ECLI:NL:RBNHO:2026:3795

ECLI:NL:RBNHO:2026:3795

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 23-03-2026
Datum publicatie 09-04-2026
Zaaknummer 15/138143-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Haarlemmermeer

Samenvatting

De verdachte is veroordeeld voor opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal met geweld en bedreiging met geweld en diefstal met valse sleutels. Een beroep op psychische overmacht wordt verworpen. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 jaar, met aftrek van het voorarrest.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/138143-23 (P)

Uitspraakdatum: 23 maart 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 9 maart 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

feitelijk verblijvende op het adres:

[adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. R. Giuseppini en van wat de verdachte en haar raadsvrouw, mr. I.J.M. de Wit, advocaat te Laren, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

De verdachte wordt, verkort weergegeven, verweten dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het samen met anderen plegen van de volgende feiten, gepleegd op 5 en 6 juni 2023 te Landsmeer en/of Amsterdam:

feit 1: opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving

feit 2: diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld

feit 3: diefstal met behulp van een valse sleutel

De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

Daarnaast heeft de raadsvrouw ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit bepleit dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het medeplegen van geweld en bedreiging met geweld en het wegnemen van de portemonnee en het telefoonhoesje van de aangever.

Verder heeft de raadsvrouw ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit primair bepleit dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het in vereniging wegnemen van een geldbedrag van € 11.940,00, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

Oordeel van de rechtbank

Bewijs

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage 2 bij dit vonnis zijn opgenomen.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1, feit 2 en feit 3

De verklaring van de aangever

[aangever] (hierna: de aangever) heeft verklaard dat hij op 5 juni 2023 omstreeks 20:45 uur in de woning van de verdachte in [plaats] had afgesproken. Omstreeks 22.00 uur gaf de verdachte aan dat zij de post ging halen aan de voorkant van haar woning. De verdachte kwam terug met een stapel brieven in haar hand en liet de voordeur openstaan. Enkele ogenblikken later liepen twee mannen (hierna: de medeverdachten) de woning binnen. De aangever wilde de woning verlaten, maar werd tegengehouden door de medeverdachten. De aangever werd door hen vastgegrepen, op zijn hoofd en lichaam geslagen en de slaapkamer in geduwd. In de slaapkamer werden zijn spullen, waaronder zijn portemonnee en telefoon, uit zijn broekzakken gehaald. De aangever werd vervolgens gedwongen zijn inloggegevens voor zijn telefoon en bankrekeningen te geven, werd mishandeld toen hij niet de juiste gegevens gaf, en werd vastgebonden en in de inloopkast vastgezet. Ook werden een filmpje gemaakt van het gezicht van de aangever en moest hij zijn adres doorgeven. Na urenlang vast te zijn gehouden moest hij schone kleren aantrekken en werd hem gezegd dat hij over een uur, na het afgaan van een wekker, de inloopkast mocht verlaten. De aangever klom omstreeks 5.00 uur ‘s nachts via een raam naar buiten, liep naar de voordeur en zag de verdachte op de bank zitten. De aangever pakte zijn telefoon uit de woonkamer en vertrok, waarna hij naar zijn woning reed en daar de politie belde. Daar bleek dat er ruim €11.000 van zijn bankrekeningen was gepind.

Betrouwbaarheid van de verklaring van de aangever

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de aangever als betrouwbaar kan worden aangemerkt en om die reden bruikbaar is voor het bewijs. De verklaring is consistent, gedetailleerd en wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. De rechtbank zal de aangifte van de aangever dan ook als uitgangspunt nemen in deze zaak.

De verklaring van de verdachte

De rechtbank stelt vast dat de verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd over wat zich in haar woning heeft afgespeeld. Zij is op 5 november 2025 opnieuw door de politie verhoord, waar zij heeft verteld onder druk te zijn gezet door een groep jongens om een persoon te vinden met een duur horloge, zodat die door hen kon worden beroofd. Op 5 juni 2023 heeft zij met de aangever bij haar woning afgesproken. Zij wist dat hij, zodra hij haar woning zou verlaten, buiten door de medeverdachten kon worden beroofd. De verdachte heeft verder verklaard dat zij op een gegeven moment de post is gaan halen en de voordeur van de woning open heeft gelaten omdat het warm was. Zij heeft aangegeven niet te hebben geweten dat de medeverdachten haar woning zouden binnenkomen en de aangever van zijn vrijheid zouden beroven. Daarnaast heeft zij verklaard dat zij, in de hoop dat een einde zou komen aan de op haar uitgeoefende druk van deze groep jongens, enkel heeft gedaan wat de medeverdachten van haar vroegen, waaronder het pinnen van geldbedragen van de bankrekeningen van de aangever. Zij heeft verder geen handelingen verricht om de situatie te beëindigen.

Oordeel van de rechtbank over medeplegen en opzet

De rechtbank stelt op basis van de verklaring van de aangever en de overige bewijsmiddelen vast dat hij in de avond en nacht van 5 op 6 juni 2023 met toepassing van geweld wederrechtelijk van zijn vrijheid is beroofd, waarna zijn portemonnee is gestolen en er geld is opgenomen met de daarin aanwezige pinpassen. De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of de verdachte opzet heeft gehad op deze feiten en of zij als medepleger daarvan kan worden aangemerkt.

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medepleger kan worden bewezen indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een of meer anderen, ter verwezenlijking van het grondfeit, in dit geval: opzettelijke vrijheidsberoving, diefstal met geweld en diefstal met valse sleutels. Dit is alleen gerechtvaardigd indien de materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit van voldoende gewicht is. Het accent ligt hierbij op de samenwerking en niet op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De bijdrage van de medepleger wordt in de regel geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit, in de vorm van een gezamenlijke uitvoering, maar kan ook bestaan uit verschillende handelingen vóór, tijdens en/of na het strafbare feit.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een dusdanig nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten dat gesproken kan worden van medeplegen. Mogelijk had de verdachte vooraf niet een precies beeld van hoe een en ander zou verlopen en heeft zij ook instructies van haar medeverdachten opgevolgd maar uit het verloop van de avond en nacht en de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachte vóór, tijdens en ná de tenlastegelegde feiten leidt de rechtbank af dat de verdachte opzet had op alle tenlastegelegde feiten, en niet slechts op het buiten laten plaatsvinden van een beroving van enkel een – niet bestaand – horloge. De rechtbank stelt vast dat de verdachte zich niet alleen niet heeft onttrokken aan de situatie of hulp heeft gezocht terwijl zij daartoe wel de gelegenheid had, maar gezamenlijk met de medeverdachten is blijven optrekken en handelen. Daarnaast impliceert ‘beroving’ het wegnemen met geweld of bedreiging daarmee en wist de verdachte dus dat dit zou plaatsvinden.

Vóóraf

De rechtbank stelt vast dat de verdachte de aangever bewust heeft geselecteerd als slachtoffer van een beroving, een afspraak met hem heeft gemaakt in haar woning en haar medeverdachten heeft ingelicht over de aanwezigheid van de aangever. Vervolgens deed de verdachte de voordeur open, in de wetenschap dat de medeverdachten buiten stonden, waardoor de medeverdachten de woning konden betreden. Dat zij de deur alleen openliet omdat het warm was acht de rechtbank reeds hierom ongeloofwaardig. Bovendien is dit niet in lijn met de door de verdediging aangehaalde verklaring van de aangever. Hieruit volgt namelijk dat toen de aangever vroeg: “hé ga je de deur niet dichtdoen” zij die warmte niet noemde, zei van wel en naar de deur liep. Toen kwamen de medeverdachten binnen.

Tijdens het pinnen en de vrijheidsberoving

Nadat het geweld tegen de aangever, en niet tegen de verdachte, plaatsvond en de aangever in de inloopkast werd vastgehouden, ging de verdachte met een van de medeverdachten mee om geldbedragen van de bankrekeningen van de aangever te pinnen.

Ook tijdens het pinnen heeft de verdachte er geen enkele blijk van gegeven het niet eens te zijn met de gang van zaken of de wil om de situatie te beëindigen, nu zij geregeld op afstand van de medeverdachte stond, eenvoudig de bij de pinautomaten -of elders aanwezige- omstanders had kunnen aanspreken. Bovendien beschikte zij op dat moment volgens haar verklaring ter terechtzitting vrijelijk over haar telefoon, waarmee zij kennelijk wel met een kennis belde, maar geen alarm sloeg over de vrijheidsberoving die op dat moment nog gaande was.

Nadien

Ook nadat de medeverdachten de woning hadden verlaten, terwijl de aangever nog met gebonden handen in de inloopkast zat, heeft de verdachte, die volgens de aangever op de bank zat, geen enkele actie ondernomen, ook niet na geruime tijd, om de situatie te beëindigen of de aangever te bevrijden.

Uit het hiervoor overwogene volgt ook dat het opzet van de verdachte gericht was op de grondfeiten, te weten: opzettelijke vrijheidsberoving, diefstal met geweld en diefstal met valse sleutels. Mogelijk hebben de medeverdachten enige druk op de verdachte uitgeoefend om haar medewerking te verkrijgen maar gelet op al het voorgaande en het hieronder onder 5. overwogene, doet dit niet af aan de bij haar aanwezige opzet op het tenlastegelegde.

Conclusie

De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat:

feit 1

zij in de periode van 5 juni 2023 tot en met 6 juni 2023 te Landsmeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [aangever] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door die [aangever] vast te grijpen en de slaapkamer in te duwen en op het bed te duwen en vast te houden en hem in een inloopkast te duwen en de handen van die [aangever] op zijn rug vast te binden en te zeggen: "Je mag niet bewegen tot die tijd, anders word je doodgeschoten";

feit 2

zij in de periode van 5 juni 2023 tot en met 6 juni 2023 te Landsmeer, tezamen en in vereniging met anderen, een portemonnee met 25 euro en bankpassen en een telefoonhoesje, die geheel aan [aangever] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [aangever], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door te duwen en te slaan en/of te stompen tegen het hoofd en het lichaam van die [aangever] en met een stok, althans een hard voorwerp tegen de benen van die [aangever] te slaan en hard de inloopkast in te trekken en zijn handen vast te binden en te roepen: "Niet liegen want wij maken je dood";

feit 3

zij in de periode van 5 juni 2023 tot en met 6 juni 2023 te Landsmeer en Amsterdam, tezamen en in vereniging met een anderen, geldbedragen, die aan [aangever] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en haar mededaders die weg te nemen geldbedragen onder hun bereik hebben gebracht door middel van valse sleutels, door met weggenomen bankpassen van die [aangever] meerdere geldbedragen te pinnen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1: medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;

feit 2: diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 3: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting een beroep gedaan op psychische overmacht en bepleit dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hiertoe heeft de raadsvrouw gewezen op de verklaring van de verdachte die zij op 5 november 2025 bij de politie en ook ter terechtzitting heeft afgelegd, namelijk dat zij in 2022 en 2023 werd lastiggevallen door een groep jongens. Dit heeft geleid tot vier incidenten, waaronder de bewezenverklaarde feiten. De incidenten werden telkens gepleegd door verschillende jongens die tot de groep behoorden. De verdachte heeft verklaard dat zij op 15 november 2022 is mishandeld door ‘B’ en twee andere jongens. Zij heeft hiervan aangifte gedaan bij de politie en uit het verslag van de huisarts van 16 november 2022 blijkt dat zij hierbij letsel heeft opgelopen. Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat zij in het najaar van 2022 en het voorjaar van 2023 meerdere keren is bedreigd door B en de groep jongens. Verder heeft de verdachte verklaard dat zij op 3 juni 2023, terwijl haar dochter bij haar in de auto zat, is klemgereden door jongens uit de groep. De auto van de verdachte raakte beschadigd en zij heeft hiervan aangifte gedaan bij de politie. De politie zou volgens de verdediging, naar aanleiding van de aangiftes niet of onvoldoende actie hebben ondernomen. De verdachte werd vervolgens onder druk gezet door de groep jongens en moest een persoon vinden met een horloge, zodat zij deze persoon konden beroven. Dit heeft geleid tot de bewezenverklaarde feiten.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen beroep op psychische overmacht toekomt, omdat de verdediging het verweer onvoldoende (concreet) heeft onderbouwd, waardoor het gestelde scenario niet aannemelijk is geworden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat aan een beroep op psychische overmacht hoge eisen worden gesteld. Van psychische overmacht is enkel sprake bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet behoeft te bieden.

De rechtbank acht aannemelijk dat de verdachte onder druk is gezet door een aantal jongens. De rechtbank is echter van oordeel dat, gezien de geschetste omstandigheden, de verdediging onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van een situatie van psychische overmacht. De rechtbank kan op basis van wat is aangevoerd weliswaar vaststellen dat er enkele incidenten met geweld of bedreiging daarmee, met betrekking tot de verdachte zijn geweest, maar kan niet vaststellen dat dit om dezelfde jongens zou gaan, of zij tot een groep behoren en op welke wijze de verdachte zodanig onder druk gezet zou zijn dat zij redelijkerwijs geen weerstand kon of hoefde te bieden aan de zeer ingrijpende keuze om een persoon aan te dragen, een fysieke afspraak met deze persoon te maken en deze persoon vervolgens door de jongens te laten beroven, met alle gevolgen van dien. Uit niets blijkt hoe en door wie de verdachte dan onder druk gezet zou zijn en dat dit direct met het bewezenverklaarde te maken had. De verdachte heeft daarover te weinig willen vertellen om dit scenario aannemelijk te maken. Bij gebrek aan die informatie ontbreekt bij de rechtbank ook voldoende zicht op de mogelijkheden die de verdachte wel of juist niet had om te kiezen voor een andere, minder ingrijpende uitweg uit de door haar geschetste situatie dan van begin tot eind mee te werken aan het plan van de beweerdelijke groep jongens. Dit maakt dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte die mogelijkheid tot een andere keuze redelijkerwijs niet had. Al het voorgaande leidt ertoe dat het beroep op psychische overmacht wordt verworpen.

Er is ook verder geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit, mocht de rechtbank tot een strafoplegging komen, rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Zij heeft aangevoerd dat de verdachte als enige ouder het gezag heeft over haar dochter en verantwoordelijk is voor haar zorg en opvoeding. De raadsvrouw heeft verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest en een taakstraf voor de duur van 240 uur.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving. De verdachte heeft in haar woning een afspraak gemaakt met het slachtoffer, een vriend van de verdachte. Toen de medeverdachten de woning van de verdachte binnenkwamen, werd het slachtoffer mishandeld en urenlang vastgehouden. Onder bedreiging met geweld en met geweld moest het slachtoffer de goederen die hij bij zich had afgeven en zijn bankgegevens afstaan aan de medeverdachten. Het slachtoffer werd onder meer geslagen tegen zijn hoofd en lichaam en met een hard voorwerp tegen zijn benen. Hierdoor heeft het slachtoffer letsel over zijn gehele lichaam opgelopen. Vervolgens hebben de verdachte en een medeverdachte grote geldbedragen van zijn bankrekeningen gepind.

Door haar handelen heeft de verdachte het slachtoffer een zeer onveilige en beangstigende situatie laten overkomen. Zij heeft daarmee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Daarbij heeft zij op geen enkele wijze rekening gehouden met de traumatische gevolgen voor het slachtoffer. Daarnaast was het slachtoffer een vriend van de verdachte, waardoor zij misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat hij in haar had. Het handelen van de verdachte heeft een enorme impact gehad op het slachtoffer, zoals blijkt uit de slachtofferverklaring die namens hem door zijn advocaat op de zitting is voorgelezen. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat het slachtoffer tot op de dag van vandaag nog altijd psychische gevolgen van de feiten ondervindt.

De persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 30 januari 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een diefstal met geweld. De rechtbank neemt dit in strafverzwarende zin mee in de straftoemeting.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de reclasseringsrapporten van Reclassering Nederland van 30 juli 2025 en 1 maart 2026. Uit het rapport van 1 maart 2026 blijkt dat het risico op recidive niet kan worden ingeschat, omdat de verdachte onvoldoende openheid van zaken heeft gegeven over diverse leefgebieden. De reclassering adviseert bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden, omdat er met interventies of toezicht geen mogelijkheden worden gezien om het gedrag van de verdachte te veranderen.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van een e-mail van Reclassering Nederland van 9 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte in het kader van het schorsingstoezicht niet altijd haar afspraken is nagekomen. De reclassering omschrijft het gedrag van de verdachte als kinderlijk en geeft aan dat zij veel sturing en begeleiding nodig heeft. Het feit dat zij haar afspraken niet is nagekomen, blijkt niet voort te komen uit onwil, maar uit onkunde.

Overschrijding van de redelijke termijn

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn in deze zaak is aangevangen op 6 juni 2023, omdat de verdachte op die datum in verzekering is gesteld. De rechtbank wijst op 23 maart 2026 vonnis, ruim twee jaar en negen maanden na aanvang van de redelijke termijn.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Niet is gebleken van dusdanige bijzondere omstandigheden dat van het uitgangspunt van twee jaar moet worden afgeweken.

De rechtbank stelt daarom vast dat de redelijke termijn is overschreden met negen maanden. De rechtbank is van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn deels, namelijk voor drie maanden, niet aan het openbaar ministerie valt toe te rekenen, nu een eerdere inhoudelijke zitting in augustus 2025 op verzoek van de verdediging is aangehouden. De rechtbank zal de resterende overschrijding van de redelijke termijn van zes maanden compenseren in de strafoplegging.

De op te leggen straf

Gelet op de aard en de ernst van de gepleegde feiten acht de rechtbank enkel oplegging van een gevangenisstraf gerechtvaardigd. De rechtbank heeft bij het bepalen van de duur daarvan rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De rechtbank neemt daarbij het oriëntatiepunt van drie jaar gevangenisstraf voor een woningoverval als uitgangspunt.

De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte reden om in het voordeel van de verdachte enigszins af te wijken van dit uitgangspunt en van de door de officier van justitie gevorderde straf, vanwege de jeugdige leeftijd van de verdachte, haar nog kinderlijke gedrag, en het feit dat zij als enige ouder de zorg draagt voor haar minderjarige dochter. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat aannemelijk is dat er bij het bewezenverklaarde op de verdachte enige druk is uitgeoefend door anderen. Voor de overschrijding van de redelijke termijn zal twee maanden op de straf in mindering worden gebracht.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar passend en geboden is, met aftrek van het voorarrest.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7. Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat het onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- 1 STK GSM (Omschrijving: PL1100-2023117712-G1493739, blauw, merk: Apple),

moet worden teruggegeven aan de verdachte.

8. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De advocaat van de benadeelde partij, mr. V.H. Hammerstein, advocaat te Amsterdam, heeft namens de benadeelde partij, [aangever], een vordering tot schadevergoeding van

€ 27.359,97 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 21.359,97 aan materiële schade, bestaande uit gestolen goederen (€ 11.994,00), gederfde inkomsten (€ 9.000,00) en zorgkosten (€ 365,97) en € 6.000,00 aan immateriële schade. Verder is om vergoeding van de proceskosten voor rechtsbijstand gevraagd ter hoogte van € 859,00.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd om daarbij de schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente op te leggen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens de bepleite vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit en de partiële vrijspraak van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht het gestolen geldbedrag (€ 11.940,00) te matigen naar € 1.400,00 en de zorgkosten (€ 365,97) te matigen naar € 317,00. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van de gestolen goederen (€ 54,00) en de gederfde inkomsten (€ 9.000,00), omdat deze schadeposten onvoldoende zijn onderbouwd.

Meer subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht het schadebedrag van de gestolen goederen

(€ 54,00) en de gederfde inkomsten (€ 9.000,00) te matigen.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Gestolen goederen

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 11.794,00 rechtstreeks voortvloeit uit de onder 2 en 3 bewezen verklaarde feiten. Dit bedrag is opgebouwd uit

€ 11.740,00 aan geldbedragen die van de privé- en zakelijke rekening van de benadeelde partij zijn afgeschreven en € 54,00 aan gestolen goederen (portemonnee € 5,00, inhoud van de portemonnee € 25,00, bankpas voor de zakelijke rekening € 4,50, bankpas voor de privérekening € 4,50 en telefoonhoesje € 15,00). De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen. Het meer gevorderde zal worden afgewezen.

Zorgkosten

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 321,09 rechtstreeks voortvloeit uit de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen. Het meer gevorderde zal worden afgewezen, omdat deze kosten zien op zorgkosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt vóór de periode van de bewezen verklaarde feiten.

Gederfde inkomsten

De rechtbank is, mede gelet op de betwisting door de verdediging, van oordeel dat de vordering met betrekking tot de gederfde inkomsten onvoldoende is onderbouwd. Hoewel de rechtbank het aannemelijk acht dat de gebeurtenis invloed heeft gehad op de benadeelde partij, blijft op basis van de ingediende stukken onduidelijk welke schade de benadeelde partij ten aanzien van zijn inkomsten daadwerkelijk heeft geleden. Een nadere duiding zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren, zodat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feiten. Voor de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de rechtbank gekeken naar de Rotterdamse schaal en in het bijzonder naar paragraaf 19.1 (bedreigende situaties die gepaard gaan met diefstal). De rechtbank is van oordeel dat sprake is van categorie a (de meest ernstige gevallen). Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de gevorderde immateriële schadevergoeding van € 6.000,00 billijk en voor toewijzing vatbaar.

Toegewezen bedrag

De vordering zal dan ook worden toegewezen tot een bedrag van € 18.115,09, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 juni 2023 tot aan de dag van algehele voldoening.

Proceskosten

De rechtbank is, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat de proceskosten in aanmerking komen voor vergoeding. Vaststaat dat de benadeelde schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Dat mogelijk een andere toevoeging had kunnen worden aangevraagd bij de Raad voor Rechtsbijstand, valt niet onder de schadebeperkingsplicht van de benadeelde partij op grond van artikel 6:106 BW. De rechtbank zal het gevorderde bedrag van € 859,00 toewijzen als vergoeding voor de proceskosten.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: medeplegen van opzettelijke vrijheidsberoving, diefstal met geweld en bedreiging met geweld in vereniging gepleegd en diefstal met behulp van valse sleutels in vereniging gepleegd] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36f, 47, 57, 282, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 [twee] jaar.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering benadeelde partij

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [aangever], geleden schade tot een bedrag van € 18.115,09, bestaande uit € 12.115,09 als vergoeding voor de materiële en € 6.000,00 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [aangever], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Verklaart de benadeelde partij voor de overige materiële schade, met betrekking tot de gederfde inkomsten, niet-ontvankelijk in de vordering.

Wijst af de overige gevorderde materiële schade, met betrekking tot de gestolen goederen en de zorgkosten.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vastgesteld op € 859,00, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [aangever] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 18.115,09, bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 115 dagen en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Beslag

Gelast de teruggave aan de verdachte:

- 1 STK GSM (Omschrijving: PL1100-2023117712-G1493739, blauw, merk: Apple).

Voorlopige hechtenis

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. I.A.M. Tel, voorzitter,

mr. P.A. Hesselink en mr. H.P.H.I. Cleerdin, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier, mr. D. Koppe,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 maart 2026.

Bijlage 1

Tenlastelegging

De verdachte wordt verweten dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan de volgende feiten:

feit 1:

zij op of omstreeks de periode van 5 juni 2023 tot en met 6 juni 2023 te Landsmeer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [aangever] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door die [aangever] vast te grijpen en/of de slaapkamer in te duwenen en/of op het bed te duwen en/of vast te houden en/of hem in een inloopkast te duwen en/of de handen van die [aangever] op zijn rug vast te binden en/of te zeggen: "Je mag niet bewegen tot die tijd, anders word je doodgeschoten";

feit 2:

zij op of omstreeks de periode van 5 juni 2023 tot en met 6 juni 2023 te Landsmeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een portemonnee met ongeveer 25 euro en/of een (of meerdere) bankpas(sen) en/of een telefoonhoesje, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op

heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door te duwen en/of een of meerdere malen te slaan en/of te stompen op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [aangever] en/of een of meerdere malen met een stok, althans een hard voorwerp op/tegen de benen van die [aangever] te slaan en/of hard de inloopkast in te trekken en/of zijn handen vast te binden en/of te roepen: "Niet liegen want wij maken je dood";

feit 3:

zij op een of meerdere tijdstip(pen) of omstreeks de periode van 5 juni 2023 tot en met 6 juni 2023 te Landsmeer en/of Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere geldbedrag(en) (ongeveer 11.940 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of haar mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen geldbedrag onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door (telkens) met weggenomen bankpassen van die [aangever] meerdere geldbedragen

te pinnen.

Bijlage 2

De bewijsmiddelen

(..)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?