ECLI:NL:RBNHO:2026:308

ECLI:NL:RBNHO:2026:308, Rechtbank Noord-Holland, 12-01-2026, HAA 25/1902

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 12-01-2026
Datum publicatie 22-01-2026
Zaaknummer HAA 25/1902
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Beroep ongegrond. Uitbreiding van de woning niet in strijd met het bestemmingsplan en ook overigens niet in strijd is met de regels die gelden voor de vergunningverlening. In artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl staat dat een omgevingsvergunning wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het bestemmingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. Dat betekent dat sprake is van een gebonden beschikking. Daarom heeft het college bij zijn besluit om een omgevingsvergunning te verlenen geen ruimte om een belangenafweging te maken. Het bestemmingsplan is onherroepelijk en vaststaat dat de uitbreiding van de woning hiermee niet in strijd is. Dat betekent dat de bestemmingsplanwetgever ervoor heeft gekozen dat buren de overlast die bij realisering van deze mogelijkheid kan ontstaan, acceptabel heeft geacht.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] uit Zandvoort, eiseres

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 25/1902

(gemachtigde: mr. J. van den Hoorn),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zandvoort, Omgevingsdienst IJmond, het college

(gemachtigde: W. Boelema).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder 1] en [vergunninghouder 2] uit Zandvoort, vergunninghouders.

Deze uitspraak gaat over het aan vergunninghouders verlenen van een omgevingsvergunning voor het vergroten van de eerste verdieping aan de achterzijde van de woning op het perceel [perceel] in Zandvoort (hierna: de woning). Eiseres is het daar niet mee eens. Zij heeft daarom beroep ingesteld. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de rechtbank het besluit van het college om de omgevingsvergunning te verlenen.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Vergunninghouders hebben op 17 mei 2024 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor een uitbouw achterzijde eerste verdieping. Namens het college heeft Omgevingsdienst IJmond met het primaire besluit van 11 september 2024 de omgevingsvergunning verleend. Daarbij heeft het college zich, onder verwijzing naar het positieve welstandadvies van de adviescommissie omgevingskwaliteit, op het standpunt gesteld dat het bouwplan binnen het bouwvlak blijft en dat het bouwplan voldoet aan de regels in het omgevingsplan.

Eiseres woont op [adres 1] in Zandvoort en heeft op 29 september 2024, aangevuld op 3 november 2024, bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Met het bestreden besluit van 26 februari 2025 op het bezwaar van eiseres heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de commissie bezwaarschriften, het primaire besluit in stand gelaten. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Namens het college heeft de Omgevingsdienst IJmond op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van het college en vergunninghouder.

Het beroep dat [naam] , wonende op [adres 2] in Zandvoort, tegelijkertijd met eiseres had ingediend is ter zitting ingetrokken.

Wettelijk kader

Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Vergunninghouders hebben op 27 augustus 2024 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning. Dat betekent dat de nieuwe Omgevingswet van toepassing is. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Ook bestaat het tijdelijke deel van het omgevingsplan uit enkele gemeentelijke verordeningen en de bruidsschat. De bruidsschat bevat regels die eerst op Rijksniveau geregeld waren, maar nu (in ieder geval tijdelijk) onderdeel uitmaken van het omgevingsplan.

Voor het perceel waar de woning op gelegen is, was voor 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Boulevard Noord 2009” van kracht. Dit bestemmingsplan maakt onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Zandvoort. Volgens het bestemmingsplan en de plankaart geldt op het perceel de bestemming ‘Wonen – 1’ met aanduiding (C): drie of meer aaneengesloten woningen. Volgens de plankaart heeft de bestemming ‘Wonen – 1’ een maximum goothoogte van 6 meter en maximum nokhoogte van 10 meter. Volgens de plankaart ligt het bouwvlak onder de gehele woning.

Op grond van artikel 1 van het bestemmingsplan wordt verstaan onder:

hoofdgebouw: een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als het belangrijkste gebouw valt aan te merken;

aanbouw: een aan een hoofdgebouw gebouwde en daaraan ondergeschikte en afzonderlijke ruimte, zijnde een uitbreiding van de hoofdfunctie, dan wel een niet-vrijstaand bijgebouw;

uitbouw: een ondergeschikte uitbreiding van een hoofdgebouw, ten behoeve van een uitbreiding van de hoofdruimte, zijnde een uitbreiding van de hoofdfunctie, zonder dat daarbij een afzonderlijke ruimte aan het hoofdgebouw wordt toegevoegd.

Op grond van artikel 10, derde lid, van het bestemmingsplan gelden voor het bouwen van hoofdgebouwen (woningen) de volgende regels:

hoofdgebouwen dienen binnen het op de kaart aangegeven bouwvlak te worden gebouwd;

het bouwvlak mag voor 100% bebouwd worden; en

de bouw- en goothoogte mag niet meer bedragen dan op de plankaart staat aangegeven.

Op grond van artikel 10, vierde lid, van het bestemmingsplan gelden voor het bouwen van bijgebouwen en aan- en uitbouwen de volgende regels:

bijgebouwen en aan- en uitbouwen mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd;

de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen en aan- en uitbouwen per woning binnen de bestemming mag buiten het bouwvlak maximaal 35% van het erf beslaan met een maximum van 50 m²;

op de ingevolge sub b toegelaten oppervlakte worden in mindering gebracht:

- de oppervlakte van binnen de bestemming bestaande en te handhaven bijgebouwen aan- en uitbouwen.

bijgebouwen en aan- en uitbouwen mogen uit ten hoogste één bouwlaag bestaan, waarbij ten behoeve van de vormgeving een kap is toegestaan, die echter niet mag worden voorzien van dakkapellen;

per bouwperceel is ten hoogste één bouwvergunningplichtig vrijstaand bijgebouw toegelaten;

de goothoogte en nokhoogte van bijgebouwen, aan- en uitbouwen mogen niet meer dan 3 meter respectievelijk 5 meter bedragen, met dien verstande dat:

de dakhelling niet meer mag bedragen dan 55° en niet minder dan 35° ten opzichte van het horizontale vlak;

voor van een plat dak voorziene bijgebouwen en aan- en uitbouwen een maximale bouwhoogte geldt van 3 meter óf de hoogte van de eerste bouwlaag.

Op grond van artikel 10, zevende lid, van het bestemmingsplan mag bij het uitbreiden van een gebouw binnen het op de plankaart aangegeven bouwvlak waarbij sprake is van bestaande afwijkingen de bouwhoogte van de uitbreiding niet meer bedragen dan de bestaande bouwhoogte van de aansluitende bebouwing. Voor het overige zijn voor uitbreiding van dergelijke gebouwen de in lid 3 en 4 voor hoofdgebouwen en bijgebouwen, aan- en uitbouwen gegeven bouwregels van overeenkomstige toepassing.

Omgevingsplanactiviteit bouwen

De omgevingsvergunning is – voor zover hier nog van belang – aangevraagd voor de omgevingsplanactiviteit bouwen. Onder een omgevingsplanactiviteit wordt onder meer verstaan een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan. Dit wordt de binnenplanse omgevingsplanactiviteit genoemd. De uitbreiding van de woning is op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan (de bruidsschat) verboden zonder omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit.

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de aanvraag van de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit beoordeelt. In artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. In artikel 22.29 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan staat het toetsingskader voor een omgevingsplanactiviteit bouwen. Uit die bepaling volgt dat het bouwwerk niet in strijd mag zijn met de in het omgevingsplan gestelde regels over bouwen en ook niet in strijd mag zijn met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat er vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op de omgevingsplanactiviteit bouwen geen redenen zijn om de omgevingsvergunning te weigeren. Het bouwplan is een uitbreiding van het hoofdgebouw, vallend binnen het bouwvlak en is op grond van artikel 10, derde en zevende lid, van het bestemmingsplan toegestaan. Verder voldoet de aanvraag aan de welstandscriteria. Omdat sprake is van een gebonden beschikking, is het college gehouden om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen en heeft het college geen ruimte voor het maken van een belangenafweging.

Eiseres voert aan dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, omdat sprake is van een aan-/uitbouw en niet van een hoofdgebouw. Om de woning uit te breiden wordt bovenop de reeds bestaande aan-/uitbouw gebouwd. Ingevolge artikel 10, vierde lid, aanhef en onder d, van het bestemmingsplan mogen bijgebouwen en aan- en uitbouwen uit ten hoogste één bouwlaag bestaan. Hieruit volgt dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Verder voert eiseres aan dat het college ten onrechte een omgevingsvergunning heeft verleend, omdat sprake is van evidente privaatrechtelijke belemmeringen.

De rechtbank is van oordeel dat deze gronden niet slagen. Om te bepalen of het achterste gedeelte van de woning op de begane grond een aan- of uitbouw is als bedoeld in het bestemmingsplan, dient gelet op de definitie van de begrippen ‘aanbouw’ en ‘uitbouw’ eerst te worden bepaald wat het hoofdgebouw is. Uit de definitie van het begrip ‘hoofdgebouw’ volgt dat dit een gebouw is dat door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken. De bestemming is in dit geval ‘Wonen – 1’ en deze woonbestemming is mede ondergebracht in het achterste gedeelte van de woning waardoor het onderdeel uitmaakt van het hoofdgebouw. Dat het achterste gedeelte van de woning wat betreft massa en in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan de rest van het hoofdgebouw doet aan dit oordeel niet af. Daar komt bij dat in dit geval geen sprake is van een afzonderlijke ruimte die qua afmetingen en/of in visueel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, zoals bedoeld in het bestemminsplan, zodat het achterste gedeelte van de woning niet als aan- of uitbouw kan worden aangemerkt. Omdat het achterste gedeelte van de woning op de begane grond onderdeel uitmaakt van het hoofdgebouw, zijn de regels van artikel 10, vierde lid, van het bestemmingsplan, waaronder de regel dat aan- en uitbouwen uit ten hoogste één bouwlaag mag bestaan, niet van toepassing. Het bouwplan is op grond van artikel 10, derde en zevende lid, van het bestemmingsplan toegestaan, omdat het een uitbreiding van het hoofdgebouw, vallend binnen het bouwvlak, betreft en de hoogte van de uitbreiding gelijk is aan die van het hoofdgebouw.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de uitbreiding van de woning niet in strijd is met artikel 10, vierde lid, van het bestemmingsplan en ook overigens niet in strijd is met de regels die gelden voor de vergunningverlening. In artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl staat dat een omgevingsvergunning wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het bestemmingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. Dat betekent dat sprake is van een gebonden beschikking. Daarom heeft het college bij zijn besluit om een omgevingsvergunning te verlenen geen ruimte om een belangenafweging te maken, waarbij de door eiseres gestelde privaatrechtelijke belemmeringen eventueel een rol kunnen spelen.

De rechtbank vindt het heel begrijpelijk dat eiseres moeite heeft met de uitbreiding van de woning. Het bestemmingsplan is echter onherroepelijk en vaststaat dat de uitbreiding van de woning hiermee niet in strijd is. Dat betekent dat de bestemmingsplanwetgever ervoor heeft gekozen dat buren, zoals eiseres, de overlast die bij realisering van deze mogelijkheid kan ontstaan, acceptabel heeft geacht.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, rechter, in aanwezigheid van drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier.Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E.J. van Keken

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?