RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/871950-16 (ontneming) (P)
Uitspraakdatum : 23 maart 2026
Vonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
Deze beslissing heeft betrekking op de vordering van de officier van justitie d.d. 18 maart 2022 ten aanzien van de feiten in de zaak onder bovenstaand parketnummer, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de zaak tegen:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres], 2036NR in Haarlem.
hierna: de veroordeelde.
1. De vordering
De officier van justitie heeft bij vordering van 18 maart 2022 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, Sr zal vaststellen op € 975.959,00 en dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De vordering is gebaseerd op artikel 36e, derde lid, Sr. Volgens de officier van justitie is het aannemelijk dat de feiten waarvoor de veroordeelde bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 4 november 2022 is veroordeeld of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen.
2. Het verloop van de procedure
Bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen de veroordeelde is op 6 november 2020 ter terechtzitting medegedeeld dat de officier van justitie voornemens is een ontnemingsvordering in te dienen. Bij vonnis van 9 december 2020 is de veroordeelde vervolgens veroordeeld wegens onder andere medeplegen van witwassen. Het arrest is onherroepelijk geworden bij arrest van de Hoge Raad van 27 juni 2023.
Op 18 maart 2022 heeft de officier van justitie de ontnemingsvordering aanhangig gemaakt. Op 16 augustus 2022 heeft vervolgens een regiezitting plaatsgevonden. Het onderzoek ter terechtzitting is onderbroken en op 29 augustus 2022 hervat. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak vervolgens aangehouden voor onbepaalde tijd en heeft termijnen afgesproken in verband met de schriftelijke voorbereiding van de ontnemingszaak.
De rechtbank heeft kennis genomen van de in het kader van de schriftelijke voorbereiding tussen de officier van justitie en de raadsman van veroordeelde gewisselde conclusies.
Op 20 november 2025 heeft een tweede regiezitting plaatsgevonden, waarna de zaak op 4 december 2025 opnieuw is aangehouden voor onbepaalde tijd.
Op 9 maart 2026 is de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting van de vordering voortgezet. Daarbij zijn gehoord de officier van justitie, mr. A. Hof, en de gemachtigde raadsman van de veroordeelde, mr. R. Bruinsma, advocaat te Amsterdam. De vordering tegen [medeveroordeelde] (hierna: de medeveroordeelde) is telkens gelijktijdig behandeld. Vervolgens is het onderzoek gesloten en is de uitspraak bepaald op 23 maart 2026.
3. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering gewijzigd, in die zin dat het door de veroordeelde en de medeveroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel onverkort wordt geschat op een bedrag van € 880.959,91, maar het geschatte vervolgprofijt door tijdsverloop wordt verhoogd naar € 300.000,00. Het totale bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel wordt daarmee geschat op € 1.180.959,91. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit totale bedrag pondsgewijs verdeeld moet worden tussen de veroordeelde en de medeveroordeelde, en gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd om een bedrag van € 590.479,95 aan de staat te betalen. Daarnaast heeft de officier van justitie zich primair op het standpunt gesteld dat de overschrijding van de redelijke termijn niet moet leiden tot matiging van de op te leggen ontnemingsmaatregel, aangezien de overschrijding al in de onderliggende strafzaak is gecompenseerd. Subsidiair heeft de officier aangevoerd dat de betalingsverplichting van de veroordeelde met maximaal € 5.000,00 moet worden verminderd.
4. Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering gematigd moet worden, omdat er geen sprake is van een economische eenheid tussen de veroordeelde en de medeveroordeelde.
Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering gematigd moet worden, omdat het niet aannemelijk is dat de veroordeelde voor het totale bedrag van de ontnemingsvordering is verrijkt.
Tot slot heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het ontnemingsbedrag, vanwege de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn en het daaruit voortvloeiende nadeel voor de veroordeelde, met meer dan tien procent moet worden gematigd.
5. De gronden voor de schatting van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Grondslag van de vordering
Op grond van artikel 36e, derde lid, Sr, kan op vordering van het openbaar ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 4 november 2022 is de veroordeelde veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarbij - verkort en zakelijk weergegeven - is bewezenverklaard dat de veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan:
medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift van 1 maart 2015 tot en met 10 juli 2015, meermalen gepleegd;
medeplegen van witwassen van 1 januari 2014 tot en met 21 november 2017, meermalen gepleegd.
De volledige bewezenverklaring is in bijlage 1 bij dit vonnis opgenomen.
Dit zijn misdrijven die naar de wettelijke omschrijving worden bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie. Dit brengt mee dat een wettelijke grondslag aanwezig is voor de vordering van de officier van justitie jegens de veroordeelde ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op artikel 36e, derde lid, Sr.
De ontnemingsrapportage
Op 29 juli 2021 heeft de verbalisant [verbalisant], financieel rechercheur bij de eenheid Noord-Holland, Dienst Regionale Recherche, een rapport opgesteld betreffende het door de veroordeelde en de medeveroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit rapport zal hierna worden aangehaald als de ontnemingsrapportage. Bij het rapport zijn diverse bijlagen gevoegd, ontleend aan het dossier met betrekking tot de onderliggende strafzaak tegen de veroordeelde en de medeveroordeelde.
Uitgebreide kasopstelling
Omdat in het strafrechtelijk onderzoek geen zicht is verkregen op alle individuele transacties en strafrechtelijke activiteiten en de daarmee samenhangende opbrengsten, is in de ontnemingsrapportage gekozen voor een berekening aan de hand van een uitgebreide kasopstelling. In deze methode worden de totale uitgaven afgezet tegen de beschikbare legale gelden. Indien de totale uitgaven groter zijn dan de beschikbare legale gelden (met andere woorden; het uiteindelijke verschil negatief is), is sprake van onbekende ontvangsten met een veronderstelde criminele herkomst (wederrechtelijk verkregen voordeel).
Periode
De rechtbank hanteert de in de ontnemingsrapportage genoemde onderzoeksperiode van 1 januari 2013 tot en met 21 november 2017.
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de ontnemingsrapportage en de daarin vermelde onderliggende stukken en bijlagen. Daarnaast is die schatting mede gebaseerd op het vonnis in de strafzaak en op het onderzoek ter terechtzitting.
Financiële verwevenheid
De ontnemingsrapportage gaat uit van een gemeenschappelijke financiële huishouding tussen de veroordeelde en de medeveroordeelde. De rechtbank overweegt dat de veroordeelde en de medeveroordeelde (ex-)partners zijn, die van 2003 tot 2013 met elkaar gehuwd zijn geweest. Vanaf 2020 zijn zij weer op hetzelfde adres ingeschreven. In de onderzoeksperiode waren zij formeel van elkaar gescheiden, maar bestond er - nog steeds - een zeer grote mate van financiële verwevenheid. Immers, de veroordeelde en de medeveroordeelde hebben in de onderzoeksperiode gezamenlijk geld uitgegeven aan een zeer groot aantal gezamenlijke vakanties, merkkleding en een privéschool voor de kinderen. Daarnaast is de medeveroordeelde met regelmaat gesignaleerd bij de woning waar de veroordeelde ingeschreven staat, moest (blijkens tapgesprekken) zijn scooter in de garage kunnen staan en werd de medeveroordeelde op de dag van hun aanhouding (21 november 2017) in het bed van de veroordeelde aangetroffen. Op die dag was ook een foto van hen beiden op de telefoon van de veroordeelde als screensaver aangetroffen. Op die foto werd de medeveroordeelde door haar gezoend. Ook blijkt uit tapgesprekken dat gezamenlijk over allerhande gezinssituaties wordt gesproken, zoals de aanschaf van zonneschermen en de aankoop van kleding. Vanwege deze grote verwevenheid en het kennelijke voortduren van de -affectieve dan wel anderszins hechte- relatie kan geen onderscheid gemaakt worden tussen de verschillende geldstromen van beide veroordeelden. De verdediging heeft hiervoor ook geen aannemelijke en reële aanknopingspunten kunnen leveren. De overweging in het vonnis van de rechtbank waar zij zich op beroept ziet op de bewijsvraag ten aanzien van een deel van de witwasverdenking. Dit is een andere vraag waarbij ook andere bewijsregels gelden. Deze overweging doet dus niet af aan wat vastgesteld kan worden over de mate van financiële verwevenheid. Bij deze stand van zaken zal de rechtbank in het kader van de uitgebreide kasopstelling geen onderscheid maken tussen de inkomsten en uitgaven van beide veroordeelden.
Nu beide veroordeelden geen voldoende concrete en aannemelijke alternatieve bronnen van inkomsten hebben aangevoerd of de gestelde uitgaven hebben betwist, zal de rechtbank uitgaan van het wederrechtelijk verkregen voordeel zoals berekend in de ontnemingsrapportage.
De berekening, zoals weergegeven in de ontnemingsrapportage op pagina 6, is als volgt:
Contanten per 1-1-2013
€ 1.150,00
+/+
Banksaldo per 1-1-2013
€ 1.524,26
+/+
-/-
-/-
Uitgangspunt begin saldo per 1-1-2013
Legale ontvangsten
Contanten per 21-11-2017
Banksaldo per 21-11-2017
Feitelijke uitgaven banken
Feitelijke uitgaven bonnen en facturen
Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel
€ 29.491,97
€ 8.408,59
€ 2.674,26
€ 173.987,63
€ 37.900,56
€ 522.043,13
€ 497.678,11
- € 880.959,91
Vervolgprofijt
De waardevermeerdering van de woning aan de [adres] te Haarlem kan als wederrechtelijk vervolgprofijt worden aangemerkt. De waardevermeerdering komt ten goede aan de eigenaar van de woning. Dit is de veroordeelde. Uit de bewezenverklaarde feiten blijkt dat zij op wederrechtelijke wijze eigenaar is geworden van de woning, namelijk door de inleg van crimineel geld en de via valsheid in geschrift verkregen hypotheek. Aldus kan de gehele waardestijging van de woning als vervolgprofijt worden aangemerkt. De rechtbank zal, anders dan in de ontnemingsrapportage, voor het vervolgprofijt uit de woning uitgaan van de WOZ-waarde op de peildatum 1 januari 2025. De WOZ-waarde van de woning bedroeg op die datum € 630.000,00, zodat de rechtbank in lijn met de geldende jurisprudentie uitgaat van een woningwaarde conform de WOZ-waarde. De woning is aangekocht voor een bedrag van € 330.000,00. Dit leidt ertoe dat het vervolgprofijt door de rechtbank wordt vastgesteld op € 630.000,00 - € 330.000,00 = € 300.000,00.
Dit maakt dat de rechtbank komt tot het volgende bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel:
Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel
Vervolgprofijt woning
Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel inclusief vervolgprofijt
€ 880.959,91
€ 300.000,00
€ 1.180.959.91
Verdeling
De rechtbank is van oordeel dat, bij gebrek aan aanknopingspunten voor een andere verdeling, het wederrechtelijk verkregen voordeel pondsgewijs moet worden verdeeld tussen de veroordeelde en de medeveroordeelde. De rechtbank merkt op dat niet relevant is dat de veroordeelde niet is veroordeeld voor de Opiumwetfeiten die volgens haar raadsman als gronddelict moeten worden beschouwd. Hierdoor wordt het wederrechtelijk verkregen voordeel voor de veroordeelde vastgesteld op (€ 1.180.959.91 / 2 =) € 590.479,95.
6. De verplichting tot betaling
De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de maatregel ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel moet worden opgelegd.
Overschrijding van de redelijke termijn
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) het recht van iedere betrokkene is gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen haar een ontnemingsvordering aanhangig zal worden gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn in de onderhavige zaak is aangevangen op 6 november 2020, de datum waarop het Openbaar Ministerie heeft aangekondigd een ontnemingsvordering tegen de veroordeelde aanhangig te maken. De rechtbank wijst op 23 maart 2026 vonnis in de ontnemingszaak, oftewel ruim vijf jaar en vier maanden na aanvang van de redelijke termijn.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
De rechtbank is van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn niet aan de veroordeelde valt toe te rekenen. Ook anderszins is niet gebleken van dusdanige bijzondere omstandigheden dat van het uitgangspunt van twee jaar moet worden afgeweken. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden
met ruim drie jaar en vier maanden.
Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank aanleiding om de overschrijding van de termijn te compenseren door vermindering van de betalingsverplichting van de veroordeelde.
De rechtbank zal daarom het ontnemingsbedrag met € 10.000,00 verminderen. Het door veroordeelde te betalen bedrag wordt daarmee vastgesteld op € 580.479,95.
7. Toepasselijke wettelijke bepaling
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.
8. Beslissing
De rechtbank:
Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 590.479,95 (zegge: vijfhonderdnegentigduizend vierhonderdnegenenzeventig euro en vijfennegentig cent).
Legt aan [veroordeelde] op de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 580.479,95 (zegge: vijfhonderdtachtigduizend vierhonderdnegenenzeventig euro en vijfennegentig cent), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. P.A. Hesselink, voorzitter,
mr. I.A.M. Tel en mr. H.P.H.I. Cleerdin, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier, mr. D. Koppe,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 maart 2026.
Bijlage 1
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Feit 1
zij op tijdstippen in de periode van 1 maart 2015 tot en met 10 juli 2015 te Haarlem en/of te Almere, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander,
telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van en opzettelijk heeft afgeleverd een valse
werkgeversverklaring en valse salarisspecificaties en een valse vaststellingsovereenkomst, zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware het echt en onvervalst,
bestaande die valsheden hierin dat in strijd met de waarheid:
- die werkgeversverklaring is (of zou zijn) opgemaakt door [naam 1] en/of
[naam 2] en
- die werkgeversverklaring namens de werkgever is ondertekend door [naam 1] en
- in die werkgeversverklaring staat vermeld dat zij vanaf 1 september 2014 in loondienst was
en werkzaam was als medewerker juridische zaken bij [bedrijf 1] en een bruto
jaarsalaris ontving van € 47.982,- en een vakantietoeslag van € 3.838,56, terwijl geen sprake
was van enig dienstverband en loon voor geleverde arbeid en
- op één van die salarisspecificaties staat vermeld dat zij in de maand februari 2015 vanuit een dienstverband bij [bedrijf 1] een bruto maandsalaris ontving van € 3.998,50 en een netto loon van € 1.995,31, terwijl geen sprake was van enig dienstverband en loon voor geleverde arbeid en
- op één van die salarisspecificaties staat vermeld dat zij in de maand maart 2015 vanuit een dienstverband bij [bedrijf 1] een bruto maandsalaris ontving van € 3.998,50 en een netto maandsalaris van € 2.616,53, terwijl geen sprake was van enig dienstverband en
loon voor geleverde arbeid en
- in die vaststellingsovereenkomst staat vernield dat zij vanaf 1 mei 2014 een arbeidsovereenkomst had met [bedrijf 2] en een bruto maandsalaris ontving van
€ 4.500,- en dat er een arbeidsrechtelijk geschil is ontstaan tussen [bedrijf 2] en
de verdachte en dat dit heeft geleid tot een verstoring van de arbeidsrelatie en de
arbeidsovereenkomst per 31 juli 2014 eindigde en dat zij in het kader van de beëindiging van
de arbeidsovereenkomst een bruto ontslagvergoeding van € 28.850,- (netto neerkomend op
€ 15.002,-) zou ontvangen, terwijl geen sprake was van enig dienstverband of arbeidsovereenkomst en/of loon voor geleverde arbeid,
bestaande dat gebruik maken en/of afleveren en/of voorhanden hebben hierin dat zij en/of haar mededader die werkgeversverklaring en die salarisspecificaties en die vaststellingsovereenkomst heeft/hebben verstrekt aan [bedrijf 3] met tussenkomst van de hypotheekadviseur [hypotheekadviseur 1] en/of [hypotheekadviseur 2] teneinde een hypotheekofferte bij [bedrijf 3] te verkrijgen en een hypothecaire geldlening te doen verstrekken door [bedrijf 3] ter hoogte van € 220.000,-,
terwijl zij telkens wist dat die werkgeversverklaring en die salarisspecificaties en
vaststellingsovereenkomst bestemd waren tot gebruik als ware deze geschriften telkens echt en onvervalst;
Feit 2
zij in of omstreeks de periode van 1januari2014 tot en met 21 november 2017 te Haarlem, in
ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens één of meer
voorwerpen, te weten:
- een woonhuis cum annexis, staande en gelegen te 2036 NR te Haarlem, [adres],
kadastraal bekend gemeente Haarlem II, sectie Y, nummer 1845, groot twee are en
tweeëndertig centiare (2 a 32 ca) en/of een perceel tuingrond, gelegen te Haarlem,
[adres], kadastraal bekend gemeente Haarlem II, sectie Y, nummer 1943, groot
drieënvijftig centiare (53 ca) en
- geldbedragen van in totaal € 110 000 ([bedrijf 4]) en
- geldbedragen van in totaal € 28 128 ([bedrijf 1]) en
- geldbedragen van in totaal € 16.293 ([bedrijf 5].) en
- geldbedragen van in totaal € 67.173,62 ([bedrijf 6]) en
- een motorvoertuig van het merk Audi (model S4 met kenteken [kenteken]),
heeft verworven, voorhanden gehad en/of omgezet en/of van die voorwerpen gebruik heeft
gemaakt, en/of de werkelijke herkomst heeft verhuld, terwijl zij, verdachte, telkens wist, dat
deze voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.