RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie & Jeugd
Locatie Alkmaar
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 15/215870-24 (P)
Uitspraakdatum: 18 februari 2026
Tegenspraak
Vonnis
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen met gesloten deuren van 3 en 4 februari 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
- de vordering van de officier van justitie, [officier van justitie] , en van wat:- de verdachte en zijn raadsvrouw J.J.C. Engels, advocaat te Heerhugowaard;
- [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad);
- [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] namens de Jeugd- en Gezinsbeschermers (hierna: de jeugdreclassering), en- de aangever [de benadeelde partij] (hierna: het slachtoffer of de benadeelde partij) en zijn raadsvrouw mr. M.F. van der Sleen, advocaat te Alkmaar
naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 26 juni 2024 te Alkmaar, althans in Nederland, tezamen en in
vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door
verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [de benadeelde partij] opzettelijk
van het leven te beroven,
- die [de benadeelde partij] onder dreiging (van gebruik van een taser) naar een steeg, althans een
afgelegen plek, heeft meegenomen en/of
- meermaals met gebalde vuisten in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd, althans
het lichaam, van die [de benadeelde partij] heeft geslagen tengevolge waarvan die [de benadeelde partij] ten val is
gekomen en/of
- meermalen met kracht tegen/in/op het gezicht en/of hoofd, althans het lichaam,
heeft geslagen terwijl die [de benadeelde partij] op de grond lag en/of
- meermalen met kracht en/of met geschoeide voet tegen/in/op het gezicht en/of
het hoofd, althans het lichaam, heeft geschopt en/of getrapt terwijl [de benadeelde partij] op de
grond lag,
- ( daarbij) 'maak hem dood, sla hem dood', althans woorden van gelijke strekking,
heeft geroepen
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 26 juni 2024 te Alkmaar tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [de benadeelde partij] opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten
- een breuk in de voor- en zijwand van de kaak(bijholte) en/of
- een breuk in de voor- en zijwand van de voorhoofdholte(s) en/of
- een breuk in de neus,
heeft toegebracht, door
- meermaals met gebalde vuisten in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd, althans
het lichaam, van die [de benadeelde partij] te slaan tengevolge waarvan die [de benadeelde partij] ten val is gekomen
en/of
- meermalen met kracht tegen/in/op het gezicht en/of hoofd, althans het lichaam,
te slaan terwijl die [de benadeelde partij] op de grond lag en/of
- meermalen met kracht en/of met geschoeide voet tegen/in/op het gezicht en/of
het hoofd, althans het lichaam, te schoppen en/of te trappen terwijl [de benadeelde partij] op de
grond lag;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 26 juni 2024 te Alkmaar openlijk, te weten, aan de [straat] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [de benadeelde partij] , door
- die [de benadeelde partij] onder dreiging (van gebruik van een taser) naar een steeg, althans een afgelegen plek, mee te nemen en/of
- zich in die steeg te begeven en daar om/rond die [de benadeelde partij] te gaan staan (waardoor deze zich niet, althans minder makkelijk, aan het geweld kon onttrekken) en/of
- meermaals met gebalde vuisten in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd, althans het lichaam, van die [de benadeelde partij] te slaan tengevolge waarvan die [de benadeelde partij] ten val is gekomen en/of
- meermalen met kracht tegen/in/op het gezicht en/of hoofd, althans het lichaam, van die [de benadeelde partij] te slaan terwijl die voornoemde [de benadeelde partij] op de grond lag en/of
- meermalen met kracht en/of met geschoeide voet tegen/in/op het gezicht en/of het hoofd, althans het lichaam, van die [de benadeelde partij] te schoppen en/of te trappen terwijl voornoemde [de benadeelde partij] op de grond lag en/of
- ( daarbij) 'maak hem dood, sla hem dood', althans woorden van gelijke strekking, te roepen.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit en tot bewezenverklaring van het meer subsidiair ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft eveneens bepleit tot vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit en tot bewezenverklaring van het meer subsidiair ten laste gelegde feit, de openlijke geweldpleging.
Oordeel van de rechtbank
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt, anders dan de officier van justitie en de verdediging, wel tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
Bewijsmotivering medeplegen zware mishandeling Verklaring van de verdachte
De verdachte heeft verklaard dat het klopt dat hij samen met een medeverdachte het slachtoffer, onder een zekere mate van dwang, naar een steeg heeft geleid, hem in die steeg bij zijn kraag heeft gepakt en heeft gedwongen om hem een filmpje te geven dat op de telefoon van het slachtoffer was opgeslagen. De verdachte heeft consequent ontkend het slachtoffer te hebben geschopt of geslagen of daarmee enige bemoeienis te hebben gehad. Hij betwist dat hij medeverdachten heeft gevraagd om naar de steeg te komen of hen te hebben aangezet tot het slaan of schoppen van het slachtoffer.
Vaststelling van de feiten
De rechtbank acht deze ontkennende verklaring van de verdachte niet geloofwaardig. De rechtbank ziet daarentegen de aangifte van het slachtoffer als een gedetailleerde en consistente verklaring, die bovendien in belangrijke mate wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. De rechtbank neemt de aangifte van het slachtoffer daarom als uitgangspunt bij de vaststelling van de feiten.
Het slachtoffer heeft verklaard dat hij op 26 juni 2024 naar de sportschool was geweest en, eenmaal buiten, werd aangesproken door twee jongens die hij uit de buurt kende, waaronder de verdachte. De verdachte zei tegen hem dat hij één-op-één met hem wilde praten. Nadat het slachtoffer aangaf dit niet te willen, heeft de verdachte hem bedreigd en onder druk van die bedreiging heeft het slachtoffer de verdachte gevolgd. Het slachtoffer zag vervolgens een groep van ongeveer tien jongens in de steeg naast de sportschool staan. Van deze groep herkende het slachtoffer in ieder geval het jongere broertje van de verdachte. Uit de verklaringen van een zestal medeverdachten blijkt dat zij, na door de verdachte daartoe te zijn benaderd, inderdaad in de steeg op het slachtoffer hebben staan wachten. De verklaring van het slachtoffer wordt op dit punt ook ondersteund door het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant [verbalisant] van 28 juni 2024, waarin de camerabeelden ter plaatse worden beschreven.
In de steeg moest het slachtoffer aan de verdachte een video op zijn telefoon laten zien, waarna de verdachte deze video met zijn eigen telefoon filmde. Verder verklaart het slachtoffer dat hij in de steeg is geslagen en tegen een muur ten val is gekomen, waarna de verdachte en zijn jongere broertje hem meerdere malen in zijn gezicht en tegen zijn hoofd hebben geslagen. Dit onderdeel van de verklaring van het slachtoffer vindt onder meer steun in de verklaringen van de medeverdachte [de medeverdachte 1] en het broertje van de verdachte, [het broertje van de verdachte] , die hebben verklaard dat de verdachte het slachtoffer heel hard heeft geslagen.
Conclusie
De rechtbank stelt met de officier van justitie vast dat er op 26 juni 2024 een vooropgezet plan bestond om het slachtoffer op te wachten met een grote groep jongens en hem naar een steeg te brengen. In slechts drie minuten tijd is daar de telefoon van het slachtoffer door de verdachte afgepakt en de video op de telefoon van het slachtoffer opgenomen op de telefoon van de verdachte. Vervolgens is het slachtoffer door meerdere personen, waaronder de verdachte, geslagen en geschopt. Naar het oordeel van de rechtbank staat daarmee reeds vast dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met de medeverdachten en er aldus sprake is van medeplegen. De rechtbank betrekt hierbij verder dat, zoals hiervoor is overwogen, uit de bewijsmiddelen bovendien kan worden afgeleid dat de verdachte ook zelf geweld heeft gebruikt tegen het slachtoffer door hem meerdere keren met kracht in het gezicht te slaan.
Anders dan de officier van justitie is betoogd, is de rechtbank verder van oordeel dat het letsel van het slachtoffer, bestaande uit onder andere meerdere breuken in het gezicht, dient te worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel.
De rechtbank acht dus het medeplegen van zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
Vrijspraak poging tot het medeplegen van doodslag Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen wat de verdachte primair ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat meermalen slaan tegen het hoofd in beginsel onvoldoende is om aan te nemen dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard. Ook kan niet ieder schoppen tegen het hoofd of het lichaam worden aangemerkt als schoppen met het (voorwaardelijk) opzet om het slachtoffer te doden. De door een medeverdachte gegeven ‘penalty’ (harde trap tegen het hoofd) met geschoeide voet, merkt de rechtbank weliswaar wel als zodanig aan, maar van die specifieke trap staat niet vast dat de samenwerking tussen de verdachten daarop was gericht of dat daarbij sprake was van een gezamenlijke uitvoering.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 26 juni 2024 te Alkmaar tezamen en in vereniging met anderen aan [de benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten
- een breuk in de voor- en zijwand van de kaak(bijholte) en
- een breuk in de voor- en zijwand van de voorhoofdholte(s) en
- een breuk in de neus,
heeft toegebracht, door
- meermaals met gebalde vuisten in het gezicht van die [de benadeelde partij] te slaan ten gevolge waarvan die [de benadeelde partij] ten val is gekomen, en
- meermalen (met kracht) in het gezicht en tegen het hoofd en het lichaam te slaan terwijl die [de benadeelde partij] op de grond lag, en
- meermalen (met kracht) en met geschoeide voet in het gezicht en tegen het hoofd en het lichaam te schoppen terwijl [de benadeelde partij] op de grond lag.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op: medeplegen van zware mishandeling.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.
5. Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.
6. Motivering van de sancties
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaar met als bijzondere voorwaarden toezicht van de jeugdreclassering, en een werkstraf voor de duur van 120 uur met aftrek van het voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit de verdachte te veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 80 uren en af te zien van jeugddetentie in onvoorwaardelijke of voorwaardelijke vorm. De verdediging heeft zich gerefereerd ten aanzien van te bepalen bijzondere voorwaarden.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft samen met anderen het slachtoffer zwaar mishandeld waarbij de verdachte de aanstichter was van het gepleegde geweld. Hij is degene geweest die de groep jongeren het slachtoffer in de steeg liet opwachten en hij heeft het slachtoffer onder bedreiging naar deze steeg gebracht onder het voorwendsel om één-op-één te praten. Het slachtoffer kon geen kant op en moest zich in zijn eentje zien te verweren tegen een grote groep oudere jongens. De verdachte had – zeker gelet op het leeftijdsverschil tussen hem en het slachtoffer – beter moeten weten dan op deze manier te reageren op een ‘kniel en zeg sorry’ filmpje waarop zijn jongere broertje te zien was. Dit neemt de rechtbank de verdachte kwalijk.De verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem (samen met anderen) pijn en letsel toegebracht. Het slachtoffer is tijdens het schoppen en slaan door de groep zelfs even buiten bewustzijn geweest en heeft meerdere breuken in zijn gezicht en een hersenschudding opgelopen.
De ervaring leert bovendien dat slachtoffers van dit soort misdrijven vaak langdurig psychische klachten ondervinden. Uit de vordering tot schadevergoeding en de door het slachtoffer op de zitting zelf voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring blijkt ook dat de gebeurtenissen op 26 juni 2024 traumatiserend zijn geweest en het nog jonge leven van het slachtoffer hebben veranderd. Het slachtoffer is nog steeds vaak bang, op zijn hoede en vertrouwt anderen minder snel. Er is bij het slachtoffer PTSS vastgesteld, waarvoor hij een jaar in behandeling is geweest met onvoldoende resultaat. Hij staat nu op de wachtlijst voor intensievere begeleiding. Verder ervaart het slachtoffer nog dagelijks hoofdpijn, misselijkheid, duizeligheid en concentratieproblemen.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:
- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 6 januari 2026, waaruit blijkt dat hij al eerder voor een geweldsdelict tot een leerstraf is veroordeeld wat de verdachte er kennelijk niet van heeft kunnen weerhouden te recidiveren;
- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 15 januari 2026 van [raadsonderzoeker] , als raadsonderzoeker verbonden aan de Raad voor de Kinderbescherming. De Raad adviseert de verdachte te veroordelen tot een voorwaardelijke jeugddetentie en een onvoorwaardelijke werkstraf.
Met betrekking tot de aan de verdachte op te leggen straf heeft de rechtbank verder nog het volgende overwogen.
Gelet op de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat in beginsel alleen een jeugddetentie op zijn plaats is, mede omdat de verdachte al eerder is veroordeeld voor een openlijke geweldpleging. Uit het rapport van de Raad blijkt echter dat de verdachte zich positief heeft ontwikkeld. Hij doet het goed doet op school, is gemotiveerd om zijn diploma te halen en heeft een duidelijk toekomstperspectief. Bovendien heeft de verdachte naast school passende dagbesteding in de vorm van werk en sport. De kans op recidive lijkt klein. De rechtbank acht daarom, in lijn met de standpunten van de verdediging, de Raad en de officier van justitie, een onvoorwaardelijke jeugddetentie niet passend en zal deze in voorwaardelijke vorm aan de verdachte opleggen.
De rechtbank komt alles afwegende uit op een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van twee maanden. De rechtbank heeft hierbij ook rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Namens de Raad is op de terechtzitting aangegeven dat de inzet van jeugdreclassering als bijzondere voorwaarde meerwaarde heeft als het aandeel van de verdachte bij het strafbare feit groter is dan hij heeft verklaard. De rechtbank sluit zich hierbij aan en acht daarom een verplicht contact met de jeugdreclassering voor de duur van een jaar noodzakelijk, zodat de jeugdreclassering in ieder geval een delictbespreking met de verdachte kan organiseren.
Daarnaast acht de rechtbank een werkstraf voor de duur van 120 uren op zijn plaats, met aftrek van de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht. Op die manier ervaart de verdachte ook direct na het uitspreken van dit vonnis de consequenties van zijn handelen.
7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [de benadeelde partij] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 54.871,47 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. Op de terechtzitting heeft de advocaat van de benadeelde partij toegelicht dat het gevorderde bedrag voor de beschadigde Nike schoenen (onderdeel van de schadepost ‘beschadigde spullen en gemist genot’) wordt bijgesteld van € 189,95 naar € 169,95. Het totaal gevorderde bedrag komt daarmee uit op € 54.851,47. De gestelde schade bestaat uit:
- de mantelzorg door de ouders: € 8.208,-;- de kosten van het verstrekken van medische informatie: € 15,93;- reiskosten: € 20,59;- beschadigde spullen en gemist genot: € 1.606,95 en- smartengeld: € 45.000,-.Met betrekking tot de materiële schade waarvoor geen bewijsstukken kunnen worden overgelegd, is de rechtbank verzocht gebruik te maken van de schattingsbevoegdheid. De benadeelde partij verzoekt de toe te wijzen schade hoofdelijk op te leggen. De vordering moet worden beschouwd als een voorschot op de definitief te bepalen schade, omdat het slachtoffer nog niet volledig is hersteld.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier heeft het standpunt ingenomen dat de gehele vordering hoofdelijk kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering omdat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, ook omdat de vordering laat is ingediend. Subsidiair moet de vordering volledig dan wel gedeeltelijk worden afgewezen, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Er is nog geen sprake van een medische eindsituatie en er kan niet worden vastgesteld in hoeverre de huidige klachten in causaal verband staan met het tenlastegelegde. De enige uitzondering hierop is de kosten om medische informatie op te vragen: de vordering kan in zoverre worden toegewezen.
Het oordeel van de rechtbank Geen onevenredige belasting strafgeding
Mede gelet op het grote belang dat benadeelde partijen erbij hebben op een eenvoudige wijze schadeloos gesteld te worden voor de schade die zij door een strafbaar feit hebben geleden, moet worden voorkomen dat de strafrechter vaker dan nodig gebruik maakt van de bevoegdheid een benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te verklaren omdat de strafrechter vindt dat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Anders dan door de verdediging is bepleit, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat de vordering te laat is ingediend of dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 1.018,52 rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Hieronder zet de rechtbank uiteen hoe deze materiële schade is opgebouwd.
Mantelzorg ouders
Voor de mantelzorg die door de ouders van het slachtoffer is verleend, is een totaalbedrag van € 8.208,- gevorderd. Deze gevorderde schade wordt betwist door de verdediging. De rechtbank stelt vast dat deze gevorderde schade inderdaad onvoldoende is onderbouwd om voor volledige toewijzing in aanmerking te komen. Het is echter voorstelbaar dat het slachtoffer gedurende een korte periode na de pleegdatum mantelzorg nodig heeft gehad. Op basis van de overgelegde medische informatie gaat de rechtbank uit van één uur per dag gedurende een periode van twee weken. De rechtbank is van oordeel dat het door de benadeelde partij gevorderde bedrag van € 18,- per uur, een redelijk bedrag is voor het uitvoeren van mantelzorg. De rechtbank zal, gelet op de gegeven onderbouwing, conform de vordering uitgaan van een bedrag van € 18,- per uur en deze schadepost toewijzen tot een bedrag van € 252,- (veertien maal één uur per dag à € 18,-).
Kosten medische informatie
Voor de kosten van het verstrekken van medische informatie is € 15,93 gevorderd. De rechtbank zal de vordering in zoverre toewijzen, omdat deze schadepost niet is betwist en deze kosten bovendien zijn onderbouwd met een factuur.
Reiskosten
Verder is namens de benadeelde partij € 20,59 aan reiskosten gevorderd. Deze kosten zijn door de verdediging betwist vanwege een gebrek aan onderbouwing. Uit de overgelegde stukken blijkt dat er meerdere sessies bij Praktijk WIJS hebben plaatsgevonden en dat de benadeelde partij op 24 en 26 juni en op 1 en 2 juli 2024 het ziekenhuis in Alkmaar heeft bezocht. De rechtbank zal de vordering daarom ook in zoverre toewijzen.
Beschadigde spullen en gemist genot
Schoenen
Namens de benadeelde partij is € 169,95 gevorderd voor de schoenen die hij tijdens het delict droeg en die hierdoor beschadigd zijn geraakt. De rechtbank is, de betwisting door de verdediging in aanmerking genomen, van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan of en in hoeverre de schoenen van de benadeelde partij door de zware mishandeling beschadigd zijn geraakt. Het dossier bevat slechts een printscreen van het type schoenen die de benadeelde op 26 juni 2024 droeg en foto’s van deze schoenen vóór 26 juni 2024, toen zij nog niet beschadigd waren. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
T-shirt en sportbroek
Ook is namens de benadeelde partij € 30,- gevorderd voor de kleding die door het delict beschadigd is geraakt. De verdediging heeft ook deze schadepost betwist. De rechtbank constateert dat het dossier een foto bevat van de benadeelde partij van direct na de zware mishandeling. Op deze foto zijn bloedspatten op de kleding zichtbaar. Deze schadepost is derhalve onvoldoende betwist, zodat de rechtbank de vordering in zoverre zal toewijzen.
Telefoon
Namens de benadeelde partij is € 700,- gevorderd voor de telefoon die tijdens de gebeurtenissen beschadigd is geraakt. Ook deze schadepost is door de verdediging betwist wegens onvoldoende onderbouwing. Uit het politieverhoor van de medeverdachte [de medeverdachte 2] blijkt echter dat hij de telefoon van het slachtoffer direct na afloop van het delict in handen kreeg en zag dat de telefoon “helemaal kapot en gebarsten” was, waarna hij de telefoon vlakbij het slachtoffer heeft neergelegd. De benadeelde partij heeft bovendien een factuur van deze telefoon van 12 november 2023 à € 800,- overgelegd. De rechtbank beschouwt deze schadepost daarmee als voldoende onderbouwd en zal de vordering daarom ook in zoverre toewijzen.
Fatbike
Namens de benadeelde partij is € 650,- gevorderd voor de fatbike die tijdens het delict beschadigd is geraakt. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat deze schadepost onvoldoende is onderbouwd. Uit het dossier blijkt inderdaad dat het alarm van de fatbike tijdens het delict is afgegaan, maar verdere details of foto’s van schade van de fatbike ontbreken. De rechtbank kan daarom niet vaststellen of en in hoeverre de fatbike beschadigd is geraakt en of een reparatie van de fatbike nog tot de mogelijkheden behoorde. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Gemist genot
Verder is namens de benadeelde partij € 57,- gevorderd, gelijk aan twee maanden contributie van de sportschool van de benadeelde aangezien hij gedurende deze periode niet kon kickboksen door zijn klachten. De rechtbank is, gegeven de betwisting van deze schade door de verdediging, van oordeel dat deze schadepost onvoldoende is onderbouwd. Hoewel het begrijpelijk is dat de benadeelde vanwege zijn letsel enige tijd minder of geen gebruik heeft kunnen maken van zijn sportschoolabonnement, had het door de betwisting van deze schade op de weg van de benadeelde gelegen om deze schade nader te onderbouwen, bijvoorbeeld met een factuur van zijn sportschool. De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Smartengeld
Tot slot is namens de benadeelde partij een bedrag van € 45.000,- gevorderd aan immateriële schade. Vergoeding van de immateriële schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. Anders dan de verdediging heeft gesteld, hoeft er geen sprake te zijn van een medische eindsituatie om toe te kunnen komen aan het toekennen van immateriële schadevergoeding. Er is ook geen aanleiding om aan te nemen dat het ontbreken van een medische eindsituatie in de weg staat aan het gebruik van de zogenaamde Rotterdamse schaal. De rechtbank zal de omvang van de immateriële schadevergoeding vaststellen op basis van de huidige beschikbare medische informatie over de benadeelde partij. Bovendien staat naar het oordeel van de rechtbank, met de door de benadeelde partij gegeven motivering en onderbouwende stukken, vast dat het (psychisch) letsel van de benadeelde partij is veroorzaakt door de zware mishandeling gepleegd op 26 juni 2024, waarmee het causale verband een gegeven is.
De rechtbank ziet aanleiding om wat de schedelbeschadiging betreft aan te sluiten bij de in de Rotterdamse schaal benoemde categorie B (meerdere breuken van botten in het gezicht), omdat uit de medische stukken blijkt dat er sprake is van een deviatie (scheefstand) van de neus van het slachtoffer die blijvend van aard is. Omdat deze deviatie op dit moment minimaal is, er verder geen sprake is van misvorming in het gezicht en nog onduidelijk is of een neuscorrectie na het achttiende levensjaar nodig zal zijn, acht de rechtbank een bedrag billijk dat lager is dan de geadviseerde bandbreedte.
Ten aanzien van de PTSS-klachten zal de rechtbank de verdediging volgen in het subsidiaire standpunt om aan te sluiten bij categorie c (middelzwaar), omdat de zware mishandeling op dit moment nog geen 2 jaar geleden heeft plaatsgevonden en onduidelijk is hoe de PTSS-klachten zich verder zullen ontwikkelen en zullen voortduren.
Anders dan door de benadeelde partij is gesteld, gaat de rechtbank voorbij aan de toepassing van de aanbeveling om bij blijvend letsel bij kinderen jonger dan veertien jaar het smartengeld met 25% te verhogen, omdat, zoals hiervoor aangegeven, de deviatie van de neus van de benadeelde op dit moment minimaal van aard is en vooralsnog niet vaststaat hoe het toestandsbeeld van de benadeelde eruit ziet na 26 juni 2026. De rechtbank ziet wel aanleiding om aan te sluiten bij de aanbeveling om het smartengeld met 25% te verhogen omdat er bij de verdachten sprake is geweest van opzet op het toebrengen van letsel. Alles overziend acht de rechtbank een bedrag van € 10.000,- billijk, zodat de rechtbank de vordering ook in zoverre zal toewijzen. De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Conclusie
Samengevat zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van € 11.018,52, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd. Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil. De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder punt 3.4. bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: het medeplegen van een zware mishandeling] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
Artikelen 36f, 47, 77a, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 302 van het Wetboek van Strafrecht.
9. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van twee maanden.
Beveelt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat:
- dat de veroordeelde zich gedurende één jaar meldt bij de Jeugd- en Gezinsbeschermers gevestigd te Alkmaar en zich op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen hier blijft melden, zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht.
Geeft opdracht aan De Jeugd- en Gezinsbeschermers, gevestigd te [adres] , een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Stelt verder als voorwaarde dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 120 (honderdtwintig) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 60 (zestig) dagen jeugddetentie.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag jeugddetentie, in mindering worden gebracht.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [de benadeelde partij] geleden schade tot een bedrag van € 11.018,52 (elfduizend en achttien euro en tweeënvijftig eurocent), bestaande uit € 10.000,- voor de immateriële en € 1.018,52 voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een van de medeverdachten is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 11.018,52 (elfduizend en achttien euro en tweeënvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen gijzeling, met dien verstande dat toepassing van de vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een van de medeverdachten aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. N. Cuvelier, voorzitter,
mr. E.C.M. van Mierlo en mr. E.G. van Roest, rechters, allen tevens kinderrechter,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.A.C. Sinnige,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 februari 2026.