RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
locatie Alkmaar
voorlopige voorzieningen/tegenspraak
zaak-/rekestnr.: C/15/374360 / FA RK 26-579
beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 31 maart 2026
in de zaak van:
[de man] ,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. J.P.N. de Wit, kantoorhoudende te Amsterdam,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. J.G. Burgers, kantoorhoudende te Alkmaar.
1. Procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, van de man, ingekomen op 2 februari 2026;
- het verweerschrift, van de vrouw, ingekomen op 16 maart 2026;
- het bericht van de advocaat van de man, ingekomen op 23 maart 2026.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 24 maart 2026 in aanwezigheid van partijen, de man bijgestaan door mr. J.P.N. de Wit en de vrouw door mr. J.G. Burgers.
De hierna nader te noemen minderjarige [de minderjarige] is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. [de minderjarige] heeft op 23 maart 2026 met de kinderrechter gesproken. Van dit gesprek is ter zitting verslag gedaan en partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.
2. Feiten
Partijen zijn op [huwelijksdatum] te [plaats] een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan.
Uit dit geregistreerd partnerschap is geboren de minderjarige:
- [de minderjarige], op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] .
Tussen partijen is een procedure tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap aanhangig gemaakt die bij de rechtbank geregistreerd is onder kenmerk: C/15/355057 / FA RK 24/3804. De verdeling van de gemeenschap is afgesplitst. Het kenmerk hiervan is C/15/359891 / FA RK 24-6255.
Bij beschikking van deze rechtbank van 22 oktober 2024 is bepaald dat [de minderjarige] aan de vrouw wordt toevertrouwd. Daarnaast is het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw toegekend.
Bij beschikking van deze rechtbank van 21 juli 2025 is, voor zover hier van belang- het verzoek van de man tot wijziging van de beschikking van 22 oktober 2024 afgewezen.
3. Beoordeling
wijziging voorlopige voorziening
De man heeft wijziging verzocht van de voornoemde beschikking van deze rechtbank van 22 oktober 2024 en van 21 juli 2025.
De vrouw heeft verweer gevoerd en stelt zich op het standpunt dat er na de beschikking van 21 juni 2025 geen nieuwe of zwaarwegende omstandigheden zijn ontstaan die het wijzigingsverzoek van de man rechtvaardigen.
De rechtbank overweegt als volgt. De wetgever biedt de mogelijkheid tot wijziging van een beschikking voorlopige voorzieningen, op grond van artikel 824, tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Een dergelijke wijziging is slechts mogelijk indien de omstandigheden na dagtekening van de beschikking zodanig zijn gewijzigd, dat deze, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, niet in stand kan blijven. Blijkens de Memorie van Toelichting bij dit artikellid zal alleen in evidente, zeer sprekende, gevallen een wijziging gerechtvaardigd kunnen zijn.
De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke situatie zich thans voordoet en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank stelt vast dat de omstandigheden na de beschikkingen van deze rechtbank van 22 oktober 2024 en 21 juli 2025 in zodanige mate zijn gewijzigd dat de in de beschikking van 22 oktober 2024 gegeven voorzieningen niet in stand kunnen blijven. De wijziging bestaat uit het feit dat [de minderjarige] thans nagenoeg volledig bij de man verblijft, hetgeen ter zitting ook door de vrouw is erkend. Ten tijde van het wijzen van de beschikking van 22 oktober 2024 verbleef [de minderjarige] het merendeel van de tijd bij de vrouw. Ten tijde van het wijzen van de beschikking van 21 juli 2025 verbleef [de minderjarige] weliswaar het merendeel van de tijd bij de man, maar was de verwachting dat [de minderjarige] ook weer meer bij de vrouw zou gaan verblijven. Inmiddels is duidelijk geworden dat [de minderjarige] duurzaam bij de man verblijft en een aantal keer per maand bij de vrouw gaat eten. De omstandigheden zijn daarmee wezenlijk anders dan ten tijde van de eerder gegeven beschikkingen. Aan het criterium van artikel 824 Rv om tot wijziging van de door deze rechtbank op 22 oktober 2024 gegeven beschikking over te gaan, is daarmee voldaan.
toevertrouwing [de minderjarige]
De man heeft verzocht dat [de minderjarige] aan de man wordt toevertrouwd.
De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd en heeft de rechtbank verzocht het verzoek van de man af te wijzen.
De rechtbank overweegt als volgt. Uitgangspunt is dat minderjarigen worden toevertrouwd aan de ouder die als hoofdverzorger kan worden beschouwd. Hoewel partijen na het uiteengaan een co-ouderschapsregeling uitvoerden, is het de rechtbank duidelijk dat [de minderjarige] sinds maart 2025 nagenoeg uitsluitend bij de man verblijft. Op een kort wekelijks of tweewekelijks bezoek van [de minderjarige] aan haar moeder na, draagt de man de volledige zorg over [de minderjarige] . Waar er blijkens de beschikking van 21 juli 2025 nog sprake leek te zijn van een tijdelijke situatie, is die situatie op dit moment bestendig gebleken. Niet valt te verwachten dat daar op korte termijn verandering in komt. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om de toevertrouwing te wijzigen en wijst het verzoek van de man op dat punt toe.
uitsluitend gebruik echtelijke woning
De man heeft verzocht dat hij bij uitsluiting van de vrouw gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning.
De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd en heeft de rechtbank verzocht het verzoek van de man af te wijzen.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting ziet de rechtbank aanleiding het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te wijzigen in die zin dat dit na een redelijke termijn aan de man toekomt. De rechtbank licht hierna toe hoe zij tot dat oordeel komt.
Bij de te maken belangenafweging stelt de rechtbank het belang van [de minderjarige] voorop. De dagelijkse zorg en opvoeding van [de minderjarige] berusten bij de man. Het contact tussen [de minderjarige] en de vrouw is thans beperkt tot een kort wekelijks of tweewekelijks bezoek. Hoewel de vrouw de wens heeft uitgesproken dat deze zorgverdeling in de toekomst zal wijzigen, acht de rechtbank dit op korte termijn niet aannemelijk. Daargelaten de vraag of en wanneer de man en [de minderjarige] het appartement van de zus van de man – waar de man en [de minderjarige] nu verblijven – moeten verlaten, is de rechtbank van oordeel dat hun huidige woonsituatie aldaar als onhoudbaar moet worden aangemerkt. De beschikbare ruimte en omstandigheden zijn ontoereikend, in het bijzonder voor [de minderjarige] . Zij heeft, gelet op haar leeftijd van 15 jaar, behoefte heeft aan een stabiele en passende woonomgeving met voldoende ruimte en privacy. De rechtbank acht het in het kader ook van belang dat [de minderjarige] in het gesprek met de kinderrechter expliciet heeft aangegeven de wens te hebben om samen met haar vader en haar hond in de echtelijke woning te gaan wonen en dat zij heeft toegelicht waarom dat zo is.
De rechtbank overweegt dat partijen beide geen reële alternatieven voor vervangende woonruimte hebben aangedragen. De vrouw heeft zich pas recent ingeschreven als woningzoekende bij een woningbouwvereniging. Zij heeft onbetwist gesteld dat het nog jaren kan duren voor zij in aanmerking komt voor een sociale huurwoning. De man heeft gesteld dat het voor hem en [de minderjarige] zeer moeilijk zal zijn een alternatieve huurwoning in de regio te vinden, temeer omdat dat een woning is die in elk geval uit meer dan één kamer moet bestaan. Tussen partijen staat daarmee niet ter discussie dat het voor hen beiden lastig zal zijn vervangende woonruimte te vinden.
Nu de man het grootste deel van de zorg voor [de minderjarige] draagt en zij aan de man wordt toevertrouwd, heeft de man daardoor een groter belang bij het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning. Hoewel de rechtbank oog heeft voor het gevoel van onmacht dat de vrouw ervaart in de procedure tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap, maakt dat haar belang bij het uitsluitend gebruik van de eengezinswoning niet zwaarwegender dan dat van de man.
Alles afwegende zal de rechtbank het verzoek van de man op dit punt toewijzen. De rechtbank acht het evenwel redelijk dat de vrouw een termijn wordt gegund om vervangende woonruimte te vinden. Derhalve zal worden bepaald dat het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning met ingang van 1 juli 2026 aan de man toekomt, voor zover de woning te zijner tijd niet is verkocht. De vrouw kan de periode tot 1 juli 2026 benutten om vervangende woonruimte te zoeken.
4. Beslissing
De rechtbank:
bepaalt, onder wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van
22 oktober 2024, dat de minderjarige:
- [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] ,
wordt toevertrouwd aan de man;
bepaalt, onder wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van
22 oktober 2024, dat de man met ingang van 1 juli 2026 bij uitsluiting van de vrouw gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de gezamenlijke woning en de zich daarin bevindende inboedelgoederen aan het adres [adres] , met bevel dat de vrouw die woning uiterlijk 30 juni 2026 dient te verlaten en deze verder niet mag betreden, behoudens met voorafgaande instemming van de man.
Deze beschikking is gegeven door mr. L.M. Mons, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Udo de Haes, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.
Tegen deze beschikking staat geen rechtsmiddel open.