ECLI:NL:RBNHO:2026:3796

ECLI:NL:RBNHO:2026:3796

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 23-03-2026
Datum publicatie 09-04-2026
Zaaknummer 15/871320-16
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Haarlemmermeer

Samenvatting

Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betalingsverplichting wordt vastgesteld op € 580.479,95.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/871320-16 (ontneming) (P)

Uitspraakdatum : 23 maart 2026

Vonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht

Deze beslissing heeft betrekking op de vordering van de officier van justitie d.d. 18 maart 2022 ten aanzien van de feiten in de zaak onder bovenstaand parketnummer, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de zaak tegen:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres].

hierna: de veroordeelde.

1. De vordering

De officier van justitie heeft bij vordering van 18 maart 2022 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, Sr zal vaststellen op € 975.959,00 en dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De vordering is gebaseerd op artikel 36e, derde lid, Sr. Volgens de officier van justitie is het aannemelijk dat de feiten waarvoor de veroordeelde bij vonnis van deze rechtbank van 9 december 2020 is veroordeeld of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen.

2. Het verloop van de procedure

Bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen de veroordeelde is op 6 november 2020 ter terechtzitting medegedeeld dat de officier van justitie voornemens is een ontnemingsvordering in te dienen. Bij vonnis van 9 december 2020 is de veroordeelde vervolgens veroordeeld wegens het onder andere meermalen medeplegen van het invoeren van cocaïne, deelname aan een criminele organisatie en medeplegen van witwassen. Het vonnis is onherroepelijk geworden op 14 januari 2022.

Op 18 maart 2022 heeft de officier van justitie de ontnemingsvordering aanhangig gemaakt. Op 16 augustus 2022 heeft vervolgens een regiezitting plaatsgevonden. Het onderzoek ter terechtzitting is onderbroken en op 29 augustus 2022 hervat. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak vervolgens aangehouden voor onbepaalde tijd en heeft termijnen afgesproken in verband met de schriftelijke voorbereiding van de ontnemingszaak.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de door de officier van justitie overgelegde stukken. Door of namens de veroordeelde zijn geen stukken ingediend.

Op 20 november 2025 heeft een tweede regiezitting plaatsgevonden, waarna de zaak op 4 december 2025 opnieuw is aangehouden voor onbepaalde tijd.

Op 9 maart 2026 is de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting van de vordering voortgezet. Daarbij zijn gehoord de officier van justitie, mr. A. Hof, en de gemachtigde raadsman van de veroordeelde, mr. T.G.M. Houben, advocaat te Utrecht. De vordering tegen [medeveroordeelde] (hierna: de medeveroordeelde) is telkens gelijktijdig behandeld. Vervolgens is het onderzoek gesloten en is de uitspraak bepaald op 23 maart 2026.

3. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering gewijzigd, in die zin dat het door de veroordeelde en de medeveroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel onverkort wordt geschat op een bedrag van € 880.959,91, maar het geschatte vervolgprofijt door tijdsverloop wordt verhoogd naar € 300.000,00. Het totale bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel wordt daarmee geschat op € 1.180.959,91. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit totale bedrag pondsgewijs verdeeld moet worden tussen de veroordeelde en de medeveroordeelde, en gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd om een bedrag van € 590.479,95 aan de staat te betalen.

Daarnaast heeft de officier van justitie zich primair op het standpunt gesteld dat de overschrijding van de redelijke termijn niet moet leiden tot matiging van de op te leggen ontnemingsmaatregel, aangezien de overschrijding al in de onderliggende strafzaak is gecompenseerd. Subsidiair heeft de officier aangevoerd dat de betalingsverplichting van de veroordeelde met maximaal € 5.000,00 moet worden verminderd.

4. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering op nihil moet worden gesteld, dan wel moet worden gematigd, omdat de vordering ten onrechte is gebaseerd op een gemeenschappelijke financiële huishouding tussen de veroordeelde en de medeveroordeelde. Hierdoor wordt onvoldoende geconcretiseerd wat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde is. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat het reconstrueren van de financiële verhoudingen, de feitelijke besteding van geld en de herkomst daarvan sterk wordt bemoeilijkt door het tijdsverloop en dat dit niet voor rekening en risico van de veroordeelde mag komen.

Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat het vervolgprofijt niet (geheel) als wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden aangemerkt. Daartoe is aangevoerd dat onduidelijkheid bestaat over de omvang van de hypotheek en dat het rapport onvoldoende inzicht biedt in hoeveel op de hypotheek is afgelost en welk deel daarvan uit legale middelen is voldaan. Zonder een deugdelijke analyse kan de aankoopwaarde van de woning niet worden afgezet tegen de WOZ-waarde.

Meer subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel rekening moet worden gehouden met de draagkracht van de veroordeelde.

Tot slot heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het ontnemingsbedrag, vanwege de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn en het daaruit voortvloeiende nadeel voor de veroordeelde, met twintig procent moet worden gematigd.

5. De gronden voor de schatting van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Grondslag van de vordering

Op grond van artikel 36e, derde lid, Sr, kan op vordering van het openbaar ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

Bij vonnis van deze rechtbank van 9 december 2020 is de veroordeelde veroordeeld tot een gevangenisstraf van negentig maanden, waarbij - verkort en zakelijk weergegeven - is bewezenverklaard dat de veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan:

medeplegen van het invoeren van cocaïne van 1 mei 2017 tot en met 4 mei 2017;medeplegen van het invoeren van cocaïne van 7 mei 2017 tot en met 11 mei 2017;

medeplegen van voorbereidings- en bevorderingshandelingen van 1 juni 2017 tot en met 4 juni 2017;

medeplegen van het invoeren van cocaïne van 9 juni 2017 tot en met 13 juni 2017;medeplegen van het invoeren van cocaïne van 26 juli 2017 tot en met 30 juli 2017;medeplegen van het invoeren van cocaïne op 28 augustus 2017;medeplegen van voorbereidings- en bevorderingshandelingen van 1 november 2017 tot en met 3 november 2017;deelname aan een criminele organisatie van 1 mei 2017 tot en met 22 november 2017;voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III met patronen op 21 november 2017;medeplegen van witwassen van 1 januari 2014 tot en met 21 november 2017, meermalen gepleegd.

De volledige bewezenverklaring is in bijlage 1 bij dit vonnis opgenomen.

Dit zijn misdrijven die naar de wettelijke omschrijving worden bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie. Dit brengt mee dat een wettelijke grondslag aanwezig is voor de vordering van de officier van justitie jegens de veroordeelde ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op artikel 36e, derde lid, Sr.

De ontnemingsrapportage

Op 29 juli 2021 heeft de verbalisant [verbalisant], financieel rechercheur bij de eenheid Noord-Holland, Dienst Regionale Recherche, een rapport opgesteld betreffende het door de veroordeelde en de medeveroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit rapport zal hierna worden aangehaald als de ontnemingsrapportage. Bij het rapport zijn diverse bijlagen gevoegd, ontleend aan het dossier met betrekking tot de onderliggende strafzaak tegen de veroordeelde en de medeveroordeelde.

Uitgebreide kasopstelling

Omdat in het strafrechtelijk onderzoek geen zicht is verkregen op alle individuele transacties en strafrechtelijke activiteiten en de daarmee samenhangende opbrengsten, is in de ontnemingsrapportage gekozen voor een berekening aan de hand van een uitgebreide kasopstelling. In deze methode worden de totale uitgaven afgezet tegen de beschikbare legale gelden. Indien de totale uitgaven groter zijn dan de beschikbare legale gelden (met andere woorden; het uiteindelijke verschil negatief is), is sprake van onbekende ontvangsten met een verondersteld criminele herkomst (wederrechtelijk verkregen voordeel).

Periode

De rechtbank hanteert de in de ontnemingsrapportage genoemde onderzoeksperiode van 1 januari 2013 tot en met 21 november 2017.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de ontnemingsrapportage en de daarin vermelde onderliggende stukken en bijlagen. Daarnaast is die schatting mede gebaseerd op het vonnis in de strafzaak en op het onderzoek ter terechtzitting.

Financiële verwevenheid

De ontnemingsrapportage gaat uit van een gemeenschappelijke financiële huishouding tussen de veroordeelde en de medeveroordeelde. De rechtbank overweegt dat de veroordeelde en de medeveroordeelde (ex-)partners zijn, die van 2003 tot 2013 met elkaar gehuwd zijn geweest. Vanaf 2020 zijn zij weer op hetzelfde adres ingeschreven. In de onderzoeksperiode waren zij formeel van elkaar gescheiden, maar bestond er - nog steeds - een zeer grote mate van financiële verwevenheid. Immers, de veroordeelde en de medeveroordeelde hebben in de onderzoeksperiode gezamenlijk geld uitgegeven aan een zeer groot aantal gezamenlijke vakanties, merkkleding en een privéschool voor de kinderen. Daarnaast is de veroordeelde met regelmaat gesignaleerd bij de woning waar de medeveroordeelde ingeschreven staat, moest (blijkens tapgesprekken) zijn scooter in de garage kunnen staan en werd hij op de dag van zijn aanhouding (21 november 2017) in het bed van de medeveroordeelde aangetroffen. Op die dag was ook een foto van hen beiden op de telefoon van de medeveroordeelde als screensaver aangetroffen. Op die foto werd de veroordeelde door haar gezoend. Ook blijkt uit tapgesprekken dat gezamenlijk over allerhande gezinssituaties wordt gesproken, zoals de aanschaf van zonneschermen en de aankoop van kleding. Vanwege deze grote verwevenheid en het kennelijke voortduren van de -affectieve dan wel anderszins hechte- relatie kan geen onderscheid gemaakt worden tussen de verschillende geldstromen van beide veroordeelden. De verdediging heeft hiervoor ook geen aannemelijke en reële aanknopingspunten kunnen leveren. De overweging in het vonnis van de rechtbank waar zij zich op beroept ziet op de bewijsvraag ten aanzien van een deel van de witwasverdenking. Dit is een andere vraag waarbij ook andere bewijsregels gelden. Deze overweging doet dus niet af aan wat vastgesteld kan worden over de mate van financiële verwevenheid. Bij deze stand van zaken zal de rechtbank in het kader van de uitgebreide kasopstelling geen onderscheid maken tussen de inkomsten en uitgaven van beide veroordeelden.

Nu beide veroordeelden geen voldoende concrete en aannemelijke alternatieve bronnen van inkomsten hebben aangevoerd of de gestelde uitgaven hebben betwist, zal de rechtbank uitgaan van het wederrechtelijk verkregen voordeel zoals berekend in de ontnemingsrapportage.

De berekening, zoals weergegeven in de ontnemingsrapportage op pagina 6, is als volgt:

Contanten per 1-1-2013

€ 1.150,00

+/+

Banksaldo per 1-1-2013

€ 1.524,26

+/+

-/-

-/-

Uitgangspunt begin saldo per 1-1-2013

Legale ontvangsten

Contanten per 21-11-2017

Banksaldo per 21-11-2017

Feitelijke uitgaven banken

Feitelijke uitgaven bonnen en facturen

Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel

€ 29.491,97

€ 8.408,59

€ 2.674,26

€ 173.987,63

€ 37.900,56

€ 522.043,13

€ 497.678,11

- € 880.959,91

De rechtbank ziet geen aanleiding om rekening te houden met al dan niet uit legale middelen betaalde hypotheeklasten, nu dit vanwege de aard van de uitgebreide kasopstelling niet tot een andere berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan leiden.

Vervolgprofijt

De waardevermeerdering van de woning aan de [adres] te Haarlem kan als wederrechtelijk vervolgprofijt worden aangemerkt. De waardevermeerdering komt ten goede aan de eigenaar van de woning. Dit is de medeveroordeelde. Uit de bewezenverklaarde feiten blijkt dat zij op wederrechtelijke wijze eigenaar is geworden van de woning, namelijk door de inleg van crimineel geld en de via valsheid in geschrift verkregen hypotheek. Aldus kan de gehele waardestijging van de woning als vervolgprofijt worden aangemerkt. De rechtbank zal, anders dan in de ontnemingsrapportage, voor het vervolgprofijt uit de woning uitgaan van de WOZ-waarde op de peildatum 1 januari 2025. De WOZ-waarde van de woning bedroeg op die datum € 630.000,00, zodat de rechtbank in lijn met de geldende jurisprudentie uitgaat van een woningwaarde conform de WOZ-waarde. De woning is aangekocht voor een bedrag van € 330.000,00. Dit leidt ertoe dat het vervolgprofijt door de rechtbank wordt vastgesteld op € 630.000,00 - € 330.000,00 = € 300.000,00.

Dit maakt dat de rechtbank komt tot het volgende bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel:

Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel

Vervolgprofijt woning

Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel inclusief vervolgprofijt

€ 880.959,91

€ 300.000,00

€ 1.180.959.91

Verdediging geschaad door tijdsverloop?

De rechtbank merkt nog op dat de verdediging niet concreet aannemelijk heeft gemaakt dat de veroordeelde in zijn verdediging is geschaad, zodat het door de raadsman gevoerde verweer dat het reconstrueren van de financiële verhoudingen door het tijdsverloop bemoeilijkt wordt, wordt verworpen. De ontnemingsrapportage dateert uit 2021, waardoor de veroordeelde voldoende gelegenheid heeft gehad om aannemelijk te maken dat de door middel van de kasopstelling vastgestelde onverklaarbare ontvangsten niet of niet volledig hun oorsprong vinden in feiten als bedoeld in artikel 36e Sr, dan wel anderszins niet als voordeel in de zin van die bepaling kunnen gelden.

Verdeling

De rechtbank is van oordeel dat, bij gebrek aan aanknopingspunten voor een andere verdeling, het wederrechtelijk verkregen voordeel pondsgewijs moet worden verdeeld tussen de veroordeelde en de medeveroordeelde. Hierdoor wordt het wederrechtelijk verkregen voordeel voor de veroordeelde vastgesteld op (€ 1.180.959.91 / 2) = € 590.479,95.

6. De verplichting tot betaling

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de maatregel ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel moet worden opgelegd.

Overschrijding van de redelijke termijn

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) het recht van iedere betrokkene is gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem een ontnemingsvordering aanhangig zal worden gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn in de onderhavige zaak is aangevangen op 6 november 2020, de datum waarop het Openbaar Ministerie heeft aangekondigd een ontnemingsvordering tegen de veroordeelde aanhangig te maken. De rechtbank wijst op 23 maart 2026 vonnis in de ontnemingszaak, oftewel ruim vijf jaar en vier maanden na aanvang van de redelijke termijn.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

De rechtbank is van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn niet (geheel) aan de veroordeelde valt toe te rekenen. Ook anderszins is niet gebleken van dusdanige bijzondere omstandigheden dat van het uitgangspunt van twee jaar moet worden afgeweken. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden met ruim drie jaar en vier maanden.

Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank aanleiding om de overschrijding van de termijn te compenseren door vermindering van de betalingsverplichting van de veroordeelde.

De rechtbank zal daarom het ontnemingsbedrag met € 10.000,00 verminderen. Het door veroordeelde te betalen bedrag wordt daarmee vastgesteld op € 580.479,95.

Draagkracht

De verdediging heeft bepleit de hoogte van de betalingsverplichting te matigen vanwege de leeftijd van de veroordeelde, zijn medische en persoonlijke omstandigheden en zijn zeer beperkte actuele en te verwachten financiële draagkracht. De raadsman heeft aangevoerd dat de veroordeelde in 2017 een hartaanval heeft gehad en heeft een medicatielijst overgelegd ter onderbouwing van zijn medische situatie.

De rechtbank verwerpt dit verweer, omdat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat de gezondheid van de veroordeelde van zodanige aard is dat hij nu of in de toekomst over onvoldoende financiële draagkracht zal beschikken om aan een hem op te leggen betalingsverplichting te voldoen.

7. Toepasselijke wettelijke bepaling

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

8. Beslissing

De rechtbank:

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op

€ 590.479,95 (zegge: vijfhonderdnegentigduizend vierhonderdnegenenzeventig euro en vijfennegentig cent).

Legt aan [veroordeelde] op de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 580.479,95 (zegge: vijfhonderdtachtigduizend vierhonderdnegenenzeventig euro en vijfennegentig cent), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.

Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.A. Hesselink, voorzitter,

mr. I.A.M. Tel en mr. H.P.H.I. Cleerdin, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier, mr. D. Koppe,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 maart 2026.

Bijlage 1

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair, 2

primair, 3 subsidiair, 4 primair, 5 primair, 6 primair, 7, 9, 10 en 11 ten laste gelegde feiten

heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1

Primair

hij in de periode van 1 mei 2017 tot en met 4 mei 2017 te Haarlem en Hoofddorp en

Schiphol (gemeente Haarlemmermeer) en Zwanenburg,

tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk een onbekende hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, (zulks) al dan niet op een wijze zoals

bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet;

Feit 2

Primair

hij in de periode van 7 mei 2017 tot en met 11 mei 2017 te Hoofddorp en Schiphol

(gemeente Haarlemmermeer),

tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk een hoeveelheid van in totaal ongeveer 19.087,2 gram van een materiaal

bevattende cocaïne,

binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, (zulks) al dan niet op een wijze zoals

bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet;

Feit 3

Subsidiair

hij in de periode van 1 juni 2017 tot en met 19 juni 2017 te Schiphol (gemeente

Haarlemmermeer),

tezamen en in vereniging met anderen

om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid (in totaal

ongeveer 14.989,6 gram) cocaïne, voor te bereiden en te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft

getracht te verschaffen en

- vervoermiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte (en zijn mededader(s))

wist(en) dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit

immers is/zijn dan wel heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) daartoe

- ( meermalen) met elkaar (telefonisch) contact gelegd en/of onderhouden en

- ( meermalen) aan/van elkaar informatie verstrekt en/of ontvangen over (het vluchtnummer

van) het vliegtuig waarmee de cocaïne binnen het Nederlands grondgebied is dan wel zou

worden gebracht en

- ( meermalen) aan/van elkaar informatie verstrekt en/of ontvangen en/of overleg gehad over

de wijze en de dag en het tijdstip waarop de cocaïne uit het vliegtuig en het beschermde

gebied van luchthaven Schiphol moest worden gehaald/gebracht en

- ( meermalen) (telefonisch) informatie verstrekt en/of instructie(s) en/of een foto gegeven

en/of verstuurd en/of informatie en/of instructie(s) en/of een foto ontvangen ten behoeve van

het voorgenomen (verdere) vervoer van de cocaïne en

- ( meermalen) aan/van elkaar informatie verstrekt en/of ontvangen over de verdere

bewegingen op de luchthaven Schiphol van het vliegtuig waarmee de cocaïne binnen het

Nederlands grondgebied is dan wel zou worden gebracht en

- vervoermiddelen (waaronder een Mulag trekker en een bagagetrekker en Bellyband

voorhanden gehad en/of gebruikt en/of aan elkaar verschaft en

- ( meermalen) buiten zijn/hun ingeplande diensttijden aanwezig geweest op het beveiligde

gebied van luchthaven Schiphol en

- ( meermalen) polshoogte gaan nemen bij de opstelplaats en/of loods van het vliegtuig waar

de cocaïne in zat dan wel heeft gezeten en

- ( meermalen) aan/van elkaar en/of een ander of anderen informatie verstrekt en/of

ontvangen over de (mate van) (douane-)beveiliging rondom het vliegtuig waarmee de

cocaïne binnen het Nederlands grondgebied is dan wel zou worden gebracht en

- het vrachtruim ingegaan van het vliegtuig waar de cocaïne in heeft gezeten om de daarin

niet meer aanwezige tas(sen) met) cocaïne eruit te halen;

Feit 4

Primair

hij in de periode van 9 juni 2017 tot en met 13 juni 2017 te Hoofddorp en Schiphol

(gemeente Haarlemmermeer),

tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk een hoeveelheid van in totaal ongeveer 2.883 gram van een materiaal bevattende

cocaïne,

binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, (zulks) al dan niet op een wijze zoals

bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet;

Feit 5

Primair

hij in de periode van 26 juli 2017 tot en met 30 juli 2017 te Schiphol (gemeente

Haarlemmermeer),

tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk een hoeveelheid van 1.451,4 gram van een materiaal bevattende cocaïne,

binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, (zulks) al dan niet op een wijze zoals

bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet;

Feit 6

Primair

hij op 28 augustus 2017 te Haarlem en Schiphol (gemeente Haarlemmermeer),

tezamen en in vereniging met een ander,

opzettelijk een onbekende hoeveelheid van een materiaal bevattende een middel genoemd op

de bij de Opiumwet behorende lijst I,

binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, (zulks) al dan niet op een wijze zoals

bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet;

Feit 7

hij in de periode van 1 november 2017 tot en met 3 november 2017 in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen,

om een feit, bedoeld in vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk

binnen het grondgebied van Nederland brengen van een onbekende hoeveelheid van (een)

middel(en) genoemd op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te

bevorderen,

- zich en/of anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit

getracht heeft te verschaffen en

- gelden voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte (en zijn mededader(s)) wist(en) dat

zij bestemd waren tot het plegen van dat dat feit,

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (daartoe)

- ( meermalen) met elkaar (telefonisch) contact gelegd en onderhouden en

- aan/van elkaar informatie verstrekt en/of ontvangen over (het vluchtnummer van) het

vliegtuig waarmee voornoemd(e) verdovend(e) middel(en) binnen het Nederlands

grondgebied zou(den) worden gebracht en

- aan/van elkaar informatie verstrekt en/of ontvangen over het regelen en/of de benodigde

betaling van/voor een vrachtauto en chauffeur en

- voor het regelen van voornoemde vrachtauto en chauffeur een geldbedrag ontvangen of

betaald en

- aan/van elkaar informatie verstrekt en/of ontvangen en/of overleg gehad over de wijze en

de datum waarop voornoemd(e) verdovend(e) middel(en) uit het beschermde gebied van de

luchthaven Schiphol moest(en) worden gebracht en

- ( meermalen) afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten en ontmoetingen gehad ten

behoeve van de (verdere) invoer van voornoemd(e) verdovend(e) middel(en);

Feit 9

hij in de periode van 1 mei 2017 tot en met 22 november 2017 te Haarlem en Zwanenburg en

Hoofddorp en Schiphol (gemeente Haarlemmermeer),

heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk heeft het plegen van

misdrijven als bedoeld in:

- artikel 2 onder A jo. artikel 10 vijfde lid, van de Opiumwet en

- artikel 2 onder A jo. artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet;

Feit 10

hij op 21 november 2017 te Haarlem,

een geladen vuurwapen van categorie III, te weten een Smith & Wesson kaliber .38 Special

en munitie van categorie III, te weten zeven (7) en éénenveertig (41) (S&B) .38 Special

(9mm) patronen, voorhanden heeft gehad;

(15/871320-16: onderzoek Anijs)

Feit 11

hij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 21 november 2017, te Haarlem,

tezamen en in vereniging met een ander,

telkens een voorwerp, te weten

- een woonhuis cum annexis, staande en gelegen te [adres],

kadastraal bekend gemeente Haarlem II, sectie Y, nummer 1845, groot twee are en

tweeëndertig centiare (2 a 32 ca) en een perceel tuingrond, gelegen te [adres]

, kadastraal bekend gemeente Haarlem II, sectie Y, nummer 1943, groot

drieënvijftig centiare (53 ca) en

- een motorvoertuig van het merk Audi (model RS6 met kenteken [kenteken])

heeft verworven, voorhanden gehad en van die voorwerpen gebruik heeft gemaakt,

en

de werkelijke herkomst heeft verhuld,

terwijl hij, verdachte, telkens wist, dat dit voorwerp - middellijk - afkomstig was uit enig

misdrijf.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?