RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/193618-24 (P)
Uitspraakdatum: 24 maart 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 februari 2026 (inhoudelijke behandeling) en 10 maart 2026 (sluiting) in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. J.J. van Bree en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. R.W. van Zanden, advocaat te Arnhem, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, samengevat ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:
feit 1
medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen op 7 februari 2024 in Alkmaar en/of elders in Nederland;
feit 2
het voorhanden hebben van een nabootsing van een pistool op 14 juni 2024 in IJmuiden.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.
Op het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, hierna worden ingegaan.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1. Hiertoe heeft zij, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat voor zover uit de bewijsmiddelen zou volgen dat in de taxi een vuurwapen aanwezig is geweest, de verdachte zich hier niet van bewust was en bovendien geen feitelijke macht over dat wapen heeft kunnen uitoefenen. Daarnaast heeft de raadsvrouw bepleit dat geen sprake is geweest van medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen, omdat uit het dossier niet blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten. De bijdrage van de verdachte is niet van voldoende gewicht geweest en bovendien had hij geen opzet op de samenwerking.
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Op het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, hierna worden ingegaan.
Oordeel van de rechtbank
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II bij dit vonnis zijn vervat.
Inleiding
Op 13 februari 2024 heeft een schietpartij plaatsgevonden op de Kromme Mijdrechtstraat in IJmuiden, waarbij [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) ter plaatse is overleden. Naar aanleiding hiervan is door de politie onder de naam ‘Petteri’ een grootschalig onderzoek gestart. Tijdens het onderzoek is het vermoeden ontstaan dat de schietpartij heeft plaatsgevonden tussen rivaliserende groepen in het drugscircuit van IJmuiden. In onderzoek Petteri zijn, naast de doodslag op [slachtoffer] , ten aanzien van verschillende personen verdenkingen van andere strafbare feiten ontstaan, waaronder de aanschaf van een vuurwapen in Alkmaar en de handel in verdovende middelen. Daarbij zijn naast de verdachte ook [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in beeld gekomen. Deze personen worden hierna met hun achternaam aangeduid.
Het onderzoek heeft ten aanzien van de verdachte geresulteerd in de verdenking dat hij zich samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen. Daarnaast wordt de verdachte vervolgd voor het bezit van een imitatievuurwapen.
Bewijsmotivering feit 1 – medeplegen voorhanden hebben vuurwapen
Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde op zitting neemt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan.
Ten tijde van de schietpartij op 13 februari 2024 is [medeverdachte 3] met zijn taxi (een zwarte Volkswagen Passat voorzien van het kenteken [kenteken taxi] , hierna: de taxi) weggereden van de kruising Rijnstraat met de Kromme Mijdrechtstraat te IJmuiden. [medeverdachte 3] heeft zich die avond omstreeks 23:30 uur gemeld bij de politie.
Op de plaats delict van de schietpartij zijn hulzen aangetroffen. Op één van de hulzen is een onvolledig DNA-profiel aangetroffen, dat overeenkomt met het DNA-profiel van [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ). Het DNA-profiel is meer dan 10 miljard keer waarschijnlijker wanneer, kort gezegd, het celmateriaal van [betrokkene] is dan wanneer dit niet zo is. De rechtbank concludeert hieruit, met in achtneming van de rest van het dossier, dat [betrokkene] donor is van het celmateriaal.
Rit van de taxi naar Alkmaar
De taxi is op 7 februari 2024 tussen 20:00 uur en 22:30 uur vanuit IJmuiden naar Alkmaar en weer terug gereden. De verdachte heeft verklaard dat hij op 7 februari 2024 samen met anderen met de taxi de rit naar Alkmaar heeft gemaakt. Op camerabeelden van de binnenstad van Alkmaar en van de snackbar HapWat (hierna: de HapWat) is te zien dat [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en de verdachte (hierna gezamenlijk ook aangeduid als: de verdachten) in de taxi zaten.
Ontmoeting [betrokkene] in Alkmaar
In Alkmaar hebben de verdachten [betrokkene] ontmoet. Omstreeks 20:37 uur is [betrokkene] in de taxi gestapt en meegereden. De verdachte heeft verklaard dat [betrokkene] instapte en iedereen in de taxi een boks gaf. [betrokkene] had op dat moment een gele plastic tas met inhoud van enig gewicht bij zich. Op de Gravin Jacobastraat maakte de taxi een langere stop van ongeveer een half uur. Rond 21:14 uur stapte [betrokkene] uit de taxi op het Hofplein. Hij had de gele plastic tas toen niet meer bij zich.
De verdachten parkeerden de taxi vervolgens op het Hofplein en gingen rond 21:15 uur de HapWat binnen. Om 21:44 uur kwam [betrokkene] de HapWat binnen lopen en maakte contact met de verdachten. De verdachte heeft verklaard dat [betrokkene] in de snackbar iets heeft gegeven. Op camerabeelden van de HapWat is te zien dat [medeverdachte 1] een klein voorwerp overhandigde aan [betrokkene] . [betrokkene] wisselde een bankbiljet aan de balie en overhandigde bankbiljetten aan [medeverdachte 1] . [betrokkene] verliet rond 21:52 uur de HapWat. Enkele minuten later vertrokken ook de verdachten en reden met de taxi weer terug naar IJmuiden.
Doel ontmoeting [betrokkene] ; opname vertrouwelijke communicatie (OVC-gesprekken)
[betrokkene] is op 25 maart 2024 buiten heterdaad aangehouden. Tijdens zijn detentie zijn op 9 april 2024, 17 april 2024 en 23 april 2024 gesprekken die [betrokkene] met zijn bezoekers heeft gevoerd, afgeluisterd en opgenomen.
[betrokkene] vertelde tijdens die gesprekken dat hij een afspraak in Alkmaar had met ‘mocro’s’ en een persoon met een donkere huidskleur. [betrokkene] sprak tijdens de OVC-gesprekken over de mannen die naar Alkmaar kwamen in een taxi en zei hierover “Ik laat die mannen komen […]. Ze kwamen in een taxi” en “Kwamen natuurlijk voor die ding. In het dossier zie je mij met een jumbotas […] met een zwarte doos in die ding. En dan zie je mij, bap, in die taxi stappen, met die man, die zich heeft gemeld voor die moord” en “Deze goon, hij rijdt taxi broski. Gewoon wit. Dat is zijn werk”. De mannen wilden een “orgi P” hebben (de rechtbank begrijpt: origineel pistool). [betrokkene] heeft tegen de mannen gezegd dat het geen origineel vuurwapen is maar dat het wel werkt. [betrokkene] vertelde hierover tegen de mannen te hebben gezegd “18 barki origi, dat is sowieso al gekke prijs. Moet je weten dat het bouw was toch” waarop door de mannen is gezegd “Ja, we dachten al zo goedkoop…Als het werkt gewoon, blaast gewoon goed, geen jam, dan kopen we het gewoon voor 18 barkie”. Verder vertelde [betrokkene] dat hij “die P heeft geseerd (de rechtbank begrijpt: verkocht). Die 18 barkies is daar”. [betrokkene] vertelde ook dat zij naar een plek zijn gereden om te testschieten. Over het testschieten vertelde [betrokkene] dat één van de mannen, de donkere man, het wapen moest testen. Die donkere man heeft [betrokkene] op een later moment op het politiebureau gezien. De mannen wilden nog “ballas” (de rechtbank begrijpt: patronen) hebben, die hij nog moest slijpen. Dit slijpen heeft hij in zijn “osso” (de rechtbank begrijpt: huis) gedaan en hij was in een kwartier klaar. Hij denkt dat zijn DNA daarom op één van de gevonden hulzen is aangetroffen. Ook zegt [betrokkene] dat het pistool nooit gevonden is.
De rechtbank stelt vast dat de uitlatingen van [betrokkene] tijdens de OVC-gesprekken overeenkomen met de camerabeelden in het centrum van Alkmaar en de GPS-data van de taxi. Zoals hiervoor is overwogen, zijn op deze beelden [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en de verdachte te zien. De rechtbank stelt daarom vast dat [betrokkene] met ‘de mannen’ de verdachten bedoelt. Daarbij komt dat [medeverdachte 3] taxi rijdt en zich na de schietpartij op 13 februari 2024 heeft gemeld bij de politie, zoals [betrokkene] vertelt. De verklaring van de verdachte dat [betrokkene] in de taxi is gestapt, is meegereden en dat [betrokkene] later in de HapWat iets heeft gegeven, komt ook overeen met de camerabeelden. De rechtbank gaat ervan uit dat [betrokkene] op het moment dat hij de taxi instapte het wapen in de gele plastic Jumbotas bij zich had en dat dit wapen in Alkmaar is getest. Uit de camerabeelden blijkt dat [medeverdachte 2] de enige man van de groep is met een donkere huidskleur. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat [medeverdachte 2] het wapen heeft getest. Steun hiervoor vindt de rechtbank in de verklaring van [betrokkene] dat hij de man, die het vuurwapen heeft getest, in het politiebureau is tegengekomen in combinatie met camerabeelden van het cellencomplex van het politiebureau in Haarlem van 28 maart 2024. Daarop is namelijk te zien dat [betrokkene] en [medeverdachte 2] elkaar tegenkwamen en oogcontact hadden. De rechtbank gaat ervan uit dat het wapen is getest op het moment van de langere stop ter hoogte van de Gravin Jacobastraat. Verder zijn in de woning van [betrokkene] tijdens een doorzoeking ter inbeslagneming attributen aangetroffen die geschikt zijn voor het ombouwen van wapens en het slijpen van patronen en zijn daarnaast ook kogelpatronen aangetroffen. Deze bevindingen en ook het hiervoor genoemde celmateriaal van [betrokkene] op een huls in de Kromme Mijdrechtstraat ondersteunen de uitlatingen van [betrokkene] . Verder blijkt uit de onder [betrokkene] in beslag genomen telefoon dat hij handelde in wapens. Hij droeg een enkelband, waaruit blijkt dat hij ten tijde van de schietpartij in Alkmaar was.
Tussenconclusie
De rechtbank komt gelet op voornoemde bevindingen tot de volgende tussenconclusie over de avond van 7 februari 2024. [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en de verdachte zijn samen in de taxi naar het centrum van Alkmaar gereden, waar van [betrokkene] een vuurwapen is gekocht. Dit vuurwapen is op een andere plek in Alkmaar getest door [medeverdachte 2] . [betrokkene] heeft daarna op verzoek patronen geslepen en vervolgens in de HapWat geleverd aan de verdachten.
Beoordelingskader
Voor een veroordeling voor het als medepleger voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van artikel 26 van de Wet wapens en munitie (WWM) is vereist dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een of meer anderen die was gericht op het voorhanden hebben van een wapen of munitie. Vereist is dat de verdachte zich in meer of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van dat vuurwapen en/of die munitie. De in de rechtspraak van de Hoge Raad gebruikte aanduiding van “een meerdere of mindere mate” van bewustheid geeft aan dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de exacte locatie van dat wapen. Van een dergelijke bewustheid kan ook sprake zijn in het geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. Daarnaast is voor een bewezenverklaring vereist dat de verdachte tezamen met de mededader(s) feitelijke macht over het vuurwapen heeft kunnen uitoefenen in die zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken. Daarvoor hoeft het wapen zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden het niet anders kan dan dat de verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zich bewust zijn geweest van de aankoop en daarmee de aanwezigheid van het vuurwapen in de taxi en dat zij daarover hebben kunnen beschikken. De rechtbank kent hierbij gewicht toe aan de gezamenlijkheid van het optreden van de verdachten. Zo zijn de verdachten samen in de taxi naar Alkmaar afgereisd, hebben zij daar samen wapenhandelaar [betrokkene] ontmoet, die in de taxi is gestapt en meegereden, waarna het vuurwapen is getest en gekocht. Daarna volgde nog een tweede ontmoeting met [betrokkene] later op de avond in de HapWat in Alkmaar waarbij alle vier de verdachten aanwezig waren. Deze ontmoeting in de HapWat was nadat [betrokkene] op verzoek nog patronen had geslepen en aan de verdachten kwam geven. De verdachten zijn vervolgens samen weer terug naar IJmuiden gereden.
Bij dit oordeel speelt tevens een rol dat de verdachte geen redelijke, de redengevendheid van het bewijs, ontzenuwende verklaring heeft afgelegd over de ontmoeting in Alkmaar met [betrokkene] . De verdachte heeft enkel gesteld dat hij bij toeval die avond in de taxi is meegereden en naar een snackbar is gegaan, maar niets heeft gehoord of gezien van de aankoop en het testen van een vuurwapen. De rechtbank acht het ongeloofwaardig dat vanuit IJmuiden speciaal naar een snackbar in Alkmaar wordt gereden, terwijl eenmaal aangekomen in Alkmaar het nog geruime tijd duurt voordat de verdachten de snackbar binnengaan. Ook acht de rechtbank het ongeloofwaardig dat de verdachte die avond langere tijd met de medeverdachten, zijn vrienden, onderweg is geweest in de taxi, een kleine ruimte, en niet zou zijn gesproken over de ontmoeting met [betrokkene] en de aankoop en het testen van een vuurwapen.
Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten dat sprake is van het medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben van een vuurwapen.
Onderzoeksresultaten ten aanzien van het tenlastegelegde vuurwapen
In dit onderzoek is geen vuurwapen gevonden. Wel zijn na de schietpartij op 13 februari 2024 hulzen gevonden. Uit het forensisch onderzoek blijkt dat nabij het voertuig van het slachtoffer vier hulzen op de grond en een vijfde huls op een rode auto (geparkeerd ter hoogte van de Kromme Mijdrechtstraat nummer 9) lagen.
De afvuursporen in de vijf aangetroffen hulzen worden volgens het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) verwacht wanneer deze zijn verschoten met een (semi-)automatisch pistool dat geschikt is gemaakt voor kaliber 7,65mm Browning (omgebouwd gas/alarmpistool). De rechtbank acht het op grond hiervan aannemelijk dat de aangetroffen hulzen zijn verschoten met een wapen van dit merk en type. Het NFI concludeert verder op grond van indicatief vergelijkend onderzoek naar de hulzen die zijn gevonden bij de schietpartij op 13 februari 2024 dat de resultaten van dit onderzoek worden verwacht wanneer de vijf hulzen zijn verschoten met één vuurwapen.
Op één van de hulzen met bodemstempel CBC 32 AUTO is celmateriaal van [betrokkene] aangetroffen. [betrokkene] handelde in (vuur-)wapens. Tijdens de hiervoor genoemde OVC-gesprekken sprak [betrokkene] meermalen over een “bouwtje” en “die P” en zei hij dat het aangekochte vuurwapen gelet op de genoemde prijs geen origineel wapen kon zijn. Ook heeft [betrokkene] het over “die pistool” die niet gevonden is. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat [betrokkene] een omgebouwd pistool heeft verkocht. De rechtbank vindt voor die conclusie ook steun in de in de woning van [betrokkene] aangetroffen attributen voor het ombouwen van wapens. Ook zijn in de woning kogelpatronen aangetroffen.
De rechtbank stelt ten slotte vast dat uit de overige bevindingen in het dossier niet volgt hoe het vuurwapen conform de Wet wapens en munitie gecategoriseerd dient te worden. Evenwel is de rechtbank van oordeel dat dit aan een bewezenverklaring van het feit niet in de weg staat. Het vuurwapen is niet gevonden, maar voor de rechtbank staat op grond van voornoemde bewijsmiddelen vast dat het door [betrokkene] geleverde wapen een vuurwapen is. Onder deze omstandigheden gaat de rechtbank ervan uit dat het wapen kan worden gecategoriseerd als een wapen van categorie III, onder 1, van de Wet wapens en munitie, in de vorm van een pistool.
De rechtbank concludeert op grond van voorgaande bevindingen van het NFI en de uitlatingen van [betrokkene] in samenhang bezien dat op 7 februari 2024 in Alkmaar een
(semi-)automatisch pistool dat geschikt is gemaakt voor het kaliber 7,65mm Browning (omgebouwd gas/alarmpistool) is gekocht, welk vuurwapen de verdachte samen met de medeverdachten voorhanden heeft gehad.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
feit 1
hij op 7 februari 2024 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (semi-)automatisch pistool dat geschikt is gemaakt voor het kaliber 7,65mm Browning (omgebouwd gas/alarmpistool), zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, voorhanden heeft gehad;
feit 2
hij op 14 juni 2024 te IJmuiden een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een nabootsing van een pistool, welke door vorm en afmetingen sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen, te weten een pistool van het merk Walther, model P99, voorhanden heeft gehad.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en
munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
feit 2
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.
6. Motivering van de straf
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten. Als bijzondere voorwaarden dienen te worden opgelegd een meldplicht bij de reclassering, de verplichting tot het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding en een contactverbod met medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] .
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bij een bewezenverklaring verzocht om aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van langere duur dan de duur van het voorarrest. Deze straf zou eventueel gecombineerd kunnen worden met een voorwaardelijke gevangenisstraf en/of een taakstraf.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen, in de vorm van een omgebouwd gas-/alarmpistool. De verdachte is samen met drie anderen vanuit IJmuiden naar Alkmaar gereden, om daar een wapen te kopen van een wapenhandelaar. Daarnaast is in de woning van de verdachte een balletjespistool aangetroffen dat sprekend leek op een echt vuurwapen. Het voorhanden hebben van zulke voorwerpen brengt onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van personen met zich. De praktijk wijst uit dat het bezit van vuurwapens vaak leidt tot het gebruik daarvan. Dit leidt niet zelden tot levensgevaarlijke situaties, ook voor omstanders. De rechtbank rekent de verdachte dit aan.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 27 januari 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte zich niet eerder schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke feiten. De rechtbank weegt het strafblad dan ook niet in het nadeel van de verdachte mee.
Ook heeft de rechtbank gelet op het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 6 februari 2026. Geadviseerd wordt aan de verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, de verplichting tot het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding en een contactverbod met medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] . Uit het advies leidt de rechtbank verder af dat de verdachte zijn leven een positieve wending heeft gegeven sinds zijn schorsing uit voorlopige hechtenis: hij heeft werk gevonden, staat vrijwillig onder bewind en staat open voor (verdere) begeleiding in een justitieel kader.
Conclusie
Bij het bepalen van de aan de verdachte op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke gevallen zijn opgelegd en aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarbij komt de rechtbank tot een lagere straf dan de door de officier van justitie gevorderde straf omdat het vuurwapen in een voertuig voorhanden is geweest en de rechtbank de hiervoor genoemde persoonlijke omstandigheden in het voordeel van de verdachte heeft meegewogen. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van zes maanden moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan, namelijk drie maanden, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Aan de voorwaardelijke straf zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering is geadviseerd.
7. Vermogensmaatregel
De rechtbank is van oordeel dat het onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven balletjespistool dient te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het onder 2 bewezen verklaarde met betrekking tot dat voorwerp is begaan.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht,
artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
9. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Bepaalt dat de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.
Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 3 (drie) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 2 jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken bij Reclassering Nederland op het adres Oostvest 60, 2011 AK Haarlem, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering maakt met de veroordeelde een eerste afspraak;
zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of een vrijetijdsbesteding met een vaste structuur;
op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met
o [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum medeverdachte 1] ,
o [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum medeverdachte 2] ,
o [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum medeverdachte 3] ,
tenzij hij daarvoor toestemming krijgt van de reclassering, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Onttrekt aan het verkeer het op de beslaglijst vermelde balletjespistool (goednummer: 1615432).
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.M.G. Hink, voorzitter,
mr. M. Hoendervoogt en mr. S.H. Bouwers, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.T. Sluis,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 maart 2026.
Bijlage I
De tenlastelegging
1.
hij op of omstreeks 7 februari 2024 te Alkmaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging, althans alleen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (semi-)automatisch pistool dat geschikt is gemaakt voor het kaliber 7,65mm Browning (omgebouwd gas/alarmpistool), zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool, voorhanden heeft gehad;
2.
hij op of omstreeks 14 juni 2024 te IJmuiden een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een nabootsing van een pistool, welke door vorm en afmetingen sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen, te weten een pistool van het merk Walther, model P99, voorhanden heeft gehad.