ECLI:NL:RBNHO:2026:3743

ECLI:NL:RBNHO:2026:3743

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 09-04-2026
Datum publicatie 08-04-2026
Zaaknummer 15-248103-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzettelijke brandstichting in een appartementencomplex, waarbij gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. Veroordeling tot een gevangenisstraf van 42 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met aftrek van het voorarrest. Daarbij worden bijzondere voorwaarden opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15-248103-25 (P)

Uitspraakdatum: 9 april 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 24 maart 2026 en 26 maart 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1]

,

thans gedetineerd in [PI] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R. Visser en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw mr. S.W. Kuijpers, advocaat te Hoofddorp, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 20 september 2025 te IJmuiden, gemeente Velsen opzettelijk op één of meerdere tijdstippen (telkens) brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door open vuur in aanraking te brengen met benzine, althans een licht ontvlambare stof, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten een pand gelegen aan de [adres 2] te IJmuiden en de inboedel daarvan en/of het naast gelegen pand aan de [adres 3] te IJmuiden en de inboedel daarvan, te duchten wasen/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van het pand gelegen aan de [adres 2] te IJmuiden en/of de aanwezige in het pand, te duchten was.

Subsidiair

hij op of omstreeks 20 september 2025 te IJmuiden, gemeente Velsen, zeer, in elk geval aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend op één of meerdere tijdstippen (telkens) open vuur in aanraking heeft gebracht met benzine, althans een licht ontvlambare stof, waardoor het aan verdachtes schuld te wijten was dat er brand is ontstaan en/of een ontploffing teweeg is gebracht, terwijl daardoor gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten een pand gelegen aan de [adres 2] te IJmuiden en de inboedel daarvan en/of het naast gelegen pand aan de [adres 3] te IJmuiden en de inboedel daarvan, ontstond en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van het pand gelegen aan de [adres 2] te IJmuiden en/of de aanwezige in het pand, ontstond.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van het primair ten laste gelegde feit. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat. De rechtbank overweegt daarbij nog het volgende.

Bewijsmotivering

Feitenvaststelling

Op 19 september 2025 omstreeks 23:55 uur komt de politie naar aanleiding van een melding van een brand ter plaatse aan de [adres 2] te IJmuiden. Dit betreft het pand van aangeefster met daarin gevestigd zestien huurappartementen.

Uit het forensisch onderzoek blijkt dat in de hal, direct achter de voordeur, een forse brand heeft gewoed. In die hal werd een versmolten blauwe jerrycan aangetroffen. Uit het onderzoek blijkt dat er aanwijzingen zijn voor vluchtige ontbrandbare vloeistoffen op diverse plekken in het gebouw, namelijk aan beide zijden van de hal, op de vloer aan vrijwel alle zijden van het trappenhuis en op één plek op de vloer bij een woonkamerdeur op de eerste verdieping. Ook werd een met vloeistof doordrenkte vloermat aangetroffen bij de nooddeur welke toegang gaf tot een brandtrap. Op de jerrycan en vrijwel al deze plekken is een hoge meetwaarde voor vluchtige koolwaterstoffen gemeten en werd een benzinegeur geroken. Uit het onderzoek naar ontbrandbare vloeistoffen van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) blijkt dat op al de voornoemde plekken vluchtige stoffen zijn aangetoond die afkomstig zijn van motorbenzine. De brandweerdeskundige heeft geconcludeerd dat de aangetroffen situatie in het appartementencomplex het meest passend is bij een scenario, waarbij een persoon op deze plekken benzine heeft gegoten of gesprenkeld en deze vloeistof in de hal tot ontsteking heeft gebracht, waarna zich door de aanwezige benzinedampen een heftige ontbranding heeft voorgedaan. Het aantreffen van een met benzine doordrenkte vloermat voor de nooddeur op de eerste verdieping, is volgens deze deskundige passend bij het onbruikbaar maken van de vluchtroute. Het gehele pand is door de brand beschadigd geraakt. Gelet op het feit dat de brand plaatsvond op een moment dat veel bewoners aanwezig waren, het niet meer mogelijk was om via de hal het appartementencomplex te verlaten en de brand zich snel had kunnen uitbreiden concludeert de branddeskundige dat personen aanwezig in het gebouw als gevolg van de brand ernstig tot dodelijk letsel hadden kunnen oplopen.

Uit de beschrijving van de camerabeelden van de [adres 4] blijkt dat op 19 september 2025 om 23:50:48 uur een kleine lichtflits is te zien in het pand [adres 2] , welke zich lijkt te verplaatsen. Om 23:50:58 uur is een grote lichtflits te zien, welke wordt opgevolgd door een vuurbal. Hieropvolgend komt een persoon in beeld omringd door een lichtflits. Deze persoon of diens kleding stond vermoedelijk in brand. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij deze persoon is.Uit de beschrijving van camerabeelden van het Shell-tankstation (dossierpagina’s 40 e.v.), gelegen op 700 meter afstand van de [adres 2] , blijkt dat iets eerder op diezelfde dag, om 23:40 uur, een persoon is komen tanken. Op de camerabeelden is te zien dat deze persoon niet de tank van zijn auto, maar een voorwerp op de achterbank vult met brandstof. Om 23:41 uur heeft deze persoon de brandstof afgerekend. Verder volgt uit de beschrijving van camerabeelden van de [adres 5] dat tussen 23:45 en 24:00 uur een man met een gevulde blauwe jerrycan richting nummer 64 loopt. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij zichzelf herkend heeft als de persoon op deze camerabeelden.

De verdachte heeft verklaard dat hij het pand aan de [adres 2] binnen is gegaan met de jerrycan met benzine en dat de benzine op verschillende plekken in het pand terecht is gekomen en dat hij op enig moment de aansteker heeft ontstoken waarna de brand is ontstaan en ook zijn kleding vlam gevat heeft.

Opzet

De vraag die beantwoord dient te worden is of de verdachte de brand opzettelijk heeft gesticht. In het forensisch onderzoek wordt door de branddeskundige geconcludeerd dat de bevindingen het meest passend zijn bij een scenario, waarbij een persoon op verschillende plekken door het pand benzine heeft gegoten of gesprenkeld en deze vloeistof in de hal tot ontsteking heeft gebracht. Als gevolg van de brand is het gehele pand beschadigd geraakt en was er sprake van gemeen gevaar voor de personen aanwezig in het pand.

De rechtbank volgt deze conclusie van de brandweerdeskundige en neemt deze over. Op grond van het sporenonderzoek en de hiervoor genoemde feitelijke bevindingen, in onderling verband en samenhang bezien, is de brand naar het oordeel van de rechtbank dan ook ontstaan doordat de verdachte benzine heeft verspreid door het pand en deze heeft laten ontbranden. De verdachte heeft verklaard dat de benzine uit de jerrycan per ongeluk op verschillende plekken in het pand terecht is gekomen toen hij een ‘spel’ speelde met een medebewoner, genaamd [naam 1] , waarbij de verdachte deze [naam 1] wilde laten zien dat hij zijn scooter vanaf het balkon kon vullen met benzine. De verdachte heeft verklaard dat hij door een duw van die medebewoner is gevallen, waardoor de benzine zich zou hebben verspreid over zijn kleding en de vloer. Enige tijd later zou hij onderweg naar beneden op de trap zijn gevallen, waardoor zich nog meer benzine heeft verspreid. Op het moment dat hij buiten bij de voordeur een sigaret wilde opsteken zou de brand zijn ontstaan.

De verklaring van de verdachte wordt naar het oordeel van de rechtbank op geen enkel punt ondersteund door de stukken in het dossier. Uit onderzoek door de politie is allereerst gebleken dat het vullen van de scooter met benzine van bovenaf niet mogelijk is, omdat de vulopening voor de tank zich onder de gesloten buddyseat bevindt. Daarnaast hebben zowel medebewoner [naam 1] , als medebewoner [naam 2] verklaard dat zij de avond van de brand, nadat zij met de verdachte in de gemeenschappelijke ruimte hebben gedronken, rond 22:00 uur naar hun eigen kamer zijn gegaan. Geruime tijd voor en ook op het moment van het ontstaan van de brand waren zij dus niet meer in het gezelschap van de verdachte. Ook getuige [getuige] heeft verklaard dat de overlast veroorzakende bewoners omstreeks 21:00 uur naar hun eigen kamer zijn gegaan en dat het daarna tot de brand rustig is gebleven. Dit strookt niet met de verklaring van de verdachte dat hij vlak voor de brand nog met iemand in de gemeenschappelijke ruimte een spel zou hebben gespeeld. Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat het door de verdachte geschetste scenario niet past in het tijdpad wat volgt uit de camerabeelden. De verdachte heeft om 23:41 uur benzine afgerekend bij de Shell en de brand is uitgebroken om 23:50 uur. De rechtbank acht het onaannemelijk dat de verdachte in slechts negen minuten vanaf de Shell naar de [adres 2] is gereden, vervolgens in een situatie is geraakt waarin hij door een medebewoner op de grond is geduwd, daarna heen en weer van de eerste verdieping naar beneden is gelopen, waarbij hij nog een keer zou zijn gevallen, om uiteindelijk beneden bij de voordeur een sigaret op te steken waardoor de brand zou zijn ontstaan. De rechtbank schuift de verklaring van de verdachte daarom als onaannemelijk terzijde en komt tot het oordeel dat de verdachte willens en wetens (opzettelijk) brand heeft gesticht. Dat de (kleding van de) verdachte daarbij eveneens vlam gevat heeft waardoor de verdachte zelf ook in gevaar was doet – anders dan de verdediging meent – aan het opzet niets af.

Vrijspraak gevaar goederen naast gelegen pand aan de [adres 3]

De rechtbank is van oordeel dat noch uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat bij de brandstichting gemeen gevaar voor het naast gelegen pand aan de [adres 3] en de inboedel daarvan te duchten is geweest. Uit het forensisch onderzoek blijkt dat de brandschade zich heeft beperkt tot het pand aan de [adres 2] . De verdachte moet om die reden vrijgesproken worden van dit bestanddeel.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk brand heeft gesticht in het pand aan de [adres 2] te IJmuiden. Als gevolg van die brand was gemeen gevaar voor goederen, namelijk het betreffende pand en de daarin aanwezige inboedel, en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van dit pand te duchten.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij omstreeks 20 september 2025 te IJmuiden, gemeente Velsen opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met benzine terwijl daarvan- gemeen gevaar voor goederen, te weten een pand gelegen aan de [adres 2] te IJmuiden en de inboedel daarvan, te duchten wasen - levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van het pand gelegen aan de [adres 2] te IJmuiden en de aanwezigen in het pand, te duchten was.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is om die reden strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is om die reden strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, met een proeftijd van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van niet langer dan de duur van het voorarrest op te leggen. Daarbij verzoekt de raadsvrouw om de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van het feit

De verdachte heeft opzettelijk brand gesticht in een appartementencomplex. De verdachte is met een jerrycan benzine gaan halen bij een tankstation in de buurt. Vervolgens heeft de verdachte de benzine op verschillende plekken in het pand verspreid, waaronder in de hal, het trappenhuis en zelfs op de deurmat voor de nooddeur en heeft hij de brand aangestoken. Hij deed dit op een tijdstip dat de bewoners van het complex thuis waren en lagen te slapen. De bewoners zijn gewekt door de brand en hebben aan de politie verklaard dat zij aan de dood waren ontsnapt. Sommigen van hen moesten kruipend door de gang of via een kiepraam naar buiten vluchten en zijn medisch onderzocht wegens mogelijke rookinhalatie.

Brandstichting is een zeer gevaarlijk feit omdat het tot een oncontroleerbaar gevaarlijke situatie kan leiden die snel uit de hand kan lopen. De verdachte is na de brandstichting vertrokken en heeft zich op geen enkel moment bekommerd om de grote gevolgen die zijn daad kon hebben. De verdachte heeft door zijn gedragingen ook veel materiële schade veroorzaakt. Een feit als dit roept gevoelens van angst en onveiligheid op bij de bewoners van het complex en heeft maatschappelijke onrust tot gevolg. Daarnaast heeft de verdachte geen openheid van zaken gegeven en daarmee geen verantwoordelijkheid genomen.

De persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 20 november 2025, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit.

Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 20 maart 2026. Hieruit volgt dat de reclassering stabiliteit ziet op verschillende leefgebieden. Wel ziet de reclassering het alcoholgebruik als een delict gerelateerde factor en blijkt uit het rapport dat de verdachte graag hulp zou willen krijgen om het alcoholgebruik onder controle te krijgen. De reclassering ziet, indien de verdachte abstinent is van alcohol, geen aanwijzingen voor een verhoogde kans op recidive. Echter verhoogt het gebruik van alcohol bij de verdachte de kans op impulsief, onnadenkend gedrag en daarmee de kans op recidive. De reclassering adviseert om bij een voorwaardelijk strafdeel meerdere bijzondere voorwaarden op te leggen.

De op te leggen sanctie

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 42 maanden, zoals geëist door de officier van justitie, passend. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan, namelijk 6 maanden, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, om de verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van die proeftijd opnieuw een strafbaar feit te plegen. Daarnaast acht de rechtbank het noodzakelijk dat aan het voorwaardelijk strafdeel de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b, 14c, 157 van het Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden. Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. I.A.M. Tel, voorzitter,

mr. J.O. Rutten en mr. F.V. Streiff, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. W.S. Speelman,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. I.A.M. Tel
  • mr. J.O. Rutten
  • mr. F.V. Streiff

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?