RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/200007-24, 15/241949-25, 15/002074-26 (ttz gev), 13/113392-20 (vord tul) en 15/308171-21 (vord tul) (P)
Uitspraakdatum: 18 maart 2026
Tegenspraak (279 Sv)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
5 maart 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres].
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.
De zaak met parketnummer 15/200007-24 wordt hierna aangeduid als zaak A.
De zaak met parketnummer 15/241949-25 wordt hierna aangeduid als zaak B.
De zaak met parketnummer 15/002074-26 wordt hierna aangeduid als zaak C.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. C.M. Brugman en van wat de raadsman van de verdachte, mr. M.J. Bouwman, advocaat te Zaandam, naar voren heeft gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte zijn acht feiten tenlastegelegd, die in de kern de volgende verwijten inhouden.
Ten aanzien van zaak A:
feit 1: bedreiging van [benadeelde 1] met een vuurwapen op 27 augustus 2023 te Antwerpen;
feit 2: voorhanden hebben van een wapen (merk Cvena Zastava) van categorie III, onder 1, van de Wet wapens en munitie op 27 augustus 2023 te Antwerpen;
feit 3: voorhanden hebben van een wapen (merk Glock) van categorie III, onder 1, van de Wet wapens en munitie op 19 juni 2024 te Amsterdam;
feit 4: bedreiging van [benadeelde 2] op 23 mei 2024 te Amsterdam;
feit 5: bedreiging van [benadeelde 1] op 19 juni 2024 te Amsterdam.
Ten aanzien van zaak B:
bedreiging van [benadeelde 3] op 5 mei 2025 te Badhoevedorp.
Ten aanzien van zaak C:
feit 1: bedreiging van [benadeelde 1] op 12 februari 2025 te Grave;
feit 2: bedreiging van [benadeelde 1] op 23 november 2025 te Grave.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
Wat betreft de ten laste gelegde feiten in zaak C heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de ten laste gelegde feiten in de zaken A en B. Het standpunt van de raadsman ten aanzien van die feiten zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak feit 1 en 2 in zaak A (bedreiging van [benadeelde 1] en voorhanden hebben van een vuurwapen te Antwerpen op 27 augustus 2023)
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen wat de verdachte onder feit 1 en 2 in zaak A ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Op 27 augustus 2023 is door de ouders van [benadeelde 1] ([benadeelde 1]) telefonisch een melding gedaan bij de politie te Antwerpen dat hun dochter zou worden bedreigd met een vuurwapen door de verdachte. De politie heeft [benadeelde 1] vervolgens zichtbaar emotioneel in haar woning aangetroffen. Zij verklaarde dat de verdachte een vuurwapen tegen haar hoofd heeft gezet tijdens een ruzie. Op haar aanwijzingen heeft de politie vervolgens in een stofzuiger in de woning een vuurwapen (merk Cvena Zastava) gevonden. De verdachte ontkent dat hij [benadeelde 1] heeft bedreigd met een vuurwapen. Ook zegt hij niet te hebben geweten dat er een vuurwapen in de woning lag. Volgens de verdachte stond er in de kamer waar de stofzuiger stond een tas met kleding van een andere man.
De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de bedreiging met en het voorhanden hebben van een vuurwapen. Weliswaar heeft [benadeelde 1] hierover een verklaring afgelegd, maar deze verklaring vindt onvoldoende steun in de overige bewijsmiddelen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de ouders van [benadeelde 1] weliswaar hebben verklaard dat zij hebben gehoord dat hun dochter werd bedreigd door de verdachte, maar dat zij geen vuurwapen hebben gezien. Ook zijn er geen DNA-sporen van de verdachte aangetroffen op het vuurwapen dat in de stofzuiger in de woning is aangetroffen. Onbekend is verder in hoeverre anderen toegang hebben gehad tot de kamer waar de stofzuiger stond.
Andere feiten wel wettig en overtuigend bewezen
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten in zaak A, het ten laste gelegde feit in zaak B, en de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten in zaak C.
De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.
Alleen ten aanzien van de feiten 3, 4 en 5 in zaak A ziet de rechtbank aanleiding voor een bewijsmotivering.
Bewijsmotivering en bespreking van de verweren
3.3.3.1. Ten aanzien van feit 3 in zaak A (voorhanden hebben van een vuurwapen te Amsterdam op 19 juni 2024)
De verdachte wordt verweten dat hij op 19 juni 2024 een vuurwapen (merk Glock) voorhanden heeft gehad. De verdachte heeft bij de politie geen verklaring willen afleggen over deze verdenking. Het verweer van de verdediging komt erop neer dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat de verdachte wist dat er een vuurwapen in de woning lag, en dat niet bewezen is dat de verdachte er op 19 juni 2024 beschikkingsmacht over had.
De rechtbank stelt voorop dat sprake is van het voorhanden hebben van een wapen als vast komt te staan dat de verdachte dat wapen bewust aanwezig heeft gehad en daarover feitelijke macht kon uitoefenen in de zin dat hij daarover kon beschikken. Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.
Op 18 juni 2024 is door de vader van [benadeelde 1] een melding gedaan bij de politie dat hij zojuist van zijn dochter had gehoord dat de verdachte haar via Whatsapp een foto had gestuurd waarop hij te zien was met een vuurwapen naast zijn gezicht. [benadeelde 1] herkende de achtergrond op de foto als de woning van de oma van de verdachte. Op 19 juni 2024 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van de oma van de verdachte. De verdachte werd daar op dat moment aangetroffen in zijn bed. Vervolgens is in een holle ruimte van een kast in de woning een vuurwapen aangetroffen. Van het vuurwapen werd onder meer van de binnenzijde van de loop een bemonstering genomen. Uit deze bemonstering (AARB9798NL) is een DNA-mengprofiel van minimaal twee donoren verkregen. Uit dit DNA-mengprofiel kon een relatief kleine hoeveelheid DNA worden onderscheiden, waaruit een DNA-profiel van (minimaal) één persoon kon worden afgeleid. Het DNA-profiel van verdachte komt hiermee overeen. Het DNA-profiel is extreem veel waarschijnlijker (meer dan een miljoen keer) wanneer – kort gezegd – verdachte donor is dan wanneer dit niet zo is. De rechtbank concludeert hieruit, met inachtneming van de rest van het dossier, dat verdachte de donor is van een deel van het celmateriaal op het vuurwapen.
Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat er wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte het vuurwapen op 19 juni 2024 voorhanden heeft gehad. Dat de verdachte wetenschap had van het wapen volgt zowel uit de via Whatsapp verzonden foto als het resultaat van het DNA-onderzoek. Gelet op de korte tijd tussen het versturen van de foto en de vondst van het wapen en de omstandigheid dat de verdachte in de woning aanwezig was toen het wapen door de politie werd gevonden, vindt de rechtbank bewezen dat de verdachte op 19 juni 2024 over het wapen kon beschikken.
3.3.3.2. Ten aanzien van feit 4 in zaak A (bedreiging van [benadeelde 2] op 23 mei 2024)
De verdachte wordt verweten dat hij [benadeelde 2] op 23 mei 2024 heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling. De verdachte ontkent dit feit. Het verweer van de verdediging komt erop neer dat het dossier onvoldoende bewijs bevat om te kunnen concluderen dat het de verdachte is geweest die [benadeelde 2] heeft bedreigd. Daarbij heeft de verdediging aangevoerd dat de gestuurde berichten niet gekwalificeerd kunnen worden als bedreigingen met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling.
Op 23 mei 2024 wordt door [benadeelde 2] aan de politie een sms-bericht doorgestuurd dat hij heeft ontvangen van de verdachte. Deze berichten bevatten onder andere de tekst “Alle kk apen moeten slapen”. Deze berichten zijn gestuurd vanuit het nummer +[telefoonnummer]. Op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat dit het nummer van de verdachte betreft. De rechtbank komt daarmee tot de conclusie dat het de verdachte is geweest die de berichten op 23 mei 2024 aan [benadeelde 2] heeft gestuurd. Het is een feit van algemene bekendheid dat met “slapen” de dood wordt bedoeld. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat dit bericht een bedreiging is met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Dit betekent dat de rechtbank feit 4 in zaak A, wettig en overtuigend bewezen acht.
3.3.3.3. Ten aanzien van feit 5 in zaak A (bedreiging van [benadeelde 1] op 19 juni 2024)
De verdachte wordt verweten dat hij [benadeelde 1] op 19 juni 2024 heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling. De verdachte ontkent dit feit. De verdediging heeft ook in dit geval aangevoerd dat het dossier onvoldoende bewijs bevat om te kunnen concluderen dat de berichten van de verdachte afkomstig zijn geweest. Ook heeft de verdediging aangevoerd dat deze berichten niet gekwalificeerd kunnen worden als bedreigingen met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling.
Op 19 juni 2024 wordt door [benadeelde 1] aan de politie een screenshot van een Whatsapp-bericht gestuurd dat zij heeft ontvangen van de verdachte. Deze berichten bevatten onder andere de tekst “Je gaat doodgaan” en “Dan is het pas genoeg”. Mede gelet op de andere door de verdachte gestuurde berichten die te lezen zijn in de screenshot van het Whatsapp-gesprek, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van bedreiging met de dood en dat voldoende aannemelijk is dat deze berichten zijn verzonden door de verdachte.
Ook feit 5 in zaak A acht de rechtbank bewezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten in zaak A, het ten laste gelegde feit in zaak B en de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten in zaak C heeft begaan, in die zin dat:
Ten aanzien van zaak A:
feit 3: hij, op 19 juni 2024 te Amsterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen, van het merk Glock, model 17 gen 4, kaliber 9x19 millimeter, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad;
feit 4: hij, omstreeks 23 mei 2024 in Nederland, [benadeelde 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [benadeelde 2] middels (Whatsapp)berichten dreigend de woorden toe te voegen-"Alle kk apen moeten slapen" en-"Jullie tijd gaat snel komen" en-"Blijf zoeken tot je het vindt suprise staat op je te wachten kk [naam]";
feit 5: hij, omstreeks 19 juni 2024 in Nederland, [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [benadeelde 1] middels (Whatsapp)berichten dreigend de woorden toe te voegen "Je gaat doodgaan” en “Dan pas is het genoeg".
Ten aanzien van zaak B:
hij op 5 mei 2025 te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer,
[benadeelde 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [benadeelde 3] dreigend de woorden toe te voegen- "Ik hoop dat je voor je zoon kan staan als er kankerkogels door het/ hoofd gaan vliegen, ja" en- "Ik hoop voor je dat je kogels kan vangen voor je zoon."
Ten aanzien van zaak C:
feit 1: hij op 12 februari 2025 te Grave, gemeente Land van Cuijk, [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [benadeelde 1] telefonisch dreigend de woorden toe te voegen "Ik zweer op de Koran, als ik hier uit kom, ik neuk je hele kankerfamilie en ik schiet jullie allemaal dood ja, allemaal je gaat zien, ik neem iedereen mee ja en niemand van jullie zal het nog overleven die balla's (fon) gaan dwars door je kanker hoofd";
feit 2: hij op 23 november 2025 te Grave, gemeente Land van Cuijk [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [benadeelde 1] dreigend de woorden toe te voegen "Praat niet zo stoer, luister oellah (fon) Je denkt dat je zo tegen mij kan praten terwijl ik over 3 weken buiten ben. Oellah (fon) ik ga je gewoon echt kieren en ik heb schijt aan dat mensen dit horen.".
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van zaak A, feit 3:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
Ten aanzien van zaak A, feit 4 en feit 5, zaak B en zaak C, feit 1 en 2:
telkens: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 545 dagen (gelijk aan de duur van zijn voorarrest) met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v Wetboek van Strafrecht (Sr) op te leggen, inhoudende een contactverbod met aangeefster [benadeelde 1], haar ouders [benadeelde 2] en [betrokkene] en aangever [benadeelde 3] en tevens een locatieverbod voor Moerkapelle en voor een deel van Rotterdam. Ten aanzien van het locatieverbod voor Rotterdam gaat het specifiek om het gebied dat wordt ingesloten door de Maashaven, de Boergoensestraat, de Zuiderparkweg en de Oldegaarde. Voor iedere overtreding van deze maatregel door de verdachte moet vervangende hechtenis voor de duur van een week worden toegepast. De officier van justitie heeft gevorderd de vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit om bij de oplegging van de straf rekening te houden met het tijdsverloop en met het feit dat artikel 63 Sr van toepassing is. Ten aanzien van de gevorderde maatregel 38v Sr heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, behalve ten aanzien van het locatieverbod voor een deel van Rotterdam.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vijf bedreigingen met de dood. De slachtoffers zijn een ex-partner, haar vader en een vader van de persoon met wie zij een nieuwe relatie aanging. De dreigementen zijn door de slachtoffers als zeer beangstigend ervaren en hebben sterke gevoelens van onveiligheid veroorzaakt. Ook heeft de verdachte een vuurwapen voorhanden gehad. Het voorhanden hebben van vuurwapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee. Tegen illegaal wapenbezit wordt daarom stevig opgetreden.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie (zijn strafblad) van 10 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte in de vijf jaar voorafgaand aan het voorhanden hebben van het vuurwapen al eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. Dit heeft hem er niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan wapenbezit. Uit het vijftien pagina’s tellende strafblad van de verdachte blijkt voorts dat hij al veelvuldig straffen heeft gekregen voor diverse soorten strafbare feiten. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia-rapportage van het Pieter Baan Centrum (PBC) van 8 januari 2026. Onderzoekers hebben de verdachte in relatie tot de ten laste gelegde feiten in zaak A onderzocht. Uit het rapport blijkt onder meer dat bij de verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking, niet-aangeboren hersenletsel en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Vanwege het feit dat de onderzoekers geen volledig zicht hebben verkregen op met name de relationele dynamiek zijn de onderzoekers enigszins terughoudend in het vaststellen van de mate van keuzevrijheid ten tijde van deze feiten. Omdat onderzoekers slechts in beperkte mate een doorwerking van de pathologie in de ten laste gelegde bedreigingen in zaak A kunnen onderbouwen, adviseren zij deze feiten in enigszins verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
Vanwege de beschreven problematiek bij de verdachte wordt de kans op herhaling hoog ingeschat wat betreft soortgelijke bedreigingen. Onderzoekers kunnen geen inschatting geven van het recidiverisico van verboden wapenbezit, nu de verdachte geen inzicht heeft gegeven in zijn motieven ten aanzien van dit feit.
Er zijn volgens de onderzoekers weinig behandelmogelijkheden om de kans op recidive significant naar beneden te brengen. Zij adviseren daarom een voorwaardelijk kader, namelijk het kader van de bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijk strafdeel, waarbij de verdachte zal worden begeleid en er vooral op toezicht wordt geïnvesteerd.
Ook heeft de rechtbank het reclasseringsrapport van Reclassering Nederland van 22 januari 2026 meegewogen. Daaruit blijkt dat in de afgelopen jaren op meerdere manieren is geprobeerd om de verdachte tot gedragsverandering te brengen (door gevangenisstraffen, reclasseringstoezicht en elektronische monitoring). De verdachte werkte echter niet mee aan de opgelegde trajecten, onttrok zich aan begeleiding en saboteerde zijn enkelband. Ook de (voorwaardelijke) gevangenisstraffen hebben de verdachte niet kunnen afschrikken. Het recidiverisico is volgens de reclassering zeer hoog. Op basis van hun onderzoek en de bevindingen zoals gerapporteerd in PBC-rapport zien zij geen heil in het opleggen van bijzondere voorwaarden. Deze dragen volgens de reclassering niet bij aan het verlagen van de risico's en de verdachte toont dusdanig zelfsturend en antisociaal gedrag dat zij ook geen vertrouwen hebben in een dergelijk traject. Bij een veroordeling adviseren zij een straf zonder bijzondere voorwaarden. Tijdens de zitting heeft de deskundige van de reclassering dit advies herhaald en daaraan toegevoegd dat er veiligheidsrisico’s zijn voor de reclassering en haar ketenpartners. De reclassering kan zich wel vinden in het contact- en locatieverbod zoals door de officier van justitie is gevorderd.
Op te leggen straf
De aard en ernst van de gepleegde feiten rechtvaardigen de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank volgt het advies van het PBC dat de bedreigingen in zaak A in enigszins verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend en houdt daar rekening mee bij de strafoplegging. De rechtbank heeft ook acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Hierin wordt voor het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III in een woning, een gevangenisstraf van vier maanden als uitgangspunt genomen. Ten aanzien van een bedreiging geldt als uitgangspunt een geldboete, maar de rechtbank acht dit, gelet op de aard, de ernst en de gerichtheid van de bedreigingen, niet passend.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen op zijn plaats is. De rechtbank zal bepalen dat de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.
7. Vrijheidsbeperkende maatregel
De rechtbank zal aan de verdachte voor de duur van drie jaren een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ex artikel 38v Sr opleggen, ter voorkoming van strafbare feiten en ter beveiliging van de maatschappij. Deze maatregel behelst een contactverbod met vier personen en een locatieverbod voor Moerkapelle en een hieronder nader gespecificeerd gebied van Rotterdam.
De contactverboden houden in dat de verdachte voor de duur van drie jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact mag opnemen, zoeken of hebben met:
Van het contactverbod met [benadeelde 1] kan enkel worden afgeweken met tussenkomst van professionele hulpverlening en in overleg met Veilig Thuis of een soortgelijke instantie.
De locatieverboden houden in dat de verdachte zich voor de duur van drie jaren niet zal bevinden in:
Voor iedere keer dat de verdachte het contact- of locatieverbod overtreedt, zal vervangende hechtenis van zeven dagen worden toegepast, met een maximum van zes maanden (artikel 38w Sr).
De rechtbank zal bevelen dat de maatregel ex artikel 38v Sr dadelijk uitvoerbaar is, nu er – gelet op de inhoud van de hiervoor weergegeven rapportages van de reclassering en het Pieter Baan Centrum – rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens [benadeelde 1], haar ouders en/of [benadeelde 3].
8. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 825,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij geheel kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden gematigd.
Oordeel van de rechtbank
Wettelijke grondslag
Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. De benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt (een brief van zijn huisarts en een brief van een GZ-psycholoog) waaruit blijkt dat hij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen.
Hoogte van de immateriële schadevergoeding
De rechtbank is van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank heeft hierbij gelet op de aard en ernst van het feit en de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegewezen.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 5 mei 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Proceskosten
Daarnaast zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 825,- aan de Staat moet betalen.
Ook dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 mei 2025 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 8 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
9. Vorderingen tot tenuitvoerlegging
Bij vonnis van 15 juli 2020 in de zaak met parketnummer 13/113392-20 heeft de rechtbank Amsterdam de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke straf, te weten jeugddetentie voor de duur van vijf maanden. De proeftijd is bepaald op drie jaar en is ingegaan op 29 juli 2020.
Bij arrest van 28 maart 2024 in de zaak met parketnummer 23/002619-13 (rechtsmiddel van 15/308171-21) heeft het gerechtshof Amsterdam de verdachte veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden met bijzondere voorwaarden, welke dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard. De proeftijd is bepaald op twee jaar en is ingegaan op 28 maart 2024. Uit het opgemaakte rapport ‘Advies aan opdrachtgever, voortijdige negatieve beëindiging toezicht’ is gebleken dat de reclassering een volledige tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafdeel adviseert, omdat de verdachte niet bereikbaar is en de bijzondere voorwaarden niet uitvoerbaar zijn vanwege veiligheidsoverwegingen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering met parketnummer 13/113392-20 dient te worden afgewezen, gelet op het feit dat in het jeugdstrafrecht de maximale proeftijd is gesteld op twee jaar en de verdachte de strafbare feiten na het verstrijken van deze maximale proeftijd heeft begaan.
Ten aanzien van de vordering met parketnummer 23/002619-13 (15/308171-21) heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van deze vordering dient te worden aangehouden, omdat zij nader onderzocht zou willen zien welke vorm van begeleiding nog wel mogelijk is.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat de vordering met parketnummer 13/113392-20 dient te worden afgewezen. Ten aanzien van de vordering met parketnummer 23/002619-13 (15/308171-21) heeft de raadsman verzocht om deze af te wijzen. Daarbij heeft de raadsman verzocht om de bijzondere voorwaarden te wijzigen, in die zin dat alleen het contactverbod met U.S. Hussain, geboren 28 september 2007, als bijzondere voorwaarde blijft gelden.
Oordeel van de rechtbank
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 13/113392-20 dient te worden afgewezen.
Ten aanzien van de vordering met parketnummer 23/002619-13 (15/308171-21) is de rechtbank eveneens van oordeel dat deze dient te worden afgewezen. De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden, dan wel de voorwaarden te wijzigen. De verdachte is pas korte tijd weer vrij nadat hij lange tijd in voorlopige hechtenis heeft gezeten. Recent heeft hij zelf nog contact opgenomen met de reclassering. De rechtbank is daarom van oordeel dat het op dit moment nog te vroeg is om te spreken van een reële kans die de verdachte zou hebben gehad tot het nakomen van de gestelde voorwaarden. De reclassering heeft ter zitting bovendien niet concreet kunnen maken waarom de bijzondere voorwaarden onuitvoerbaar zouden zijn wegens veiligheidsoverwegingen. De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie daarom afwijzen.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikelen 36f, 38v, 38w, 63, 285 van het Wetboek van Strafrecht.
artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.
11. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 365 [driehonderdvijfenzestig] dagen.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vrijheidsbeperkende maatregelen ex art. 38v Sr
Legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van drie jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
Van het contactverbod met [benadeelde 1] kan enkel worden afgeweken met tussenkomst van professionele hulpverlening en in overleg met Veilig Thuis of een soortgelijke instantie.
Daarbij zal de veroordeelde zich voor de duur van drie jaren niet bevinden in:
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan (één van) de maatregel(en) wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt zeven dagen voor iedere keer dat niet aan (één van) de maatregel(en) wordt voldaan, met een maximum van zes maanden vervangende hechtenis.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregelen, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Vordering benadeelde partij [benadeelde 3]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 3] geleden schade tot een bedrag van € 825,-, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 3], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 3] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 825,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Vorderingen tenuitvoerlegging
Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/113392-20 opgelegde voorwaardelijke straf.
Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak van de bij arrest van het gerechtshof Amsterdam met parketnummer 23/002619-13 (15/308171-21).
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. A. Buiskool, voorzitter
mr. J.M. Jongkind mr. E. van Kampen, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.B.A.F. Burggraaf,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 maart 2026.
Bijlage 1: de tenlastelegging
Ten aanzien van zaak A:
1
hij, op of omstreeks 27 augustus 2023 te Antwerpen [benadeelde 1] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door een (geladen) vuurwapen op het hoofd van die [benadeelde 1] te richten;
2
hij, op of omstreeks 27 augustus 2023 te Antwerpen
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te
weten vuurwapen, van het merk Cvena Zastava, model 70, kaliber 7,65 millimeter
Browning,
zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool
voorhanden heeft gehad;
3
hij, op of omstreeks 19 juni 2024 te Amsterdam
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te
weten een vuurwapen, van het merk Glock, model 17 gen 4 , kaliber 9x19 millimeter,
zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool
voorhanden heeft gehad;
4
hij, op of omstreeks 23 mei 2024 te Amsterdam, althans in Nederland,
[benadeelde 2] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door die [benadeelde 2] middels een (whatsapp)bericht dreigend de woorden toe te
voegen
-"Alle kk apen moeten slapen" en/of
-"Jullie tijd gaat snel komen" en/of
-"Blijf zoeken tot je het vindt suprise staat op je te wachten kk [naam]";
5
hij, op of omstreeks 19 juni 2024 te Amsterdam, althans in Nederland,
[benadeelde 1] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door die [benadeelde 1] middels een (whatsapp)bericht dreigend de woorden toe te voegen
"Je gaat doodgaan, dan pas is het genoeg", althans woorden van gelijke dreigende
aard of strekking;
Ten aanzien van zaak B:
hij op of omstreeks 5 mei 2025 te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer
[benadeelde 3] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door die [benadeelde 3] dreigend de woorden toe te voegen
- " Ik hoop dat je voor je zoon kan staan als er kankerkogels door het/je hoofd gaan
vliegen, ja" en/of
- " Ik hoop voor je dat je kogels kan vangen voor je zoon.", althans woorden van
gelijke dreigende aard of strekking;
Ten aanzien van zaak C:
1
hij op of omstreeks 12 februari 2025 te Grave, gemeente Land van Cuijk,althans in
ieder geval in Nederland, [benadeelde 1] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door die [benadeelde 1] onder andere ((telefonisch) dreigend de woorden toe te voegen "Ik
zweer op de Koran, als ik hier uit kom, ik neuk je hele kankerfamilie en/of ik schiet
jullie allemaal dood ja, allemaal je gaat zien, ik neem iedereen mee ja en/of
niemand van jullie zal het nog overleven die balla's (fon) gaan dwars door je kanker
hoofd", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
2
hij op of omstreeks 23 november 2025 te Grave, gemeente Land van Cuijk
[benadeelde 1] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door die [benadeelde 1] onder andere dreigend de woorden toe te voegen "Praat niet zo
stoer, luister oellah (fon) Je denkt dat je zo tegen mij kan praten terwijl ik over 3
weken buiten ben. Oellah (fon) ik ga je gewoon echt kieren en ik heb schijt aan dat
mensen dit horen.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking