ECLI:NL:RBNHO:2026:3051

ECLI:NL:RBNHO:2026:3051

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 24-03-2026
Datum publicatie 23-03-2026
Zaaknummer 15/051515-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Mega Petteri. Dodelijke schietpartij op straat in IJmuiden. Beroep op nietigheid van de dagvaarding verworpen. Vrijspraak van medeplegen van doodslag en van medeplichtigheid aan dat feit. Wel acht de rechtbank bewezen dat de verdachte de pleger van de doodslag heeft geholpen door de plaats delict te verlaten met de pleger in de kofferbak van zijn voertuig (begunstiging). Beroep op strafuitsluitingsgrond van artikel 189, lid 3, Sr. De verdachte is niet strafbaar en wordt ten aanzien van dit feit ontslagen van alle rechtsvervolging. Daarnaast veroordeling voor medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen. Overschrijding van de redelijke termijn leidt tot matiging van de straf. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 165 dagen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/051515-24 (P)

Uitspraakdatum: 24 maart 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 februari 2026, 17 februari 2026 (inhoudelijke behandeling) en 10 maart 2026 (sluiting) in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2000 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte]

.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.J. van Bree en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. R.A. van der Horst, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), samengevat ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:

feit 1

medeplegen van doodslag op [slachtoffer] op 13 februari 2024 in IJmuiden, subsidiair medeplichtigheid aan dat feit, meer subsidiair het bieden van hulp aan de dader van dat feit;

feit 2

medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen, van 7 tot en met 13 februari 2024 in Alkmaar, IJmuiden en/of elders in Nederland.

De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

2. Beroep op nietigheid van de dagvaarding feit 2

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit nietig moet worden verklaard. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte wordt verweten het voorhanden hebben van een vuurwapen in de periode van 7 tot en met 13 februari 2024. In het dossier komen twee verschillende vuurwapens in beeld: een zwart en een zilverkleurig wapen. Het is niet duidelijk op welke van die twee vuurwapens de tenlastelegging ziet. Hierdoor voldoet de tenlastelegging niet aan de eisen van artikel 261 Sv, wat moet leiden tot de conclusie dat de dagvaarding nietig is.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 261 Sv vereist dat het voor de verdachte op grond van de tenlastelegging, in combinatie met het onderliggende dossier, duidelijk moet zijn waartegen hij zich moet verdedigen. Onder feit 2 wordt de verdachte verweten dat hij zich samen met anderen in de periode van 7 tot en met 13 februari 2024 schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en meer specifiek: een (semi-) automatisch pistool dat geschikt is gemaakt voor het kaliber 7,65mm Browning (omgebouwd gas/alarmpistool). Het verweer van de raadsman komt erop neer dat in het dossier mogelijk sprake zou zijn van twee verschillende wapens. Dat is naar het oordeel van de rechtbank een interpretatie van de raadsman van bepaalde bewijsmiddelen; er is in dit dossier namelijk geen wapen gevonden. Deze interpretatie – die de rechtbank overigens niet volgt – betreft een bewijskwestie en doet niet af aan de geldigheid van de dagvaarding. Het is de verdachte immers voldoende duidelijk waartegen hij zich moet verdedigen, namelijk het voorhanden hebben van het specifieke vuurwapen zoals genoemd in de tenlastelegging. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de dagvaarding voldoet aan de eisen van artikel 261 Sv en niet nietig is. Het verweer wordt verworpen.

De rechtbank heeft ook overigens vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Inleiding

Op 13 februari 2024 heeft een schietpartij plaatsgevonden op de Kromme Mijdrechtstraat in IJmuiden, waarbij [slachtoffer] (hierna ook: [slachtoffer] ) ter plaatse is overleden. Naar aanleiding hiervan is door de politie onder de naam ‘Petteri’ een grootschalig onderzoek gestart. Tijdens dit onderzoek is het vermoeden ontstaan dat de schietpartij heeft plaatsgevonden tussen rivaliserende groepen in het drugscircuit van IJmuiden. In onderzoek Petteri zijn, naast de doodslag op [slachtoffer] , ten aanzien van verschillende personen verdenkingen van andere strafbare feiten ontstaan, waaronder de aanschaf van een vuurwapen in Alkmaar en de handel in verdovende middelen. Daarbij zijn naast de verdachte ook [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in beeld gekomen. Deze verdachten worden hierna met hun achternaam aangeduid.

Het onderzoek heeft ten aanzien van de verdachte geresulteerd in de verdenkingen dat hij zich samen met schuldig heeft gemaakt aan de doodslag op [slachtoffer] en dat hij zich samen met [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen.

4. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1 primair en feit 2.

Voor feit 1 primair geldt dat de bewijsmiddelen in het dossier tot de conclusie leiden dan wel geen andere conclusie toelaten dan dat de verdachte samen met anderen, onder wie [medeverdachte 2] , een vuurwapen heeft aangeschaft (op 7 februari 2024) en vervolgens op 13 februari 2024 bewust de confrontatie met [slachtoffer] (hierna ook: het slachtoffer) heeft gezocht. De verdachte heeft [medeverdachte 2] opgedragen een wapen te pakken en is samen met [medeverdachte 2] opgetrokken toen deze één of meerdere malen op het vluchtende slachtoffer heeft geschoten. Op grond hiervan kan de verdachte als medepleger van de doodslag op [slachtoffer] worden aangemerkt.

Op het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, hierna worden ingegaan.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van feit 1 primair en subsidiair en feit 2. Ten aanzien van de onder feit 1 meer subsidiair tenlastegelegde collusie heeft de raadsman geen verweer gevoerd, maar bepleit dat de verdachte een beroep toekomt op de strafuitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 189, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Met betrekking tot feit 1 primair (doodslag) heeft de raadsman in de kern aangevoerd dat het dossier geen bewijs bevat waaruit volgt dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op zowel de nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte [medeverdachte 2] als de verwezenlijking van het gronddelict (de dood van het slachtoffer). Hij kan daarom niet als medepleger van de doodslag worden aangemerkt. Er was geen gezamenlijk plan om de confrontatie op te zoeken met het slachtoffer. Het ging om een ongeplande ontmoeting die plotseling escaleerde en waarbij een medeverdachte geweld gebruikte dat niet vooraf was afgesproken. De verdachte heeft geen aandeel gehad in de voorbereiding, er was geen taakverdeling of samenwerking en de verdachte was evenmin betrokken bij de uitvoering.

De verdachte wist niet van de aanwezigheid van een wapen. Zelfs als die wetenschap er wel was, levert dat nog niet voorwaardelijk opzet op gebruik van dat wapen en de dood van het slachtoffer op. Daarbij valt niet in te zien dat het lopen of rennen van de verdachte in de richting van het slachtoffer een wezenlijke bijdrage aan de uitvoering van de doodslag heeft geleverd. Datzelfde geldt voor het (achteraf) meenemen of helpen vluchten van de schutter zonder enig daaraan ten grondslag liggend plan.

Voor de onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid ontbreekt eveneens het bewijs. De verdachte heeft geen effectieve medeplichtigheidshandelingen verricht. Daarnaast gaan de hiervoor genoemde argumenten ter weerspreking van het medeplegen op: de verdachte heeft met/tijdens die handelingen geen opzet gehad op zowel die handelingen als de doodslag van het slachtoffer.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat niet kan worden vastgesteld dat het gaat om een wapen zoals omschreven in de tenlastelegging. Het wapen is immers niet aangetroffen. Ook kan niet worden vastgesteld dat de verdachte het wapen voorhanden heeft gehad. Voor zover op 7 februari 2024 in Alkmaar een wapen is gekocht en voor zover de verdachte dit heeft geweten, staat daarmee niet vast dat hij feitelijke macht over het wapen heeft kunnen uitoefenen. Ook na het moment van de aankoop heeft de verdachte het wapen niet in zijn bezit of machtssfeer gehad.

Op het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, hierna worden ingegaan.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 1 primair en subsidiair – medeplegen en medeplichtigheid doodslag

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen wat de verdachte onder feit 1 primair (medeplegen doodslag) en subsidiair (medeplichtigheid doodslag) ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Vaststellingen op grond van het dossier

Op grond van het dossier kan de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vaststellen.

Op 13 februari 2024 omstreeks 18:11 uur is de verdachte vertrokken vanaf zijn woning in de [adres verdachte] , waar hij met zijn ouders woonde, en gaan rijden in zijn Volkswagen Passat met blauwe kentekenplaten en kenteken [kenteken taxi] (hierna: de taxi). Kort na 18:30 uur is de verdachte met zijn taxi weer terug in de Kromme Mijdrechtstraat. De verdachte en het slachtoffer hebben elkaar vervolgens ontmoet op de kruising van de Kromme Mijdrechtstraat en de Rijnstraat. De taxi waarin de verdachte reed, stond hierbij naast de auto (een witte Citroën) waarin het slachtoffer reed.

Op enig moment is de verdachte uit zijn auto gestapt en naar het bestuurdersportier van de auto van het slachtoffer gelopen, die op dat moment nog in zijn auto zat. Er is tussen het slachtoffer en de verdachte een woordenwisseling ontstaan die is ontaard in een vechtpartij buiten de auto. De verdachte is hierbij op de grond terechtgekomen, waarbij het slachtoffer over hem heen gebogen stond.

Terwijl de verdachte op de grond lag, is door een donkergetinte man die aan de zij-/achterkant van de taxi stond met een vuurwapen meerdere keren in de richting van [slachtoffer] geschoten. De schutter bevond zich op dat moment dus in de nabijheid van het slachtoffer en de verdachte. Op grond van de bewijsmiddelen in het dossier gaat de rechtbank ervan uit dat dit de medeverdachte [medeverdachte 2] is geweest.

Op het moment dat werd geschoten, is het slachtoffer de Kromme Mijdrechtstraat in gerend. [medeverdachte 2] is achter het slachtoffer aan de straat in gelopen en heeft toen nog een keer geschoten. De verdachte is ook de Kromme Mijdrechtstraat ingelopen. Direct daarna zijn de verdachte en [medeverdachte 2] terug gerend, in de richting van de taxi van de verdachte. De verdachte is achter het stuur en [medeverdachte 2] in de kofferbak van de taxi gestapt. De taxi is vervolgens weggereden. Gelet op het aantal ter plaatse aangetroffen hulzen is tijdens de schietpartij in ieder geval vijf keer geschoten. Eén schot heeft het slachtoffer in zijn rug geraakt. Kort daarna is hij overleden aan deze verwonding.

Op grond van onder meer de GPS-data van de taxi van de verdachte en camerabeelden van de route die de taxi heeft gereden vóór en na de schietpartij, gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte kort voor de schietpartij [medeverdachte 2] in de buurt van zijn woning in IJmuiden heeft opgehaald en hem daar direct na de schietpartij ook weer heeft afgezet. Aan die vaststelling dragen ook bij de historische verkeersgegevens van de telefoon van [medeverdachte 2] .

De verdachte heeft vervolgens zijn taxi omstreeks 18:45 uur op de Waterloolaan in Driehuis geparkeerd. Hij heeft gebeld met een vriendin genaamd [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ), die hem heeft opgehaald. De verdachte heeft zich later op de avond bij een politiebureau in Amsterdam gemeld, nadat hij enkele uren heeft rondgereden en/of samen is geweest met [betrokkene 1] en de later aangesloten [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ), een kennis van de verdachte. De verdachte heeft zijn jas en een kogelwerend vest dat hij bij zich had, die avond achtergelaten in de woning van [betrokkene 1] in Haarlem. Niet duidelijk is geworden waar de telefoon van de verdachte is gebleven.

Zoals hierna onder feit 2 bewezen zal worden verklaard, heeft de verdachte zes dagen voor de schietpartij, op 7 februari 2024, samen met onder meer [medeverdachte 2] in Alkmaar een vuurwapen voorhanden gehad. Dit wapen is daar gekocht van een persoon genaamd [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ) en [medeverdachte 2] heeft het wapen ook getest door ermee te schieten. Op één van de hulzen die bij de plaats delict is aangetroffen is celmateriaal gevonden dat van die [betrokkene 3] is.

De verdachte heeft verklaringen afgelegd die er in de kern op neerkomen dat hij het slachtoffer toevallig is tegengekomen, dat het slachtoffer begon te dreigen en vervolgens fysiek geweld heeft toegepast, dat hij door het slachtoffer naar de grond is gewerkt en toen schoten heeft gehoord, dat hij het slachtoffer vervolgens in de richting van zijn woning zag rennen en hem daarom op afstand is gevolgd. Toen de verdachte zag dat het slachtoffer voorbij zijn huis (waar ook familieleden van hem woonden) was, is hij terug naar zijn taxi gelopen/gerend en in paniek weggereden. Op vragen of er die avond iemand bij hem was en in de (kofferbak van de) taxi zat en zo ja, wie, heeft de verdachte geen antwoord willen geven.

Beoordelingskader medeplegen

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of de verdachte als medepleger van de doodslag op [slachtoffer] kan worden aangemerkt.

De kwalificatie medeplegen vereist dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met – in dit geval – de medeverdachte en schutter [medeverdachte 2] . Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Voor het oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De vraag of aan deze vereisten is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Daarbij kan van belang zijn in hoeverre concrete omstandigheden van het geval kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen. Voor een bewezenverklaring van het medeplegen van de doodslag geldt verder dat het opzet van de verdachte zowel op de nauwe en bewuste samenwerking met zijn mededader als op de verwezenlijking van het gronddelict moet zijn gericht . Dat betekent dus dat uit de bewijsvoering moet volgen dat het opzet van de verdachte – al dan niet in voorwaardelijke vorm – erop was gericht om samen met [medeverdachte 2] [slachtoffer] van het leven te beroven.

Op basis van de bewijsmiddelen in het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat de verdachte en [medeverdachte 2] op 13 februari 2024 op de plaats delict waren of daar naar toe zijn gegaan in het kader van een bewuste of geplande confrontatie met het slachtoffer. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de verdachte en het slachtoffer elkaar die avond toevallig zijn tegengekomen. Het slachtoffer en de verdachte hebben ruzie gekregen en zijn op straat met elkaar in gevecht geraakt waarbij het slachtoffer aan de winnende hand leek, aangezien hij de verdachte naar de grond had gewerkt en over hem heen gebogen stond. Uitgaande van een toevallige ontmoeting, leidt dit er ook toe dat de rechtbank weinig betekenis toekent aan het gegeven dat de verdachte mogelijk als eerste naar het slachtoffer heeft uitgehaald, zoals de anonieme getuige bij de rechter-commissaris heeft verklaard.

Het dossier bevat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijs dat het de bedoeling was dat [medeverdachte 2] tijdens die vechtpartij op het slachtoffer zou gaan schieten dan wel dat de verdachte daarmee rekening had kunnen of moeten houden. Dat de verdachte daar samen met [medeverdachte 2] was en dat hij wist dat [medeverdachte 2] een wapen bij zich had, is daartoe onvoldoende. Die enkele wetenschap betekent namelijk nog niet dat de verdachte er rekening mee moest houden dat [medeverdachte 2] het wapen op dat moment ook daadwerkelijk zou gebruiken. Dat de verdachte tegen [medeverdachte 2] zou hebben gezegd ‘pak een wapen’, maakt dit oordeel niet anders. Het betreft een getuigenis van horen zeggen van [betrokkene 2] die – gehoord als verdachte – heeft verklaard dat de verdachte dit heeft gezegd toen deze bij hem in de auto zat na de schietpartij en vertelde wat er was gebeurd. Buiten dat de verdachte ontkent een dergelijke uitspraak te hebben gedaan, is daarnaast niet duidelijk geworden op welk moment en in welke context de verdachte dit tegen [medeverdachte 2] zou hebben gezegd. Ervan uitgaande dat de verdachte tegen [medeverdachte 2] heeft gezegd een wapen te pakken tijdens de woordenwisseling of het daarop ontstane gevecht met het slachtoffer, kan ook daaruit niet zonder meer volgen dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [medeverdachte 2] het wapen zou gebruiken om het slachtoffer te doden. Die conclusie vereist bijkomende feiten en omstandigheden, over bijvoorbeeld het niet schuwen van vuurwapengebruik tijdens (een) eerdere confrontatie(s) met het slachtoffer en/of concrete bevindingen met betrekking tot het mogelijk tussen de verdachte en het slachtoffer spelende conflict en een op handen zijnde confrontatie. Dit alles blijkt niet uit het dossier.

De officier van justitie heeft in dit verband gewezen op het feit dat de verdachte en [medeverdachte 2] zich een kleine week voor het incident hebben bewapend (feit 2) en dat de verdachte die avond een kogelwerend vest droeg, wat een indicatie zou zijn voor een naderende confrontatie. Ook heeft de officier van justitie gewezen op een conflict tussen de verdachte en het slachtoffer over drugs en de verklaring van een anoniem gebleven getuige over de van horen zeggen door de verdachte geuite woorden dat hij het voorzien had op het slachtoffer (‘ik zit met twee shooters in de auto’).

Allereerst kan de rechtbank niet met de vereiste mate van zekerheid vaststellen dat de verdachte die avond tijdens de ontmoeting met het slachtoffer het kogelwerend vest droeg dat hij na afloop van het incident samen met zijn jas in de woning van [betrokkene 1] heeft achtergelaten. De verdachte heeft in dit verband namelijk verklaard dat hij al langere tijd een kogelwerend vest had voor zijn eigen veiligheid in verband met een eerder incident bij zijn woning (de rechtbank begrijpt: de beschieting van de woning van de verdachte op 27 oktober 2022, AMB-376), dat hij het vest de bewuste avond niet aan had en dat het vest in zijn auto lag. Daarnaast kan aan het enkele feit dat de verdachte samen met onder meer [medeverdachte 2] een kleine week voor het incident een wapen heeft gekocht niet de gevolgtrekking worden verbonden dat die aanschaf is gedaan met oog op een nadere confrontatie met het slachtoffer. Van belang daarbij is dat uit het dossier nu juist niet blijkt dat er tussen de verdachte en medeverdachten is gesproken over het zoeken van een confrontatie met of het doden van het slachtoffer.

Het dossier biedt zeker aanwijzingen dat de verdachte en [medeverdachte 2] enerzijds en het slachtoffer anderzijds tot verschillende groepen behoorden die actief waren in de drugshandel in IJmuiden en dat gedurende een langere periode voorafgaand aan de schietpartij over en weer sprake lijkt te zijn van intimidatie en (dreiging met) geweld. Uit politiemutaties volgt dat er vanaf 2022 tot kort voor de schietpartij verschillende incidenten, zoals explosies en brandstichtingen, hebben plaatsgevonden, vermoedelijk gericht tegen de groep waartoe de verdachte behoorde (onderzoek Goudvis). Dat de verdachte geweld heeft gebruikt of betrokken is geweest bij een incident richting de groep waartoe het slachtoffer behoorde, is echter niet gebleken. Wel zijn er in dit onderzoek enkele getuigen gehoord, al dan niet anoniem en uit beide groepen, die verklaren over een ruzie tussen de verdachte en het slachtoffer over drugs en over het mogelijk niet schuwen van geweld door zowel de verdachte als het slachtoffer. Het gaat hierbij echter steeds om verklaringen van horen zeggen of berustend op eigen interpretatie en invulling van gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden in een langere periode voorafgaand aan de schietpartij en die niet verankerd zijn in meer objectieve onderzoeksbevindingen. In het kader van de bewijsvoering van dit schietincident hecht de rechtbank daarom geen waarde aan die verklaringen. Dat geldt dus ook voor de mogelijk door de verdachte geuite woorden dat hij met shooters in een auto rondreed en het kennelijk op het slachtoffer had gemunt.

De rechtbank concludeert dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Op grond van het geheel aan bewijsmiddelen, ook als deze in onderling verband en samenhang worden bekeken, is evenmin komen vast te staan de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de schutter [medeverdachte 2] . Verdachte heeft zelf geen uitvoeringshandelingen verricht. Wat overblijft is dat de verdachte samen met [medeverdachte 2] ter plaatse was, met het slachtoffer in gevecht is geraakt en dat [medeverdachte 2] een wapen heeft gepakt. Vervolgens is de verdachte, nadat [medeverdachte 2] al enkele keren had geschoten, achter het slachtoffer aangelopen, waarbij [medeverdachte 2] nog een keer op het slachtoffer heeft geschoten. Daarna is de verdachte teruggerend naar de taxi en met [medeverdachte 2] in de kofferbak van de plaats delict gevlucht. Die gedragingen rechtvaardigen niet de conclusie dat sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering en/of een materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan de doodslag van voldoende gewicht. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van feit 1 primair.

Medeplichtigheid aan de doodslag

Ook voor medeplichtigheid geldt het hiervoor genoemde dubbel opzetvereiste. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, valt op grond van het dossier niet vast te stellen dat de verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, heeft gehad op de dood van het slachtoffer of dat hij [medeverdachte 2] in de gelegenheid heeft gesteld om het slachtoffer (dodelijk) geweld aan te doen. Ook is er onvoldoende bewijs dat de verdachte anderszins opzettelijk behulpzaam is geweest bij de tenlastegelegde doodslag. Er is daarom niet voldaan aan het vereiste van dubbel opzet en de verdachte kan dientengevolge ook niet als medeplichtige worden aangemerkt ter zake van feit 1 subsidiair.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II bij dit vonnis zijn vervat.

Bewijsmotivering feit 1 meer subsidiair – begunstiging

De rechtbank stelt vast dat de tenlastelegging van feit 1 meer subsidiair (begunstiging) is toegesneden op eerste lid onderdeel 1º van artikel 189 Sr. Dit onderdeel van de strafbepaling ziet, kort gezegd, op het opzettelijk verbergen van een verdachte van of schuldige aan een misdrijf of die persoon behulpzaam zijn te ontkomen aan de politie. Uit de bewijsmiddelen in het dossier kan worden afgeleid dat de verdachte [medeverdachte 2] na de schietpartij heeft helpen ontkomen aan de politie door met hem in de kofferbak van zijn taxi de plaats delict te verlaten (eerste gedachtestreepje), zodat dit onderdeel van de tenlastelegging kan worden bewezen. Dat geldt niet voor de andere onderdelen van de tenlastelegging, te weten:

- het achterlaten van zijn auto (met daarin mogelijke sporen);

- het meegeven van zijn (eigen) jas en kogelwerend vest (met daarop mogelijke sporen); en

- het zich ontdoen van zijn (eigen) telefoon (met daarop mogelijk voor het onderzoek relevante informatie). Deze gedachtestreepjes hebben betrekking op artikel 189, eerste lid, onderdeel 2º Sr. In dit onderdeel wordt strafbaar gesteld hij die nadat enig misdrijf is gepleegd, met het oogmerk om het te bedekken of de nasporing of vervolging te beletten of te bemoeilijken, voorwerpen waarop of waarmede het misdrijf gepleegd is of andere sporen van het misdrijf vernietigt, wegmaakt, verbergt of aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie onttrekt. Nu dit onderdeel van artikel 189 Sr niet is tenlastegelegd en niet zonder meer valt in te zien op welke wijze de verdachte met het achterlaten van een auto, het meegeven van zijn jas en kogelwerend vest en het zich ontdoen van zijn telefoon, [medeverdachte 2] behulpzaam is geweest te ontkomen aan de politie, spreekt de rechtbank de verdachte van die onderdelen (partieel) vrij.

Bewijsmotivering feit 2 – medeplegen voorhanden hebben vuurwapen

Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde op zitting neemt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan.

Ten tijde van de schietpartij is de verdachte met zijn taxi weggereden van de kruising Rijnstraat met de Kromme Mijdrechtstraat te IJmuiden. De verdachte heeft zich die avond omstreeks 23:30 uur gemeld bij de politie.

Op de plaats delict van de schietpartij zijn hulzen aangetroffen. Op één van de hulzen is een DNA-profiel aangetroffen dat overeenkomt met het DNA-profiel van [betrokkene 3] . Het DNA-profiel is meer dan 10 miljard keer waarschijnlijker wanneer – kort gezegd – het celmateriaal van [betrokkene 3] is dan wanneer dit niet zo is. De rechtbank concludeert hieruit, met in achtneming van de rest van het dossier, dat [betrokkene 3] donor is van het celmateriaal.

Rit van de taxi naar Alkmaar

De taxi is op 7 februari 2024 tussen 20:00 uur en 22:30 uur vanuit IJmuiden naar Alkmaar en weer terug gereden. De verdachte heeft verklaard dat hij op 7 februari 2024 met zijn taxi de rit naar Alkmaar heeft gemaakt. Op camerabeelden van de binnenstad Alkmaar en van de snackbar HapWat (hierna: de HapWat) is te zien dat de verdachte, [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] (hierna gezamenlijk ook aangeduid als: de verdachten) in Alkmaar uit de taxi stapten en in de HapWat zijn geweest.

Ontmoeting [betrokkene 3] in Alkmaar

In Alkmaar hebben de verdachten [betrokkene 3] ontmoet. Omstreeks 20:37 uur is [betrokkene 3] in de taxi gestapt en meegereden. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat [betrokkene 3] instapte en iedereen in de taxi een boks gaf. [betrokkene 3] had op dat moment een gele plastic tas met inhoud van enig gewicht bij zich. Op de Gravin Jacobastraat maakte de taxi een langere stop van ongeveer een half uur. Rond 21:14 uur stapte [betrokkene 3] uit de taxi op het Hofplein. Hij had de gele plastic tas toen niet meer bij zich.

De verdachten parkeerden de taxi vervolgens op het Hofplein en gingen rond 21:15 uur de HapWat binnen. Om 21:44 uur kwam [betrokkene 3] de HapWat binnen lopen en maakte contact met de verdachten. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat [betrokkene 3] in de snackbar iets heeft gegeven. Op de camerabeelden van de HapWat is te zien dat [medeverdachte 1] een klein voorwerp overhandigde aan [betrokkene 3] . [betrokkene 3] wisselde een bankbiljet aan de balie en overhandigde bankbiljetten aan [medeverdachte 1] . [betrokkene 3] verliet rond 21:52 uur de HapWat. Enkele minuten later vertrokken ook de verdachten en reden met de taxi weer terug naar IJmuiden.

Doel ontmoeting [betrokkene 3] ; opname vertrouwelijke communicatie (OVC-gesprekken)

[betrokkene 3] is op 25 maart 2024 buiten heterdaad aangehouden. Tijdens zijn detentie zijn op 9 april 2024, 17 april 2024 en 23 april 2024 gesprekken die [betrokkene 3] met zijn bezoekers heeft gevoerd, afgeluisterd en opgenomen. [betrokkene 3] vertelde tijdens die gesprekken dat hij een afspraak in Alkmaar had met ‘mocro’s’ en een persoon met een donkere huidskleur. [betrokkene 3] sprak tijdens de OVC-gesprekken over de mannen die naar Alkmaar kwamen in een taxi en zei hierover “Ik laat die mannen komen […]. Ze kwamen in een taxi” en “Kwamen natuurlijk voor die ding. In het dossier zie je mij met een jumbotas […] met een zwarte doos in die ding. En dan zie je mij, bap, in die taxi stappen, met die man, die zich heeft gemeld voor die moord” en “Deze goon, hij rijdt taxi broski. Gewoon wit. Dat is zijn werk”. De mannen wilden een “orgi P” hebben (de rechtbank begrijpt: origineel pistool). [betrokkene 3] heeft tegen de mannen gezegd dat het geen origineel vuurwapen is maar dat het wel werkt. [betrokkene 3] vertelde hierover tegen de mannen te hebben gezegd “18 barki origi, dat is sowieso al gekke prijs. Moet je weten dat het bouw was toch” waarop door de mannen is gezegd “Ja, we dachten al zo goedkoop…Als het werkt gewoon, blaast gewoon goed, geen jam, dan kopen we het gewoon voor 18 barkie”. Verder vertelde [betrokkene 3] dat hij “die P heeft geseerd (de rechtbank begrijpt: verkocht). Die 18 barkies is daar”. [betrokkene 3] vertelde ook dat zij naar een plek zijn gereden om te testschieten. Over het testschieten vertelde [betrokkene 3] dat één van de mannen, de donkere man, het wapen moest testen. Die donkere man heeft [betrokkene 3] op een later moment op het politiebureau gezien. De mannen wilden nog “ballas” (de rechtbank begrijpt: patronen) hebben, die hij nog moest slijpen. Dit slijpen heeft hij in zijn “osso” (de rechtbank begrijpt: huis) gedaan en hij was in een kwartier klaar. Hij denkt dat zijn DNA daarom op één van de gevonden hulzen is aangetroffen. Ook zegt [betrokkene 3] dat het pistool nooit gevonden is.

De rechtbank stelt vast dat de uitlatingen van [betrokkene 3] tijdens de OVC-gesprekken overeenkomen met de camerabeelden in het centrum van Alkmaar en de GPS-data van de taxi. Zoals hiervoor is overwogen, zijn op deze beelden [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en de verdachte te zien. De rechtbank stelt daarom vast dat [betrokkene 3] met ‘de mannen’ de verdachten bedoelt. Daarbij komt dat de verdachte taxi rijdt en zich na de schietpartij op 13 februari 2024 heeft gemeld bij de politie, zoals [betrokkene 3] vertelt. De verklaring van [medeverdachte 3] dat [betrokkene 3] in de taxi is gestapt, is meegereden en dat [betrokkene 3] later in de HapWat iets heeft gegeven, komt ook overeen met de camerabeelden. De rechtbank gaat ervan uit dat [betrokkene 3] op het moment dat hij de taxi instapte het wapen in de gele plastic Jumbotas bij zich had en dat dit wapen in Alkmaar is getest. Uit de camerabeelden blijkt dat [medeverdachte 2] de enige man van de groep is met een donkere huidskleur. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat [medeverdachte 2] het wapen heeft getest. Steun hiervoor vindt de rechtbank in de verklaring van [betrokkene 3] dat hij de man, die het wapen heeft getest, in het politiebureau is tegengekomen in combinatie met camerabeelden van het cellencomplex van het politiebureau in Haarlem van 28 maart 2024. Daarop is namelijk te zien dat [betrokkene 3] en [medeverdachte 2] elkaar tegenkwamen en oogcontact hadden. De rechtbank gaat ervan uit dat het vuurwapen is getest op het moment van de langere stop ter hoogte van de Gravin Jacobastraat. Verder zijn in de woning van [betrokkene 3] tijdens een doorzoeking ter inbeslagneming attributen aangetroffen die geschikt zijn voor het ombouwen van wapens en het slijpen van patronen en zijn daarnaast ook kogelpatronen aangetroffen. Deze bevindingen en ook het hiervoor genoemde celmateriaal van [betrokkene 3] op een huls in de Kromme Mijdrechtstraat ondersteunen de uitlatingen van [betrokkene 3] . Verder blijkt uit de onder [betrokkene 3] in beslag genomen telefoon dat hij handelde in wapens. Hij droeg een enkelband, waaruit blijkt dat hij ten tijde van de schietpartij in Alkmaar was.

Tussenconclusie

De rechtbank komt gelet op voornoemde bevindingen tot de volgende tussenconclusie over de avond van 7 februari 2024. De verdachte, [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] zijn samen in de taxi naar het centrum van Alkmaar gereden, waar van [betrokkene 3] een vuurwapen is gekocht. Dit vuurwapen is op een andere plek in Alkmaar getest door [medeverdachte 2] . [betrokkene 3] heeft daarna op verzoek patronen geslepen en vervolgens in de HapWat geleverd aan de verdachten.

Beoordelingskader

Voor een veroordeling voor het als medepleger voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van artikel 26 van de Wet wapens en munitie (WWM) is vereist dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een of meer anderen die was gericht op het voorhanden hebben van een wapen of munitie. Vereist is dat de verdachte zich in meer of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van dat vuurwapen en/of die munitie. De in de rechtspraak van de Hoge Raad gebruikte aanduiding van “een meerdere of mindere mate” van bewustheid geeft aan dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de exacte locatie van dat wapen. Van een dergelijke bewustheid kan ook sprake zijn in het geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. Daarnaast is voor een bewezenverklaring vereist dat de verdachte tezamen met de mededader(s) feitelijke macht over het vuurwapen heeft kunnen uitoefenen in die zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken. Daarvoor hoeft het wapen zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden het niet anders kan dan dat de verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zich bewust zijn geweest van de aankoop en daarmee de aanwezigheid van het vuurwapen in de taxi en dat zij daarover hebben kunnen beschikken. De rechtbank kent hierbij gewicht toe aan de gezamenlijkheid van het optreden van de verdachten. Zo zijn de verdachten samen in de taxi naar Alkmaar afgereisd, hebben zij daar samen wapenhandelaar [betrokkene 3] ontmoet, die in de taxi is gestapt en meegereden, waarna het vuurwapen is getest en gekocht. Daarna volgde nog een tweede ontmoeting met [betrokkene 3] later op de avond in de HapWat in Alkmaar waarbij alle vier de verdachten aanwezig waren. Deze ontmoeting in de HapWat was nadat [betrokkene 3] op verzoek nog patronen had geslepen en aan de verdachten kwam geven. De verdachten zijn vervolgens samen weer terug naar IJmuiden gereden.

Bij dit oordeel speelt tevens een rol dat de verdachte geen redelijke, de redengevendheid van het bewijs, ontzenuwende verklaring heeft afgelegd over de ontmoeting in Alkmaar met [betrokkene 3] . De verdachte heeft zich vanaf het moment van zijn aanhouding tot aan de zitting steeds beroepen op zijn zwijgrecht. Op zitting heeft de verdachte enkel verklaard dat hij met zijn taxi naar Alkmaar is gegaan, in de snackbar is geweest en verder niets heeft gehoord of gezien. Verder heeft hij zich op vragen van de rechtbank op zijn zwijgrecht beroepen. Ook dit weegt de rechtbank mee bij de waardering van het bewijs en maakt dat zij uitgaat van de hiervoor reeds getrokken conclusies.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten dat sprake is van het medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben van een vuurwapen.

Wel komt de rechtbank tot het oordeel dat de periode, waarin de verdachte alleen of samen met zijn medeverdachten het vuurwapen voorhanden heeft gehad, beperkt moet worden tot de dag van de aankoop van het vuurwapen op 7 februari 2024. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het vuurwapen in Alkmaar is aangekocht en in de taxi is meegenomen naar IJmuiden. Het dossier bevat onvoldoende bewijs om aan te nemen dat de verdachte ook daarna de feitelijke beschikkingsmacht over het vuurwapen heeft gehad. Dit geldt ook voor 13 februari 2024, de dag van de schietpartij. Zoals onder 4.3.1 overwogen, gaat de rechtbank er op grond van de bewijsmiddelen in het dossier van uit dat medeverdachte [medeverdachte 2] die dag met een vuurwapen heeft geschoten. Dat de verdachte daar samen met [medeverdachte 2] was en wist dat [medeverdachte 2] een vuurwapen bij zich had, betekent nog niet dat de verdachte ook de feitelijke macht over het wapen heeft gehad. Daarvoor bevat het dossier onvoldoende bewijs.

Onderzoeksresultaten ten aanzien van het tenlastegelegde vuurwapen

In dit onderzoek is geen vuurwapen gevonden. Wel zijn na de schietpartij op 13 februari 2024 hulzen gevonden. Uit het forensisch onderzoek blijkt dat nabij het voertuig van het slachtoffer vier hulzen op de grond en een vijfde huls op een rode auto (geparkeerd ter hoogte van de Kromme Mijdrechtstraat nummer 9) lagen.

De afvuursporen in de vijf aangetroffen hulzen worden volgens het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) verwacht wanneer deze zijn verschoten met een (semi-)automatisch pistool dat geschikt is gemaakt voor kaliber 7,65mm Browning (omgebouwd gas/alarmpistool). De rechtbank acht het op grond hiervan aannemelijk dat de aangetroffen hulzen zijn verschoten met een wapen van dit merk en type. Het NFI concludeert verder op grond van indicatief vergelijkend onderzoek naar de hulzen die zijn gevonden bij de schietpartij op 13 februari 2024 dat de resultaten van dit onderzoek worden verwacht wanneer de vijf hulzen zijn verschoten met één vuurwapen.

Op één van de hulzen met bodemstempel CBC 32 AUTO is celmateriaal van [betrokkene 3] aangetroffen. [betrokkene 3] handelde in (vuur-)wapens. Tijdens de hiervoor genoemde OVC-gesprekken sprak [betrokkene 3] meermalen over een “bouwtje” en “die P” en zei hij dat het aangekochte vuurwapen gelet op de genoemde prijs geen origineel wapen kon zijn. Ook heeft [betrokkene 3] het over “die pistool” die niet gevonden is. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat [betrokkene 3] een omgebouwd pistool heeft verkocht. De rechtbank vindt voor die conclusie ook steun in de in de woning van [betrokkene 3] aangetroffen attributen voor het ombouwen van wapens. Ook zijn in de woning kogelpatronen aangetroffen.

De rechtbank stelt ten slotte vast dat uit de overige bevindingen in het dossier niet volgt hoe het vuurwapen conform de Wet wapens en munitie gecategoriseerd dient te worden. Evenwel is de rechtbank van oordeel dat dit aan een bewezenverklaring van het feit niet in de weg staat. Het vuurwapen is niet gevonden, maar voor de rechtbank staat op grond van voornoemde bewijsmiddelen vast dat het door [betrokkene 3] geleverde wapen een vuurwapen is. Onder deze omstandigheden gaat de rechtbank ervan uit dat het wapen kan worden gecategoriseerd als een wapen van categorie III, onder 1, van de Wet wapens en munitie, in de vorm van een pistool.

De rechtbank concludeert op grond van voorgaande bevindingen van het NFI en de uitlatingen van [betrokkene 3] in samenhang bezien dat op 7 februari 2024 in Alkmaar een

(semi-)automatisch pistool dat geschikt is gemaakt voor het kaliber 7,65mm Browning (omgebouwd gas/alarmpistool) is gekocht, welk vuurwapen de verdachte samen met de medeverdachten voorhanden heeft gehad.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

feit 1 meer subsidiair

hij op 13 februari 2024 te IJmuiden opzettelijk [medeverdachte 2] , die schuldig was aan enig misdrijf, te weten het opzettelijk van het leven beroven van [slachtoffer] , heeft verborgen en behulpzaam is geweest in het ontkomen aan de nasporing van en aanhouding door een of meer ambtenaren van de justitie of politie, doordat hij, verdachte,

- die [medeverdachte 2] heeft helpen ontkomen/vluchten door deze weg te voeren in de kofferbak van zijn auto;

feit 2

hij op 7 februari 2024 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (semi-) automatisch pistool dat geschikt is gemaakt voor het kaliber 7,65mm Browning (omgebouwd gas/alarmpistool), zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 meer subsidiair

opzettelijk iemand die schuldig is aan of verdachte is van enig misdrijf, verbergen of hem behulpzaam zijn in het ontkomen aan de nasporing van of aanhouding door de ambtenaren van de justitie of politie;

feit 2

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en

munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde feit (begunstiging) heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de bijzondere strafuitsluitingsgrond van het derde lid van artikel 189 Sr aan de orde is. De officier van justitie heeft over de strafbaarheid van de verdachte voor dit feit geen standpunt ingenomen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 189 Sr luidt – voor zover hier relevant – als volgt:

1. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft:

1°. hij die opzettelijk iemand die schuldig is aan of verdachte is van enig misdrijf, verbergt of hem behulpzaam is in het ontkomen aan de nasporing van of aanhouding door de ambtenaren van de justitie of politie;

3. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op hem die de daarin vermelde handelingen verricht ten einde gevaar van vervolging te ontgaan of af wenden.

Uit de wetsgeschiedenis en rechtspraak volgt dat de strafuitsluitingsgrond van het derde lid ook van toepassing is op degene die de handelingen als bedoeld in het eerste lid sub 1 verricht, mede teneinde gevaar van vervolging voor zichzelf te ontgaan. De maatstaf die daarvoor geldt is of de verdachte er in redelijkheid van mocht uitgaan dat ook jegens hem een verdenking van een strafbaar feit zou ontstaan.

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verdachte mede om gevaar voor vervolging van hemzelf te ontgaan of af te wenden met [medeverdachte 2] in zijn kofferbak is weggereden van de plaats delict. De verdachte was immers samen met [medeverdachte 2] op de plaats delict aanwezig toen [medeverdachte 2] [slachtoffer] beschoot. Ook was de verdachte kort voor de schietpartij met [slachtoffer] in een vechtpartij geraakt. De rechtbank acht het gelet hierop aannemelijk dat de verdachte direct na de schietpartij vermoedde dat hij zelf als verdachte van de beschieting van [slachtoffer] zou kunnen worden aangemerkt en daarom samen met [medeverdachte 2] de plaats delict wilde ontvluchten. Gelet hierop kan de verdachte naar het oordeel van de rechtbank een beroep doen op de strafuitsluitingsrond van artikel 189, derde lid Sr, zodat hij voor dit feit zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Er is ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde feit geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar voor dit feit.

7. Motivering van de straf

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor feiten 1 primair en 2 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaar en 11 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarbij heeft de officier van justitie rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn, welke overschrijding hij berekent op anderhalve maand, door één maand van zijn aanvankelijke eis af te trekken.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van een eventueel aan de verdachte op te leggen straf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen, in de vorm van een omgebouwd gas-/alarmpistool. De verdachte is samen met drie anderen vanuit IJmuiden naar Alkmaar gereden, om daar een wapen te kopen van een wapenhandelaar. Het voorhanden hebben van zo’n voorwerp brengt onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van personen met zich. De praktijk wijst uit dat het bezit van vuurwapens vaak leidt tot het gebruik daarvan. Dit leidt niet zelden tot levensgevaarlijke situaties, ook voor omstanders. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 21 januari 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.

Ook heeft de rechtbank gelet op het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 3 mei 2024. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het verslag van de reclassering van 5 februari 2026 over het uitgevoerde toezicht. Hieruit blijkt dat de verdachte zich tijdens het toezicht heeft gehouden aan de afspraken met de reclassering. Positief te noemen is, volgens de reclassering, dat de verdachte werkt, de voorwaarden naleeft en niet opnieuw verdachte is geworden van een strafbaar feit. Hij geeft aan problemen te vermijden en zich te richten op werk en het opbouwen van zijn toekomst. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte zijn de rechtbank geen verdere bijzondere omstandigheden bekend. Hoewel in algemene zin valt te prijzen dat de verdachte kennelijk afstand heeft genomen van criminele activiteiten, meent de rechtbank dat het bewezenverklaarde feit dusdanig ernstig is, dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is.

Oriëntatiepunten LOVS

Bij het bepalen van de aan de verdachte op te leggen straf heeft de rechtbank verder acht geslagen op straffen die in soortgelijke gevallen zijn opgelegd en aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).

Redelijke termijn

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van de verdachte moet als zo'n handeling worden aangemerkt.

Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Overschrijding van de redelijke termijn wordt in beginsel gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden – waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – kan in bepaalde gevallen worden volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de aanvang van de redelijke termijn en het procesverloop in deze zaak het volgende. De verdachte is op 14 februari 2024 voor deze zaak in verzekering gesteld. Vanaf dat moment heeft hij ruim veertien maanden in voorlopige hechtenis gezeten, tot 25 april 2025. Dit betekent dat het eindvonnis in de onderhavige zaak uiterlijk had moeten worden gewezen op 14 februari 2026, twee jaar na de inverzekeringstelling van de verdachte. De rechtbank wijst dit eindvonnis op 24 maart 2026. Daarmee is de redelijke termijn overschreden met ruim één maand.

De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben. De rechtbank acht in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen passend en geboden, maar zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn, matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 165 dagen.

Conclusie

De rechtbank komt, gelet op de vrijspraak voor feit 1 primair en subsidiair, tot een lagere straf dan de door de officier van justitie gevorderde straf. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 165 dagen moet worden opgelegd, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

8. Beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven GPS-tracker dient te worden teruggegeven aan de verdachte.

Ten aanzien van het op de beslaglijst vermelde horloge ligt aan de rechtbank geen beslissing meer voor. Ter terechtzitting is namelijk gebleken dat dit horloge al is teruggegeven aan de verdachte.

9. Vorderingen benadeelde partijen

Namens de nabestaanden van [slachtoffer] zijn vorderingen tot schadevergoeding ingediend die zien op affectieschade en de kosten van lijkbezorging.

Omdat de verdachte wordt vrijgesproken van het medeplegen van en de medeplichtigheid aan het medeplegen van de doodslag van [slachtoffer] , is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partijen niet in hun vorderingen kunnen worden ontvangen.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partijen niet ontvankelijk zijn in de vorderingen. Hierbij zal de rechtbank bepalen dat de verdachte en de benadeelde partijen allen de eigen proceskosten dragen.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht,

artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 primair en subsidiair ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte voor het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde feit niet strafbaar en ontslaat hem daarvoor van alle rechtsvervolging.

Verklaart de verdachte voor het onder 2 bewezen verklaarde feit strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 165 (honderdvijfenzestig) dagen.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart de benadeelde partij [partner slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart de benadeelde partij ‘minderjarig kind 1’ (geboren in 2019) niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart de benadeelde partij ‘minderjarig kind 2’ (geboren in 2024) niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart de benadeelde partij [vader slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart de benadeelde partij [moeder slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart de benadeelde partij [zus slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering.

Bepaalt dat de verdachte en de benadeelde partijen allen hun eigen proceskosten dragen.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de op de beslaglijst onder 3 vermelde GPS-tracker (goednummer 805313).

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.M.G. Hink, voorzitter,

mr. M. Hoendervoogt en mr. S.H. Bouwers, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.T. Sluis,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 maart 2026.

Bijlage I

De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 13 februari 2024 te IJmuiden, gemeente Velsen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen in de rug en/of de linkerzij, althans het lichaam, van die [slachtoffer] te schieten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 2] en/of één of meer anderen op of omstreeks 13 februari 2024 te IJmuiden, gemeente Velsen, tezamen en in vereniging met elkaar en/of een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] , opzettelijk van het leven heeft/hebben beroofd, door met een vuurwapen in de rug en/of de linkerzij, althans het lichaam, van die [slachtoffer] te schieten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 7 februari 2024 tot en met 14 februari 2024 te IJmuiden en/of Alkmaar en/of Driehuis en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in verenging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk behulpzaam is/zijn geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft/hebben verschaft, door:

- samen met die [medeverdachte 2] en/of anderen (op 7 februari 2024) een vuurwapen (met bijhorende munitie) aan te schaffen en/of (vervolgens)

- die [medeverdachte 2] en/of een ander met een voertuig naar de plaats delict te vervoeren/brengen en/of (vervolgens)

- met die [medeverdachte 2] en/of een ander, althans alleen, achter voornoemde (vluchtende en/of wegrennende) [slachtoffer] aan te lopen en/of rennen en/of (vervolgens)

- nadat voornoemde [slachtoffer] was beschoten de vluchtauto te besturen en/of die [medeverdachte 2] en/of een ander in (de kofferbak van) zijn auto van de plaats delict weg te voeren, althans te helpen (ont)vluchten;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 13 februari 2024 te IJmuiden en/of Driehuis en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland opzettelijk [medeverdachte 2] en/of een ander, die schuldig was aan of verdachte was van enig misdrijf, te weten het opzettelijk van het leven beroven van [slachtoffer] , heeft verborgen en/of behulpzaam is geweest in het ontkomen aan de nasporing van en/of aanhouding door een of meer ambtenaren van de justitie of politie, hebben hij, verdachte,

- die [medeverdachte 2] en/of een ander helpen ontkomen/(ont)vluchten door deze weg te voeren in (de kofferbak van) zijn auto, en/of (vervolgens)

- door zijn auto (met daarin mogelijke sporen) in Driehuis achter te laten, en/of (vervolgens)

- door zijn jas en kogelvrije vest (met daarop mogelijke sporen) aan een ander (genaamd [betrokkene 1] ) mee te geven, en/of (vervolgens)

- door zich te ontdoen van zijn telefoon (met daarop mogelijk voor het onderzoek relevante informatie);

2.

hij in of omstreeks de periode van 7 februari 2024 tot en met 13 februari 2024 te Alkmaar en/of IJmuiden en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (semi-) automatisch pistool dat geschikt is gemaakt voor het kaliber 7,65mm Browning (omgebouwd gas/alarmpistool), zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool, voorhanden heeft gehad.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?