RECHTBANK NOORD-HOLLAND
beslissing
[jw.sys.1.zaaknr] / [jw.sys.1.rolnummer_rekestnr][datum_beslissing]
Wrakingskamer
zaaknummer / rekestnummer: C/15/372836 /KG RK 25/804
Beslissing van 12 januari 2026
Op het verzoek tot wraking ingediend door:
[verzoeker],
wonende te Wieringerwaard,
verzoeker.
Het verzoek is gericht tegen:
mr. J.H. Gisolf,
hierna te noemen: de rechter.
1. Procesverloop
Verzoeker heeft op 16 december 2025 schriftelijk de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, team Handel, Kanton & Bewind, locatie Alkmaar aanhangige zaak met als zaaknummer 368231 HA ZA / 25-453, hierna te noemen: de hoofdzaak.
Bij bericht van de griffie van 17 december 2025 is aan verzoeker een termijn tot 5 januari 2026 gegeven om het wrakingsverzoek door een advocaat te laten ondertekenen.
Hierop heeft verzoeker bij bericht van 29 december 2025 zijn wrakingsverzoek nader toegelicht.
De wrakingskamer heeft vervolgens op grond van de hierna opgenomen overwegingen besloten geen datum te bepalen voor een mondelinge behandeling van het verzoek en bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.
2. De uitgangspunten
De hoofdzaak betreft een bodemprocedure tussen verzoeker als eiser en [naam] als gedaagde, waarbij verzoeker – onder meer – heeft gevorderd dat de rechtbank bepaalt dat tot verdeling wordt overgegaan van de ontbonden
huwelijksgemeenschap tussen verzoeker en [naam].
Op 16 december 2025 heeft de mondelinge behandeling in de hoofdzaak plaatsgevonden. Na afloop van de mondelinge behandeling heeft verzoeker schriftelijk zijn wrakingsverzoek ingediend.
3. Het standpunt van verzoeker
Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek - kort gezegd – aangevoerd dat hij uit het verloop van de mondelinge behandeling de indruk heeft gekregen dat de rechter niet onbevooroordeeld was en partij heeft gekozen voor [naam].
4. De beoordeling
Op grond van artikel 37 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geldt dat een verzoek tot wraking schriftelijk geschiedt en gemotiveerd dient te zijn. Tijdens een zitting kan de wraking ook mondeling worden gedaan. Uit vaste jurisprudentie (vgl. Hoge Raad 18 december 1998, LJN AD2977) volgt dat in zaken waarin verplichte procesvertegenwoordiging geldt, ondertekening door een advocaat bij een schriftelijk verzoek verplicht is.
In de hoofdzaak is verplichte procesvertegenwoordiging vereist. Dat brengt mee dat het na afloop van de mondelinge behandeling schriftelijk ingekomen wrakingsverzoek door een advocaat moet zijn of worden ondertekend. De wrakingskamer stelt vast dat het door verzoeker ingediende wrakingsverzoek niet, zoals vereist, door een advocaat is ondertekend.
Verzoeker is in de gelegenheid gesteld om dit verzuim uiterlijk 5 januari 2026 te herstellen. Hierbij is aan verzoeker schriftelijk meegedeeld dat, indien het wrakingsverzoek niet tijdig alsnog door een advocaat zou worden ondertekend, de wrakingskamer verzoeker zonder zitting niet-ontvankelijk kan verklaren in zijn wrakingsverzoek. Desondanks heeft verzoeker geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om het verzoek alsnog door een advocaat te laten ondertekenen.
De wrakingskamer zal verzoeker daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek tot wraking. De wrakingskamer komt derhalve niet toe aan een inhoudelijke bespreking van de door verzoeker aangevoerde wrakingsgronden.
5. Beslissing
De rechtbank
verklaart verzoeker niet- ontvankelijk in zijn verzoek,
beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter en de wederpartij in de hoofdzaak ([naam]) een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,
beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. N. Boots, voorzitter, mr. W.C. Oosterbroek en mr. F.J. Lourens, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2026.[concipiënt_initialen]
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.