RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/278299-25, 15/344320-25 en 15/001356-22 (vordering tul)
Uitspraakdatum: 26 maart 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 maart 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres 1],
nu gedetineerd in P.I. Zwolle Zuid 1.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. K. Leyendeckers, en van wat door de verdachte en zijn raadsman, mr. E. Boskma, advocaat te Alkmaar, naar voren is gebracht.
1. Tenlastelegging
De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij twee inbraken in Den Helder heeft (mede)gepleegd: op 20 oktober 2025 in een woning aan de Volkerakstraat en op 18 augustus 2025 in een bedrijfspand aan de Drs. Bijlweg. De volledige tekst van de (tijdens de zitting van 12 maart 2026 gewijzigde) tenlastelegging staat in bijlage 1 bij dit vonnis.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide inbraken.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van de inbraak op 18 augustus 2025 in het bedrijfspand, wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat betreft de inbraak op 20 oktober 2025.
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak inbraak bedrijfspand 18 augustus 2025 (parketnummer 15/334320-25)
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder het parketnummer 15/334320-25 ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. Het dossier bevat geen bewijs op basis waarvan de rechtbank met voldoende zekerheid kan vaststellen dat de verdachte de derde persoon is die op de camerabeelden van de inbraak is te zien. De verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], die zelf hebben bekend bij die inbraak betrokken te zijn geweest en die de verdachte hebben aangewezen als medepleger, zijn niet gelijkluidend over de rol die de verdachte daarbij zou hebben gespeeld. Dat twee van de gestolen fatbikes zijn aangetroffen in de schuur van de partner van de verdachte, leidt niet tot een andere weging. Die partner, de getuige Nuijens, heeft immers ook verklaard dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt: de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]) degenen kunnen zijn geweest die de fatbikes in haar schuur hebben gezet. De rechtbank spreekt de verdachte dan ook vrij van het ten laste gelegde.
Bewijs inbraak woning 20 oktober 2025 (parketnummer 15/278299-25)
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde onder het parketnummer 15/278299-25. Aangezien de verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak hiervoor is bepleit, zal de rechtbank volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan zij tot een bewezenverklaring is gekomen.
De hierna te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.
de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 12 maart 2026;
een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] van 20 oktober 2025 (dossierpagina 84 e.v.);
een proces-verbaal van bevindingen van 20 oktober 2025 (dossierpagina 89 e.v.).
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde onder parketnummer 15/278299-25 heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 20 oktober 2025 te Den Helder, tezamen en in vereniging met een ander, in een woning, te weten de [adres 2], alwaar hij, verdachte, en zijn mededader zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevonden, goederen van hun gading (waaronder sieraden en horloges en contant geld en telefoons), die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] en [benadeelde 3], in elk geval aan een ander toebehoorden hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen van hun gading onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 4º en 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheden.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren, zonder aftrek van de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarbij heeft de officier van justitie opgemerkt dat de proeftijd bij de voorwaardelijke straf die is opgelegd onder parketnummer 15/001356-22, is verstreken. Deze veroordeling behelst daarom een straf die ‘tenuitvoergelegd’ is. Aan de vereisten voor oplegging van een ISD-maatregel is daarom voldaan.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht aan de verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen met daarbij onder meer als voorwaarde dat de verdachte meewerkt aan een behandeling in een triple-diagnosekliniek. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat een onvoorwaardelijke ISD-maatregel passend en geboden is, heeft de raadsman subsidiair verzocht dat de rechtbank aan zal sturen op een behandeling in een triple-diagnosekliniek.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een woninginbraak. De verdachte heeft samen met zijn medeverdachte de deur van een woning geforceerd met een slotentrekker en sieraden, horloges, telefoons en contant geld gestolen uit de woning. De verdachte heeft bij de eigenaren schade en overlast veroorzaakt en er blijk van gegeven geen respect te hebben voor andermans eigendommen. Door de goederen uit de woning mee te nemen, heeft de verdachte ook een forse inbreuk gemaakt op de privacy van de bewoners. Het zal voor hen bijzonder onaangenaam zijn om te leven met de wetenschap dat er vreemden in hun woning zijn geweest en hun persoonlijke bezittingen hebben doorzocht. Bij zijn vlucht is de verdachte in een vijver van de buren gevallen, waarbij hij schade heeft toegebracht aan een voerautomaat. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte aan.
De persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op zijn strafblad van 11 maart 2026, waaruit blijkt dat hij vele malen eerder voor diefstallen en andere (gekwalificeerde) vermogensdelicten tot onherroepelijke vrijheidsbenemende straffen is veroordeeld. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport dat [reclasseringswerker], als reclasseringswerker verbonden aan GGZ Reclassering Tactus, op 19 december 2025, over de verdachte heeft uitgebracht. In dit rapport adviseert de reclassering om aan de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen voor de duur van twee jaar. Het advies houdt onder meer het volgende in:
Er zijn bij de verdachte risicofactoren op nagenoeg alle leefgebieden, maar overmatig middelengebruik en psychosociaal functioneren staan op de voorgrond. Zolang de verdachte terug blijft vallen in zijn middelengebruik en er aan zijn maatschappelijke situatie niets verbetert, zal een nieuw door hem gepleegd strafbaar feit slechts een kwestie van tijd zijn. Wij achten daarmee een klinische behandeling noodzakelijk. Binnen een voorwaardelijk kader zal de verdachte niet weten te profiteren van behandeling, vanwege het hoge risico ten aanzien van onttrekking. Meerdere reclasseringstoezichten binnen een voorwaardelijk kader zijn voortijdig negatief geëindigd. Binnen een onvoorwaardelijke ISD-maatregel heeft de verdachte de mogelijkheid om extramuraal behandeling te volgen binnen een triple-diagnosekliniek, waarvan hij momenteel aangeeft graag behandeling te willen ontvangen. Daarbij is de zekerheid dat, indien deze behandeling stagneert, de verdachte alsnog intramuraal binnen de gestructureerde setting van de penitentiaire instelling terecht komt en er op deze manier verder gewerkt kan worden aan gedragsverandering en het laten inslijten van nieuwe patronen.
Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog.
Het risico op letsel wordt ingeschat als gemiddeld.
Het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als hoog.
De rechtbank heeft reclasseringswerker [reclasseringswerker] op zitting als deskundige gehoord. Zij heeft het advies om een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen, gemotiveerd gehandhaafd.
Juridische mogelijkheid en oplegging van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat aan alle voorwaarden van artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is voldaan en sluit zich aan bij het advies van de reclassering. De rechtbank is van oordeel dat er geen passend alternatief is voor het opleggen van een ISD-maatregel en zij acht oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaren noodzakelijk.
Dat aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van een ISD-maatregel is voldaan, blijkt uit het volgende. Het strafbare feit (gekwalificeerde diefstal) dat de verdachte heeft begaan betreft een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. De verdachte is de afgelopen vijf jaren ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot vrijheidsbenemende straffen en taakstraffen en het onderhavige feit is begaan na volledige tenuitvoerlegging hiervan. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank rekent de veroordeling in de zaak met parketnummer 15/001356-22 tot één van deze drie onherroepelijke veroordelingen waarvan de opgelegde straf volledig ten uitvoer is gelegd. In die zaak is aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden en een onvoorwaardelijke taakstraf van 150 uren opgelegd. De taakstraf is niet uitgevoerd; de verdachte heeft de vervangende hechtenis uitgezeten. Van een deel van de voorwaardelijke gevangenisstraf (één maand) is eerder besloten dat die alsnog ten uitvoer moest worden gelegd. Het resterende deel van de voorwaardelijke gevangenisstraf is niet ten uitvoer gelegd. De proeftijd is inmiddels verstreken.
Indien een veroordeelde recidiveert na oplegging van een geheel of gedeeltelijke voorwaardelijke vrijheidsbenemende straf of taakstraf, waarvan de proeftijd is verstreken zonder dat die voorwaardelijke vrijheidsbenemende straf of taakstraf (volledig) is uitgezeten dan wel is uitgevoerd – zoals in onderhavige zaak ten aanzien van parketnummer 15/001356-22 het geval is – staat vast dat die veroordeling niet het gewenste effect heeft gehad en dat de veroordeelde zich ongevoelig heeft getoond voor die strafrechtelijke interventie. In dat licht bezien dient deze deels voorwaardelijk opgelegde straf waarvan de proeftijd inmiddels is verstreken, te worden aangemerkt als straf die ‘volledig tenuitvoergelegd’ is.
Uit het strafblad van de verdachte en de rapportage van de reclassering blijkt dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. De veiligheid van goederen vereist de oplegging van de maatregel en ook de maatschappij dient te worden beschermd. In het verleden ingezette interventies hebben niet tot het beoogde resultaat geleid, waardoor de rechtbank oplegging van een ISD-maatregel in een voorwaardelijk kader niet passend acht. Uit het advies van de reclassering en de toelichting daarop ter terechtzitting blijkt dat het van belang is dat de verdachte klinisch wordt behandeld binnen een triple-diagnosekliniek om het patroon van delictgedrag te doorbreken. Het is van belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen.
Alles afwegende zal de rechtbank de onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de maximale termijn van twee jaar opleggen, zonder aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
7. Vordering tot tenuitvoerlegging
Bij vonnis van 30 maart 2023 in de zaak met parketnummer 15/001356-22 heeft de politierechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, de verdachte voor onder andere gekwalificeerde diefstallen veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en onder verschillende bijzondere voorwaarden. De mededeling als bedoeld in artikel 366a Sv is op 19 april 2023 aan de verdachte toegezonden. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 14 april 2023 en is geëindigd op 16 oktober 2025.
De officier van justitie heeft op zitting gevorderd dat, gelet op haar eis in de hoofdzaak, de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf zal afwijzen. De verdediging heeft ook verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, aangezien de proeftijd ten tijde van het ten laste gelegde onder parketnummer 15/278299-25 al was verlopen.
De rechtbank is bevoegd over de vordering te oordelen en de officier van justitie is daarin ontvankelijk. De rechtbank zal de vordering afwijzen, aangezien de proeftijd reeds was verlopen ten tijde van het ten laste gelegde onder parketnummer 15/278299-25 en gelet op de vrijspraak van het ten laste gelegde onder parketnummer 15/344320-25.
8. Beslag - voorwerpen waarover een beslissing moet worden genomen
In het dossier bevindt zich een beslaglijst. Op de terechtzitting van 12 maart 2026 heeft de officier van justitie medegedeeld dat het strafrechtelijk beslag op de op die lijst vermelde goederen – een geldbedrag à € 550,00, gereedschappen en tassen – nog niet is geëindigd. Er rust ook conservatoir beslag op het voornoemde geldbedrag. De rechtbank zal hieronder over deze goederen een beslissing nemen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gereedschappen en de tassen verbeurd verklaard dienen te worden en het geldbedrag dient te worden teruggegeven aan de verdachte. Gelet op het conservatoir beslag dat rust op het geldbedrag, zal teruggave in de praktijk niet volgen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft zich met betrekking tot het geldbedrag op het standpunt gesteld dat een bedrag à € 300,00 dient te worden teruggegeven aan de verdachte.
Het oordeel van de rechtbank
Bijkomende straf – verbeurdverklaring
De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten de op de beslaglijst onder nummers 2 tot en met 9 vermelde goederen – gereedschappen en tassen – dienen te worden verbeurdverklaard. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met behulp van die voorwerpen, die aan de verdachte toebehoren, is begaan.
Bewaring ten behoeve van, en teruggave aan de rechthebbende(n)
De rechtbank is van oordeel dat het onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedrag van € 550,00, te weten het op de beslaglijst onder nummer 1 vermelde goed, dient te worden teruggegeven aan [benadeelde 2] tot een bedrag van € 250,00. Zij kan gelet op haar vordering tot schadevergoeding, de (aanvullende) aangifte van haar dochter, [benadeelde 1], en de verklaring van de verdachte tijdens de zitting, redelijkerwijs als rechthebbende worden aangemerkt.
De rechtbank is van oordeel dat het resterende deel, à € 300,00, dient te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende(n). Tot nu toe kan geen persoon als rechthebbende van het geldbedrag worden aangemerkt. De verdachte heeft verklaard dat hij denkt dat het geld dat bij de aanhouding bij hem is aangetroffen afkomstig is van de diefstal uit de woning en heeft in ieder geval niet verklaard dat het geld aan hem toebehoort.
9. De vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel
De vordering van [benadeelde 2]
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen de verdachte welke bestaat uit materiële schade die zij als gevolg van het bewezenverklaarde zou hebben geleden.
De gestelde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- gestolen contant geld à € 250,00;
- twee ringen; de benadeelde heeft de (geschatte) waarde daarvan niet genoemd.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de benadeelde partij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij nog contant geld door de diefstal mist en heeft verzocht die post à € 250,00 geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft verzocht de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, omdat de andere schadepost (twee ringen) onvoldoende is onderbouwd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 250,00 en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank wijst de gevorderde materiële schade ten behoeve van het bedrag van € 250,00 af. Dit bedrag is reeds bij het beslag onder 8.3.2 aan bod gekomen, waar is bepaald dat dit bedrag zal worden teruggegeven aan de rechthebbende, [benadeelde 2]. Nu een bedrag van € 250,00 aan de benadeelde partij wordt teruggeven, is er geen reden meer (geen schade meer) om te bepalen dat de verdachte deze schade moet vergoeden.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor het overige onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij heeft geen (geschatte) waarde van de ringen benoemd en de ringen ook niet meer precies omschreven (bijvoorbeeld van welk materiaal de ringen zijn gemaakt). Er is daarom onvoldoende informatie om de waarde van de ringen te bepalen. De rechtbank zal de benadeelde partij voor dit gedeelte niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, Sv kan de benadeelde partij dit gedeelte van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Gelet op de reden voor afwijzing van de vordering van € 250,00, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.
De vordering van [benadeelde 4]
De benadeelde partij [benadeelde 4] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen de verdachte van in totaal € 431,59 bestaande uit materiële schade die hij als gevolg van het bewezenverklaarde zou hebben geleden.
De gestelde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- JBL propond autofood voerautomaat à € 349,95;
- 8 kg color growth profi à € 81,64.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij geheel af te wijzen wegens het ontbreken van een causaal verband tussen het handelen van de verdachte en de gevorderde schade. Er is ook niet met stukken onderbouwd dat er schade is geleden.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank wijst de gevorderde schade ten aanzien van de voerautomaat à € 349,95 toe. Op grond van het dossier is voldoende komen vast te staan dat de verdachte tijdens zijn vlucht voor de politie in de vijver van de benadeelde partij is gevallen. De rechtbank heeft op basis van het dossier vastgesteld dat de benadeelde partij vrijwel direct na de diefstal contact heeft opgenomen met de politie en heeft aangegeven dat hij schade had aan onder meer het voersysteem van de vissen. De schadepost is tevens voldoende onderbouwd doordat er een factuur van de aanschaf van het voerautomaat is overgelegd. Daarmee is sprake van een rechtstreeks en causaal verband tussen de geleden schade en het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. De rechtbank wijst daarom de gevorderde schade tot een bedrag van € 349,95 toe, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank is van oordeel dat niet voldoende is vast komen te staan dat er schade is ontstaan aan acht kilo vissenvoer en zal de benadeelde partij voor dat gedeelte niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, Sv kan de benadeelde partij dit gedeelte van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van de verdachte zijn bewezenverklaarde handelen [kort gezegd: gekwalificeerde diefstal] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
33, 33a, 36f, 38m, 38n en 311 Sr.
11. Beslissing
De rechtbank:
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte is ten laste gelegd onder parketnummer 15/344320-25 en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde onder parketnummer 15/278299-25 heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;
bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
legt op de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren;
wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de zaak met parketnummer 15/001356-22 opgelegde voorwaardelijke straf;
verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 2 tot en met 9 genoemde voorwerpen, te weten:
* 1 STK Slotentrekker (PL1100-2025245300-1784756, Zwart);
* 1 STK Tang (PL1100-2025245300-1784765, Langbekpunttang);
* 1 STK Boormachine (PL1100-2025245300-1784766, Groen, merk: Metabo);
* 1 STK Beitel (PL1100-2025245300-1784767, Bahco);
* 1 STK Beitel (PL1100-2025245300-1784768, Zwart, merk: Sandvik);
* 1 STK Schroevendraaier (PL1100-2025245300-1784770, Zwart);
* 1 STK Tas (PL1100-2025245300-1784880, Targus Laptoprugzak);
* 1 STK Rugzak (PL1100-2025245300-1784879, Northwest Tactical);
gelast de teruggave aan de rechthebbende, zijnde [benadeelde 2], van een gedeelte van het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten:
* 250,00 EUR Geld Euro (PL1100-2025245300-1784820);
gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) van een gedeelte van het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten:
* 300,00 EUR Geld Euro (PL1100-2025245300-1784820);
Benadeelde partij [benadeelde 2]
wijst af de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade à € 250,00;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;
Benadeelde partij [benadeelde 4]
wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 4] geleden schade tot een bedrag van € 349,95 (zegge: driehonderdnegenenveertig euro en vijfennegentig cent), bestaande uit materiële schade en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 4], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;
Schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 4] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 349,95 (zegge: driehonderdnegenenveertig euro en vijfennegentig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door drie dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, waarbij geldt dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.M. Jongkind, voorzitter,
mr. S.J. Riem en mr. H. Bakker, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. E. Saelens
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 maart 2026.
Bijlage 1: de tenlastelegging
15/278299-25
hij op of omstreeks 20 oktober 2025 te Den Helder, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten de [adres 2], alwaar hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond/bevonden, een of meer goederen van zijn/hun gading (waaronder sieraden en/of horloges en/of contant geld en/of telefoons), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft/hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen van zijn/hun gading onder zijn/hun bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;
15/344320-25
hij op of omstreeks 18 augustus 2025 te Den Helder tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere fatbikes en/of bromfietsen en/of sleutels en/of uitleesapparaten en/of helmen en/of geldbedragen en/of flessen spa rood en/of bosmaaiers, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.