RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer : 15/034856-20
Raadkamernummer : 26/003887
Datum : 26 maart 2026
Beslissing van de meervoudige strafkamer op het verzoek op grond van artikel 6:6:26 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres],
voor deze procedure woonplaats kiezend op het kantoor van zijn raadsman,
mr. C.F. Korvinus, Raadhuisstraat 52D, 1016 DG in Amsterdam,
hierna te noemen: de verzoeker.
Feiten
Bij vonnis van 29 oktober 2020 heeft deze rechtbank de verzoeker veroordeeld ter zake van – kort gezegd – witwassen, de invoer van ketamine en valsheid in geschrift. In een vonnis van dezelfde datum heeft deze rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel, verkregen door middel van of uit baten van deze strafbare feiten, geschat op € 212.496,-. De rechtbank heeft aan de verzoeker de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dit bedrag. Tegen dit vonnis is door de verzoeker hoger beroep ingesteld.
Het gerechtshof te Amsterdam heeft de verzoeker op 14 maart 2024 veroordeeld ter zake van voornoemde strafbare feiten en heeft in een arrest van dezelfde datum het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 162.322,50. Het gerechtshof in Amsterdam heeft aan de verzoeker de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dit bedrag. Deze arresten zijn op 1 april 2025 onherroepelijk geworden.
Volledige betaling van het vastgestelde bedrag is tot op heden uitgebleven. Na aftrek van de maandelijkse betalingen van de verzoeker bedraagt het verschuldigde bedrag nu nog € 159.922,50.
Procedure
Op 5 februari 2026 heeft de griffie van deze rechtbank een verzoek ontvangen tot kwijtschelding dan wel vermindering van het geldbedrag dat de verzoeker verplicht is te betalen aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het vastgestelde bedrag).
Op 11 maart 2026 heeft de rechtbank een reactie op het ingediende verzoekschrift ontvangen van het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: CJIB).
De rechtbank heeft op 12 maart 2026 het verzoek ter zitting behandeld. De verzoeker is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet verschenen. De rechtbank heeft wel de officier van justitie, K. Leyendeckers, en de raadsman van de verzoeker, mr. C.F. Korvinus, op zitting gehoord.
Verzoek
In het verzoekschrift heeft de raadsman primair verzocht om kwijtschelding van het vastgestelde bedrag en subsidiair om vermindering daarvan tot € 20.000,-, zodat een aflossing van € 400,- per maand alsmede een éénmalige betaling van een bedrag van € 5.000,- leidt tot een afbetaling van de ontnemingsvordering binnen een redelijke termijn. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de verzoeker thans moet rondkomen van een AOW-uitkering en vanwege zijn leeftijd en slechte gezondheid niet in staat is meer inkomen te verwerven. De verzoeker beschikt nu niet over vermogen en zal hier in de toekomst ook niet over beschikken.
Ter zitting heeft de raadsman verzocht de behandeling van het verzoekschrift aan te houden voor een termijn van drie maanden in afwachting van het onderzoek dat volgens de officier van justitie thans door het CJIB wordt uitgevoerd. De officier van justitie heeft ter zitting meegedeeld dat het CJIB een onderzoek verricht naar, kort gezegd, de financiële positie van de verzoeker.
Advies van het CJIB
Het CJIB heeft geadviseerd het verzoek tot kwijtschelding of vermindering van het vastgestelde bedrag af te wijzen. Het CJIB stelt zich op het standpunt dat de verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij hem sprake is van blijvende betalingsonmacht.
Volgens het CJIB heeft de verzoeker zijn financiële situatie niet voldoende inzichtelijk gemaakt. Uit de stukken die hij heeft overgelegd blijkt niet dat hij nu geen draagkracht heeft en in de toekomst niet zal hebben. De leeftijd van de verzoeker en het feit dat hij een AOW-uitkering ontvangt zijn daartoe niet voldoende en ook, door het hof, bij de bepaling van de hoogte van het vastgestelde geldbedrag, betrokken.
Voorts heeft de verzoeker niet toegelicht hoe het bedrag, dat hij aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft ontvangen, heeft besteed. Uit de door de verzoeker overgelegde stukken blijkt dat hij geld heeft overgeschreven van zijn bankrekening naar de bankrekeningen van twee van zijn kinderen. Het CJIB kan dan ook niet uitsluiten dat de verzoeker het wederrechtelijk verkregen vermogen elders heeft ondergebracht.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht het verzoek in zijn geheel af te wijzen. De verzoeker heeft zijn financiële situatie niet voldoende inzichtelijk gemaakt. Daarmee heeft hij niet voldoende onderbouwd dat zijn huidige en toekomstige draagkracht ontoereikend is om aan de betalingsverplichting te kunnen voldoen en daarom het bedrag dat het hof onherroepelijk heeft vastgesteld moet worden kwijtgescholden of verminderd. De officier van justitie heeft daarbij opgemerkt dat het CJIB thans onderzoekt of de verzoeker het wederrechtelijk verkregen voordeel op andere bankrekeningen heeft veiliggesteld. De officier van justitie verzet zich tegen aanhouding van de behandeling van dit verzoekschrift om dat onderzoek af te wachten.
Beoordeling
Op grond van artikel 6:6:26 Sv kan de rechter op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de veroordeelde het in de opgelegde verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vastgestelde bedrag verminderen of kwijtschelden of bevelen dat een reeds betaald of verhaald bedrag geheel of gedeeltelijk wordt teruggegeven of aan een derde wordt uitgekeerd.
De rechtbank stelt voorop dat voor de behandeling en beoordeling van een verzoek als het onderhavige geldt dat de procedure niet is toegesneden op een omvangrijk en diepgaand feitenonderzoek. Om in aanmerking te komen voor kwijtschelding dan wel vermindering van de opgelegde betalingsverplichting rust op de verzoeker de verplichting om gemotiveerd en met bewijsstukken onderbouwd aannemelijk te maken dat nu en in de toekomst bij de veroordeelde geen draagkracht aanwezig is en zal zijn om het te betalen bedrag te voldoen.
De rechtbank stelt het volgende vast.
De verzoeker heeft aangevoerd dat hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en moet rondkomen van enkel een AOW-uitkering. Ter onderbouwing van zijn financiële positie heeft hij twee bankafschriften van twee bankrekeningen op zijn naam in Pakistan overgelegd.
Naar het oordeel van de rechtbank is het enkele feit dat de verzoeker de leeftijd van 67 jaar heeft bereikt en een AOW-uitkering heeft, niet voldoende om te kunnen vaststellen dat bij de verzoeker sprake is van (blijvende) betalingsonmacht. De overgelegde bankrekeningafschriften uit Pakistan zijn, naar het oordeel van de rechtbank, evenmin voldoende om inzicht te krijgen in de algehele financiële situatie van de verzoeker.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij hem sprake is van betalingsonmacht in die zin dat hij nu en in de toekomst over onvoldoende financiële draagkracht zal beschikken om de aan hem opgelegde betalingsverplichting te kunnen voldoen.
Van de verzoeker mag worden verwacht dat hij concrete en verifieerbare gegevens in de procedure brengt en zijn inkomsten en uitgavenpatroon volledig onderbouwt aan de hand van bankafschriften en andere documenten. Daar heeft hij niet aan voldaan. Dat er mogelijk nog onderzoek door het CJIB wordt verricht naar de vraag of de verzoeker het wederrechtelijk verkregen vermogen elders heeft ondergebracht, maakt dit niet anders. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de behandeling van het verzoekschrift aan te houden in afwachting van dat onderzoek, zoals de raadsman heeft verzocht.
De rechtbank zal het primaire verzoek tot kwijtschelding en het subsidiaire verzoek tot vermindering daarom afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
- wijst het primair verzoek tot kwijtschelding af;
- wijst het subsidiaire verzoek tot vermindering af.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Deze beslissing is gewezen door:
mr. S.J. Riem, voorzitter,
mr. J.M. Jongkind en mr. H. Bakker, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. E. Saelens
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 maart 2026.