De rechtbank concludeert op grond van voorgaande bevindingen van het NFI en de uitlatingen van [betrokkene 1] in samenhang bezien, dat op 7 februari 2024 in Alkmaar een
(semi-)automatisch pistool dat geschikt is gemaakt voor het kaliber 7,65mm Browning (omgebouwd gas/alarmpistool) is gekocht, welk vuurwapen de verdachte samen met de medeverdachten voorhanden heeft gehad.
Periode voorhanden hebben
De verdachte wordt verweten het vuurwapen in de periode van 7 tot en met 13 februari 2024 voorhanden te hebben gehad. De rechtbank gaat – mede gelet op het indicatief onderzoek van het NFI – ervan uit dat de verdachte het wapen dat hij op 7 februari 2024 samen met de andere verdachten heeft gekocht en voorhanden heeft gehad, op 13 februari 2024 heeft gebruikt om [slachtoffer 1] te beschieten. Aldus heeft de verdachte het wapen ook op 13 februari 2024 voorhanden gehad. Er is echter geen bewijs om het medeplegen van het voorhanden hebben van het wapen op 13 februari 2024 aan te nemen. Het dossier bevat daarnaast ook onvoldoende aanknopingspunten waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte in de tussenliggende periode (tussen 7 en 13 februari 2024) ook daadwerkelijk de feitelijke beschikkingsmacht over het vuurwapen heeft gehad. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de verdachte het vuurwapen op 7 februari 2024 samen met anderen en op 13 februari 2024 alleen voorhanden heeft gehad.
Bewijsmotivering feit 3 primair – poging dwang ( [slachtoffer 2] )
De rechtbank gaat voor het bewijs uit van de verklaring van [slachtoffer 2] . Hoewel [slachtoffer 2] geen aangifte heeft willen of durven doen, valt uit de bewijsmiddelen af te leiden dat hij op 11 februari 2024 meteen na het incident naar het in de buurt gelegen Shell tankstation is gevlucht en de politie heeft gebeld. Wat [slachtoffer 2] daar aan de ter plaatse gekomen verbalisanten heeft verteld, komt overeen met een door hem (met hulp van zijn ouders) opgestelde schriftelijk verklaring die hij op 15 februari 2024 aan de wijkagent heeft overhandigd én met de op 13 augustus 2024 door hem afgelegde getuigenverklaring. Deze verklaringen komen in de kern op het volgende neer: er kwamen bij [slachtoffer 2] drie mannen in zijn woning, waarvan één – die [slachtoffer 2] kende onder zijn bijnaam Jay – hem dwong iemand te bellen en hem met een wapen heeft bedreigd en hem daarmee een klap op zijn gezicht heeft gegeven. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid van die verklaringen te twijfelen.
In zijn verhoor als getuige heeft [slachtoffer 2] op een aan hem getoonde foto van de verdachte, de persoon herkend die de bijnaam Jay heeft. Het betreft een enkelvoudige fotoconfrontatie. Op grond van onder meer rechtspsychologische inzichten heeft een dergelijke herkenning zwakkere bewijskracht. Dit betekent overigens niet dat zo’n confrontatie niet voor het bewijs mag worden gebruikt. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, vindt de rechtbank de herkenning in dit geval wel bruikbaar voor het bewijs. Daartoe is van belang dat [slachtoffer 2] voorafgaand aan de herkenning heeft aangegeven dat hij de persoon die hem met het wapen had bedreigd, kent – wat de verdachte heeft bevestigd – en ook een beschrijving van hem heeft gegeven (donkergekleurd, klein in lengte, spleetje tussen zijn tanden en rijdend op een Vespa scooter). Die beschrijving klopt met het uiterlijk van de verdachte ten tijde van het incident en met het feit dat de verdachte toentertijd een scooter op zijn naam had staan.
Daarbij komt dat de inhoud van de verklaring van [slachtoffer 2] niet op zichzelf staat maar op relevante onderdelen steun vindt in de door [getuige] (hierna: [getuige] ) afgelegde getuigenverklaring. [getuige] , die ten tijde van het incident in de woning van [slachtoffer 2] was, heeft bevestigd dat er drie jonge mannen de woning van [slachtoffer 2] zijn binnengekomen en dat de donkere jongen een wapen in zijn handen hield en tegen [slachtoffer 2] is gaan schreeuwen. Ook bevestigt [getuige] de wijze waarop [slachtoffer 2] uit zijn woning is gevlucht, namelijk via het raam, en heeft hij twee wapens gezien, waarvan hij denkt dat er eentje nep was. Dat [getuige] zijn verklaring pas enkele maanden later heeft afgelegd en dat hij niet zelf (maar van [slachtoffer 2] ) heeft gehoord wat de mannen precies wilden, geeft de rechtbank onvoldoende aanleiding zijn verklaring als niet objectief aan te merken, zoals de verdediging heeft bepleit.
De conclusie is dat de rechtbank de primair tenlastegelegde poging dwang wettig en overtuigend bewezen acht.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
feit 1
hij op 13 februari 2024 te IJmuiden, gemeente Velsen, [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen in de rug van die [slachtoffer 1] te schieten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden;
feit 2
hij op 7 februari 2024 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (semi-)automatisch pistool dat geschikt is gemaakt voor het kaliber 7,65mm Browning (omgebouwd gas/alarmpistool), zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, voorhanden heeft gehad;
en
hij op 13 februari 2024 te IJmuiden een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (semi-)automatisch pistool dat geschikt is gemaakt voor het kaliber 7,65mm Browning (omgebouwd gas/alarmpistool), zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, voorhanden heeft gehad;
feit 3 primair
hij op 11 februari 2024 te IJmuiden, gemeente Velsen, tezamen en in vereniging met anderen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een ander, te weten [slachtoffer 2] , door geweld en bedreiging met geweld gericht tegen die [slachtoffer 2] , wederrechtelijk te dwingen iets te doen, door
- een of meerdere vuurwapens, althans (een) op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en) aan die [slachtoffer 2] getoond en op die [slachtoffer 2] gericht, en
- met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het gezicht, van die [slachtoffer 2] geslagen en
- tegen die [slachtoffer 2] gezegd dat hij de jongens van de aggie-lijn moet bellen en/of dat hij die gozer moet bellen om naar zijn woning te komen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
5. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
doodslag;
feit 2
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en
munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
feit 3 primair
medeplegen van poging een ander door geweld en bedreiging met geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
6. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straf
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaar en 10 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarbij heeft de officier van justitie rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn, welke overschrijding hij berekent op drie maanden, door twee maanden van zijn aanvankelijke eis af te trekken.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overschrijding van de redelijke termijn, welke overschrijding hij berekent op ruim acht maanden, strafmatigende werking moet hebben. Daarnaast heeft de raadsman gewezen op de jonge leeftijd van de verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten en nu. De raadsman heeft bepleit dat, mocht de rechtbank tot bewezenverklaring van de doodslag komen, een gevangenisstraf van 8 jaar passender zou zijn.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft op de vroege avond van 13 februari 2024 op straat meerdere keren in de richting van [slachtoffer 1] geschoten. Hierbij is [slachtoffer 1] in zijn rug geraakt en ter plaatse overleden aan zijn verwonding. Dat de verdachte de ongewapende [slachtoffer 1] in zijn rug heeft geschoten, getuigt naar het oordeel van de rechtbank van een laffe daad.
Als gevolg van het handelen van de verdachte is [slachtoffer 1] het meest fundamentele recht ontnomen, namelijk het recht op leven. Daarnaast heeft de verdachte door [slachtoffer 1] dood te schieten onbeschrijfelijk veel leed toegebracht aan diens naasten. Op de zitting heeft de zus van [slachtoffer 1] namens de nabestaanden op indringende wijze verwoord wat het verlies van hun dierbare voor hen betekent. [slachtoffer 1] laat twee jonge kinderen na, waarvan de jongste een maand na zijn overlijden is geboren. Hun leven en dat van de andere nabestaanden is als gevolg van dit feit voorgoed veranderd. Nergens blijkt uit dat de verdachte zich heeft bekommerd om het lot van [slachtoffer 1] . Evenmin heeft hij spijt betuigd of openheid van zaken gegeven over zijn betrokkenheid bij het overlijden van [slachtoffer 1] . De naasten van [slachtoffer 1] tasten hierdoor in het duister over wat er die bewuste avond nu precies is gebeurd, terwijl de rechtbank zich kan voorstellen dat die informatie voor hen helpend kan zijn bij de verwerking van de dood van [slachtoffer 1] .
Een schietpartij in een woonwijk, met fatale afloop, brengt ook in de rest van de maatschappij ernstige gevoelens van angst en onveiligheid teweeg. Zeker nu de schietpartij plaatsvond op een tijdstip waarop nog veel mensen buiten zijn.
De rechtbank rekent dit alles de verdachte zwaar aan.
Het dossier biedt geen aanknopingspunten om aan te nemen dat het beschieten van [slachtoffer 1] door de verdachte is gepland of is opgezocht. Er lijkt sprake te zijn geweest van een uit de hand gelopen confrontatie. Anders dan de officier van justitie, acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen niet bewezen. Dit weegt de rechtbank in strafmatigende zin mee.
Ook heeft de verdachte zich, deels samen met anderen, schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen, in de vorm van een omgebouwd gas-/alarmpistool. De verdachte is, een paar dagen voor de doodslag op [slachtoffer 1] , samen met drie anderen vanuit IJmuiden naar Alkmaar gereden, om daar een wapen te kopen van een wapenhandelaar. Het voorhanden hebben van zo’n voorwerp brengt onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van personen met zich. Het is een feit van algemene bekendheid dat het voorhanden hebben van vuurwapens in zeer veel gevallen tot het gebruik daarvan leidt, met vaak dodelijke of zwaargewonde slachtoffers tot gevolg. Dit risico heeft zich ook verwezenlijkt, gelet op de doodslag op [slachtoffer 1] .
Tot slot heeft de verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot dwang. De verdachte is in de nacht samen met twee anderen de woning van het betreffende slachtoffer binnengedrongen, heeft een vuurwapen op het slachtoffer gericht en hem daarmee geslagen, met het doel het slachtoffer te dwingen iemand te bellen. Het slachtoffer is aan de verdachte en zijn mededaders ontkomen door uit een raam te springen. Dit feit moet voor het slachtoffer erg angstaanjagend zijn geweest. Zeker in de eigen woning zou men zich veilig moeten kunnen voelen. Dat de verdachte zich kennelijk alleen heeft bekommerd om zijn eigen belangen, zonder stil te staan bij de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer, rekent de rechtbank de verdachte aan.
Gezien de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten – waarbij de doodslag op [slachtoffer 1] het zwaartepunt is – is de rechtbank van oordeel dat alleen een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur passend is.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 10 februari 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een misdrijf is veroordeeld. De rechtbank weegt het strafblad dan ook niet in het nadeel van de verdachte mee.
Ook heeft de rechtbank gelet op het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 28 juni 2024. Geadviseerd wordt onder meer om het volwassenen strafrecht op de verdachte toe te passen.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte houdt de rechtbank verder rekening met het gegeven dat de verdachte nog maar achttien jaar oud was toen hij de bewezenverklaarde feiten pleegde. Deze jonge leeftijd weegt voor de rechtbank enigszins in strafmatigende zin mee.
Overschrijding van de redelijke termijn
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van de verdachte moet als zo'n handeling worden aangemerkt.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak, waarin de verdachte in verband met de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten langer dan zestien maanden in voorlopige hechtenis heeft verkeerd, te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen zestien maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
Overschrijding van de redelijke termijn wordt in beginsel gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden – waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – kan in bepaalde gevallen worden volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden.
De rechtbank overweegt met betrekking tot de aanvang van de redelijke termijn en het procesverloop in deze zaak het volgende. De verdachte is op 25 juni 2024 voor deze zaak in verzekering gesteld. Sindsdien zit hij in voorarrest. Naar het oordeel van de rechtbank is in deze zaak geen sprake van bijzondere omstandigheden. Dit betekent dat het eindvonnis in de onderhavige zaak uiterlijk had moeten worden gewezen op 25 oktober 2025, zestien maanden na de inverzekeringstelling van de verdachte. De rechtbank wijst dit eindvonnis op 24 maart 2026. Daarmee is de redelijke termijn overschreden met vijf maanden.
De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben. De rechtbank acht in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar passend en geboden, maar zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn, matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaar en 10 maanden.
Conclusie
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 9 jaar en 10 maanden moet worden opgelegd, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
8. Beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen
De rechtbank is van oordeel dat het onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedrag van € 2.715,00 dient te worden teruggegeven aan de verdachte. Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat er een verband bestaat tussen dit geldbedrag en de bewezenverklaarde feiten.
Ten aanzien van de in beslag genomen en niet teruggegeven telefoon met goednummer 1619190 overweegt de rechtbank dat uit het dossier niet volgt onder wie deze telefoon in beslag is genomen of wie de rechthebbende is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de telefoon dient te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.
9. Vorderingen nabestaanden [slachtoffer 1]
Vordering benadeelde partij [vader slachtoffer 1] (vader slachtoffer)
Namens de vader van [slachtoffer 1] , [vader slachtoffer 1] , heeft mr. R. Schreudering een vordering tot vergoeding van affectieschade ingediend ter hoogte van € 17.500,-.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de vordering kan worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft primair het standpunt ingenomen dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het licht van de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordelingskader en oordeel van de rechtbank
Het is voor een beperkte groep nabestaanden mogelijk om aanspraak te maken op vergoeding van affectieschade op grond van artikel 6:108, derde en vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het gaat hier om vergoeding van verdriet dat een naaste heeft omdat een persoon met wie hij een zeer nauwe band heeft, overlijdt door een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is. De hoogte van de bedragen waarop men aanspraak kan maken, is geregeld in het Besluit vergoeding affectieschade (hierna: het besluit). Het gaat om forfaitair vastgestelde bedragen. De vergoeding is bedoeld om erkenning te bieden voor het ondergane leed, en ook om genoegdoening te bieden, in die zin dat het geschokte rechtsgevoel van de nabestaanden wordt verzacht doordat van de aansprakelijke een opoffering wordt verlangd.
De rechtbank overweegt dat [vader slachtoffer 1] als vader van het overleden slachtoffer aanspraak maakt op vergoeding van affectieschade. Nu het gevorderde bedrag in overeenstemming is met het in het besluit vastgestelde forfaitaire bedrag, zal de vordering worden toegewezen. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2024.
Vordering benadeelde partij [moeder slachtoffer 1] (moeder slachtoffer)
Namens de moeder van [slachtoffer 1] , [moeder slachtoffer 1] , heeft mr. L.M.F. Aarts een vordering tot vergoeding van affectieschade ingediend en op de zitting beperkt tot een bedrag van € 17.500,-.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de vordering kan worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft primair het standpunt ingenomen dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het licht van de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat [moeder slachtoffer 1] als moeder van het overleden slachtoffer aanspraak maakt op vergoeding van affectieschade. Nu het gevorderde bedrag in overeenstemming is met het in het besluit vastgestelde forfaitaire bedrag, zal de vordering worden toegewezen. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2024.
Vordering benadeelde partij [partner slachtoffer 1] (partner slachtoffer)
Namens de partner van [slachtoffer 1] , [partner slachtoffer 1] , heeft mr. Aarts een vordering ingediend tot vergoeding van affectieschade ter hoogte van € 20.000,-. Primair heeft mr. Aarts het standpunt ingenomen dat zij kan worden aangemerkt als levensgezel van [slachtoffer 1] met wie zij een gemeenschappelijke huishouding voerde zoals bedoeld in artikel 6:108 lid 4 sub b BW. Subsidiair heeft mr. Aarts een beroep gedaan op de hardheidsclausule van artikel 6:108 lid 4 sub g BW.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de vordering kan worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft primair het standpunt ingenomen dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het licht van de bepleite vrijspraak. Daarnaast moet de vordering vanwege een andere reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard: [partner slachtoffer 1] kan volgens de raadsman niet worden aangemerkt als levensgezel van [slachtoffer 1] met wie zij ten tijde van zijn overlijden een gemeenschappelijke huishouding voerde. De raadsman heeft er in dit verband op gewezen dat [slachtoffer 1] niet stond ingeschreven op het adres van [partner slachtoffer 1] en dat uit krantenartikelen blijkt dat [slachtoffer 1] tot kort voor 13 februari 2024 voor een langere periode heeft vastgezeten, waardoor er geen sprake was van een ononderbroken periode van samenwonen. Nader onderzoek naar de precieze omstandigheden van de gemeenschappelijke huishouding zou een onevenredige belasting opleveren van het strafgeding. Bij wijze van subsidiair standpunt heeft de raadsman aangevoerd dat niet een bedrag van € 20.000,- (in de regel toegewezen aan een levensgezel), maar een bedrag van € 17.500,- (bij een beroep op de hardheidsclausule) kan worden toegewezen.
Oordeel van de rechtbank
De wet bepaalt dat een beperkte (limitatief opgesomde) kring van personen voor vergoeding van affectieschade in aanmerking komt, en biedt daarnaast een mogelijkheid tot toekenning aan anderen op grond van de hardheidsclausule van artikel 6:108, lid 4 sub g, BW. [partner slachtoffer 1] heeft voor haar vordering primair aansluiting gezocht bij het in het besluit vermelde bedrag onder categorie b: levensgezel van de overledene. Om op deze grond aanspraak te kunnen maken op affectieschade moet ten tijde van de gebeurtenis die de schade veroorzaakt, in dit geval het overlijden van [slachtoffer 1] , sprake zijn van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Er bestaat hiervoor geen wettelijk in maanden of jaren uitgedrukte termijn. Het gaat erom dat de relatie een zodanig duurzaam karakter heeft, dat kan worden gezegd dat het overlijden ook voor de naaste een ernstig verlies betekent, waardoor vergoeding van affectieschade op haar plaats is.
[partner slachtoffer 1] heeft in dit verband aangevoerd dat zij een langdurige relatie had met [slachtoffer 1] , dat zij feitelijk op hetzelfde adres woonden – en dit uit het dossier ook zo blijkt – en dat zij de zorg en opvoeding van hun kind deelden. De raadsman heeft in het licht hiervan onvoldoende gemotiveerd betwist dat [partner slachtoffer 1] de levensgezel was van [slachtoffer 1] met wie zij een gemeenschappelijke huishouding voerde. Dat [slachtoffer 1] formeel op het adres van iemand anders, overigens het adres van de moeder van [partner slachtoffer 1] , stond ingeschreven, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders omdat niet is gebleken dat [slachtoffer 1] ook daadwerkelijk op dit adres of een ander adres dan dat van [partner slachtoffer 1] woonde. Ook het feit dat [slachtoffer 1] enige tijd heeft vastgezeten brengt geen verandering in het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Uit de onderbouwing van de vordering en het dossier blijkt dat [slachtoffer 1] en [partner slachtoffer 1] samen een gezin vormden en een tweede kind verwachtten. De conclusie is dat de rechtbank een bedrag van € 20.000,- aan [partner slachtoffer 1] zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2024.
Vordering benadeelde partijen minderjarig kind 1 en minderjarig kind 2 (kinderen slachtoffer)
Namens de twee minderjarige kinderen van [slachtoffer 1] (minderjarig kind 1, geboren in 2019 en minderjarig kind 2, geboren in 2024), wettelijk vertegenwoordigd door hun moeder [partner slachtoffer 1] , heeft mr. Aarts een vordering ingediend tot vergoeding van affectieschade ter hoogte van € 20.000,-. Ten tijde van het overlijden van [slachtoffer 1] had zijn beide kinderen niet erkend. Mr. Aarts heeft in dit verband aangevoerd dat de rechtbank Noord-Holland op 1 augustus 2025 de gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van [slachtoffer 1] van beide kinderen heeft uitgesproken.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de vorderingen kunnen worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft primair het standpunt ingenomen dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het licht van de bepleite vrijspraak. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat [slachtoffer 1] de vader was van deze kinderen. Hoewel de rechtbank in 2025 alsnog de erkenning heeft uitgesproken, staat hiermee het biologisch en juridisch ouderschap van [slachtoffer 1] op het moment van de gebeurtenis nog niet vast. Ten aanzien van het tweede kind, dat ten tijde van het overlijden van [slachtoffer 1] nog niet was geboren, heeft de raadsman aangevoerd dat het te ver voert om te onderzoeken of dit kind in civielrechtelijke zin recht heeft op affectieschade. De vordering van het minderjarig kind 2 moet ook om deze reden niet-ontvankelijk worden verklaard.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank gaat ervan uit dat [slachtoffer 1] de vader was van de twee minderjarige kinderen omdat onbetwist is aangevoerd dat het vaderschap van [slachtoffer 1] na zijn overlijden gerechtelijk is vastgesteld (in de zin van artikel 1:199 aanhef onder d BW). Dat deze gerechtelijke vaststelling postuum heeft plaatsgevonden speelt naar het oordeel van de rechtbank geen rol van betekenis.
Dit brengt mee dat beide kinderen op grond van artikel 6:108, lid 1, sub a BW recht hebben op affectieschade. Dat het minderjarig kind 2 op het moment van overlijden van [slachtoffer 1] nog niet was geboren maakt dat niet anders. Gelet op artikel 1:2 BW en in lijn met de ratio van de affectieschaderegeling kan ook een nog ongeboren kind waarvan de ouder voor de geboorte komt te overlijden aanspraak maken op affectieschade. Ook dit kind zal immers moeten leven met de gevolgen van het verlies van zijn vader.
De rechtbank zal aan het minderjarig kind 1 (geboren in 2019) en minderjarig kind 2 (geboren in 2024) ieder een bedrag van € 20.000,- aan affectieschade toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente per 13 februari 2024.
Schadevergoeding storten op rekening met BEM-clausule
De rechtbank zal, zoals verzocht, bepalen dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoedingsbedragen aan minderjarig kind 1 en minderjarig kind 2 zullen worden gestort op ten behoeve van deze kinderen te openen spaarrekeningen met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige kinderen en hun wettelijke vertegenwoordiger kunnen slechts met toestemming van de kantonrechter over de schadebedragen zoals uitgekeerd aan de minderjarigen beschikken tot zij (ieder afzonderlijk) de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt heeft bereikt.
Vordering [zus slachtoffer 1] (zus slachtoffer)
Namens de zus van [slachtoffer 1] , [zus slachtoffer 1] , heeft mr. Aarts een vordering tot vergoeding van de begrafeniskosten ingediend ter hoogte van in totaal € 19.549,30. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
uitvaartkosten: € 9.740,60
kist: € 3.800,00
kleding uitvaart: € 589,00
rouwboeket: € 325,00
grafsteen: € 5.094,70 +
totaal: € 19.549,30
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de vordering kan worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair het standpunt ingenomen dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het licht van de bepleite vrijspraak. Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat ten onrechte twee keer de kosten van een kist zijn gevorderd (ten bedrage van respectievelijk € 450,- en € 3.800,-). Daarnaast heeft de raadsman de redelijkheid betwist van de hoogte van de kosten voor de witte hoogglans kist en verzocht deze post af te wijzen, dan wel te matigen.
Verder heeft de raadsman ten aanzien van de kledingkosten aangevoerd dat onvoldoende duidelijk is wie deze rekening heeft betaald en heeft hij de redelijkheid van deze kosten betwist.
Voor wat betreft de overige begrafeniskosten heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordelingskader en oordeel van de rechtbank
Op grond van artikel 6:108, tweede lid, BW is degene die aansprakelijk is voor het overlijden van een persoon verplicht aan degene die de kosten van lijkbezorging heeft gedragen, deze kosten te vergoeden, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene.
De rechtbank is van oordeel dat de vijf verschillende posten kunnen worden aangemerkt als kosten van lijkbezorging in de zin van artikel 6:108, tweede lid, BW. De kosten van de (duurdere) kist, waarvoor door de nabestaanden is gekozen, zijn in overeenstemming met de omstandigheden van de overledene en in dit concrete geval redelijk. Anders dan de raadsman heeft gesteld, heeft [zus slachtoffer 1] slechts de kosten van één kist (en niet twee kisten) gevorderd. Ook de kosten voor de kleding waarin [slachtoffer 1] is begraven, zijn redelijk en kunnen worden toegewezen. [zus slachtoffer 1] heeft gesteld de desbetreffende factuur te hebben betaald en daarvan een betalingsbewijs overgelegd. Dat uit dit betalingsbewijs niet blijkt dat specifiek [zus slachtoffer 1] de kosten heeft voldaan, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders.
De conclusie is dat een bedrag van € 19.549,30 aan begrafeniskosten zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals hierna zal worden gespecificeerd.
Wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag aan uitvaartkosten (ter hoogte van € 9.740,60) zal worden vermeerderd met de wettelijke rente per 25 februari 2024, te weten de datum van de factuur voor deze kosten.
Het toe te wijzen bedrag voor de kist (ter hoogte van € 3.800,00) zal worden vermeerderd met de wettelijke rente per 22 februari 2024, te weten de datum van de factuur voor de kist.
Het toe te wijzen bedrag voor de kleding (ter hoogte van € 589,00) zal worden vermeerderd met de wettelijke rente per 16 februari 2024, te weten de datum van de factuur voor de kleding.
Het toe te wijzen bedrag voor het rouwboeket (ter hoogte van € 325,00) zal worden vermeerderd met de wettelijke rente per 23 februari 2024, te weten de datum waarop volgens het betalingsbewijs deze kosten zijn afgeschreven.
Het toe te wijzen bedrag voor de grafsteen (ter hoogte van € 5.094,70) zal worden vermeerderd met de wettelijke rente per 31 juli 2024, te weten de datum van de factuur voor de grafsteen.
Geen grond voor hoofdelijkheid
De vorderingen van de benadeelde partijen zijn ingediend in de zaak tegen de verdachte en tegen medeverdachte [medeverdachte 3] . Mr. Aarts heeft daarnaast (namens de moeder, partner en twee kinderen van [slachtoffer 1] ) verzocht om de verdachte en zijn medeverdachte hoofdelijk te veroordelen. [medeverdachte 3] is echter bij vonnis van gelijke datum vrijgesproken voor het medeplegen van de doodslag op [slachtoffer 1] , waardoor er geen grondslag bestaat voor een hoofdelijke veroordeling.
Proceskosten
De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de nabestaanden van [slachtoffer 1] hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door deze benadeelde partijen gemaakte kosten worden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen (kort gezegd: doodslag) aanleiding ter zake van alle vorderingen van de nabestaanden de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.
10. Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2]
11. Bepaling van het aantal dagen vervangende gijzeling schadevergoedingsmaatregel
Namens de benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft mr. L.E. de Jong een vordering ingediend tot vergoeding van zowel materiële als immateriële schade. De gevorderde materiële schade (ter hoogte van in totaal € 18.933,26) bestaat uit de volgende posten:
Daarnaast heeft [slachtoffer 2] een bedrag van € 10.000,- aan immateriële schadevergoeding gevorderd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat slechts een deel van de kliniekkosten kunnen worden toegewezen en heeft zich voor de hoogte van dat deel gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voor wat betreft de verhuiskosten en de toekomstige kosten ligt het voor de hand dat dit deel van de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard. De immateriële schade kan volgens de officier van justitie worden toegewezen omdat het effect van dit incident voor [slachtoffer 2] te vergelijken is met het effect dat een woningoverval kan hebben. De toe te wijzen bedragen kunnen worden vermeerderd met wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel kan worden opgelegd.
Standpunt van de verdediging
Volgens de raadsman moeten de kliniekkosten en de verhuiskosten worden afgewezen vanwege het ontbreken van een voldoende rechtstreeks verband. De immateriële schade moet worden gematigd. Verder heeft de raadsman verzocht [slachtoffer 2] te veroordelen in de proceskosten omdat de factuur die is overgelegd ter onderbouwing van de gemaakte verhuiskosten lijkt te zijn gefalsificeerd.
Oordeel van de rechtbank
Alleen schade die rechtstreeks is geleden door een strafbaar feit komt voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank is van oordeel dat dit rechtstreekse verband voor wat betreft de gevorderde kliniekkosten onvoldoende is onderbouwd. Uit het dossier blijkt namelijk dat [slachtoffer 2] al langere tijd kampte met verslavingen en uit de stukken die ter onderbouwing van de vordering in het geding zijn gebracht blijkt dat deze verslavingen de voornaamste reden vormde voor de opname in de kliniek. De rechtbank zal de vordering op dit punt niet-ontvankelijk verklaren. Dit geldt ook voor de toekomstige behandelkosten.
Het rechtstreekse verband tussen de verhuiskosten en het incident ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank. De rechtbank leidt namelijk uit de stukken en de door mr. De Jong ter zitting gegeven toelichting af dat [slachtoffer 2] om een andere reden is verhuisd, te weten een gerechtelijke procedure over een gedwongen huisuitzetting in verband met overlast. De rechtbank zal de vordering op dit punt afwijzen.
Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij met zich dat van de in artikel 6:106, onder b, BW bedoelde aantasting sprake is. Benadeelde partij [slachtoffer 2] is in zijn eigen woning door de verdachte geslagen en bedreigd met een vuurwapen waarbij de verdachte [slachtoffer 2] probeerde te dwingen iets te doen. Uit de onderbouwing van de vordering volgt dat de benadeelde partij hieraan gevoelens van angst en bezorgdheid heeft overgehouden. Er is dus sprake van een aantasting van de persoonlijke levenssfeer en de persoonlijke vrijheid van de benadeelde partij, hetgeen grond biedt voor vergoeding van immateriële schade. Voor wat betreft de hoogte van de toe te kennen immateriële schadevergoeding sluit de rechtbank aan bij de Rotterdamse Schaal en specifiek het bedrag dat daarin wordt voorgesteld voor bedreiging, te weten € 1.500,-. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente per 11 februari 2024. De vordering zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.
Hoofdelijke veroordeling
Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen (kort gezegd: poging dwang met gebruikmaking van een vuurwapen) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
Proceskosten
Omdat de partijen over en weer in het (on)gelijk worden gesteld, zal de rechtbank de kosten van partijen compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.
Op grond van artikel 36f lid 5 van het Wetboek van Strafrecht kan bij het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat worden bepaald dat, als volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling wordt toegepast. De totale duur van de gijzeling mag, in het geval van samenloop als bedoeld in artikelen 57 en 58 Sr, maximaal 365 dagen bedragen (artikel 36f lid 5 en artikel 60a Sr). De rechtbank zal daarom naar evenredigheid de duur van de gijzeling bepalen, zodanig dat het maximum niet wordt overschreden.
12. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikelen 36f, 45, 47, 57, 60a, 284 en 287 van het Wetboek van Strafrecht,
artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
13. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren en 10 (tien) maanden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Benadeelde partij [vader slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade, bestaande uit € 17.500,- als vergoeding voor immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [vader slachtoffer 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [vader slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 17.500,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 55 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Benadeelde partij [moeder slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade, bestaande uit € 17.500,- als vergoeding voor immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [moeder slachtoffer 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [moeder slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 17.500,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 55 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Benadeelde partij [partner slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade, bestaande uit € 20.000,- als vergoeding voor immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [partner slachtoffer 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [partner slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 20.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 62 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Benadeelde partij ‘minderjarig kind 1’
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij ‘minderjarig kind 1’, geboren in 2019, geleden schade, bestaande uit € 20.000,- als vergoeding voor immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan het kind, voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer ‘minderjarig kind 1’, geboren in 2019, de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 20.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 62 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van ‘minderjarig kind 1’ te openen rekening met een BEM-clausule.
Benadeelde partij ‘minderjarig kind 2’
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij ‘minderjarig kind 2’, geboren in 2024, geleden schade, bestaande uit € 20.000,- als vergoeding voor immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan het kind, voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer ‘minderjarig kind 2’, geboren in 2024, de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 20.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 62 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van ‘minderjarig kind 2’ te openen rekening met een BEM-clausule.
Benadeelde partij [zus slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade, bestaande uit € 19.549,30 als vergoeding voor materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf
16 16 februari 2024 voor een bedrag van € 589,-;
16 22 februari 2024 voor een bedrag van € 3.800,-;
16 23 februari 2024 voor een bedrag van € 325,-;
16 25 februari 2024 voor een bedrag van € 9.740,60;
16 31 juli 2024 voor een bedrag van € 5.094,70;
tot aan de dag der algehele voldoening, aan [zus slachtoffer 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [zus slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 19.549,30, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente voor de hiervoor genoemde bedragen vanaf de daarbij genoemde data tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 1.500,-, als vergoeding voor immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(en) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Wijst af een gevorderd bedrag van € 6.783,26 aan materiële schade.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Bepaalt dat de verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen proceskosten dragen.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.500,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(en) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Beslagbeslissingen
Gelast de teruggave aan de verdachte van het op de beslaglijst onder 1 vermelde bedrag van € 2.715,00 (goednummer 1588973).
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de op de beslaglijst onder 2 vermelde telefoon (goednummer 1619190).
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.M.G. Hink, voorzitter,
mr. M. Hoendervoogt en mr. S.H. Bouwers, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.T. Sluis,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 maart 2026.
Bijlage I
De tenlastelegging
1.
hij op of omstreeks 13 februari 2024 te IJmuiden, gemeente Velsen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen in de rug en/of de linkerzij, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] te schieten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden;
2.
hij in of omstreeks de periode van 7 februari 2024 tot en met 13 februari 2024 te Alkmaar en/of IJmuiden en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (semi-)automatisch pistool dat geschikt is gemaakt voor het kaliber 7,65mm Browning (omgebouwd gas/alarmpistool), zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool, voorhanden heeft gehad;
3.
hij op of omstreeks 11 februari 2024 te IJmuiden, gemeente Velsen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een ander, te weten [slachtoffer 2] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 2] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten:
- een of meerdere vuurwapens, althans (een) op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en) aan die [slachtoffer 2] heeft getoond en/of op die [slachtoffer 2] heeft gericht, en/of (vervolgens)
- met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op/tegen/in het gezicht, althans het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft geslagen en/of (vervolgens)
- tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd dat hij de jongens van de aggie-lijn moet bellen en/of dat hij die gozer moet bellen om naar zijn, verdachtes, woning te komen, althans woorden van gelijke aard en/of strekking,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 11 februari 2024 te IJmuiden, gemeente Velsen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door een of meerdere vuurwapens, althans (een) op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en) aan die [slachtoffer 2] te tonen en/of op die [slachtoffer 2] te richten.