RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie & Jeugd
Locatie Alkmaar
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 15/220407-24 (P)
Uitspraakdatum: 18 februari 2026
Tegenspraak
Vonnis
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen met gesloten deuren van 3 en 4 februari 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
- de vordering van de officier van justitie, [officier van justitie] , en van wat:- de verdachte en zijn raadsvrouw mr. J.J.C. Engels, advocaat te Heerhugowaard;
- [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en- de aangever [de benadeelde partij] (hierna: het slachtoffer of de benadeelde partij) en zijn raadsvrouw mr. M.F. van der Sleen, advocaat te Alkmaar
naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 26 juni 2024 te Alkmaar tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [de benadeelde partij] opzettelijk van het leven te beroven,
- die [de benadeelde partij] onder dreiging (van gebruik van een taser) naar een steeg, althans een
afgelegen plek, heeft meegenomen en/of
- meermaals met gebalde vuisten in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd, althans
het lichaam, heeft geslagen tengevolge waarvan die [de benadeelde partij] ten val is gekomen en/of
- meermalen met kracht tegen/in/op het gezicht en/of hoofd, althans het lichaam,
heeft geslagen terwijl die [de benadeelde partij] op de grond lag en/of
- meermalen met kracht en/of met geschoeide voet tegen/in/op het gezicht en/of
het hoofd, althans het lichaam, heeft geschopt en/of getrapt terwijl [de benadeelde partij] op de
grond lag en/of
- ( daarbij) 'maak hem dood, sla hem dood', althans woorden van gelijke strekking,
heeft geroepen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 26 juni 2024 te Alkmaar tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [de benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten
- een breuk in de voor- en zijwand van de kaak(bijholte) en/of
- een breuk in de voor- en zijwand van de voorhoofdholte(s) en/of
- een breuk in de neus,
heeft toegebracht, door
- meermaals met gebalde vuisten in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd, althans
het lichaam, te slaan ten gevolge waarvan die [de benadeelde partij] ten val is gekomen en/of
- meermalen met kracht tegen/in/op het gezicht en/of hoofd, althans het lichaam,
te slaan, terwijl die [de benadeelde partij] op de grond lag en/of
- meermalen met kracht en/of met geschoeide voet tegen/in/op het gezicht en/of
het hoofd, althans het lichaam, te schoppen en/of te trappen terwijl [de benadeelde partij] op de
grond lag.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak medeplegen poging doodslag Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte primair ten laste is gelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken. Uit het dossier blijkt dat het slachtoffer door een van de medeverdachten onder bedreiging naar een steeg is geleid waar hij door een groep jongens (waaronder de verdachte), is opgewacht en is geslagen en geschopt. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat het trappen in de buik van het slachtoffer door de verdachte en het slaan en schoppen door de medeverdachten in beginsel onvoldoende is om aan te nemen dat het opzet van de verdachte was gericht op de dood van het slachtoffer. Dit is anders voor wat betreft de door de medeverdachte [de medeverdachte] gegeven “penalty” trap tegen het hoofd van het slachtoffer. Ten aanzien van deze trap kan de rechtbank echter niet vast stellen dat de samenwerking tussen de verdachten hierop was gericht of dat daarbij sprake was van een gezamenlijke uitvoering.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
Bewijsmotivering De verdachte heeft bij de politie bekennend verklaard. Op de terechtzitting is hij erop teruggekomen dat hij het slachtoffer heeft geslagen en heeft hij aangegeven dat hij het slachtoffer niet drie of vier, maar slechts twee keer heeft geschopt. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte op 9 juli 2024 een gedetailleerde verklaring heeft afgelegd bij de politie. Tijdens dit verhoor heeft de verdachte op drie afzonderlijke momenten duidelijk verklaard over het geven van een vuistslag in het gezicht van het slachtoffer en het uitdelen van drie of vier trappen in zijn buik. De rechtbank ziet geen redenen om aan te nemen dat de verdachte deze specifieke en gedetailleerde elementen uit zijn verklaring heeft verzonnen. De uitleg van de verdachte op de zitting dat hij bij zijn politieverhoor ‘in shock’ zou zijn geweest. acht de rechtbank zonder enige verdere onderbouwing niet aannemelijk en vindt ook op geen enkele andere wijze steun in de overige inhoud van het dossier. De rechtbank zal de gewijzigde verklaring van de verdachte op de zitting daarom als ongeloofwaardig terzijde schuiven en uitgaan van de verklaring die hij bij de politie heeft afgelegd. De rechtbank merkt in dit kader nog op dat, ook als de rechtbank wel zou uitgaan van de nadere nuancering van de verklaring, dit niets afdoet aan de bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 26 juni 2024 te Alkmaar tezamen en in vereniging met anderen aan [de benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten
- een breuk in de voor- en zijwand van de kaak(bijholte) en
- een breuk in de voor- en zijwand van de voorhoofdholte(s) en
- een breuk in de neus,
heeft toegebracht, door
- meermaals met gebalde vuisten in het gezicht en tegen het hoofd te slaan ten gevolge waarvan die [de benadeelde partij] ten val is gekomen en
- meermalen (met kracht) in het gezicht en tegen het hoofd en het lichaam te slaan terwijl die [de benadeelde partij] op de grond lag en
- meermalen (met kracht) en met geschoeide voet in het gezicht en tegen het hoofd en het lichaam te schoppen terwijl [de benadeelde partij] op de grond lag.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte dient hiervan te worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op: medeplegen van zware mishandeling.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.
6. Motivering van de sancties
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van drie maanden met als bijzondere voorwaarden verplicht contact met de jeugdreclassering en meewerken aan het behouden van dagbesteding. De officier van justitie heeft verder gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 100 uren en een leerstraf voor de duur van 35 uren, bestaande uit TACt Regulier.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit de verdachte te veroordelen tot de leerstraf TACt Regulier voor de duur van 35 uur en een deels onvoorwaardelijke werkstraf. De verdediging heeft verzocht daarnaast geen jeugddetentie te bepalen, ook niet in voorwaardelijke vorm.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft het slachtoffer samen met anderen zwaar mishandeld. Het slachtoffer is door medeverdachten naar een steeg geleid waar een groep jongens, waaronder de verdachte, op hem stond te wachten. Eenmaal in de steeg is het slachtoffer door de verdachte en de medeverdachten geschopt en geslagen waardoor hij meerdere breuken in zijn gezicht en een hersenschudding heeft opgelopen. Het slachtoffer kon geen kant op en moest zich in zijn eentje zien te verweren tegen een grote groep oudere jongens. De verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem samen met anderen pijn en letsel toegebracht. Het slachtoffer is zelfs even buiten bewustzijn geweest tijdens het schoppen en slaan door de groep.
De ervaring leert bovendien dat slachtoffers van misdrijven als deze vaak langdurig psychische klachten ondervinden. Uit de vordering tot schadevergoeding en de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt ook dat de gebeurtenissen op 26 juni 2024 traumatiserend zijn geweest en het nog jonge leven van het slachtoffer hebben veranderd. Het slachtoffer is nog steeds vaak bang, op zijn hoede en vertrouwt anderen minder snel. Er is bij het slachtoffer PTSS vastgesteld, waarvoor hij al een jaar in behandeling is geweest maar met onvoldoende resultaat gehad. Hij staat nu op de wachtlijst voor intensievere begeleiding. Verder ervaart het slachtoffer nog dagelijks hoofdpijn, misselijkheid, duizeligheid en concentratieproblemen.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:
- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 6 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld;
- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 28 januari 2026 van [raadsonderzoeker] , als raadsonderzoeker verbonden aan de Raad voor de Kinderbescherming. De Raad adviseert de verdachte te veroordelen tot voorwaardelijke jeugddetentie en een leerstraf TACt Regulier, eventueel aan te vullen met een onvoorwaardelijke werkstraf.
Met betrekking tot de op te leggen straf heeft de rechtbank verder nog het volgende overwogen.
Gelet op de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat in beginsel alleen een jeugddetentie volstaat. Uit het rapport van de Raad blijkt echter dat het goed gaat met de verdachte. Hij gaat weer naar school en toont zich ook op zijn stageplek gemotiveerd. Verder heeft de verdachte op de zitting in zijn laatste woord, maar ook vlak na het plegen van het strafbare feit, zijn excuses aangeboden aan het slachtoffer en zijn ouders. De rechtbank acht het niet passend om de positieve ontwikkeling van de verdachte te doorkruisen met een jeugddetentie. De rechtbank zal de verdachte daarom veroordelen tot een geheel voorwaardelijke jeugddetentie.
Anders dan door de officier van justitie naar voren is gebracht, beschouwt de rechtbank het aandeel van de verdachte als kleiner dan dat van de twee medeverdachten [medeverdachten] . De rechtbank zal daarom in het voordeel van de verdachte afwijken van de eis van de officier van justitie en de voorwaardelijke jeugddetentie beperken tot één maand met een proeftijd van twee jaren. Omdat de verdachte wisselend heeft verklaard over het slaan en schoppen van het slachtoffer en de verdachte nog wel in zicht is bij de politie vanwege zijn aanwezigheid bij conflicten in de buurt, acht de rechtbank verplicht contact met de jeugdreclassering voor de duur van een jaar noodzakelijk. Ook het meewerken aan het behouden van dagbesteding voor de duur van de proeftijd ziet de rechtbank als noodzakelijk om te voorkomen dat de verdachte opnieuw de fout in gaat. De rechtbank zal daarom voorwaarden van die strekking aan de voorwaardelijke jeugddetentie verbinden.
De rechtbank acht daarnaast ook een onvoorwaardelijk strafdeel in de vorm van een taakstraf op zijn plaats. Uit het rapport van de Raad komt naar voren dat de verdachte nog het een en ander heeft te leren op de gebieden houding, agressie en vaardigheden. De rechtbank neemt daarom het advies van de Raad over dat de verdachte gebaat is bij het uitvoeren van de leerstraf TACt regulier. Deze leerstraf kan de verdachte helpen bij het verder ontwikkelen van zijn sociale vaardigheden zodat hij verstandigere keuzes kan maken in risicovolle situaties. Daarnaast acht de rechtbank een werkstraf voor de duur van 65 uren noodzakelijk. Het aantal uren werkstraf is lager dan door de officier van justitie is geëist omdat de rechtbank, zoals hiervoor overwogen, het aandeel van de verdachte in het delict als kleiner beschouwt dan dat van de medeverdachten [medeverdachten] .
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf daarnaast rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn voor de afdoening van jeugdstrafzaken.
7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [de benadeelde partij] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 54.871,47 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. Op de terechtzitting heeft de advocaat van de benadeelde partij toegelicht dat het gevorderde bedrag voor de beschadigde Nike schoenen (onderdeel van de schadepost ‘beschadigde spullen en gemist genot’) wordt bijgesteld van € 189,95 naar € 169,95. Het totaal gevorderde bedrag komt daarmee uit op € 54.851,47. De gestelde schade bestaat uit:
- de mantelzorg door de ouders: € 8.208,-;- de kosten van het verstrekken van medische informatie: € 15,93;- reiskosten: € 20,59;- beschadigde spullen en gemist genot: € 1.606,95 en- smartengeld: € 45.000,-.Met betrekking tot de materiële schade waarvoor geen bewijsstukken kunnen worden overgelegd, is de rechtbank verzocht gebruik te maken van de schattingsbevoegdheid. De benadeelde partij verzoekt de toe te wijzen schade hoofdelijk op te leggen. De vordering moet worden beschouwd als een voorschot op de definitief te bepalen schade, omdat het slachtoffer nog niet volledig is hersteld.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier heeft het standpunt ingenomen dat de gehele vordering hoofdelijk kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering omdat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, ook omdat de vordering laat is ingediend. Subsidiair moet de vordering volledig dan wel gedeeltelijk worden afgewezen, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Er is nog geen sprake van een medische eindsituatie en er kan niet worden vastgesteld in hoeverre de huidige klachten in causaal verband staan met het tenlastegelegde. De enige uitzondering hierop is de kosten om medische informatie op te vragen: de vordering kan in zoverre worden toegewezen.
Het oordeel van de rechtbank
Geen onevenredige belasting strafgeding
Mede gelet op het grote belang dat benadeelde partijen erbij hebben op een eenvoudige wijze schadeloos gesteld te worden voor de schade die zij door een strafbaar feit hebben geleden, moet worden voorkomen dat de strafrechter vaker dan nodig gebruik maakt van de bevoegdheid een benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te verklaren omdat de strafrechter vindt dat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Anders dan door de verdediging is bepleit, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat de vordering te laat is ingediend of dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 1.018,52 rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Hieronder zet de rechtbank uiteen hoe deze materiële schade is opgebouwd.
Mantelzorg ouders
Voor de mantelzorg die door de ouders van het slachtoffer is verleend, is een totaalbedrag van € 8.208,- gevorderd. Deze gevorderde schade wordt betwist door de verdediging. De rechtbank stelt vast dat deze gevorderde schade inderdaad onvoldoende is onderbouwd om voor volledige toewijzing in aanmerking te komen. Het is echter voorstelbaar dat het slachtoffer gedurende een korte periode na de pleegdatum mantelzorg nodig heeft gehad. Op basis van de overgelegde medische informatie gaat de rechtbank uit van één uur per dag gedurende een periode van twee weken. De rechtbank zal, gelet op de gegeven onderbouwing, conform de vordering uitgaan van een bedrag van € 18,- per uur en deze schadepost toewijzen tot een bedrag van € 252,- (veertien maal één uur per dag à € 18,-).
Kosten medische informatie
Voor de kosten van het verstrekken van medische informatie is € 15,93 gevorderd. De rechtbank zal de vordering in zoverre toewijzen, omdat deze schadepost niet is betwist en deze kosten bovendien zijn onderbouwd met een factuur.
Reiskosten
Verder is namens de benadeelde partij € 20,59 aan reiskosten gevorderd. Deze kosten zijn door de verdediging betwist vanwege een gebrek aan onderbouwing. Uit de overgelegde stukken blijkt dat er meerdere sessies bij Praktijk WIJS hebben plaatsgevonden en dat de benadeelde partij op 24 en 26 juni en op 1 en 2 juli 2024 het ziekenhuis in Alkmaar heeft bezocht. De rechtbank zal de vordering daarom ook in zoverre toewijzen.
Beschadigde spullen en gemist genot
Schoenen
Namens de benadeelde partij is € 169,95 gevorderd voor de schoenen die de benadeelde tijdens het delict droeg en hierdoor beschadigd zijn geraakt. De rechtbank is, de betwisting door de verdediging in aanmerking genomen, van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan of en in hoeverre de schoenen van de benadeelde partij door de zware mishandeling beschadigd zijn geraakt. Het dossier bevat slechts een printscreen van het type schoenen die de benadeelde op 26 juni 2024 droeg en foto’s van deze schoenen vóór 26 juni 2024 toen zij nog niet beschadigd waren. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
T-shirt en sportbroek
Ook is namens de benadeelde partij € 30,- gevorderd voor de kleding die door het delict beschadigd is geraakt. De verdediging heeft ook deze schadepost betwist. De rechtbank constateert dat het dossier een foto bevat van de benadeelde partij van direct na de zware mishandeling. Op deze foto zijn bloedspatten op de kleding zichtbaar. Deze schadepost is derhalve onvoldoende betwist, zodat de rechtbank de vordering in zoverre zal toewijzen.
Telefoon
Namens de benadeelde partij is € 700,- gevorderd voor de telefoon die tijdens de gebeurtenissen beschadigd is geraakt. Ook deze schadepost is door de verdediging betwist wegens onvoldoende onderbouwing. Uit het politieverhoor van de medeverdachte Y. Alsalhani blijkt echter dat hij de telefoon van het slachtoffer direct na afloop van het delict in handen kreeg en zag dat de telefoon “helemaal kapot en gebarsten” was, waarna hij de telefoon vlakbij het slachtoffer heeft neergelegd. De benadeelde partij heeft bovendien een factuur van deze telefoon van 12 november 2023 à € 800,- overgelegd. De rechtbank beschouwt deze schadepost daarmee als voldoende onderbouwd en zal de vordering daarom ook in zoverre toewijzen.
Fatbike
Namens de benadeelde partij is € 650,- gevorderd voor de fatbike die tijdens het delict beschadigd is geraakt. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat deze schadepost onvoldoende is onderbouwd. Uit het dossier blijkt inderdaad dat het alarm van de fatbike tijdens het delict is afgegaan, maar verdere details of foto’s van schade van de fatbike ontbreken. De rechtbank kan daarom niet vaststellen of en in hoeverre de fatbike beschadigd is geraakt en of een reparatie van de fatbike nog tot de mogelijkheden behoorde. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Gemist genot
Verder is namens de benadeelde partij € 57,- gevorderd, gelijk aan twee maanden contributie van de sportschool van de benadeelde aangezien hij gedurende deze periode niet kon kickboksen door zijn klachten. De rechtbank is, gegeven de betwisting van deze schade door de verdediging, van oordeel dat deze schadepost onvoldoende is onderbouwd. Hoewel het begrijpelijk is dat de benadeelde vanwege zijn letsel enige tijd minder of geen gebruik heeft kunnen maken van zijn sportschoolabonnement, had het door de betwisting van deze schade op de weg van de benadeelde gelegen om deze schade nader te onderbouwen, bijvoorbeeld met een factuur van zijn sportschool. De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Smartengeld
Tot slot is namens de benadeelde partij een bedrag van € 45.000,- gevorderd aan immateriële schade. Vergoeding van de immateriële schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. Anders dan de verdediging heeft gesteld, hoeft er geen sprake te zijn van een medische eindsituatie om toe te kunnen komen aan het toekennen van immateriële schadevergoeding. Er is ook geen aanleiding om aan te nemen dat het ontbreken van een medische eindsituatie in de weg staat aan het gebruik van de zogenaamde Rotterdamse schaal. De rechtbank zal de omvang van de immateriële schadevergoeding vaststellen op basis van de huidige beschikbare medische informatie over de benadeelde partij. Bovendien staat naar het oordeel van de rechtbank, met de door de benadeelde partij gegeven motivering en onderbouwende stukken, vast dat het (psychisch) letsel van de benadeelde partij is veroorzaakt door de zware mishandeling gepleegd op 26 juni 2024, waarmee het causale verband een gegeven is.
De rechtbank ziet aanleiding om wat de schedelbeschadiging betreft aan te sluiten bij de in de Rotterdamse schaal benoemde categorie B (meerdere breuken van botten in het gezicht), omdat uit de medische stukken blijkt dat er sprake is van een deviatie (scheefstand) van de neus van het slachtoffer die blijvend van aard is. Omdat deze deviatie op dit moment minimaal is, er verder geen sprake is van misvorming in het gezicht en nog onduidelijk is of een neuscorrectie na het achttiende levensjaar nodig zal zijn, acht de rechtbank een bedrag billijk dat lager is dan de geadviseerde bandbreedte.
Ten aanzien van de PTSS-klachten zal de rechtbank de verdediging volgen in het subsidiaire standpunt om aan te sluiten bij categorie C (middelzwaar), omdat de zware mishandeling op dit moment nog geen twee jaar geleden heeft plaatsgevonden en onduidelijk is hoe de PTSS-klachten zich verder zullen ontwikkelen en zullen voortduren.
Anders dan door de benadeelde partij is gesteld, gaat de rechtbank voorbij aan de toepassing van de aanbeveling om bij blijvend letsel bij kinderen jonger dan veertien jaar het smartengeld met 25% te verhogen, omdat, zoals hiervoor aangegeven, de deviatie van de neus van de benadeelde op dit moment minimaal van aard is en vooralsnog niet vaststaat hoe het toestandsbeeld van de benadeelde eruit ziet na 26 juni 2026. De rechtbank ziet wel aanleiding om aan te sluiten bij de aanbeveling om het smartengeld met 25% te verhogen omdat er bij de verdachten sprake is geweest van opzet op het toebrengen van letsel. Alles overziend acht de rechtbank een bedrag van € 10.000,- billijk, zodat de rechtbank de vordering ook in zoverre zal toewijzen. De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Conclusie
Samengevat zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van € 11.018,52, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd. Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil. De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder punt 3.4. bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: het medeplegen van een zware mishandeling] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
Artikelen 36f, 47, 77a, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 302 van het Wetboek van Strafrecht.
9. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte primair ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van één maand.
Beveelt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende één jaar meldt bij de Jeugd- en Gezinsbeschermers gevestigd te Alkmaar en zich op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen hier blijft melden, zo frequent en zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;
- gedurende de proeftijd meewerkt aan het vinden en behouden van passende dagbesteding in de vorm van school, stage, werk en/of sport, te beoordelen door de jeugdreclassering.
Geeft opdracht aan De Jeugd- en Gezinsbeschermers, gevestigd te [adres] , een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Stelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een taakstraf voor de duur van 35 (vijfendertig) uren, in de vorm van een leerstraf, te weten TACt Regulier, aangeboden door of namens de Raad voor de Kinderbescherming, bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 17 (zeventien) dagen jeugddetentie.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 65 (vijfenzestig) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 32 (tweeëndertig) dagen jeugddetentie.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [de benadeelde partij] geleden schade tot een bedrag van € 11.018,52 (elfduizend en achttien euro en tweeënvijftig eurocent), bestaande uit € 10.000,- voor de immateriële en € 1.018,52 voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een van de medeverdachten is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 11.018,52 (elfduizend en achttien euro en tweeënvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen gijzeling, met dien verstande dat toepassing van de vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een van de medeverdachten aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. E.C.M. van Mierlo, voorzitter,
mr. N. Cuvelier en mr. E.G. van Roest, rechters, allen tevens kinderrechter,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.A.C. Sinnige,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 februari 2026.