RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummers: 15/222949-24 en 13/325632-21 (tul) (P)
Uitspraakdatum: 24 maart 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 februari 2026 (inhoudelijke behandeling) en 10 maart 2026 (sluiting) in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2003 te [geboortedag] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres]
,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in Justitieel Complex Schiphol.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. J.J. van Bree en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. M.J. Bouwman, advocaat te Zaandam, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, samengevat ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:
feit 1
medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen op 7 februari 2024 in Alkmaar;
feit 2
medeplegen van handel in cocaïne en heroïne, in de periode van 28 juli 2023 tot en met 10 juli 2024 in IJmuiden en/of elders in Nederland;
feit 3
medeplegen van het witwassen van een aantal voorwerpen (horloge, auto, contant geld, smartwatch en telefoons), gepleegd op 30 juli 2024 in IJmuiden.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Inleiding
Op 13 februari 2024 heeft een schietpartij plaatsgevonden op de Kromme Mijdrechtstraat in IJmuiden, waarbij [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) ter plaatse is overleden. Naar aanleiding hiervan is door de politie onder de naam ‘Petteri’ een grootschalig onderzoek gestart. Tijdens het onderzoek is het vermoeden ontstaan dat de schietpartij heeft plaatsgevonden tussen rivaliserende groepen in het drugscircuit van IJmuiden. In onderzoek Petteri zijn, naast de doodslag op [slachtoffer] , ten aanzien van verschillende personen verdenkingen van andere strafbare feiten ontstaan, waaronder de aanschaf van een vuurwapen in Alkmaar en de handel in verdovende middelen. Daarbij zijn naast de verdachte ook [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in beeld gekomen. Deze verdachten worden hierna met hun achternaam aangeduid.
Het onderzoek heeft ten aanzien van de verdachte geresulteerd in de verdenking dat hij zich samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen. Daarnaast zijn de verdenkingen tegen de verdachte dat hij zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de handel in harddrugs en aan witwassen.
4. Beoordeling van het bewijs
Feit 1 – medeplegen voorhanden hebben vuurwapen
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1. Op het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, hierna worden ingegaan.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1.
De raadsman heeft aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat daadwerkelijk een wapen is overgedragen, laat staan aan de verdachte. Evenmin kan worden vastgesteld dat de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met een of meer anderen het vuurwapen voorhanden heeft gehad; wetenschap en beschikkingsmacht kunnen niet worden aangenomen. Verder heeft de raadsman aangevoerd dat de uitwerking van de opgenomen vertrouwelijke communicatie (hierna: OVC-gesprekken) waaraan [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) deelneemt, moet worden uitgesloten van het bewijs. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman erop gewezen dat [betrokkene 1] , na een toegewezen verzoek van de verdediging om hem als getuige te doen horen, zich beriep op zijn verschoningsrecht. Hierdoor is voor de verdediging geen sprake geweest van een effectief ondervragingsrecht. Zonder context en duiding zijn de OVC-gesprekken niet bruikbaar voor het bewijs.
Op het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, hierna worden ingegaan.
Oordeel van de rechtbank
Gebruik voor het bewijs van OVC-gesprekken [betrokkene 1]
De rechtbank begrijpt het verweer van de raadsman ten aanzien van de OVC-gesprekken zo dat het gebruik van deze gesprekken als bewijsmiddel in strijd is met het door artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces.
De rechtbank overweegt hierover het volgende.
Bij uitlatingen in OVC-gesprekken gaat het niet om een door een getuige afgelegde verklaring met belastende strekking. Maar ook ten aanzien van bewijsmateriaal waarin uitlatingen zijn opgenomen die niet als een getuigenverklaring met een belastende strekking kunnen worden aangemerkt, zoals in het onderhavige geval: door een andere verdachte gedane uitlatingen tijdens OVC-gesprekken met derden, geldt dat op grond van artikel 6 EVRM aan de verdachte het recht toekomt om de authenticiteit en de betrouwbaarheid van dat bewijs te betwisten en zich tegen het gebruik ervan te verzetten. Als de verdediging, ondanks het nodige initiatief tot het (doen) verrichten van (nader) onderzoek naar de authenticiteit en betrouwbaarheid van het bewijs, beperkingen heeft ondervonden in de mogelijkheid om die authenticiteit en de betrouwbaarheid van het bewijs te betwisten, moet worden beoordeeld of het gebruik van dergelijke uitlatingen voor het bewijs in overeenstemming is met het in artikel 6 EVRM gegarandeerde recht op een eerlijk proces en de daaraan verbonden notie van de ‘overall fairness of the trial’. Bij deze beoordeling komt betekenis toe aan onder meer de aard van de uitlatingen, de door de verdediging verstrekte toelichting op haar betwisting van de uitlatingen en haar belang bij het verzochte onderzoek, de reden waarom het door de verdediging verzochte onderzoek niet kan worden uitgevoerd, het gewicht van de uitlatingen – binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek – voor de bewezenverklaring van het feit en het bestaan van compenserende factoren voor het ontbreken van een mogelijkheid om het betreffende bewijs te kunnen betwisten.
[betrokkene 1] is op 25 maart 2024 als verdachte in onderzoek Petteri buiten heterdaad aangehouden. Tijdens zijn detentie zijn op 9 april 2024, 17 april 2024 en 23 april 2024 gesprekken die [betrokkene 1] met zijn bezoekers heeft gevoerd, afgeluisterd en opgenomen. In deze gesprekken heeft [betrokkene 1] uitlatingen gedaan die als belastend voor de verdachte kunnen worden uitgelegd. Op verzoek van de verdediging heeft de rechter-commissaris geprobeerd [betrokkene 1] als getuige te ondervragen. Toen duidelijk werd dat [betrokkene 1] zich op zijn verschoningsrecht zou beroepen bij een getuigenverhoor, heeft de rechter-commissaris met instemming van de verdediging en de officier van justitie afgezien van een getuigenverhoor. Tot op heden komt aan [betrokkene 1] in zijn hoedanigheid van verdachte in een strafzaak het verschoningsrecht toe.
Bij de betwisting van de bruikbaarheid van de OVC-gesprekken voor het bewijs heeft de raadsman ter terechtzitting aangevoerd dat deze gesprekken zonder context en duiding, die wat hem betreft ontbreekt, niet bruikbaar zijn voor het bewijs en daarvan moeten worden uitgesloten. Een nadere toelichting op of onderbouwing van dit standpunt, anders dan dat er zaken onduidelijk blijven, is achterwege gebleven. De verdachte zelf heeft de gelegenheid gehad zich uit te laten over de uitlatingen van [betrokkene 1] in de OVC-gesprekken. De verdachte heeft zich echter vanaf het moment van zijn aanhouding tot aan de zitting beroepen op zijn zwijgrecht. Op de zitting heeft de verdachte enkel aangegeven dat hij de bewuste avond met drie vrienden in een auto naar Alkmaar is gegaan, dat hij [betrokkene 1] wel heeft gezien, maar hij heeft ontkend dat hij betrokken is geweest bij de verdenking en aangegeven zich veel niet meer te kunnen herinneren.
Over de authenticiteit en betrouwbaarheid van de uitlatingen van [betrokkene 1] overweegt de rechtbank het volgende. Zijn uitlatingen heeft [betrokkene 1] gedaan in gesprekken met derden. Uit het proces-verbaal van bevindingen waarin de gang van zaken wordt omschreven nadat [betrokkene 1] op 3 juli 2024 is geconfronteerd met een opname van één van deze gesprekken, leidt de rechtbank af dat [betrokkene 1] er tijdens het voeren van de gesprekken geen rekening mee hield dat deze werden opgenomen. Van belang is verder dat [betrokkene 1] eind maart 2024 – en dus op het moment dat hij de uitlatingen deed – niet langer verdachte was van de doodslag op [slachtoffer], dat hij dat ook wist en in die zin geen belang had bij het belasten van anderen in relatie tot de dood van [slachtoffer] . Bovendien belast [betrokkene 1] zichzelf in de gesprekken door onder meer te verklaren over testschieten en het leveren van een wapen en munitie. In dit licht bezien is de rechtbank van oordeel dat de uitlatingen van [betrokkene 1] , zoals deze te horen zijn op de OVC-gesprekken, spontaan door hem zijn gedaan.
Verder vinden de uitlatingen van [betrokkene 1] op diverse punten steun in andere onderzoeksbevindingen. Zoals onder 4.1.4 nader zal worden besproken, komen de uitlatingen van [betrokkene 1] overeen met onder meer camerabeelden, GPS-data van de taxi van medeverdachte [medeverdachte 3] en de bevindingen van forensisch onderzoek.
De rechtbank stelt op grond van het bovenstaande vast dat de door de verdediging gegeven toelichting op haar betwisting van de betekenis van de uitlatingen van [betrokkene 1] minimaal is, dat de uitlatingen door [betrokkene 1] spontaan zijn gedaan en deze uitlatingen steun vinden in andere, deels objectieve onderzoeksbevindingen.
Onder deze omstandigheden vindt de rechtbank dat het feit dat de verdediging [betrokkene 1] niet als getuige heeft kunnen ondervragen, onverlet laat dat de procedure als geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en dat dit dus niet in de weg staat aan het gebruik voor het bewijs van de uitlatingen van [betrokkene 1] . Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
Bewijsmotivering feit 1 – medeplegen voorhanden hebben vuurwapen
De rechtbank komt tot bewezenverklaring het onder 1 ten laste gelegde feite op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II bij dit vonnis zijn vervat.
Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde op zitting neemt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan.
Ten tijde van de schietpartij op 13 februari 2024 is [medeverdachte 3] met zijn taxi (een zwarte Volkswagen Passat voorzien van het kenteken [kenteken taxi] , hierna: de taxi) weggereden van de kruising Rijnstraat met de Kromme Mijdrechtstraat te IJmuiden. [medeverdachte 3] heeft zich die avond omstreeks 23:30 uur gemeld bij de politie.
Op de plaats delict van de schietpartij zijn hulzen aangetroffen. Op één van de hulzen is een onvolledig DNA-profiel aangetroffen, dat overeenkomt met het DNA-profiel van [betrokkene 1] . Het DNA-profiel is meer dan 10 miljard keer waarschijnlijker wanneer, kort gezegd, het celmateriaal van [betrokkene 1] is dan wanneer dit niet zo is. De rechtbank concludeert hieruit, met in achtneming van de rest van het dossier, dat [betrokkene 1] donor is van het celmateriaal.
Rit van de taxi naar Alkmaar
De taxi is op 7 februari 2024 tussen 20:00 uur en 22:30 uur vanuit IJmuiden naar Alkmaar en weer terug gereden. De verdachte heeft verklaard dat hij op 7 februari 2024 samen met vrienden met de taxi de rit naar Alkmaar heeft gemaakt. Op camerabeelden van de binnenstad van Alkmaar en van de snackbar HapWat (hierna: de HapWat) is te zien dat [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en de verdachte (hierna gezamenlijk ook aangeduid als: de verdachten) in de taxi zaten.
Ontmoeting [betrokkene 1] in Alkmaar
In Alkmaar hebben de verdachten [betrokkene 1] ontmoet. Omstreeks 20:37 uur is [betrokkene 1] in de taxi gestapt en meegereden. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat [betrokkene 1] instapte en iedereen in de taxi een boks gaf. [betrokkene 1] had op dat moment een gele plastic tas met inhoud van enig gewicht bij zich. Op de Gravin Jacobastraat maakte de taxi een langere stop van ongeveer een half uur. Rond 21:14 uur stapte [betrokkene 1] uit de taxi op het Hofplein. Hij had de gele plastic tas toen niet meer bij zich.
De verdachten parkeerden de taxi vervolgens op het Hofplein en gingen rond 21:15 uur de HapWat binnen. Om 21:44 uur kwam [betrokkene 1] de HapWat binnen lopen en maakte contact met de verdachten. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat [betrokkene 1] in de snackbar iets heeft gegeven. Op de camerabeelden van de HapWat is te zien dat de verdachte een klein voorwerp overhandigde aan [betrokkene 1] . [betrokkene 1] wisselde een bankbiljet aan de balie en overhandigde bankbiljetten aan de verdachte. [betrokkene 1] verliet rond 21:52 uur de HapWat. Enkele minuten later vertrokken ook de verdachten en reden met de taxi weer terug naar IJmuiden.
Doel ontmoeting [betrokkene 1] ; OVC-gesprekken
[betrokkene 1] vertelde tijdens de OVC-gesprekken dat hij een afspraak in Alkmaar had met ‘mocro’s’ en een persoon met een donkere huidskleur. [betrokkene 1] sprak tijdens de OVC-gesprekken over de mannen die naar Alkmaar kwamen in een taxi en zei hierover “Ik laat die mannen komen […]. Ze kwamen in een taxi” en “Kwamen natuurlijk voor die ding. In het dossier zie je mij met een jumbotas […] met een zwarte doos in die ding. En dan zie je mij, bap, in die taxi stappen, met die man, die zich heeft gemeld voor die moord” en “Deze goon, hij rijdt taxi broski. Gewoon wit. Dat is zijn werk”. De mannen wilden een “orgi P” hebben (de rechtbank begrijpt: origineel pistool). [betrokkene 1] heeft tegen de mannen gezegd dat het geen origineel vuurwapen is maar dat het wel werkt. [betrokkene 1] vertelde hierover tegen de mannen te hebben gezegd “18 barki origi, dat is sowieso al gekke prijs. Moet je weten dat het bouw was toch.” waarop door de mannen is gezegd “Ja, we dachten al zo goedkoop…Als het werkt gewoon, blaast gewoon goed, geen jam, dan kopen we het gewoon voor 18 barkie”. Verder vertelde [betrokkene 1] dat hij “die P heeft geseerd (de rechtbank begrijpt: verkocht). Die 18 barkies is daar”. [betrokkene 1] vertelde ook dat zij naar een plek zijn gereden om te testschieten. Over het testschieten vertelde [betrokkene 1] dat één van de mannen, de donkere man, het wapen moest testen. Die donkere man heeft [betrokkene 1] op een later moment op het politiebureau gezien. De mannen wilden nog “ballas” (de rechtbank begrijpt: patronen) hebben, die hij nog moest slijpen. Dit slijpen heeft hij in zijn “osso” (de rechtbank begrijpt: huis) gedaan en hij was in een kwartier klaar. Hij denkt dat zijn DNA daarom op één van de gevonden hulzen is aangetroffen. Ook zegt [betrokkene 1] dat het pistool nooit gevonden is.
De rechtbank stelt vast dat de uitlatingen van [betrokkene 1] tijdens de OVC-gesprekken overeenkomen met de camerabeelden in het centrum van Alkmaar en de GPS-data van de taxi. Zoals hiervoor is overwogen zijn op deze beelden [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en de verdachte te zien. De rechtbank stelt daarom vast dat [betrokkene 1] met ‘de mannen’ de verdachten bedoelt. Daarbij komt dat [medeverdachte 3] taxi rijdt en zich na de schietpartij op 13 februari 2024 heeft gemeld bij de politie, zoals [betrokkene 1] vertelt. De verklaring van [medeverdachte 2] dat [betrokkene 1] in de taxi is gestapt, is meegereden en dat [betrokkene 1] later in de HapWat iets heeft gegeven, komt ook overeen met de camerabeelden. De rechtbank gaat ervan uit dat [betrokkene 1] op het moment dat hij de taxi instapte het wapen in de gele plastic Jumbotas bij zich had en dat dit wapen in Alkmaar is getest. Uit de camerabeelden blijkt dat [medeverdachte 1] de enige man van de groep is met een donkere huidskleur. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat [medeverdachte 1] het wapen heeft getest. Steun hiervoor vindt de rechtbank in de verklaring van [betrokkene 1] dat hij de man, die het vuurwapen heeft getest, in het politiebureau is tegengekomen in combinatie met camerabeelden van het cellencomplex van het politiebureau in Haarlem van 28 maart 2024. Daarop is namelijk te zien dat [betrokkene 1] en [medeverdachte 1] elkaar tegenkwamen en oogcontact hadden. De rechtbank gaat ervan uit dat het wapen is getest op het moment van de langere stop ter hoogte van de Gravin Jacobastraat. Verder zijn in de woning van [betrokkene 1] tijdens een doorzoeking ter inbeslagneming attributen aangetroffen die geschikt zijn voor het ombouwen van wapens en het slijpen van patronen en zijn daarnaast ook kogelpatronen aangetroffen. Deze bevindingen en ook het hiervoor genoemde celmateriaal van [betrokkene 1] op een huls in de Kromme Mijdrechtstraat ondersteunen de uitlatingen van [betrokkene 1] . Verder blijkt uit de onder [betrokkene 1] in beslag genomen telefoon dat hij handelde in wapens. Hij droeg een enkelband, waaruit blijkt dat hij ten tijde van de schietpartij in Alkmaar was.
Tussenconclusie
De rechtbank komt gelet op voornoemde bevindingen tot de volgende tussenconclusie over de avond van 7 februari 2024. De verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn samen in de taxi naar het centrum van Alkmaar gereden, waar van [betrokkene 1] een vuurwapen is gekocht. Dit vuurwapen is op een andere plek in Alkmaar getest door [medeverdachte 1] . [betrokkene 1] heeft daarna op verzoek patronen geslepen en vervolgens in de HapWat geleverd aan de verdachten.
Beoordelingskader
Voor een veroordeling voor het als medepleger voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van artikel 26 van de Wet wapens en munitie (WWM) is vereist dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een of meer anderen die was gericht op het voorhanden hebben van een wapen of munitie. Vereist is dat de verdachte zich in meer of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van dat vuurwapen en/of die munitie. De in de rechtspraak van de Hoge Raad gebruikte aanduiding van “een meerdere of mindere mate” van bewustheid geeft aan dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de exacte locatie van dat wapen. Van een dergelijke bewustheid kan ook sprake zijn in het geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. Daarnaast is voor een bewezenverklaring vereist dat de verdachte tezamen met de mededader(s) feitelijke macht over het vuurwapen heeft kunnen uitoefenen in die zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken. Daarvoor hoeft het wapen zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden het niet anders kan dan dat de verdachte, [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] zich bewust zijn geweest van de aankoop en daarmee de aanwezigheid van het vuurwapen in de taxi en dat zij daarover hebben kunnen beschikken. De rechtbank kent hierbij gewicht toe aan de gezamenlijkheid van het optreden van de verdachten. Zo zijn de verdachten samen in de taxi naar Alkmaar afgereisd, hebben zij daar samen wapenhandelaar [betrokkene 1] ontmoet, die in de taxi is gestapt en meegereden, waarna het vuurwapen is getest en gekocht. Daarna volgde nog een tweede ontmoeting met [betrokkene 1] later op de avond in de HapWat in Alkmaar waarbij alle vier de verdachten aanwezig waren. Deze ontmoeting in de HapWat was nadat [betrokkene 1] op verzoek nog patronen had geslepen en aan de verdachten kwam geven. De verdachten, die elkaar kennen, zijn vervolgens samen weer terug naar IJmuiden gereden.
Bij dit oordeel speelt tevens een rol dat de verdachte geen redelijke, de redengevendheid van het bewijs, ontzenuwende verklaring heeft afgelegd over de ontmoeting in Alkmaar met [betrokkene 1] . De verdachte heeft enkel verklaard dat hij die avond met vrienden in de taxi naar Alkmaar is gereden en daar in een snackbar is geweest, maar dat hij niets heeft gehoord of gezien van de aankoop en het testen van een vuurwapen. De rechtbank acht het ongeloofwaardig dat vanuit IJmuiden speciaal naar een snackbar in Alkmaar wordt gereden, terwijl eenmaal aangekomen in Alkmaar het nog geruime tijd duurt voordat de verdachten de snackbar binnen gaan. Ook acht de rechtbank het ongeloofwaardig dat de verdachte die avond langere tijd met de medeverdachten, zijn vrienden, onderweg is geweest in de taxi, een kleine ruimte, en niet zou zijn gesproken over de ontmoeting met [betrokkene 1] en de aankoop en het testen van een vuurwapen.
Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten dat sprake is van het medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben van een vuurwapen.
Onderzoeksresultaten ten aanzien van het tenlastegelegde vuurwapen
In dit onderzoek is geen vuurwapen gevonden. Wel zijn na de schietpartij op 13 februari 2024 hulzen gevonden. Uit het forensisch onderzoek blijkt dat nabij het voertuig van het slachtoffer vier hulzen op de grond en een vijfde huls op een rode auto (geparkeerd ter hoogte van de Kromme Mijdrechtstraat nummer 9) lagen.
De afvuursporen in de vijf aangetroffen hulzen worden volgens het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) verwacht wanneer deze zijn verschoten met een (semi-)automatisch pistool dat geschikt is gemaakt voor kaliber 7,65mm Browning (omgebouwd gas/alarmpistool). De rechtbank acht het op grond hiervan aannemelijk dat de aangetroffen hulzen zijn verschoten met een wapen van dit merk en type. Het NFI concludeert verder op grond van indicatief vergelijkend onderzoek naar de hulzen die zijn gevonden bij de schietpartij op 13 februari 2024 dat de resultaten van dit onderzoek worden verwacht wanneer de vijf hulzen zijn verschoten met één vuurwapen.
Op één van de hulzen met bodemstempel CBC 32 AUTO is celmateriaal van [betrokkene 1] aangetroffen. [betrokkene 1] handelde in (vuur-)wapens. Tijdens de hiervoor genoemde OVC-gesprekken sprak [betrokkene 1] meermalen over een “bouwtje” en “die P” en zei hij dat het aangekochte vuurwapen gelet op de genoemde prijs geen origineel wapen kon zijn. Ook heeft [betrokkene 1] het over “die pistool” die niet gevonden is. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat [betrokkene 1] een omgebouwd pistool heeft verkocht. De rechtbank vindt voor die conclusie ook steun in de in de woning van [betrokkene 1] aangetroffen attributen voor het ombouwen van wapens. Ook zijn in de woning kogelpatronen aangetroffen.
De rechtbank stelt ten slotte vast dat uit de overige bevindingen in het dossier niet volgt hoe het vuurwapen conform de Wet wapens en munitie gecategoriseerd dient te worden. Evenwel is de rechtbank van oordeel dat dit aan een bewezenverklaring van het feit niet in de weg staat. Het vuurwapen is niet gevonden, maar voor de rechtbank staat op grond van voornoemde bewijsmiddelen vast dat het door [betrokkene 1] geleverde wapen een vuurwapen is. Onder deze omstandigheden gaat de rechtbank ervan uit dat het wapen kan worden gecategoriseerd als een wapen van categorie III, onder 1, van de Wet wapens en munitie, in de vorm van een pistool.
De rechtbank concludeert op grond van voorgaande bevindingen van het NFI en de uitlatingen van [betrokkene 1] in samenhang bezien dat op 7 februari 2024 in Alkmaar een
(semi-)automatisch pistool dat geschikt is gemaakt voor het kaliber 7,65mm Browning (omgebouwd gas/alarmpistool) is gekocht, welk vuurwapen de verdachte samen met de medeverdachten voorhanden heeft gehad.
Feit 2 – medeplegen handel in verdovende middelen
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 2. Op het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, hierna worden ingegaan.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd het dealen in verdovende middelen weliswaar kan worden bewezen, maar slechts voor een periode van circa drie maanden. Daarnaast is er geen bewijs voor het medeplegen. Op het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, hierna worden ingegaan.
Bewijsmotivering feit 2 – medeplegen handel in verdovende middelen
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
De verdachte heeft op de zitting bekend enkele maanden te hebben gehandeld in verdovende middelen, in ieder geval cocaïne en dope (de rechtbank begrijpt: dopamine). Of hij ook in heroïne heeft gehandeld, kan de verdachte zich niet meer herinneren. De verdachte heeft geen duidelijkheid verschaft over de precieze periode waarin hij dit heeft gedaan. De bewijsoverweging spitst zich daarom toe op deze twee punten en daarnaast op het medeplegen wat de verdachte heeft ontkend aangezien hij stelt in zijn eentje te hebben gehandeld.
Periode
Op 23 april 2024 is bij een staandehouding onder de verdachte een Samsungtelefoon aangetroffen. Aan deze telefoon is onder meer (het Whatsappaccount van) het telefoonnummer eindigend op *1415 gekoppeld. In de Whatsappapplicatie worden verschillende namen van gebruikers van de telefoon aangetroffen, waaronder de naam Lange. De rechtbank gaat ervan uit dat Lange of Lengte(e) de bijnaam van de verdachte is. De verdachte heeft op de zitting aangegeven Lange te worden genoemd (vanwege zijn lengte). De namen Lange en Lengte(e) komen ook voor als gebruikersnamen van accounts, al dan niet in combinatie met een profielfoto van de verdachte, op een andere telefoon. Het betreft de op 30 juli 2024 door de verdachte tijdens zijn aanhouding over de schutting gegooide iPhone 12. Ook op deze telefoon, met het telefoonnummer eindigend op *5511, zijn berichten aangetroffen waarin de gebruiker zichzelf Lange noemt. De verdachte heeft op zitting verklaard dat de over de schutting gegooide iPhone 12 van hem was. De rechtbank stelt dan ook vast dat de verdachte de gebruiker is geweest van de Samsungtelefoon (met het telefoonnummer eindigend op *1415) en van de iPhone 12 (met het telefoonnummer eindigend op *5511).
De rechtbank stelt verder vast dat de hiervoor genoemde Samsungtelefoon een zogeheten dealertelefoon is geweest. Dat is een telefoon die veelal door meerdere personen wordt gebruikt voor de handel in verdovende middelen. Op deze telefoon zijn namelijk 1.645 chatgesprekken aangetroffen die allemaal betrekking hebben op het verkopen van verdovende middelen. De verdachte heeft op zitting ook verklaard dat hij deze Samsungtelefoon heeft gebruikt voor de handel in verdovende middelen. De telefoon is volgens het onderzoek van de politie vanaf januari 2024 het meest in gebruik is geweest. De rechtbank gaat gelet hierop ervan uit dat de verdachte in ieder geval vanaf 1 januari 2024 heeft gehandeld in verdovende middelen. Dat de verdachte mogelijk niet de enige gebruiker van deze telefoon is geweest doet hieraan niet af.
Op 27 maart 2024 is in een woning aan de [verblijfadres medeverdachte 1] , waar twee medeverdachten in het onderzoek Petteri verbleven, een (andere) Samsung telefoon in beslag genomen. Ook deze telefoon, met het telefoonnummer eindigend op *1498, betreft een dealertelefoon, gelet op de inhoud van de daarop aangetroffen berichten. Zo volgt uit het onderzoek van deze telefoon dat daarin ongeveer 80 contactpersonen staan met wie in de periode tussen 16 februari 2024 en 26 maart 2024 berichten worden gewisseld en waarvan de inhoud te relateren is aan de verkoop, betaling en afspraken voor de levering van verdovende middelen. De rechtbank stelt vast dat de verdachte ook één van de gebruikers van deze telefoon is geweest, aangezien de gebruiker van dit telefoonnummer zichzelf in chatberichten op 7 maart 2024 en in de periode van 16 maart 2024 tot en met 26 maart 2024 Lange noemt.
Dat de verdachte zich in de periode na 23 april 2024 (na de inbeslagname van de Samsungtelefoon met het nummer eindigend op *1415) nog steeds bezig heeft gehouden met de handel in de verdovende middelen, leidt de rechtbank af uit de inhoud van afgeluisterde gesprekken met het telefoonnummer eindigend op *5511. Daaruit volgt dat op 30 mei 2024 en verschillende data in juni 2024 door de verdachte gesprekken worden gevoerd die betrekking hebben op de handel in verdovende middelen. Zo gaan de gesprekken onder meer over: ‘clannies pakken’, ‘refillen’ (de rechtbank begrijpt: bijvullen van voorraad verdovende middelen voor de verkoop), ‘flippen’(de rechtbank begrijpt: straattaal voor het verpakken van verdovende middelen) en ‘twee koffie en een wit’(de rechtbank begrijpt: straattaal voor heroïne en cocaïne). De in de gesprekken gebruikte bewoordingen, de daarbij genoemde aantallen en prijzen passen bij de verkoop en het verstrekken/afleveren van drugs. Ook verschillende OVC-gesprekken in juni 2024 in de Volkswagen Up waarbij de verdachte als gespreksdeelnemer wordt herkend/geïdentificeerd, gaan over de handel in verdovende middelen. Verder gaan in de telefoon aangetroffen berichten op 9 en 10 juli 2024 met een persoon genaamd Marcel over het kopen/afnemen van verdovende middelen door laatstgenoemde in Noordwijk. Deze berichten passen naadloos in de observatie op 10 juli 2024 van de verdachte naar Noordwijk en in het OVC-gesprek van dezelfde datum waarin wordt gesproken over een ontmoeting in Noordwijk.
De rechtbank komt gelet op voornoemde bevindingen tot de conclusie dat de verdachte in de periode van 1 januari 2024 tot en met 10 juli 2024 heeft gehandeld in verdovende middelen. Voor een eerdere startdatum heeft de rechtbank te weinig aanknopingspunten in het dossier gevonden. De verdachte zal dan ook van de tenlastegelegde handel in verdovende middelen worden vrijgesproken voor zover die heeft plaatsgevonden in de periode gelegen vóór 1 januari 2024.
Handel in zowel cocaïne en heroïne en medeplegen
Uit de in de verschillende telefoons aangetroffen berichten én de afgeluisterde communicatie volgt dat afnemers/klanten zowel ‘bruin’, ‘brown’, ‘donker’ en ‘koffie’ (de rechtbank begrijpt: heroïne) als ‘wit’, ‘snuif’ en ‘bori’ (de rechtbank begrijpt: cocaïne of crack) bestellen en dat dit door de verdachte wordt geleverd. Anders dan de verdachte heeft verklaard, stelt de rechtbank daarom vast dat hij zowel in cocaïne als heroïne heeft gehandeld. Daarnaast hecht de rechtbank geen geloof aan het standpunt van de verdachte dat hij in zijn eentje heeft gehandeld. Zowel uit de afgeluisterde communicatie als het feit dat de dealertelefoons – gelet op de verschillende gebruikersnamen – meer dan vermoedelijk door meerdere personen worden gebruikt, volgt dat de verdachte in contact met anderen staat als het gaat om de verkoop en het afleveren/verstrekken van de verdovende middelen. Met name uit de manier van communiceren door de verdachte in afgeluisterde telefoongesprekken (van het telefoonnummer eindigend op *5511) en OVC-gesprekken in de auto van de verdachte in mei en juni 2024 leidt de rechtbank af hij andere personen aanstuurt, hen vragen stelt over of aanspreekt op de voorraad, het (tijdig) bedienen van afnemers en (het gewicht van) de afgeleverde verdovende middelen.
De conclusie is dat de rechtbank bewezen acht dat de verdachte in de periode van 1 januari 2024 tot en met 10 juli 2024 samen met anderen opzettelijk cocaïne en heroïne heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd.
Feit 3 – medeplegen witwassen
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot gedeeltelijke bewezenverklaring van feit 3.
Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende bewijs is voor het witwassen door de verdachte van de volgende inbeslaggenomen voorwerpen:
- Volkswagen Up;
- Rolex horloge;
- iPhone 12 ( [beslagcode] .01.01.001; item 10 van de beslaglijst);
- zwarte iPhone 11 ( [beslagcode] .04.01.002);
- smartwatch (Apple).
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het witwassen van de champagnekleurige iPhone 8 ( [beslagcode] .02.01.005) en de zwarte Samsungtelefoon ( [beslagcode] .11.01.001), omdat niet kan worden vastgesteld dat deze telefoons bij de verdachte in gebruik waren.
Daarnaast bestaat volgens de officier van justitie voldoende bewijs voor het witwassen van een geldbedrag van € 6.357,-. Dat is de optelsom van de bedragen: € 257,- + € 200,- + € 5.000,- + € 900,- en betreft het geld dat is aangetroffen in achtereenvolgens: de broekzak van de verdachte, slaapkamer 02 in de woning, een gat in het plafond op de eerste verdieping van de woning en op het nachtkastje in slaapkamer 04 in de woning. Voor wat betreft het verschil tussen het bedrag van € 6.357,- en het bedrag van € 7.407,-, zoals genoemd in de tenlastelegging en betrekking hebbend op geld dat op andere plekken in de woning van de verdachte is gevonden, heeft de officier van justitie eveneens vrijspraak gevraagd.
Tot slot kan volgens de officier van justitie niet worden vastgesteld dat de voorwerpen en geldbedragen uit eigen misdrijf afkomstig zijn.
Op het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, hierna worden ingegaan.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 3.
De raadsman heeft wat betreft het contante geld erop gewezen dat een deel van het geld (te weten: het geld dat is aangetroffen in de broekzak en de slaapkamer van de verdachte) toebehoort aan de verdachte, maar dat de rest van het geld toebehoort aan de verschillende gezinsleden van de verdachte die ook in het huis wonen. De aanschaf van de auto is bekostigd door de inruil van een andere auto. De verdachte heeft de smartwatch cadeau gekregen van zijn vriendin. Tot slot kan niet worden vastgesteld dat de zwarte iPhone 11, de champagnekleurige iPhone 8 en de zwarte Samsungtelefoon aan de verdachte toebehoorden.
Op het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, hierna worden ingegaan.
Bewijsmotivering feit 3 – witwassen
Op 30 juli 2024 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van de verdachte aan de [adres] . Tijdens deze doorzoeking is het volgende in beslag genomen: een Volkswagen Up, Rolex horloge, een smartwatch, verschillende telefoons en meerdere contante bedragen ter hoogte van in totaal € 7.150,-. Samen met het onder de verdachte (in diens broekzak) aangetroffen geldbedrag van € 257,- bedraagt dit het tenlastegelegde geldbedrag van € 7.407,-. Er is vervolgens onderzoek gedaan naar de herkomst van de aangetroffen gelden en goederen en naar de geldstromen op de bankrekeningen van de verdachte. Dit heeft geleid tot de beschuldiging dat de verdachte deze goederen en geldbedragen heeft witgewassen.
Juridisch kader witwassen
Voor een bewezenverklaring van witwassen is vereist dat komt vast te staan dat de in de tenlastelegging vermelde goederen en geldbedragen middellijk of onmiddellijk van enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte dat ook wist of redelijkerwijs kon vermoeden.
Het onderzoek in de onderhavige zaak heeft geen direct bewijs opgeleverd voor een criminele herkomst van de in de tenlastelegging opgenomen goederen en geldbedragen. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen het voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp ‘uit enig misdrijf’ afkomstig is, indien de vastgestelde feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat sprake is van een vermoeden van witwassen.
Als zo’n geval zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de gelden en voorwerpen die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte vanaf het begin een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.
Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld en de voorwerpen. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de gelden of voorwerpen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Toerekenen van de bedragen en voorwerpen aan de verdachte
Voordat de rechtbank toekomt aan de beoordeling van de vraag of een witwasvermoeden bestaat met betrekking tot de in beslaggenomen voorwerpen en geldbedragen, gaat de rechtbank eerst na of elk van deze voorwerpen en bedragen aan de verdachte kan worden toegeschreven, ook omdat de verdachte van een aantal voorwerpen heeft aangegeven dat deze niet van hem zijn. In de woning waar op 30 juli 2024 de doorzoeking heeft plaatsgevonden, woont namelijk niet alleen de verdachte maar wonen ook vijf andere familieleden van de verdachte, onder wie zijn ouders.
Volkswagen Up
Deze auto kan aan de verdachte worden toegeschreven. De auto stond op naam van de verdachte en de verdachte heeft ter zitting bekend dat de auto van hem was.
Rolex horloge Ook het Rolex horloge kan aan de verdachte worden toegeschreven gelet op de omstandigheden waaronder dit horloge is aangetroffen. Het horloge bevond zich in de directe nabijheid van de verdachte. Het horloge is namelijk op 30 juli 2024 in de tuin op een tuinstoel aangetroffen terwijl de verdachte kort daarvoor in de tuin is aangehouden. Het is onwaarschijnlijk dat een duur Rolex horloge, indien die niet aan de verdachte zou toebehoren, zomaar op een tuinstoel zou liggen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de verdachte tijdens zijn aanhouding zich wilde ontdoen van een telefoon door deze over de schutting te gooien. De rechtbank acht het daarom aannemelijk dat de verdachte heeft geprobeerd zich te ontdoen van een horloge dat van hem was.
Smartwatch
De verdachte heeft over de smartwatch verklaard dat hij deze van zijn vriendin heeft gekregen, zodat deze ook aan hem kan worden toegeschreven.
Telefoons
De verdachte wordt verweten drie iPhones (Apple) en een Samsungtelefoon te hebben witgewassen. In het uitgebreide dossier komen verschillende telefoons voor en er zijn ook diverse telefoons in beslag genomen. In de tenlastelegging is niet gespecificeerd welke specifieke telefoons de verdachte zou hebben witgewassen (anders dan de merkaanduiding).
Gelet op de ter zitting gegeven toelichting van de officier van justitie in combinatie met het dossier gaat de rechtbank ervan uit dat het de volgende telefoons betreft die de politie op de dag van de aanhouding van de verdachte (30 juli 2024) tijdens de doorzoeking van de woning van de verdachte en zijn familie, op de volgende plekken heeft aangetroffen:
een iPhone 12 (goednummer: NHRAB24002_824515 / [beslagcode] .01.01.001 en item 10 beslaglijst), aangetroffen in de steeg bij de poortdeur;
een witte/champagnekleurige iPhone 8 ( [beslagcode] .02.01.005), aangetroffen op de slaapkamer op de eerste verdieping, achter links (op de plattegrond aangeduid als slaapkamer 02);
een zwarte iPhone 11 ( [beslagcode] .04.01.002), aangetroffen op de slaapkamer op de eerste verdieping aan de voorzijde (op de plattegrond aangeduid als slaapkamer 04);
een zwarte Samsungtelefoon (goednummer: PL1100-NHRAB24002_824536/ [beslagcode] .11.01.001 en item 14 van de beslaglijst), aangetroffen in een keukenla.
De rechtbank oordeelt als volgt over de telefoons uit de tenlastelegging. De iPhone 12 (onder a) kan aan de verdachte worden toegeschreven. Deze telefoon is in de steeg naast het huis aangetroffen, terwijl de politie heeft gezien dat de verdachte een telefoon over de schutting heeft gegooid. Daarnaast heeft de verdachte ter zitting verklaard dat deze telefoon van hem was.
Ten aanzien van de andere telefoons kan niet worden vastgesteld dat deze toebehoorden aan de verdachte. Deze telefoons zijn immers op verschillende plekken in het huis aangetroffen en kunnen ook toebehoren aan de overige familieleden die daar wonen. Dat de moeder van de verdachte heeft verklaard dat de verdachte gebruik maakte van zowel slaapkamer 02 als slaapkamer 04 is, zonder nader onderzoek van de telefoons die op deze kamers zijn aangetroffen, onvoldoende om deze voorwerpen aan de verdachte toe te schrijven.
Contant geld
Tijdens de doorzoeking van de woning zijn de volgende contante bedragen aangetroffen en in beslag genomen:
IBN-code
Goednummer
Omschrijving en vindplaats
Totaal
[beslagcode] .01.001
NHRAB24002-824514
Broekzak van de verdachte
€ 257,-
[beslagcode] .02.01.007
NHRAB24002-824522
2 x € 50,-, 1 x € 100,
nachtkastje in de slaapkamer op de eerste verdieping achter links (kamer 02)
€ 200,-
[beslagcode] .03.01.001
NHRAB24002-824523
100 x € 50,-, overloop eerste verdieping in een gat in het plafond
€ 5.000,-
[beslagcode] .04.01 001
NHRAB24002-824524
18 x € 50,- in de slaapkamer voor (kamer 04) op het nachtkastje
€ 900,-
[beslagcode] .05.02.001
RAB24002-824527
3x € 50,-, 1 x € 20,- en 1 x € 10,-, in jurk op bed, in slaapkamer rechtsachter (kamer 05)
€ 180,-
[beslagcode] .06.01 001
NHRAB24002-824530
13 x € 50,-, in de schoenenkast in de gangkast beneden
€ 650,-
[beslagcode] .11.01.002
NHRAB24002-824537
11 x € 20,-, in een keukenla
€ 220,-
Totaal:
€ 7.407,-
Zoals blijkt uit bovengenoemde tabel is er op diverse plekken in de woning geld gevonden. Uit het dossier blijkt dat de moeder van de verdachte op verzoek van de politie op verschillende plekken in het huis stapeltjes geld heeft aangewezen. Zij verklaarde hierover dat zij dit geld had gespaard van de kinderbijslag met als doel er de vakantie naar Marokko van te betalen.
Gelet op de variëteit aan vindplaatsen van het geld, het aantal gezinsleden dat in het huis woonde (te weten: zes) en de verklaring van de moeder van de verdachte over de herkomst van het geld, kunnen de verschillende bedragen niet zomaar aan de verdachte worden toegeschreven, in die zin dat het geld was dat hem toebehoorde of dat hij anderszins – al dan niet samen met anderen – voorhanden had.
De verdachte heeft verklaard dat kamer 02 zijn slaapkamer was, zodat de rechtbank van oordeel is dat alleen het bedrag van € 200,-, en het bedrag dat is aangetroffen in de broekzak van de verdachte (€ 257,-), aan hem kunnen worden toegeschreven. Ten aanzien van de overige geldbedragen geldt dat daarvoor op grond van het dossier onvoldoende aanwijzingen of aanknopingspunten bestaan.
Het witwasvermoeden
Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde op de zitting stelt de rechtbank het volgende vast.
Bij de doorzoeking in de woning van de verdachte aan de [adres] zijn de hierboven genoemde voorwerpen aangetroffen. Uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt dat er geen inkomen, omzetgegevens, loongegevens en geen namen van mogelijke werkgevers van de verdachte bekend zijn. De verdachte beschikte in 2023 over drie bankrekeningen zonder saldo dan wel met een negatief saldo. In 2024 heeft de verdachte wel zorgtoeslag ontvangen, in 2024 werd een bedrag van € 1.483,00 aan zorgtoeslag toegekend.
Rolex horloge
Met betrekking tot het Rolex horloge neemt de rechtbank een witwasvermoeden aan, mede gelet op de aard van het goed (te weten: een luxeproduct) en de waarde ervan (te weten: een taxatiewaarde van € 8.000,-). Vaststaat dat de verdachte geen legaal inkomen uit arbeid of een uitkering genoot. Evenmin is gebleken dat hij anderszins over legale financiële middelen beschikte waarvan hij een dergelijk kostbaar horloge zou kunnen financieren. Daarbij komt dat ten aanzien van hem ook bewezen wordt verklaard dat hij gedurende een aantal maanden in verdovende middelen heeft gehandeld.
Volkswagen Up
Uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt dat de handelswaarde van deze auto op 26 juli 2024 € 3.888,- is. De verdachte heeft ter zitting bevestigd dat de auto, die ook op zijn naam staat, van hem is. Hij heeft verder verklaard dat hij het aankoopbedrag van deze auto (€ 4.750,-) heeft voldaan door een andere auto (een Kia Rio, die hij samen met zijn broer en vader had aangeschaft) hiervoor in te ruilen. Hij heeft daarbij geen bedrag hoeven bij te betalen. Uit het dossier blijkt dat er inderdaad op 29 april 2024 op deze wijze voor de Volkswagen Up is betaald.
Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat niet zonder meer een vermoeden van witwassen kan worden aangenomen. De Volkswagen Up is immers betaald door het inleveren van een Kia Rio, terwijl er in het dossier geen gegevens beschikbaar zijn over de aanschaf en wijze van betaling van de Kia Rio.
Telefoon (iPhone 12), smartwatch en contante geldbedragen (€ 257- en € 200,-)
Met betrekking tot deze voorwerpen neemt de rechtbank geen witwasvermoeden aan. Voor de telefoon en de smartwatch geldt dat het gaat om voorwerpen die naar hun aard en waarde, ook in het licht van de in het dossier aangedragen feiten en omstandigheden, geen vermoeden van witwassen rechtvaardigen. Het gaat immers om veel voorkomende gebruiksvoorwerpen die een relatief geringe waarde hebben (€ 250,- respectievelijk € 190,-). Voor de smartwatch geldt bovendien dat de verklaring van de verdachte dat hij deze als cadeau van zijn vriendin heeft gekregen, de rechtbank niet onaannemelijk voorkomt. Voor het aangetroffen geldbedrag dat aan de verdachte kan worden toegeschreven geldt dat de hoogte daarvan niet zodanig is dat deze een vermoeden van witwassen rechtvaardigt. Ook de plaatsen waar het geld is gevonden, dragen daaraan niet bij. Het moge zo zijn dat van de verdachte geen legaal inkomen uit arbeid of een uitkering bekend was en hij zich enige tijd met de handel in verdovende middelen heeft beziggehouden. Daarentegen stelt de rechtbank vast dat aan de verdachte in 2024 wel een bedrag aan zorgtoeslag is toegekend van meer dan € 1000,- en dat de verdachte nog bij zijn ouders woonde en, zoals hij zelf op de zitting heeft verklaard, geen duur leven had.
De verklaring van de verdachte en oordeel van de rechtbank
De conclusie is dat alleen ten aanzien van het Rolex horloge een vermoeden van witwassen bestaat. Gelet op dit vermoeden mag vervolgens van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van dit horloge die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk is aan te merken.
De verdachte heeft eerder, tijdens een raadkamerzitting van het hof Amsterdam op 26 maart 2025, verklaard dat het Rolex horloge van “iemand anders” was. De raadsman heeft toen in aanvulling hierop aangekondigd dat de verdediging voor de inhoudelijke behandeling een lijst zou presenteren waarop zou staan aan wie welk goed behoort. Deze lijst heeft de rechtbank niet ontvangen. Pas ter zitting heeft de verdachte verklaard dat het horloge van zijn oom zou zijn en dat hij niet zou weten hoe het horloge van zijn oom in de tuin terecht is gekomen. Deze verklaring is, tegen de hiervoor geschetste gang van zaken, niet onderbouwd en ook niet verifieerbaar voor de rechtbank. Dat betekent dat het witwasvermoeden in stand blijft. Bij gebreke aan een verifieerbare verklaring, komt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dat het Rolex horloge – direct of indirect – uit enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte dit wist. Verdachte heeft zich dus schuldig gemaakt aan witwassen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
feit 1
hij op 7 februari 2024 te Alkmaar, tezamen en in vereniging met anderen een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (semi-)automatisch pistool dat geschikt is gemaakt voor het kaliber 7,65mm Browning (omgebouwd gas/alarmpistool), zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, voorhanden heeft gehad;
feit 2
hij in de periode van 1 januari 2024 tot en met 10 juli 2024 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne;
feit 3
hij op 30 juli 2024 te IJmuiden, gemeente Velsen een voorwerp, te weten:
- een horloge (Rolex),
voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat voornoemd voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
5. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en
munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
feit 2
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 3
witwassen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
6. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
7. Motivering van de straf
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Standpunt van de verdediging
De raadsman erop gewezen dat de verdachte lange tijd (te weten: 269 dagen) in voorlopige hechtenis heeft gezeten en nadien lang in een schorsing heeft gelopen met een enkelband. Hij heeft bepleit dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet langer zou moeten duren dan de duur van de voorlopige hechtenis, eventueel aan te vullen met een taakstraf. Verder heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte met behulp van de reclassering een andere wending aan zijn leven heeft gegeven en de reclassering hierover positief heeft gerapporteerd.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie strafbare feiten.
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen, in de vorm van een omgebouwd gas-/alarmpistool. De verdachte is samen met drie anderen vanuit IJmuiden naar Alkmaar gereden, om daar een wapen te kopen van een wapenhandelaar. Het voorhanden hebben van een vuurwapen brengt onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van personen met zich mee. De praktijk wijst uit dat het bezit van vuurwapens vaak leidt tot het gebruik daarvan. Dit leidt niet zelden tot levensgevaarlijke situaties, ook voor omstanders. De rechtbank rekent de verdachte dit aan.
Ook heeft de verdachte gedurende zes maanden gehandeld in cocaïne en heroïne. Het is algemeen bekend dat cocaïne- en heroïnegebruik ernstige schade kan toebrengen aan de gebruikers ervan en dat verslavingen kunnen leiden tot overlast voor anderen en schade voor de maatschappij als geheel, vooral indien verslaafden overgaan tot het plegen van delicten om het gebruik te kunnen bekostigen. De verdachte dealde samen met anderen, waarbij de verdachte een aansturende rol had. De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat meegewogen dat de periode waarin de verdachte heeft gedeald korter is dan de periode die hem ten laste is gelegd.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen. De verdachte had een duur Rolex horloge voorhanden terwijl hij niet over een legaal inkomen of anderszins over financiële middelen beschikte om dit horloge te kunnen bekostigen. Witwassen vormt een ernstige bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan, omdat de inkomsten uit misdrijven op deze manier aan het zicht van justitie worden onttrokken.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (het Uittreksel Justitiële Documentatie van 10 februari 2026), waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. De rechtbank weegt het strafblad dan ook niet in het nadeel van de verdachte mee. Wel is de verdachte op 21 oktober 2025 veroordeeld voor, kort gezegd, mensenhandel, waardoor artikel 63 Wetboek van Strafrecht (Sr) van toepassing is.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de over de verdachte uitgebrachte Reclasseringsrapporten van 17 april 2025 en 1 oktober 2025 (opgesteld in de eerder genoemde mensenhandelzaak) en het verslag van de reclassering van 4 februari 2026 over het uitgevoerde toezicht. Samengevat blijkt uit deze rapportages dat de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden adviseert omdat zij toezicht of interventies niet nodig acht. Daarnaast zou een gevangenisstraf volgens de reclassering een negatieve invloed hebben op de positieve wending die de verdachte aan zijn leven lijkt te geven (waaronder het hebben van betaald werk).
Met betrekking tot de persoon van de verdachte zijn de rechtbank geen verdere bijzondere omstandigheden bekend, anders dan dat de verdachte relatief jong is (op dit moment 22 jaar) en in die zin zijn hele leven nog voor zich heeft. Hoewel in algemene zin valt te prijzen dat de verdachte kennelijk afstand heeft genomen van criminele activiteiten en in de maanden voordat hij kwam vast te zitten een positieve wending aan zijn leven heeft gegeven, meent de rechtbank dat de verschillende bewezenverklaarde feiten dusdanig ernstig zijn, dat een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is.
Conclusie
Bij het bepalen van de aan de verdachte op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke gevallen voor feiten als de onderhavige zijn opgelegd en aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarbij komt de rechtbank tot een iets lagere straf dan door de officier van justitie gevorderd, onder meer omdat het vuurwapen in een voertuig voorhanden is geweest en de rechtbank daarnaast tot een beperktere bewezenverklaring van feit 2 en feit 3 komt. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van vijftien maanden moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan, te weten vijf maanden, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.
8. Bijkomende straf en overige beslissingen over het beslag
Onder de verdachte zijn de volgende voorwerpen inbeslaggenomen en niet teruggegeven:
Daarnaast zijn de volgende geldbedragen inbeslaggenomen en niet teruggegeven:
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de geldbedragen en de verschillende witwasvoorwerpen verbeurd moeten worden verklaard, met uitzondering van de zwarte Samsungtelefoon (goednummer: PL1100-NHRAB24002_824536 en item 14 van de beslaglijst). Daarentegen kan een andere Samsung telefoon (beslagitem 12, in beslag genomen op 23 april 2024 te Velserbroek) wel verbeurd worden verklaard omdat dit een dealertelefoon betreft. Ten aanzien van de iPhone 13 (item 13 van de beslaglijst) heeft de officier van justitie het standpunt ingenomen dat deze telefoon ter waarheidsvinding in beslag dient te blijven, in de zaak van de medeverdachte.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft verzocht om de teruggave van alle in beslag genomen voorwerpen en geldbedragen. Daarnaast kan volgens het standpunt van de raadsman de rechtbank geen beslissing nemen over voorwerpen waarop alleen conservatoir beslag (ex artikel 94a Wetboek van Strafvordering) rust, te weten: de Volkswagen Up, de geldbedragen en het Rolex horloge.
Oordeel van de rechtbank
Geen beslagbeslissing over de iPhone 13
De rechtbank zal in deze zaak geen beslagbeslissing nemen over de iPhone 13 (item 13 van de beslaglijst) omdat niet de verdachte maar een medeverdachte volgens de beslagstukken als beslagene is aangemerkt.
Bijkomende straf: verbeurdverklaring
De rechtbank is van oordeel dat van oordeel dat het onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten:
2. Rolex horloge (goednummer: NHRAB24002_824532);
verbeurd moeten worden verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het onder 3 bewezen verklaarde feit met betrekking tot dit voorwerp, dat aan de verdachte toebehoort, is begaan. Anders dan de raadsman heeft bepleit, staat een conservatoir beslag ex art. 94a Sv er niet aan in de weg dat een voorwerp wordt verbeurdverklaard.
Daarnaast zullen de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
1. Volkswagen Up met kenteken [kenteken] (goednummer: NHRAB24002_824570);
3. iPhone 12 (goednummer: NHRAB24002_824515 en item 10 beslaglijst);
5. Zwarte Samsungtelefoon (goednummer: PL1100-2024059406-G1598276 en item 12 op de beslaglijst);
verbeurd worden verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het onder 2 bewezen verklaarde feit met betrekking tot deze voorwerpen (telefoons), die aan de verdachte toebehoren, is begaan. Dit zijn namelijk dealertelefoons gebleken. Ten aanzien van de Volkswagen Up geldt dat uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het onder 2 bewezen verklaarde feit met behulp van dit voertuig is begaan, aangezien de verdachte de auto heeft gebruikt bij het verkopen en of afleveren van verdovende middelen.
Bij het bepalen van deze bijkomende straf, heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.
Teruggave aan de verdachte
De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
4. smartwatch (goednummer: NHRAB24002_824535 en item 11 beslaglijst);
8. een bedrag van € 257,- (goednummer: NHRAB24002-824514);
9. een bedrag van € 200,- (goednummer: NHRAB24002-824522);
dienen te worden teruggegeven aan de verdachte. Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat er een verband bestaat tussen deze voorwerpen en de bewezenverklaarde feiten.
Bewaren ten behoeve van de rechthebbende(n)
Ten aanzien van de voorwerpen die hierna zijn opgenomen (onder meer in de tabel) stelt de rechtbank vast dat het gaat om voorwerpen die niet aan de verdachte toebehoren en die evenmin voldoen aan het bepaalde in artikel 33a lid 2 Sr. Er is daarom niet voldaan aan de voorwaarden voor verbeurdverklaring in artikel 33a Sr en er zal daarom worden bepaald dat deze voorwerpen moeten worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende(n).
7. zwarte Samsungtelefoon (goednummer: PL1100-NHRAB24002_824536 en item 14 van de beslaglijst);
IBN-code
Goednummer
Bedrag
10.
[beslagcode] .03.01.001
NHRAB24002-824523
€ 5.000,-
11.
[beslagcode] .04.01 001
NHRAB24002-824524
€ 900,-
12.
[beslagcode] .05.02.001
RAB24002-824527
€ 180,-
13.
[beslagcode] .06.01 001
NHRAB24002-824530
€ 650,-
14.
[beslagcode] .11.01.002
NHRAB24002-824537
€ 220,-
9. Vordering tot tenuitvoerlegging
Bij vonnis van 31 mei 2022 in de zaak met parketnummer 13/325632-21 heeft de rechtbank Amsterdam de verdachte ter zake van openlijke geweldpleging veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 250,-. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Het openbaar ministerie heeft aanvankelijk de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf gevorderd. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie echter verzocht om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk in de vordering omdat de voorwaardelijke opgelegde straf al ten uitvoer is gelegd in een andere strafzaak tegen de verdachte (met parketnummer 15/276660-22). Die beslissing is onherroepelijk.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47, 57, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht,
artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie,
artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
11. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de onder 1 tot en met 3 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op 2 jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd:
- Rolex horloge (KVI-nummers: 19770372 en 20000432, IBN-code: [beslagcode] .08.01.001, UVN-/voorwerpnummer: NHRAB24002_824532)
- iPhone 12 (goednummer: NHRAB24002_824515 en item 10 beslaglijst);
- Zwarte Samsungtelefoon (goednummer: PL1100-2024059406-G1598276 en item 12 op de beslaglijst);
- Volkswagen Up met kenteken [kenteken] (goednummer: NHRAB24002_824570 en NHRAB24002_824470);
Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- Smartwatch (goednummer: NHRAB24002_824535 en item 11 beslaglijst);
- een bedrag van € 257,- (goednummer: NHRAB24002-824514);
- een bedrag van € 200,- (goednummer: NHRAB24002-824522).
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen en niet teruggeven voorwerpen, te weten:
- Zwarte Samsungtelefoon (goednummer: PL1100-NHRAB24002_824536 en item 14 van de beslaglijst);
- een bedrag van € 5.000,- (goednummer: NHRAB24002-824523);
- een bedrag van € 900,- (goednummer: NHRAB24002-824524);
- een bedrag van € 180,- (goednummer: NHRAB24002-824527);
- een bedrag van € 650,- (goednummer: NHRAB24002-824530);
- een bedrag van € 220,- (goednummer: NHRAB24002-824537).
Verklaart het openbaar ministerie niet ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/325632-21.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.M.G. Hink, voorzitter,
mr. M. Hoendervoogt en mr. S.H. Bouwers, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.T. Sluis,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 maart 2026.
Bijlage I
De tenlastelegging
Aan de verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 7 februari 2024 te Alkmaar, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (semi-)automatisch pistool dat geschikt is gemaakt voor het kaliber 7,65mm Browning (omgebouwd gas/alarmpistool), zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
2.
hij in of omstreeks de periode van 28 juli 2023 tot en met 10 juli 2024 te IJmuiden, gemeente Velsen en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.
hij op of omstreeks 30 juli 2024 te IJmuiden, gemeente Velsen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) een of meerdere voorwerpen, te weten:
- een horloge (Rolex), en/of
- een auto (Volkswagen Up, met kenteken [kenteken] ), en/of
- een hoeveelheid contant geld (te weten 7.407 euro), en/of
- een smart watch (Apple), en/of
- drie iPhones (Apple) en/of een Samsung telefoon
(telkens) heeft/hebben verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of (telkens) van voornoemd(e) voorwerp(en) gebruik heeft/hebben gemaakt en/of de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld en/of heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of wie voornoemd(e) voorwerp(en) voorhanden had, terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat voornoemd(e) voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf