ECLI:NL:RBNHO:2026:3403

ECLI:NL:RBNHO:2026:3403

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 01-04-2026
Datum publicatie 31-03-2026
Zaaknummer 15/219624-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

Veroordeling wegens schuldverkrachting (meermalen gepleegd) van twee kwetsbare vrouwen met een verstandelijke beperking. Vrijspraak voor (gekwalificeerde) opzetverkrachting. Bewijsoverweging m.b.t. de betrouwbaarheid van de verklaringen van de slachtoffers en voldoende steunbewijs. Afwijzing van het voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuigen. Juridisch kader onder de Wet seksuele misdrijven. Op grond van artikel 244 Sr komt de rechtbank tot de conclusie dat bij de slachtoffers de wil tot de seksuele handelingen ontbrak. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte zeer onachtzaam heeft gehandeld door onvoldoende alert te zijn op de mogelijkheid van een ontbrekende wil bij de slachtoffers. Hij had moeten afzien van het seksueel contact of op zijn minst moeten onderzoeken of de seksuele handelingen met de slachtoffers op vrijwillige basis plaatsvonden. Omdat hij dat niet heeft gedaan, heeft hij zich schuldig gemaakt aan schuldverkrachting. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 15 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaar en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Oplegging van een contact- en locatieverbod ex artikel 38v Sr voor 5 jaar. Dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en de vrijheidsbeperkende maatregel. Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij en teruggave van het beslag.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/219624-25 (P)

Uitspraakdatum: 1 april 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 maart 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres],

nu gedetineerd in P.I. Nieuwegein.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.G.T. Kramer en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. E. Stam, advocaat te Heerhugowaard, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) op de zitting van 24 november 2025, ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 10 augustus 2025 te Alkmaar en/of Oosterleek, gemeente Drechterland en/of te Heerhugowaard, gemeente Dijk en Waard, althans in Nederland met een persoon, te weten [benadeelde 1] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het (telkens)

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes penis in de vagina van die [benadeelde 1] en/of

- tongzoenen en/of

- betasten van de vagina van die [benadeelde 1] en/of

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes vinger in de vagina van die [benadeelde 1] en/of

- zich door die [benadeelde 1] laten pijpen en/of

- beffen van die [benadeelde 1]

terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [benadeelde 1] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging door tegen die [benadeelde 1] te zeggen dat hij, verdachte zei dat als die [benadeelde 1] geen seks met hem wilde, hij zichzelf dood zou en/of ‘als je niet reageert, ga ik zelfmoord plegen’, althans woorden van gelijke dreigend aard en/of strekking en/of te dreigen om zichzelf te steken en/of te snijden met een mes;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 oktober 2024 tot en met 26 juni 2025 te Alkmaar en/of te Heerhugowaard, gemeente Dijk en Waard, althans in Nederland met een persoon, te weten [benadeelde 2] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het (telkens)

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes penis in de vagina van die [benadeelde 2] en/of

- het brengen en/of houden van zijn, verdachtes vinger(s) in de vagina van die [benadeelde 2] en/of

- het betasten van de billen en/of de borsten van die [benadeelde 2] en/of

- het (tong)zoenen van die [benadeelde 2] en/of

- zich door die [benadeelde 2] laten aftrekken en/of

- likken aan de borsten en de vagina van die [benadeelde 2]

terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [benadeelde 2] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging door tegen die [benadeelde 2] te zeggen dat hij, verdachte zei dat als die [benadeelde 2] geen seks met hem wilde, hij zelfmoord zou plegen en/of die [benadeelde 2] zou verlaten en/of te dreigen om zichzelf te steken en/of te snijden met een mes.

2. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, met dien verstande dat bewezen kan worden dat de verdachte wist dat bij de slachtoffers de wil tot het verrichten van de ten laste gelegde seksuele handelingen ontbrak en dat deze werden voorafgegaan door dwang (gekwalificeerde opzetverkrachting).

Subsidiair heeft de officier van justitie aangevoerd dat in ieder geval wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte had moeten vermoeden dat bij de slachtoffers de wil tot het verrichten van die seksuele handelingen ontbrak (schuldverkrachting).

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit en daartoe het volgende aangevoerd. De verklaringen van [benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1]) en [benadeelde 2] (hierna: [benadeelde 2]) zijn onvoldoende betrouwbaar en moeten daarom van het bewijs worden uitgesloten. Verder kan niet bewezen worden dat de verdachte wist dan wel ernstige reden had om te vermoeden dat bij [benadeelde 1] de wil tot het verrichten van de seksuele handelingen ontbrak. Wat betreft feit 2 bevat het dossier onvoldoende bewijs dat er überhaupt seksuele handelingen tussen de verdachte en [benadeelde 2] hebben plaatsgevonden. Op het verweer van de raadsvrouw zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 (impliciet subsidiair) ten laste gelegde schuldverkrachtingen op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.

Bewijsmotivering

Bewijs in zedenzaken

Voorop staat dat zedenzaken vaak gekenmerkt worden door beperkt bewijs. Bij de veronderstelde seksuele handelingen zijn immers meestal slechts twee personen aanwezig, te weten het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Indien de verdachte het ten laste gelegde feit ontkent, is doorgaans de verklaring van het slachtoffer over de seksuele handelingen het enige bewijsmiddel. Op grond van artikel 342, tweede lid, Sv kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Vaste rechtspraak is dat de rechter dan ook alleen tot een bewezenverklaring kan komen als de (betrouwbaar geachte) verklaring van het slachtoffer voldoende wordt ondersteund door ander bewijs.

Niet vereist is dat de ten laste gelegde seksuele handelingen als zodanig steun vinden in ander bewijsmateriaal. Voldoende is dat de verklaring van het slachtoffer op bepaalde punten wordt bekrachtigd door ander bewijs. Dit bewijs moet dan wel afkomstig zijn uit een andere bron dan de belastende verklaring en een voldoende duidelijk verband houden met de verklaring van het slachtoffer. In een zedenzaak kan dus een geringe mate van steunbewijs in combinatie met betrouwbare verklaringen van het slachtoffer voldoende wettig bewijs opleveren.

De vraag of er voldoende steunbewijs is voor de verklaring van het slachtoffer moet worden onderscheiden van de vraag of de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar is. Dit neemt niet weg dat het steunbewijs kan dienen als controlemiddel voor de betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer.

Aan de rechtbank ligt dus ter beantwoording voor of de verklaring van [benadeelde 1] c.q. [benadeelde 2] betrouwbaar is, en zo ja, of deze voldoende ondersteund wordt door ander bewijs. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Betrouwbaarheid verklaringen [benadeelde 1] en [benadeelde 2]

De rechtbank is van oordeel dat zowel [benadeelde 1] als [benadeelde 2] in hun verhoor consistent en voldoende specifiek hebben verklaard over de seksuele handelingen (waaronder het seksueel binnendringen), die de verdachte bij hen zou hebben verricht en de omstandigheden waaronder deze zouden hebben plaatsvonden. Zij benoemen allebei concrete gebeurtenissen en vermelden daarbij details over de plekken waar en de wijze waarop de seksuele handelingen plaatsvonden.

Aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde 1] draagt bij dat de verdachte in zijn tweede verhoor bij de politie heeft bekend een seksuele relatie met [benadeelde 1] te hebben gehad. Aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [benadeelde 2] draagt bij dat haar verklaring over de seksuele handelingen in belangrijke mate wordt ondersteund door de WhatsApp-gesprekken die zij met de verdachte heeft gevoerd (zie ook hierna, onder het kopje steunbewijs). Bovendien is de verklaring van [benadeelde 2] eensluidend aan hetgeen zij blijkens de aangifte van [aangever] (begeleidster van [benadeelde 2] bij zorginstelling Philadelphia) aan haar heeft verteld.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaringen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] betrouwbaar en zal zij deze verklaringen als uitgangspunt voor de bewijsvoering nemen.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat, anders dan de aangeefsters, de verdachte niet geloofwaardig heeft verklaard. In zijn eerste verhoor bij de politie van 12 augustus 2025 heeft de verdachte ontkend seks met [benadeelde 1] te hebben gehad. Pas in zijn tweede politieverhoor op 15 oktober 2025 – nadat uit DNA-onderzoek was gebleken dat, kort gezegd, zeer waarschijnlijk zijn DNA in de binnenste schaamlippen van [benadeelde 1] was aangetroffen – heeft de verdachte bekend een seksuele relatie te hebben gehad met [benadeelde 1].

Steunbewijs

De rechtbank is verder van oordeel dat de verklaringen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] in voldoende mate worden ondersteund door ander bewijs, zodat aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv wordt voldaan, en overweegt daartoe het volgende.

1. Steunbewijs verklaring [benadeelde 1]

De verklaring van [benadeelde 1] wordt in belangrijke mate ondersteund door de verklaring van de verdachte dat hij meermaals seksuele handelingen met [benadeelde 1] heeft verricht, waarbij sprake was van penetratie, pijpen, beffen en vingeren, ook op de door [benadeelde 1] genoemde locaties. Op de zitting heeft de verdachte hier desgevraagd aan toegevoegd dat [benadeelde 1] tijdens de seks steeds passief was en nergens op reageerde.

2. Steunbewijs verklaring [benadeelde 2]

De verklaring van [benadeelde 2] wordt in belangrijke mate ondersteund door de WhatsApp-gesprekken tussen haar en de verdachte. Daarin wordt onder meer gesproken over bloedverlies bij [benadeelde 2], het doen van een zwangerschapstest en de mogelijkheid dat [benadeelde 2] zwanger zou zijn. In deze gesprekken zegt de verdachte onder meer het volgende:

“Ik ga aan je borsten en dan even lekker likken en dan ge ik je neuken”

“Al hadt ik heem er goed in gedaan dan hadt je meer bloed verlies”

“Veel bloed weg en al hadden we het zonder [condoom, toevoeging rechtbank] gedaan dan hadt je wel zwager kunnen woorden”

Op een vraag van [benadeelde 2] over wat te doen als ze wel zwanger was geworden, antwoordt de verdachte dat ze het dan moeten laten weghalen.

De rechtbank leidt uit de WhatsApp-gesprekken af dat de verdachte seksuele handelingen heeft verricht met [benadeelde 2], waarbij ook sprake was van penetratie.

Voorwaardelijk verzoek

De raadsvrouw heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] als getuigen voor het geval de rechtbank hun verklaringen bruikbaar acht voor het bewijs. Gekoppeld aan dit voorwaardelijk verzoek heeft de raadsvrouw verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte te schorsen.

Omdat de rechtbank de verklaringen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] gebruikt voor het bewijs, is de voorwaarde waaronder het verzoek is gedaan vervuld, en zal de rechtbank het verzoek hieronder bespreken. De rechtbank hanteert daarbij het zogenoemde noodzaakcriterium, omdat het verzoek pas bij pleidooi is gedaan.

De rechtbank stelt vast dat [benadeelde 1] en [benadeelde 2] op respectievelijk 12 augustus 2025 en 22 juli 2025 in een kindvriendelijke studio door de politie zijn verhoord. De verdediging heeft vervolgens ruimschoots de gelegenheid gehad om hen te doen horen, maar zij heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. De zaak is op 24 november 2025 en 16 februari 2026 pro forma behandeld (zogenoemde Rol MK’s). Het einddossier is voorafgaand aan de eerste pro forma zitting verstrekt en de tenlastelegging is op die zitting definitief geworden. Op de tweede pro forma zitting van 16 februari 2026 heeft de raadsvrouw uitdrukkelijk aangegeven het niet nodig te vinden dat nader onderzoek wordt verricht, door te verklaren dat de verdediging alleen maar zit te wachten en dat zij bewust geen verzoek heeft gedaan tot het horen van de slachtoffers, gezien hun gesteldheid, al staan de verdachte en zij lijnrecht tegenover elkaar.

Tijdens de inhoudelijke behandeling is de raadsvrouw dus hiervan teruggekomen en heeft zij alsnog verzocht om [benadeelde 1] en [benadeelde 2] te horen, omdat hun verklaringen inconsistenties zouden bevatten en er aanwijzingen zouden zijn dat derden op [benadeelde 1] en [benadeelde 2] hebben ingepraat en dat zij hun verklaringen onderling hebben afgestemd. De rechtbank acht dat wat de verdediging hierover naar voren heeft gebracht van onvoldoende gewicht om het verzoek toe te wijzen. Daarbij houdt de rechtbank rekening met het verloop van de procedure en de procesopstelling van de verdediging, zoals hierboven geschetst. Verder heeft de rechtbank hiervoor uiteengezet waarom zij de verklaringen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] betrouwbaar vindt en geen reden heeft om daaraan te twijfelen. De noodzaak tot nader onderzoek naar de betrouwbaarheid van hun verklaringen, door hen (nogmaals) te horen, is de rechtbank daarom niet gebleken, ook al heeft de verdediging hen niet eerder ondervraagd. De rechtbank neemt bij dit oordeel in aanmerking het gewicht van de verklaringen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] binnen het geheel van de onderzoeksresultaten. De bewezenverklaring is niet uitsluitend op hun verklaringen gebaseerd en steunt in belangrijke mate op andere bewijsmiddelen: de verklaring van de verdachte en de WhatsApp-gesprekken tussen hem en [benadeelde 2]. Hierdoor liggen in de bewijsvoering voldoende compenserende waarborgen voor het ontbreken van een ondervraging door de verdediging. Naar het oordeel van de rechtbank brengt het voorgaande mee dat, ook zonder dat de verdediging [benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft ondervraagd, het proces als geheel eerlijk is verlopen.

De rechtbank wijst het voorwaardelijk verzoek van de raadsvrouw dan ook af. Nu dit verzoek wordt afgewezen, ziet de rechtbank geen aanleiding de voorlopige hechtenis van de verdachte te schorsen, zodat ook dat verzoek wordt afgewezen.

Tussenconclusie

Gelet op wat hiervoor is overwogen over de verklaringen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en over het steunbewijs acht de rechtbank bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde seksuele handelingen heeft verricht.

De vervolgvraag is of de verdachte wist dan wel ernstige reden had om te vermoeden dat [benadeelde 1]/[benadeelde 2] de seksuele handelingen niet wilde. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Juridisch kader onder de Wet seksuele misdrijven

Sinds 1 juli 2024 is de Wet seksuele misdrijven van kracht, als gevolg waarvan de strafbaarstelling van seksuele misdrijven in het Wetboek van Strafrecht (Sr) is gewijzigd. De strafrechtelijke bescherming tegen seksueel geweld is verruimd. Verkrachting kan nu gekwalificeerd worden als (gekwalificeerde) opzetverkrachting of schuldverkrachting.

Voor al deze varianten van verkrachting is vereist dat de wil tot het plegen of dulden van de seksuele handelingen bij het slachtoffer ontbreekt. In artikel 244 Sr is bepaald dat bij een persoon in ieder geval de wil tot seksuele handelingen ontbreekt indien diegene in een staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeert of een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap heeft dat deze niet of onvolkomen in staat is een wil te bepalen of kenbaar te maken omtrent de seksuele handelingen of daartegen weerstand te bieden.

Bij schuldverkrachting ontstaat strafbaarheid als seksuele handelingen (waaronder binnendringen van het lichaam) worden verricht terwijl iemand ernstige reden heeft om te vermoeden dat bij de ander de wil hiertoe ontbreekt. Bij schuldverkrachting is het strafrechtelijke verwijt dat de dader zeer onachtzaam heeft gehandeld door onvoldoende alert te zijn geweest op de mogelijkheid van een ontbrekende wil bij de ander en op dit punt een verkeerde inschatting heeft gemaakt. Bij aanwezigheid van contra-indicaties voor een vrije, positieve wilsuiting moet worden afgezien van seksueel contact of moet op zijn minst nader onderzoek worden gedaan naar de positie van de ander voordat het seksuele contact wordt doorgezet. Laat iemand dit na, dan is diegene strafbaar wegens schuldverkrachting. Feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot een vermoeden van de ontbrekende wil bij de ander zijn de aanwezigheid van duidelijke indicaties voor een mogelijke afwezigheid van een vrije positieve wilsuiting bij de ander.

Bij opzetverkrachting is strafbaar degene die seksuele handelingen verricht die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam in de wetenschap dat de wil van de ander daartoe ontbreekt. Daarvan is niet alleen sprake als diegene daadwerkelijk weet dat de wil hiertoe bij de ander ontbreekt (vol opzet), maar ook als diegene zich bewust is van de mogelijk ontbrekende wil van de ander en die mogelijkheid negeert of, in andere woorden, voor lief of op de koop toe neemt (voorwaardelijk opzet).

Het gebruik van dwang, geweld of bedreiging is geen voorwaarde voor strafrechtelijke aansprakelijkheid, maar een strafverzwarende delictsvorm van de opzetvariant.

Ontbrak bij [benadeelde 1]/[benadeelde 2] de wil tot seksuele handelingen?

De rechtbank stelt voorop dat [benadeelde 1] en [benadeelde 2] allebei beschermd wonen bij Stichting Philadelphia Zorg: een zorginstelling voor mensen met een verstandelijke beperking. Verder kan uit het dossier en dat wat op de zitting is besproken worden afgeleid dat [benadeelde 1] functioneert op het ontwikkelingsniveau van een (zeer) jong kind en [benadeelde 2] een IQ heeft van 60. De rechtbank verwijst in dit verband naar de aangifte van [aangever], de begeleidster van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] bij Philadelphia Zorg. De politie heeft beiden gehoord in een kindvriendelijke studio.

Daarnaast weegt de rechtbank het volgende mee. Uit de verklaring van [benadeelde 2] blijkt dat zij geen seks met de verdachte wilde, maar dat zij bevroor als de verdachte aan haar zat en zij geen nee tegen hem durfde te zeggen, omdat hij (meermaals) had gedreigd zichzelf in dat geval dood te maken. Uit de verklaring van [benadeelde 1] blijkt eveneens dat zij niet durfde te zeggen dat ze de seksuele handelingen niet wilde en dat zij zich gedwongen voelde om bepaalde dingen te doen. [aangever] heeft verklaard dat [benadeelde 1] en [benadeelde 2] tegen haar hebben gezegd seks met de verdachte te hebben omdat hij anders zelfmoord zou plegen.

Ook blijkt uit het dossier dat [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet goed in staat zijn om hun grenzen kenbaar te maken.

Gelet op al deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat [benadeelde 1] en [benadeelde 2] vanwege hun verstandelijke handicap niet, althans onvolkomen, in staat waren hun wil te bepalen of kenbaar te maken omtrent de seksuele handelingen of daartegen weerstand te bieden. Op grond van artikel 244 Sr komt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat bij hen de wil tot de seksuele handelingen ontbrak.

Opzet- of schuldverkrachting?

Uit het psychologisch onderzoek van 22 oktober 2025 blijkt dat de verdachte is gediagnosticeerd met zwakbegaafdheid en dat hij een beperkt empathisch vermogen heeft. De psycholoog acht denkbaar dat het voor de verdachte niet helemaal duidelijk was wat de grenzen voor de slachtoffers waren. Uit het dossier kan bovendien worden afgeleid dat beide slachtoffers, wellicht vanuit hun onvermogen, tegenstrijdige signalen aan de verdachte hebben afgegeven. Zo blijkt uit de verklaring van [benadeelde 1] dat zij de seks met de verdachte (in het begin) ook leuk heeft gevonden en uit de WhatsApp-gesprekken tussen [benadeelde 2] en de verdachte blijkt dat zij ook (seksuele) toenadering tot de verdachte zocht.

Gelet op het voorgaande kan de rechtbank niet met voldoende zekerheid vaststellen dat de verdachte wist dat bij [benadeelde 1] en [benadeelde 2] de wil tot het verrichten van seksuele handelingen ontbrak. De verdachte moet daarom worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 (primair) ten laste gelegde opzetverkrachtingen. Omdat de verdachte hiervan wordt vrijgesproken, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of sprake is geweest van dwang, geweld of bedreiging.

Wel is de rechtbank van oordeel dat voor de verdachte duidelijke aanwijzingen bestonden dat bij [benadeelde 1] en [benadeelde 2] mogelijk sprake was van een ontbrekende wil. Hij wist immers dat zij allebei bij Philadelphia Zorg verbleven en dat dit een instelling voor beschermd wonen is. De nicht van de verdachte verbleef hier ook en hij zocht haar wel eens op. Daarnaast heeft de verdachte [benadeelde 1] leren kennen via zijn eigen werk bij Zaffier, een werkplek voor mensen met een beperking. Ook heeft hij bij de politie verklaard dat hij van collega’s bij Zaffier had gehoord dat [benadeelde 1] geen seks met hem wilde hebben, maar geen nee tegen hem durfde te zeggen. Op de zitting heeft de verdachte verder verklaard dat [benadeelde 1] tijdens de seks passief was en nergens op reageerde en dat hij nooit aan haar heeft gevraagd of zij de seks wilde of fijn vond. De verdachte heeft op de zitting aangegeven ook niet te begrijpen waarom hij dit zou hebben moeten vragen.

Onder deze omstandigheden heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank zeer onachtzaam gehandeld door onvoldoende alert te zijn op de mogelijkheid van een ontbrekende wil bij [benadeelde 1] en [benadeelde 2]. Hij had moeten afzien van het seksueel contact of op zijn minst moeten onderzoeken of de seksuele handelingen met de slachtoffers op vrijwillige basis plaatsvonden. Omdat hij dat niet heeft gedaan, heeft hij zich schuldig gemaakt aan schuldverkrachting.

Conclusie

De rechtbank acht de onder 1 en 2 (impliciet subsidiair) ten laste gelegde schuldverkrachtingen wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op tijdstippen in de periode van 1 juli 2024 tot en met 10 augustus 2025 in Nederland met een persoon, te weten [benadeelde 1] seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het (telkens)

- brengen en houden van zijn, verdachtes penis in de vagina van die [benadeelde 1] en

- tongzoenen en

- betasten van de vagina van die [benadeelde 1] en

- brengen en houden van zijn, verdachtes vinger in de vagina van die [benadeelde 1] en

- zich door die [benadeelde 1] laten pijpen en

- beffen van die [benadeelde 1]

terwijl hij, verdachte, ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [benadeelde 1] daartoe de wil ontbrak;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 18 oktober 2024 tot en met 26 juni 2025 in Nederland met een persoon, te weten [benadeelde 2] seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het (telkens)

- brengen en/ houden van zijn, verdachtes penis in de vagina van die [benadeelde 2] en

- het brengen en houden van zijn, verdachtes vinger(s) in de vagina van die [benadeelde 2] en

- het betasten van de billen en de borsten van die [benadeelde 2] en

- het (tong)zoenen van die [benadeelde 2] en

- zich door die [benadeelde 2] laten aftrekken en

- likken aan de borsten en de vagina van die [benadeelde 2]

terwijl hij, verdachte, ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [benadeelde 2] daartoe de wil ontbrak.

Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feiten 1 en 2

telkens: schuldverkrachting, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 45 maanden waarvan 15 maanden voorwaardelijk met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en een proeftijd van vijf jaar. Zij heeft gevorderd aan het voorwaardelijk strafdeel de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden en deze dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om aan de verdachte een contactverbod met de twee slachtoffers [benadeelde 1] en [benadeelde 2], en een locatieverbod voor hun woonomgeving bij Philadelphia Zorg en het werkadres van [benadeelde 1] (Zaffier), op te leggen voor de duur van vijf jaar, beide in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr, en deze vrijheidsbeperkende maatregelen direct uitvoerbaar te verklaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht bij een strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Zij heeft daartoe aangevoerd dat hij zwakbegaafd is en sinds de beëindiging van de terbeschikkingstelling van de regering in 2001 gedurende langere tijd in staat is geweest zich binnen de grenzen van de wet te gedragen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich gedurende een langere periode van om en nabij een jaar schuldig gemaakt aan schuldverkrachting van twee kwetsbare vrouwen. De slachtoffers verbleven vanwege een verstandelijke beperking in dezelfde zorginstelling en de verdachte was hiervan op de hoogte. De verdachte heeft nagelaten te onderzoeken of de slachtoffers wel seks met hem wilden en zij waren door hun beperking niet, althans onvoldoende in staat om weerstand te bieden en aan hem kenbaar te maken dat zij geen seks met hem wilden. Door zijn handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers. Uit de slachtofferverklaring die namens [benadeelde 2] ter zitting is voorgedragen, blijkt dat het handelen van de verdachte een grote impact op haar heeft gehad en nog steeds heeft.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft gelet op het strafblad van de verdachte van 8 januari 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte in het verleden drie keer is veroordeeld voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid en één keer voor een poging tot verkrachting. Bij deze laatste veroordeling is aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling opgelegd, die in 2001 is beëindigd. Sindsdien is hij niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van 22 oktober 2025, opgemaakt door GZ-psycholoog M.L. Sikkens. Hieruit blijkt dat bij de verdachte sprake is van zwakbegaafdheid. Volgens de deskundige lijken de verweten gedragingen opportunistisch van aard; de verdachte heeft na het wegvallen van seks in de relatie met zijn partner in feite alternatieve mogelijkheden tot seks gecreëerd. De deskundige ziet onvoldoende gedragskundige gronden om de ten laste gelegde handelingen verminderd aan de verdachte toe te rekenen.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het over de verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 27 februari 2026. In dit rapport schrijft de reclassering dat de verdachte ruim 25 jaar samen is met zijn huidige partner, maar er sinds 2020 geen sprake meer is van een seksuele relatie tussen hen. De verdachte heeft zijn behoefte aan seksualiteit en intimiteit niet met zijn partner kunnen bespreken en is in plaats daarvan op zoek gegaan naar alternatieve mogelijkheden voor zijn seksuele behoeftebevrediging. De reclassering acht het zorgelijk dat sprake is van twee kwetsbare slachtoffers. De verdachte heeft hen leren kennen via zijn werk bij Zaffier, een plek voor mensen met een arbeidsbeperking. De dagbesteding van de verdachte wordt dan ook beschouwd als delictgerelateerd en als een mogelijke risicofactor, gelet op de toegang tot potentiële slachtoffers. Daarnaast ziet de reclassering de relatie met zijn partner, een verminderd empathisch vermogen, impulsiviteit, ontoereikende copingvaardigheden en seksualiteit als risicofactoren. Binnen de behandeling van en het toezicht op de verdachte dient aan deze factoren aandacht te worden besteed. Ook acht de reclassering voorwaarden gericht op slachtofferbescherming op zijn plaats. Dat de verdachte openstaat voor hulpverlening en behandeling wordt als positief gezien. Gelet op het voorgaande adviseert de reclassering bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met een aantal bijzondere voorwaarden om het recidive gevaar te beperken.

Daarnaast adviseert de reclassering de vrijheidsbeperkende maatregelen van een contact- en locatieverbod als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen en deze dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Conclusie

Gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten acht de rechtbank een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. De rechtbank zal een lagere straf opleggen dan is geëist door de officier van justitie, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van opzetverkrachting.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden , waarvan 15 maanden voorwaardelijk passend en geboden, met een proeftijd van vijf jaar, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit. De rechtbank acht het noodzakelijk de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden aan de voorwaardelijke gevangenisstraf.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, beveelt de rechtbank dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

Vrijheidsbeperkende maatregel

De rechtbank ziet, ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten tegen de slachtoffers in deze zaak, aanleiding om op grond van artikel 38v Sr een vrijheidsbeperkende maatregel aan de verdachte op te leggen voor de duur van vijf jaar. Deze maatregel houdt in dat de verdachte:

zich niet zal ophouden binnen een straal van 500 meter rondom Philadelphia Zorg, gevestigd aan de Louise Wentland 31 te Heerhugowaard, en Zaffier, gevestigd aan de Hertog Aalbrechtweg 32 te Alkmaar;

op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde 1], geboren op [geboortedatum 2] en [benadeelde 2], geboren op [geboortedatum 3].

De rechtbank zal bevelen dat iedere keer dat de verdachte deze maatregel overtreedt, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 14 dagen, met een maximum van zes maanden.

De rechtbank zal de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel bevelen, omdat er - gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de persoon van de verdachte - ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend jegens de slachtoffers zal gedragen.

7. Beslag

Onder de verdachte is in beslag genomen en nog niet teruggegeven:

- 1 STK Smartphone (Samsung A53).

De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat het onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten genoemde smartphone, aan de verdachte moet worden teruggegeven.

8. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van

€ 10.000,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering, mede gelet op in soortgelijke zaken toegekende schadevergoedingen en de Rotterdamse Schaal, integraal kan worden toegewezen.

Standpunt van de verdediging

Gelet op de bepleite vrijspraak heeft de raadsvrouw primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Subsidiair heeft zij betoogd dat de vordering onvoldoende is onderbouwd, zodat de benadeelde partij ook om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Oordeel van de rechtbank

Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.

In deze zaak, waarbij sprake is van schuldverkrachting van een kwetsbaar persoon over een geruime periode, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zo’n uitzonderlijke situatie, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade.

Gelet op de toelichting op de vordering en op bedragen die in vergelijkbare zaken aan schadevergoeding worden toegekend, acht de rechtbank een vergoeding van € 5.000,- billijk. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank wijst het meer gevorderde af.

De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 26 juni 2025 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

Proceskosten

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. In dit geval hebben zowel de verdachte als de benadeelde partij op punten ongelijk gekregen. Omdat de verdachte aansprakelijk is voor de schade die door het door hem gepleegde feit is ontstaan en omdat een substantieel deel van de gevorderde schade wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van

€ 5.000,- aan de Staat moet betalen.

Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 juni 2025 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.

Als de verdachte de schadevergoeding niet of niet volledig betaalt, kan gijzeling – een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte – worden toegepast voor de duur van 50 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 57 en 242 Sr.

10. Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

Strafbaarheid

bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

Oplegging straf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 15 (vijftien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 5 (vijf) jaren;

bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Drechterwaard 102 te Alkmaar;

- zich gedurende de proeftijd laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering en zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling;

- zich open toont en in overleg met de reclassering blijft over zijn gedrag in het sociale verkeer, waaronder dagbesteding, zo vaak en zolang en de reclassering dat nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering met betrekking tot dagbesteding, ook indien dit betekent dat er overleg is tussen reclassering en werkgever of dat de verdachte op zoek moet naar een andere werkplek;

geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

beveelt dat de op grond van artikel 14c Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

Vrijheidsbeperkende maatregel

legt op de maatregel dat

- de verdachte voor de duur van 5 jaren zich niet zal ophouden binnen een straal van 500 meter rondom Philadelphia Zorg, gevestigd aan de Louise Wentland 31 te Heerhugowaard, en Zaffier, gevestigd aan de Hertog Aalbrechtweg 32 te Alkmaar;

- de verdachte voor de duur van 5 jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde 1], geboren op [geboortedatum 2] en [benadeelde 2], geboren op [geboortedatum 3];

beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 14 (veertien) dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan met een maximum van zes maanden;

toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;

beveelt dat de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

Beslag

gelast de teruggave aan de verdachte van:

1 STK Smartphone (Samsung A53);

Vordering benadeelde partij

wijst de vordering van [benadeelde 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 5.000,-;

veroordeelt de verdachte tot betaling aan [benadeelde 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 juni 2025 tot de dag van volledige betaling;

wijst de vordering van [benadeelde 2] voor wat betreft het meer gevorderde af;

veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

Schadevergoedingsmaatregel

legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 2] aan de Staat

€ 5.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 juni 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 50 dagen gijzeling;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P. Reemst, voorzitter,

mr. C.H. de Jonge van Ellemeet en mr. N. Cuvelier, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.E.H. de Koning

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 april 2026.

Mr. P. Reemst is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. P. Reemst
  • mr. C.H. de Jonge van Ellemeet
  • mr. N. Cuvelier

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?