RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15.028975.24 (P)
Uitspraakdatum: 20 januari 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 23 december 2025 en 6 januari 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [datum] 1999 te [plaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. E.V. Dam en van wat de verdachte en zijn waarnemend raadsman, mr. B.P.J. Heinrici, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 23 januari 2024 te Alkmaar tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,- ongeveer 16.000 pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of- ongeveer 62,85 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of- ongeveer 480,4 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine zijnde MDMA en/of amfetamine(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2hij op of omstreeks 23 januari 2024 te Alkmaar opzettelijk 15 stuks vuurwerk, te weten Cobra’s (Super Cobra 6), zijnde professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, voorhanden heeft gehad.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten en heeft zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit daarbij op het standpunt gesteld dat het medeplegen bewezen kan worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 2 ten laste gelegde feit.
Ten aanzien van het eerste gedachtestreepje in het onder 1 ten laste gelegde feit heeft de raadsman aangevoerd dat de pillen zich in een afgesloten kartonnen doos bevonden en dat de verdachte niet geweten heeft wat er precies in die doos zat. De doos bewaarde de verdachte voor iemand anders. Zowel ten aanzien van de overige gedachtestreepjes in het onder 1 ten laste gelegde feit als het onder 2 ten laste gelegde feit, heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen. Het verweer van de verdediging, dat de doos in de slaapkamer afgesloten was en de verdachte niet wist wat er in de doos zat, wordt door de bewijsmiddelen weerlegd.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
1
hij op 23 januari 2024 te Alkmaar tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad, - ongeveer 16.000 pillen van een materiaal bevattende MDMA en - 62,85 gram van een materiaal bevattende MDMA en - 480,4 gram, van een materiaal bevattende amfetamine;
2 hij op 23 januari 2024 te Alkmaar opzettelijk 15 stuks vuurwerk, te weten Cobra’s (Super Cobra 6), zijnde professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, voorhanden heeft gehad.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten:
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
ten aanzien van feit 2:
overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, waarvan 13 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van 2 jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend is. Verzocht wordt in strafmatigende zin rekening te houden met het aanzienlijke tijdsverloop. De verdachte heeft zich in de periode dat zijn voorlopige hechtenis geschorst is aantoonbaar positief ontwikkeld. In plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geeft de raadsman de rechtbank in overweging een taakstraf voor de duur van 200 uur, waarvan 40 uur voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest aan de verdachte op te leggen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf in de vorm van elektronische detentie (enkelband) op te leggen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van een grote hoeveelheid MDMA, waaronder ongeveer 16.000 pillen, en amfetamine. De grote hoeveelheid harddrugs lag deels open en bloot in de woning en in de koelkast/vriezer. Het voorhanden hebben van een dergelijke handelshoeveelheid harddrugs is een feit dat bijdraagt aan het gebruik van harddrugs in de samenleving. Door het plegen van een dergelijk delict wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd. Daarnaast heeft het gebruik van harddrugs vaak tot gevolg dat de gebruikers ervan vermogensdelicten plegen, teneinde de verslavende middelen te kunnen betalen. Dergelijke feiten leiden daarom behalve tot schade aan de volksgezondheid, tevens tot onrust in de samenleving, gevoelens van onveiligheid en financiële schade en is in toenemende mate ontwrichtend voor de samenleving. Bovendien brengt de productie van dit soort pillen grote risico’s voor mens en milieu met zich, waarbij de rechtbank wijst op de chemische processen bij de productie van pillen met MDMA in een illegaal drugslaboratorium, de ongecontroleerde opslag van chemicaliën ten behoeve van het productieproces en de dumping van drugsafval. De verdachte heeft met zijn gedrag bijgedragen aan deze keten van criminele activiteiten.
Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een aanzienlijke hoeveelheid zeer zwaar vuurwerk zonder over gespecialiseerde kennis te beschikken. De 15 cobra’s lagen in een lade in de slaapkamer. Cobra’s zijn zware, gevaarlijke explosieven. Door deze Cobra’s in de slaapkamer te bewaren, heeft de verdachte voor zowel zichzelf als zijn (ex)partner, omwonenden en goederen een zeer gevaarlijke situatie in het leven geroepen.
De persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 21 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte op 20 april 2020 een strafbeschikking opgelegd heeft gekregen voor het bezit van verdovende middelen.
Uit het reclasseringsrapport van 21 juni 2024 blijkt dat sprake is van stabiliteit op het gebied van huisvesting, dagbesteding en inkomsten. Verder is sprake van een steunend familiair netwerk. De kans op recidive en letselschade wordt als laag ingeschat. Omdat interventies of toezicht niet nodig zijn, adviseert de reclassering bij een strafoplegging geen bijzondere voorwaarden op te leggen. Uit het reclasseringsrapport van 2 juni 2025 volgt dat nog steeds sprake is van stabiliteit in het leven van de verdachte, hij inmiddels gediagnosticeerd is met ADHD en ADD en terzake is ingesteld op medicatie. Dit laatste heeft een positief effect op het concentratievermogen en het tegengaan van hyperactiviteit en impulsiviteit. Het eerdere advies van 21 juni 2024 wordt gehandhaafd.
Strafmaat
Bij het bepalen van de hoogte van de straffen heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. De oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) vermelden voor het aanwezig hebben van harddrugs met een gewicht tussen 8 en 9 kilo (uitgaande van 0,5 gram per pil) een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden. Voor het bezit van het verboden vuurwerk (15 cobra’s) kent het LOVS geen oriëntatiepunten. Gelet alleen al op de oriëntatiepunten ten aanzien van het aanwezig hebben van harddrugs ligt het opleggen van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel in de reden en dat neemt de rechtbank dan ook als uitgangspunt.
De rechtbank acht voorts van belang dat de voorlopige hechtenis van de verdachte op 9 februari 2024 is geschorst. Blijkens genoemde reclasseringsrapporten heeft de verdachte zich in de afgelopen periode in positieve zin ontwikkeld en de rechtbank wil deze positieve ontwikkeling niet doorkruisen door de verdachte terug naar de gevangenis te sturen.
Daarnaast is nog het volgende van belang. De officier van justitie heeft in deze zaak een straf gevorderd die aanzienlijk verschilt van de gevorderde straf in de zaak tegen de (ex)partner en medeverdachte [naam] (255 dagen gevangenisstraf, waarvan 240 dagen voorwaardelijk en 240 uur taakstraf). Feit 1, het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid harddrugs, is bij de verdachte en de medeverdachte gelijkluidend en de rol van de verdachte verschilt ten aanzien van dat feit niet noemenswaardig van die van genoemde medeverdachte. Het bewezen verklaarde feit 2 en het feit dat de verdachte in 2020 een strafbeschikking heeft gekregen voor drugsbezit verklaart dit grote verschil niet. De officier van justitie heeft het verschil tussen de verschillende vorderingen naar het oordeel van de rechtbank niet, althans onvoldoende, gemotiveerd.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat deze gevangenisstraf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.
De rechtbank is voorts van oordeel dat hiernaast een taakstraf van 240 uur moet worden opgelegd met aftrek van de tijd dat de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voor elke dag die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht wordt twee uur van de taakstraf afgetrokken.
De raadsman van de verdachte heeft in zijn pleidooi nog de mogelijkheid van elektronische detentie naar voren gebracht. Echter, een dergelijke strafmodaliteit kent tot op heden geen wettelijke grondslag, zodat oplegging daarvan niet tot de mogelijkheden behoort.
7. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36c, 57 van het Wetboek van Strafrecht;
2 en 10 van de Opiumwet;
1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en
9.2.2.1 van de Wet milieubeheer en artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit.
8. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) MAANDEN met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 240 (tweehonderdveertig) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.E. Francke, voorzitter,
mr. A.M.C. de Haan en mr. K.I.E. Lammers, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier D.H. Geuze,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 januari 2026.
Bijlage
(…)